XII. BETJESMOE VERTELT, EN DUIMELIENTJE STAPT DE WIJDE WERELD IN

Betjesmoe zat in de mangelkamer te naaien. Ze zou den heelen dag in de

Duiventil blijven, omdat Geesje, de naaister, onverwacht ziek was

geworden, en er een groote hoop verstelgoed lag. Betjesmoe, die vroeger

verstelnaaister was geweest, vond ’t erg prettig Mevrouw Canneheuvel

van dienst te kunnen zijn. Ze hield veel van verstellen en stoppen,

deed ’t bovendien keurig netjes met behulp van haar trouwe kameraad, de

hoornen bril met groote glazen. Dan was ’t ook erg gezellig zoo’n

heelen dag hier in huis te zijn, waar de kinderen bij haar kwamen

binnen loopen, terwijl zij er bepaald van genoot met z’en vieren in de

keuken aan tafel te zitten. Als je altijd alleen eet, waardeer je een

praatje aan tafel dubbel. Bet had haar pas een lekker kopje thee

gebracht, en terwijl ze er van zat te genieten, bedacht Betjesmoe voor

den zooveelsten keer bij wat een beste menschen haar Bet toch diende,

en hoe goed en lief ze ook altijd voor Bets moeder waren. „’t Zou Bet

haar leven lang aan niets ontbreken,” had Mevrouw Canneheuvel Betjesmoe

nog onlangs verzekerd. Dat vond de oude vrouw een rustig idee; want al

bleef ze kras voor haar leeftijd, de oude dag was er al lang, en ze kon

’t best merken ook, dat die er was. Eén en tachtig jaar werd ze al

gauw, een gezegende leeftijd! Ieder jaartje mag dan met recht een

toegiftje heeten.

„Iedereen zijn uurtje moet komen, maar als ’t mijne er is en ik moet

Bet achter laten, is ’t toch een heele troost, te bedenken, dat ze een

boel overhoudt. De familie hier is net zoo goed als eigen, en ze zullen

mijn Bet nooit in den steek laten,” bedacht Betjesmoe weltevreden. Zij

zette haar kopje neer, en ging weer ijverig aan ’t stoppen. Ze was al

aardig opgeschoten, zoo goed als klaar met ’t huishoudgoed. Nou nog de

kinderkleeren, dat was meest knoopen en bandjes aanzetten.

’t Leek een heele hoop, maar ’t viel altijd mee. Die kleine dot van een

Duimelientje was er nou ook nog bij gekomen, en ze maakte aardig wat

vuil, dat kleine ding!

„Als je aan de zon denkt, dan voel je de warmte,” had Betjesmoe kunnen

zeggen, want daar ging de deur open, en Duimelientje druddelde binnen,

door Sarina gevolgd. „Dag kindertjes,” sprak Betjesmoe, „komen jullie

me een beetje helpen naaien?”

Sarina scheen Betjesmoe best te begrijpen, want ze haalde een

vingerhoed te voorschijn, ging met gekruiste beenen op den grond

zitten, en trok een schortje van Duimelientje naar zich toe om er

nieuwe knoopjes aan te zetten.

„Betjesmoe moet Duimelientje vertellen,” zei ’t kleine ding. „Bet zegt,

dat kan jij mooi, Bet hebt Suusje getuurd.”

„Zoo liefje, kom dan maar gezellig bij me zitten op die stoof. Waarvan

moet ik vertellen, poes?”

„Dat weet ikke niet.”

„Nou luister dan maar. ’t Verhaal heet: „Luie Doortje.”

„Er was eens een klein meisje, dat altijd slaap had. Als ze knorren

kreeg, en iedereen riep: „foei, wat is die Doortje toch lui,” dan zei

Doortje: „Hé, als ik maar eens duizend jaar mocht slapen, dan bleef ik

verder mijn leven lang wakker.”

„Is duizend een boel?” informeerde Duimelientje.

„Nou, heel wat meer dan een klein beetje,” knikte Betjesmoe, en

vervolgde: „Doortje werd hoe langer hoe luier, en deed den heelen dag

niet anders dan gapen. Eindelijk kwam er een toovenaar, en die zei:

„Laat dat kind maar duizend jaar slapen,” en zoo gebeurde het.”

„En toen?” vroeg Zonnetje met schitterende oogjes.

„Wel, na duizend jaar werd Doortje weer wakker, en nou leek ze heusch

voor goed uitgeslapen. Maar och heden! wat was er veel in dien tijd

gebeurd. Alles stond onderste boven. Alle menschen en kinderen liepen

op hun hoofd, Doortje was de eenige, die op twee voeten ging, en de

straatjongens jouwden haar uit.

„In plaats van lekkere groenten en aardbeien en appels, at iedereen

gras, en in plaats van in hun bed, sliepen de menschen in de boomen. De

dieren sliepen en woonden in de huizen. Poesen lagen lekker in de

veeren bedjes met hun koppeke in ’t kussen, en de hondjes zaten netjes

aan tafel, en aten aardappeltjes met vette sjus.”

„Dat mag Terry niet,” wist Duimelientje.

„Ja maar over duizend jaar mag hij ’t wel,” vertelde Betjesmoe. „Maar

weet je wat ’t mooiste van alles was? De menschen hadden

dierenvelletjes, en de dieren droegen keurige witte, roode en blauwe

rokjes en broekjes; zelfs de vogels hadden hansopjes aan.”

„Zonnetje wil dat allemaal ook zien,” viel Duimelientje in, „ikke wilt

ook duizeld jaar slapen.”

Nou Doortje had er anders erg veel spijt van, en riep maar: „O was ik

toch maar niet zoo lui geweest, en had ik maar nooit duizend jaar

geslapen....”

Sarina, die de gong gehoord had, stond op, en waarschuwde: „’t Eten is

al klaar Duimelientje, ga je mee?”

„Nee, ik gaat niet mee,” verklaarde de jongejuffrouw vastberaden,

„Betjesmoe moet verdel vertellen.”

„Nee liefie, dat kan niet, een volgend keer vertelt Betjesmoe hoe ’t

afliep.”

„Ik komt morge bij jou op vilsite, en dan....”

Doch nu droeg Sarina ’t kleintje weg, en Betjesmoe moest lachen,

terwijl ze aan Duimelientjes parmantige mededeeling dacht. Van die

„vilsite” zou niet veel komen, en morgen was Zonnetje haar belofte al

weer schoon vergeten. Maar ze kende Duimelientje nog niet, nog lang

niet, hoor!

In de Duiventil heerschte den volgenden morgen groote schrik en

ontsteltenis, Duimelientje was nergens te vinden. Iedereen had op de

gekste plaatsjes naar Zonnetje gezocht, tot onder ’t fornuis in de

keuken toe. Voor de doofpot was ze toch heusch te groot. Ook bij de

buren wist niemand iets van Duimelientje af; van moeders Schitteroogje

was niets en niemendal te vinden. „Duimelientje is vast den weg

opgeloopen,” verklaarde Basje, „en Terry is er ook van door. Als hij

thuis komt, moet hij direct aan ’t zoeken, hij vindt haar natuurlijk

subiet.” Sarina wrong haar handen, en was op huilen af. Hoe kon nonnie

op eens verdwenen zijn? Ze had haar nog pas door de gang zien

dribbelen. „Maak je niet zoo overstuur, Sarina,” zei Basje.

„Dwergpootje komt vast terecht.” Sarina wilde van geen troost weten, en

Ajoe was ook erg ontsteld, en riep: „Waar ben je dan toch, Zonnetje?

Straks hebben ze je nog gestolen, en wat moet je moeder dan beginnen?”

Had Zonnetje kunnen weten, dat Maatje zoo over haar in angst zat, dan

zou ze wel weer gauw naar huis zijn gedribbeld. Maar ’t juffertje had

haar heele lieve familie schoon vergeten.

Een kwartiertje geleden was ze de deur uitgeloopen, die Marietje open

had laten staan. ’t Zonnetje scheen zoo lekker, Duimelientje kreeg op

eens lust om de wijde wereld in te gaan. Ze zou Betjesmoe de „vilsite”

gaan brengen, en verder hooren van luie Doortje.

Klein Saartje, Suusjes lievelingspop, die ze altijd in haar armen

droeg, ging mee. Saartje had een schraal, bleek gezoend gezichtje met

starre oogen en stijl overeind staand haar, waarvan niet veel meer over

was. Eric en Tobi vonden Saartje een vies kind, maar durfden dit

Duimelientje niet te zeggen, want die was dol en dol op haar leelijke

dochter.

Met Saartje dus wandelde Zonnetje zielsvergenoegd verder, op ’t pad

waar geen voertuigen mogen komen, en liep dus geen gevaar. Duimelientje

sloeg een hoekje om, ging een eindje recht uit, weer een hoekje om, en

vond, dat ze nu haast wezen moest bij Betjesmoes’ huis. Maar daar op

eens was ze weer thuis, de deur stond nog open. „Ikke gaat maar weer

naar huis,” dacht de dreumes. Dus stapte ze binnen, en liep ’t kleine

kamertje in naast de voordeur. Op den grond zat net zoo’n klein meisje

als Zonnetje zelf was. ’t Meisje stond vlug op, en de peuters bleven

elkaar staan aanstaren.

„Kom jij op visite?” vroeg de gastvrouw.

„Ja,” riep Duimelientje verheugd. Ze hield Saartje aan ’t andere meisje

voor, en voegde er bij: „En die ook.”

„Heb jij nog meer kindele?” vroeg de ander.

„Wel duizeld. Hoe heet jij?”

„Zuske, en jij?”

„Duimelientje heeft ook duizeld namen.”

Toen informeerde Zuske maar niet verder, dat was haar te machtig.

„Wil jij een muisje?” bood Zuske gastvrij aan. „Zuske heeft er maar

twee, en nou krijgt jij er ook één.”

De twee dikkertjes hurkten nu over elkaar, en begonnen heel zuinig van

’t eene muisje te genieten.

„Lekker hé?” prees Zuske.

„Met wie praat Zuske toch zoo?” vroeg een stem van uit de gang, en om

den hoek keek een vriendelijk lachend gezicht.

„Maar dat is mijn Maatje niet,” riep Duimelientje verbaasd, met een

vinger in haar mondje.

„Van Zuske haar mama,” verkondigde de ander trotsch. Ze liep op de dame

toe, haar snoetje ophoudend voor een zoentje. De dame bukte zich om ’t

zoentje te geven, en streelde Zonnetje langs de wang, terwijl ze vroeg:

„Wie ben jij liefje, en hoe heet je?”

„Ze is op „vesite,” vertelde Zuske, „en ze heeft wel duizeld namen.”

„Maar kindje,” sprak Zuskes moeder bezorgd, „ze zullen thuis over je in

onrust zitten. Vertel eens aan Mevrouw, van welken kant ben je

gekomen?”

Doch daar begreep Zonnetje niets van. Ze begon een beetje bedroefd te

kijken, en deed een verhaal over Betjesmoe en luie Doortje, waarvan

Mevrouw weer niks begreep. Zij nam ’t kleintje op haar arm en Zuske aan

de hand, ging een groote kamer binnen aan ’t eind van de gang. Daar zat

een heer de courant te lezen, en toen hij zag, hoe Duimelientje niets

van ’t koekje wou weten, dat zijn vrouw haar voorhield, en echt begon

te huilen, sprong hij dadelijk op.

Vroolijk lachend tilde hij Zonnetje van den grond, zette haar op zijn

schouder en begon de kamer rond te dansen. Waarop Zonnetje ook begon te

lachen en nu sprekend op een Aprilzonnetje leek. Met beide handjes

hield zij zich aan menheers haar vast, en betuigde: „Jij bent net

Duimelientje zijn pappa.”

Moeder danste met Zuske rond, en ’t werd een vroolijke partij.

’t Kon echter zoo niet blijven.

Duimelientje moest heusch naar huis. „Verbeeld je,” dacht Mevrouw

verschrikt, „dat Zuske eens zoo lang uitbleef. Die arme mama van ’t

kindje zat zeker in doodsangst.”

„Nou, dan gaan we Duimelientjes mama maar eens gauw zoeken,” sprak

mijnheer, en zette ’t kleintje op haar voetjes.

Maar wat gebeurde er nu? Wat moest dat lawaai beteekenen? Want aan de

voordeur was verbazend hard gescheld, en daar tusschen door klonk een

verwoed geblaf. Een oogenblik later sprong de kamerdeur open, en dol

van vreugde vloog Terry binnen, op Zonnetje af.

Die zat in een oogwenk op ’t tapijt, en Terry buitelde om en over haar

heen, en likte haar handjes, terwijl Duimelientje hem uit al haar macht

omhelsde, met witte schittertandjes, schaterend van de pret.

Met zijn muts in de hand was Basje Terry gevolgd. In een oogenblik werd

’t geval verklaard. Natuurlijk wist Terry Duimelientje dadelijk te

vinden. Basje had hem aan een jurkje van haar laten ruiken, en gezegd:

„Zoek Terry, zoek.”

Zonder zich een oogenblik te bedenken was Terry den weg opgerend, Basje

had hem bijna niet kunnen bijhouden. Met zijn neus vlak tegen den grond

holde Terry voort: recht uit, een hoekje om, weer rechtuit, een tweede

hoekje om, en daar stond hij luid blaffend stil voor ’t huis, waar hij

wezen moest. Natuurlijk werd Terry door Mijnheer, Mevrouw en Zuske nu

ook erg aangehaald en geprezen; hij kreeg ’t door Zonnetje versmade

koekje.

„Nou gauw mee, Duimelientje,” zei Basje. „Je mama doet niks dan huilen.

Gelukkig, dat Terry er was om je spoor te vinden, anders hadden we

zeker nog een aardig tijdje naar je kunnen zoeken.”

„Dank U wel, Mevrouw, Mijnheer voor al de moeite, en nou gaan we.

Vooruit Ter.”

„Kom je gauw weer op vilsite?” vroeg Zuske met haar armpjes om

Zonnetjes halsje.

„Ja molgen,” beloofde Duimelientje haar nieuwe vriendin. Ze gaf

iedereen kusjes en handjes, liet zich met een vroolijk lachend snoetje

mokkelen. Toen stapte ze met Basje en Terry naar huis, den indruk

nalatend van een snoeperig Zonnetje, zooals ze ook was.

Moedertje Ajoe voelde zich den koning te rijk, toen ze Schitteroogje

weer in de armen hield. ’t Kleintje moest wel „duizeld” zoentjes geven

eer iedereen een beurt had gehad. Maar toen kreeg Zonnetje toch een

beetje knorren van Maatje. Ze wist immers best, dat ze niet weg mocht

loopen; tot straf mocht Saartje van avond niet mee naar bed.

„Ikke gaat molgen weer,” verklaarde Duimelientje onvervaard, „en dan

gaat ikke ook naar Betjesmoe en luie Doortje.”

„Zonnetje, je bent ’t onnoozelste Dwergpootje, dat op twee beentjes

loopt,” sprak Maatje. „Maar je wilt toch niet, dat mamma weer zoo

huilen moet? Je mag nooit meer alleen den weg oploopen, beloof je

moeder dat? Toe, Schitteroogje, zeg nou, dat je nooit weer zoo stout

zal zijn.”

„Duimelientje blijft bij haar mamma,” vertelde ’t kleine ding onder een

regen van zoentjes op moeders’ gezicht. „Maar molgen gaat ik weer op

vilsite bij Zuske en dan moet Terry Duimelientje weer zoeken.”

Moeder Ajoe schudde ’t hoofd, en knorde niet langer. Wat wist zoo’n

kleine onnoozelheid van een Duimelientje ook af van den angst en onrust

bij groote menschen? Groote menschen moeten beter oppassen, en er voor

zorgen, dat geen voordeuren open staan, waardoor eigenwijze Zonnetjes

de wijde wereld kunnen instappen.—

Betjesmoe was er ontroerd van, dat Duimelientje naar haar had toe

gewild. Den eersten keer toen ze haar weerzag, beloofde zij:

„Duimelientje mag met Jopie heel gauw bij Betjesmoe op partij komen, en

dan vertelt Betjesmoe weer van luie Doortje. Is dat goed mijn liefje?”

„Ja, van luie Doortje,” beaamde Zonnetje.

Huize "Canneheuvel" · 第 14 / 20 题