Betjesmoe zat in de mangelkamer te naaien. Ze zou den heelen dag in de
Duiventil blijven, omdat Geesje, de naaister, onverwacht ziek was
geworden, en er een groote hoop verstelgoed lag. Betjesmoe, die vroeger
verstelnaaister was geweest, vond ’t erg prettig Mevrouw Canneheuvel
van dienst te kunnen zijn. Ze hield veel van verstellen en stoppen,
deed ’t bovendien keurig netjes met behulp van haar trouwe kameraad, de
hoornen bril met groote glazen. Dan was ’t ook erg gezellig zoo’n
heelen dag hier in huis te zijn, waar de kinderen bij haar kwamen
binnen loopen, terwijl zij er bepaald van genoot met z’en vieren in de
keuken aan tafel te zitten. Als je altijd alleen eet, waardeer je een
praatje aan tafel dubbel. Bet had haar pas een lekker kopje thee
gebracht, en terwijl ze er van zat te genieten, bedacht Betjesmoe voor
den zooveelsten keer bij wat een beste menschen haar Bet toch diende,
en hoe goed en lief ze ook altijd voor Bets moeder waren. „’t Zou Bet
haar leven lang aan niets ontbreken,” had Mevrouw Canneheuvel Betjesmoe
nog onlangs verzekerd. Dat vond de oude vrouw een rustig idee; want al
bleef ze kras voor haar leeftijd, de oude dag was er al lang, en ze kon
’t best merken ook, dat die er was. Eén en tachtig jaar werd ze al
gauw, een gezegende leeftijd! Ieder jaartje mag dan met recht een
toegiftje heeten.
„Iedereen zijn uurtje moet komen, maar als ’t mijne er is en ik moet
Bet achter laten, is ’t toch een heele troost, te bedenken, dat ze een
boel overhoudt. De familie hier is net zoo goed als eigen, en ze zullen
mijn Bet nooit in den steek laten,” bedacht Betjesmoe weltevreden. Zij
zette haar kopje neer, en ging weer ijverig aan ’t stoppen. Ze was al
aardig opgeschoten, zoo goed als klaar met ’t huishoudgoed. Nou nog de
kinderkleeren, dat was meest knoopen en bandjes aanzetten.
’t Leek een heele hoop, maar ’t viel altijd mee. Die kleine dot van een
Duimelientje was er nou ook nog bij gekomen, en ze maakte aardig wat
vuil, dat kleine ding!
„Als je aan de zon denkt, dan voel je de warmte,” had Betjesmoe kunnen
zeggen, want daar ging de deur open, en Duimelientje druddelde binnen,
door Sarina gevolgd. „Dag kindertjes,” sprak Betjesmoe, „komen jullie
me een beetje helpen naaien?”
Sarina scheen Betjesmoe best te begrijpen, want ze haalde een
vingerhoed te voorschijn, ging met gekruiste beenen op den grond
zitten, en trok een schortje van Duimelientje naar zich toe om er
nieuwe knoopjes aan te zetten.
„Betjesmoe moet Duimelientje vertellen,” zei ’t kleine ding. „Bet zegt,
dat kan jij mooi, Bet hebt Suusje getuurd.”
„Zoo liefje, kom dan maar gezellig bij me zitten op die stoof. Waarvan
moet ik vertellen, poes?”
„Dat weet ikke niet.”
„Nou luister dan maar. ’t Verhaal heet: „Luie Doortje.”
„Er was eens een klein meisje, dat altijd slaap had. Als ze knorren
kreeg, en iedereen riep: „foei, wat is die Doortje toch lui,” dan zei
Doortje: „Hé, als ik maar eens duizend jaar mocht slapen, dan bleef ik
verder mijn leven lang wakker.”
„Is duizend een boel?” informeerde Duimelientje.
„Nou, heel wat meer dan een klein beetje,” knikte Betjesmoe, en
vervolgde: „Doortje werd hoe langer hoe luier, en deed den heelen dag
niet anders dan gapen. Eindelijk kwam er een toovenaar, en die zei:
„Laat dat kind maar duizend jaar slapen,” en zoo gebeurde het.”
„En toen?” vroeg Zonnetje met schitterende oogjes.
„Wel, na duizend jaar werd Doortje weer wakker, en nou leek ze heusch
voor goed uitgeslapen. Maar och heden! wat was er veel in dien tijd
gebeurd. Alles stond onderste boven. Alle menschen en kinderen liepen
op hun hoofd, Doortje was de eenige, die op twee voeten ging, en de
straatjongens jouwden haar uit.
„In plaats van lekkere groenten en aardbeien en appels, at iedereen
gras, en in plaats van in hun bed, sliepen de menschen in de boomen. De
dieren sliepen en woonden in de huizen. Poesen lagen lekker in de
veeren bedjes met hun koppeke in ’t kussen, en de hondjes zaten netjes
aan tafel, en aten aardappeltjes met vette sjus.”
„Dat mag Terry niet,” wist Duimelientje.
„Ja maar over duizend jaar mag hij ’t wel,” vertelde Betjesmoe. „Maar
weet je wat ’t mooiste van alles was? De menschen hadden
dierenvelletjes, en de dieren droegen keurige witte, roode en blauwe
rokjes en broekjes; zelfs de vogels hadden hansopjes aan.”
„Zonnetje wil dat allemaal ook zien,” viel Duimelientje in, „ikke wilt
ook duizeld jaar slapen.”
Nou Doortje had er anders erg veel spijt van, en riep maar: „O was ik
toch maar niet zoo lui geweest, en had ik maar nooit duizend jaar
geslapen....”
Sarina, die de gong gehoord had, stond op, en waarschuwde: „’t Eten is
al klaar Duimelientje, ga je mee?”
„Nee, ik gaat niet mee,” verklaarde de jongejuffrouw vastberaden,
„Betjesmoe moet verdel vertellen.”
„Nee liefie, dat kan niet, een volgend keer vertelt Betjesmoe hoe ’t
afliep.”
„Ik komt morge bij jou op vilsite, en dan....”
Doch nu droeg Sarina ’t kleintje weg, en Betjesmoe moest lachen,
terwijl ze aan Duimelientjes parmantige mededeeling dacht. Van die
„vilsite” zou niet veel komen, en morgen was Zonnetje haar belofte al
weer schoon vergeten. Maar ze kende Duimelientje nog niet, nog lang
niet, hoor!
In de Duiventil heerschte den volgenden morgen groote schrik en
ontsteltenis, Duimelientje was nergens te vinden. Iedereen had op de
gekste plaatsjes naar Zonnetje gezocht, tot onder ’t fornuis in de
keuken toe. Voor de doofpot was ze toch heusch te groot. Ook bij de
buren wist niemand iets van Duimelientje af; van moeders Schitteroogje
was niets en niemendal te vinden. „Duimelientje is vast den weg
opgeloopen,” verklaarde Basje, „en Terry is er ook van door. Als hij
thuis komt, moet hij direct aan ’t zoeken, hij vindt haar natuurlijk
subiet.” Sarina wrong haar handen, en was op huilen af. Hoe kon nonnie
op eens verdwenen zijn? Ze had haar nog pas door de gang zien
dribbelen. „Maak je niet zoo overstuur, Sarina,” zei Basje.
„Dwergpootje komt vast terecht.” Sarina wilde van geen troost weten, en
Ajoe was ook erg ontsteld, en riep: „Waar ben je dan toch, Zonnetje?
Straks hebben ze je nog gestolen, en wat moet je moeder dan beginnen?”
Had Zonnetje kunnen weten, dat Maatje zoo over haar in angst zat, dan
zou ze wel weer gauw naar huis zijn gedribbeld. Maar ’t juffertje had
haar heele lieve familie schoon vergeten.
Een kwartiertje geleden was ze de deur uitgeloopen, die Marietje open
had laten staan. ’t Zonnetje scheen zoo lekker, Duimelientje kreeg op
eens lust om de wijde wereld in te gaan. Ze zou Betjesmoe de „vilsite”
gaan brengen, en verder hooren van luie Doortje.
Klein Saartje, Suusjes lievelingspop, die ze altijd in haar armen
droeg, ging mee. Saartje had een schraal, bleek gezoend gezichtje met
starre oogen en stijl overeind staand haar, waarvan niet veel meer over
was. Eric en Tobi vonden Saartje een vies kind, maar durfden dit
Duimelientje niet te zeggen, want die was dol en dol op haar leelijke
dochter.
Met Saartje dus wandelde Zonnetje zielsvergenoegd verder, op ’t pad
waar geen voertuigen mogen komen, en liep dus geen gevaar. Duimelientje
sloeg een hoekje om, ging een eindje recht uit, weer een hoekje om, en
vond, dat ze nu haast wezen moest bij Betjesmoes’ huis. Maar daar op
eens was ze weer thuis, de deur stond nog open. „Ikke gaat maar weer
naar huis,” dacht de dreumes. Dus stapte ze binnen, en liep ’t kleine
kamertje in naast de voordeur. Op den grond zat net zoo’n klein meisje
als Zonnetje zelf was. ’t Meisje stond vlug op, en de peuters bleven
elkaar staan aanstaren.
„Kom jij op visite?” vroeg de gastvrouw.
„Ja,” riep Duimelientje verheugd. Ze hield Saartje aan ’t andere meisje
voor, en voegde er bij: „En die ook.”
„Heb jij nog meer kindele?” vroeg de ander.
„Wel duizeld. Hoe heet jij?”
„Zuske, en jij?”
„Duimelientje heeft ook duizeld namen.”
Toen informeerde Zuske maar niet verder, dat was haar te machtig.
„Wil jij een muisje?” bood Zuske gastvrij aan. „Zuske heeft er maar
twee, en nou krijgt jij er ook één.”
De twee dikkertjes hurkten nu over elkaar, en begonnen heel zuinig van
’t eene muisje te genieten.
„Lekker hé?” prees Zuske.
„Met wie praat Zuske toch zoo?” vroeg een stem van uit de gang, en om
den hoek keek een vriendelijk lachend gezicht.
„Maar dat is mijn Maatje niet,” riep Duimelientje verbaasd, met een
vinger in haar mondje.
„Van Zuske haar mama,” verkondigde de ander trotsch. Ze liep op de dame
toe, haar snoetje ophoudend voor een zoentje. De dame bukte zich om ’t
zoentje te geven, en streelde Zonnetje langs de wang, terwijl ze vroeg:
„Wie ben jij liefje, en hoe heet je?”
„Ze is op „vesite,” vertelde Zuske, „en ze heeft wel duizeld namen.”
„Maar kindje,” sprak Zuskes moeder bezorgd, „ze zullen thuis over je in
onrust zitten. Vertel eens aan Mevrouw, van welken kant ben je
gekomen?”
Doch daar begreep Zonnetje niets van. Ze begon een beetje bedroefd te
kijken, en deed een verhaal over Betjesmoe en luie Doortje, waarvan
Mevrouw weer niks begreep. Zij nam ’t kleintje op haar arm en Zuske aan
de hand, ging een groote kamer binnen aan ’t eind van de gang. Daar zat
een heer de courant te lezen, en toen hij zag, hoe Duimelientje niets
van ’t koekje wou weten, dat zijn vrouw haar voorhield, en echt begon
te huilen, sprong hij dadelijk op.
Vroolijk lachend tilde hij Zonnetje van den grond, zette haar op zijn
schouder en begon de kamer rond te dansen. Waarop Zonnetje ook begon te
lachen en nu sprekend op een Aprilzonnetje leek. Met beide handjes
hield zij zich aan menheers haar vast, en betuigde: „Jij bent net
Duimelientje zijn pappa.”
Moeder danste met Zuske rond, en ’t werd een vroolijke partij.
’t Kon echter zoo niet blijven.
Duimelientje moest heusch naar huis. „Verbeeld je,” dacht Mevrouw
verschrikt, „dat Zuske eens zoo lang uitbleef. Die arme mama van ’t
kindje zat zeker in doodsangst.”
„Nou, dan gaan we Duimelientjes mama maar eens gauw zoeken,” sprak
mijnheer, en zette ’t kleintje op haar voetjes.
Maar wat gebeurde er nu? Wat moest dat lawaai beteekenen? Want aan de
voordeur was verbazend hard gescheld, en daar tusschen door klonk een
verwoed geblaf. Een oogenblik later sprong de kamerdeur open, en dol
van vreugde vloog Terry binnen, op Zonnetje af.
Die zat in een oogwenk op ’t tapijt, en Terry buitelde om en over haar
heen, en likte haar handjes, terwijl Duimelientje hem uit al haar macht
omhelsde, met witte schittertandjes, schaterend van de pret.
Met zijn muts in de hand was Basje Terry gevolgd. In een oogenblik werd
’t geval verklaard. Natuurlijk wist Terry Duimelientje dadelijk te
vinden. Basje had hem aan een jurkje van haar laten ruiken, en gezegd:
„Zoek Terry, zoek.”
Zonder zich een oogenblik te bedenken was Terry den weg opgerend, Basje
had hem bijna niet kunnen bijhouden. Met zijn neus vlak tegen den grond
holde Terry voort: recht uit, een hoekje om, weer rechtuit, een tweede
hoekje om, en daar stond hij luid blaffend stil voor ’t huis, waar hij
wezen moest. Natuurlijk werd Terry door Mijnheer, Mevrouw en Zuske nu
ook erg aangehaald en geprezen; hij kreeg ’t door Zonnetje versmade
koekje.
„Nou gauw mee, Duimelientje,” zei Basje. „Je mama doet niks dan huilen.
Gelukkig, dat Terry er was om je spoor te vinden, anders hadden we
zeker nog een aardig tijdje naar je kunnen zoeken.”
„Dank U wel, Mevrouw, Mijnheer voor al de moeite, en nou gaan we.
Vooruit Ter.”
„Kom je gauw weer op vilsite?” vroeg Zuske met haar armpjes om
Zonnetjes halsje.
„Ja molgen,” beloofde Duimelientje haar nieuwe vriendin. Ze gaf
iedereen kusjes en handjes, liet zich met een vroolijk lachend snoetje
mokkelen. Toen stapte ze met Basje en Terry naar huis, den indruk
nalatend van een snoeperig Zonnetje, zooals ze ook was.
Moedertje Ajoe voelde zich den koning te rijk, toen ze Schitteroogje
weer in de armen hield. ’t Kleintje moest wel „duizeld” zoentjes geven
eer iedereen een beurt had gehad. Maar toen kreeg Zonnetje toch een
beetje knorren van Maatje. Ze wist immers best, dat ze niet weg mocht
loopen; tot straf mocht Saartje van avond niet mee naar bed.
„Ikke gaat molgen weer,” verklaarde Duimelientje onvervaard, „en dan
gaat ikke ook naar Betjesmoe en luie Doortje.”
„Zonnetje, je bent ’t onnoozelste Dwergpootje, dat op twee beentjes
loopt,” sprak Maatje. „Maar je wilt toch niet, dat mamma weer zoo
huilen moet? Je mag nooit meer alleen den weg oploopen, beloof je
moeder dat? Toe, Schitteroogje, zeg nou, dat je nooit weer zoo stout
zal zijn.”
„Duimelientje blijft bij haar mamma,” vertelde ’t kleine ding onder een
regen van zoentjes op moeders’ gezicht. „Maar molgen gaat ik weer op
vilsite bij Zuske en dan moet Terry Duimelientje weer zoeken.”
Moeder Ajoe schudde ’t hoofd, en knorde niet langer. Wat wist zoo’n
kleine onnoozelheid van een Duimelientje ook af van den angst en onrust
bij groote menschen? Groote menschen moeten beter oppassen, en er voor
zorgen, dat geen voordeuren open staan, waardoor eigenwijze Zonnetjes
de wijde wereld kunnen instappen.—
Betjesmoe was er ontroerd van, dat Duimelientje naar haar had toe
gewild. Den eersten keer toen ze haar weerzag, beloofde zij:
„Duimelientje mag met Jopie heel gauw bij Betjesmoe op partij komen, en
dan vertelt Betjesmoe weer van luie Doortje. Is dat goed mijn liefje?”
„Ja, van luie Doortje,” beaamde Zonnetje.