XI. JAN EN AJOE VAN OVER ZEE, BRENGEN DUIMELIENTJE MEE

Eindelijk blijft niet eeuwig uit, dus was de familie Jan Canneheuvel nu

toch heusch thuis gekomen. Alle Canneheuvels, groot en klein, konden

maar niet genoeg kijken naar forschen Jan, kleine Ajoe en heel kleine

Duimelientje. Een week geleden was Jan met vrouw en kind de Duiventil

binnengevlogen, en ’t leek allen, of ze gisteren pas waren gekomen. Er

was ook zoo verbazend veel te vragen en te vertellen, en ’t bleek, dat

nog heel wat aangevuld moest worden aan moeders uitvoerige brieven.

Vader wilde Jan meetronen om zaken te bespreken, maar die kreeg daar al

gauw genoeg van.

Hij had zoo heel veel in te halen bij „Mader.”

„Eerst ’t plezier en dan de plicht,” keerde Jan de spreekwijze om.

„Vadertje, laat mij nou eerst weer eens volop genieten van ’t ouderlijk

huis en U allemaal. Ik heb er jaren en jaren naar verlangd. Ajoe niet

minder. En zonnetje? die was maar niet blij, dat ze mee mocht naar

Holland, hé Prul? Ajoe en ik hebben haar, vooral den laatsten tijd,

aldoor verteld over U en alles in de Duiventil; geloof maar, dat ze op

de hoogte is, al kan ze nog niet alles zeggen wat ze wil.”

Zonnetje droeg haar bijnaam met recht. Ze was een buitengewoon vroolijk

kindje, dat lachte en zong van af ze wakker werd tot op ’t oogenblik,

dat ze in bedje haar laatste kusje gaf.

Dadelijk op dreef met de neefjes en nichtjes, in ’t geheel niet

eenkennig of verlegen, verdeelde ze haar gunsten en kusjes als een

kleine vorstin, de oudere kinderen kibbelden er bepaald over wie ’t

meest bij haar in de gunst was. Duimelientje had een heerlijke

wijkplaats als ze ’t te benauwd kreeg door de aanhaligheid van haar

onderdanen. Dan vluchtte zij naar haar „pappa”. Jan pakte

Duimelientje’s handjes stevig beet, en als een eekhoorn zoo vlug

klauterde ’t kleintje langs pappa naar boven, ging op zijn schouders

zitten, en hield zich stevig vast aan vaders’ dikken haarbos.

Jan was zoo verbazend lang, dat niemand van de kinderen Duimelientje

bereiken kon op dat uitgezochte plekje.

Zelfs maatje moest op haar teenen gaan staan om Duimelientjes voetjes

te kunnen pakken, maar dan hielp ’t Dwergpootje mee, want ze was dol op

„Engeltje”.

Vader had haar geleerd maatje zoo te noemen. ’t Bijnamen geven was erg

in de mode bij de familie Jan Canneheuvel. Nel moest er om lachen toen

ze ’t merkte; hoe had Jan haar vroeger niet bespot om die manie. Met

Jan en Ajoe en Suusje was nog iemand meegekomen, (die zulk een

bescheiden plaatsje innam, dat men haar bijna vergeten zou,) Sarina

n.l.: Duimelientjes kleine baboe.

Die was zoo dol op haar pleegkindje, dat zij van zuigelingetje af aan

verzorgd had, dat ze stellig van verdriet zou zijn gestorven, als zij

op Java had moeten achter blijven. Na Duimelientje kwam bij Sarina

Duimelientjes mama. Eigenlijk waren die beiden, wat haar

aanhankelijkheid betrof, niet te scheiden. Ze had mogen meehelpen bij

de oppassing van Ajoe, toen deze aan de beterende hand was. ’t Was haar

taak geweest ’s morgens en ’s avonds Mevrouws’ haar te ontwarren, en in

orde te maken; ze deed dit zoo zacht en voorzichtig, dat Ajoe er bijna

niets van voelde of merkte. Tot Sarina’s groot verdriet had haar zorg

voor Mevrouw’s mooi, zwaar haar niet mogen baten. Zoo zacht kon zij de

borstel er niet over heen laten gaan, of elken dag viel er meer haar

uit, tot er ten laatste zoo goed als niets meer overbleef. Toen kwam

jong kroeshaar in plaats van de lange vlechten, en Ajoe kreeg een

aardig jongenskopje. Doch Sarina staarde met weemoed op den overvloed

uitgevallen haar, die ze trouw verzameld had. Eenige maanden daarna

legde de kleine baboe een lange, dikke vlecht voor Mevrouw neer.

Geduldig had ze haar voor haar uit de massa ontward, en bij de vorige

gevoegd, tot ze haar meesteres een mooie, zware vlecht kon toonen. Ajoe

was er ontroerd van. „Dank je wel, Sarina, wat een reuzenwerk moet je

daaraan gehad hebben! ’k Ben er erg blij mee, en bewaar die vlecht mijn

leven lang. Als mijn haar zoo kort blijft, en niemand gelooven wil, dat

’t vroeger tot mijn knieën reikte bijna, dan zal ik ze jouw werk laten

zien als bewijs.”

Sarina lachte verheugd en ging Duimelientje vertellen, hoe blij maatje

was geweest met de mooie vlecht. Doch daar begreep ’t kleintje nog

niets van; ze wist alleen, dat Sarina lief was, en ze haar niet missen

kon in haar leventje. Sarina stond altijd voor Nonnie klaar, droeg haar

als ze moe was, speelde met haar, sliep op een matje voor haar bedje.

Die hoorde net zoo goed bij haar als maatje en pappa.

Nu, in Holland, had Suusje zooveel speelkameraadjes, dat baboe van zelf

meer op den achtergrond kwam. Sarina voelde, dat Duimelientje haar niet

meer zoo noodig had, en trok zich stil en bescheiden, met een bedroefd

hart, terug. Tobi merkte ’t ’t eerst, dat Sarina er een beetje treurig

aan toe was. In de keuken waren de meisjes goed genoeg voor ’t stille,

bruine baboetje, maar ze verstonden haar taal niet, en Sarina kende

maar een enkel woord Hollandsch. Tobi had Nel’s voorliefde voor Java

zeker een beetje geërfd. Sarina was dadelijk in haar smaak gevallen.

Eric en zij hadden wat Maleische woorden geleerd van moeder, en waren

heel trotsch op ’t beetje, dat ze kenden. In de Duiventil zocht Tobi

Sarina altijd op, om een praatje met haar te maken. Deze begreep niet

veel van Tobi’s zonderling Maleisch, doch waardeerde de vriendelijke

bedoeling, antwoordde: „saja, saja, non,” (ja, ja, jongejuffrouw) en

liet haar witte tanden glinsteren.

„Heeft Sarina gehuild?” vroeg Tobi op een keer aan baboe, en ze veegde

haar oogen af, om haar vraag duidelijker te maken.

„Neen, non,” jokte Sarina.

„Jawel,” hield Tobi vol, „en dat komt omdat je zoo eenzaam bent in

huis, hé Sarina?”

Sarina begreep Tobi absoluut niet, want die gebruikte voor ’t gemak

Hollandsche woorden als ze de Maleische niet wist.

Toen ging Tobi met Eric overleggen; daarna stapte ze naar Grootma en

tante Ajoe en vroeg, „of Sarina voortaan met hen mee mocht spelen. Ze

was toch ook nog maar een kind, en wat had ze nou in de keuken?” Moeder

had gezegd, dat Sarina best altijd met Duimelientje mee mocht komen;

moeder hield ook veel van die bruine „Indiaantjes,” (als Tobi iedereen,

die uit Indië kwam, beliefde te noemen) en Sarina was een lief meisje.

Grootma en tante Ajoe vonden ’t al lang goed; Tobi haalde Sarina dus

uit de eenzaamheid. Ze mocht voortaan altijd meespelen en er met haar

neusje bij zijn. „Weet je Eer,” verkondigde Tobi, „we leeren nou ook

nog wat Maleisch van Sarina.”

Baboe was verbazend in haar schik, deed zoo onbezorgd en blij de

Hollandsche spelletjes mee alsof ze een Hollandsch kind was. Of Tobi

haar plannetje ook maar goed verzonnen had!—

Wanneer Jan een plagerige bui had, dan verklaarde hij, dat Ajoe en

Duimelientje twee kinderen bij elkaar waren. Want Ajoe was heel klein

en teer, en met haar groote, blauwe oogen en kort krullend haar, had ze

meer weg van een jong meisje dan van een deftige mama. Als ze met

Suusje stoeide leek ze geheel en al kind met haar dochtertje mee. Tot

nu toe was maatje Duimelientje’s liefste speelkameraad geweest, dan

kwam Pappa en daarna Sarina. Doch nu kreeg mama toch heusch een beetje

aanleiding om jaloersch te zijn. Want haar Dwergpootje had zich wel in

twintig en meer partjes kunnen verdeelen eer ieder, die met haar spelen

en sollen wilde, één stukje krijgen kon. Maar met je zoovelen te zijn,

dat had toch ook zijn goede kant, dacht moeder Ajoe. Heerlijk was ’t

zooveel broers en zusters rijk te worden, wanneer je, zooals zij,

altijd eenig kind bent geweest.

Jan had haar niets te veel verteld van de Duiventil en de geheele

familie. Nergens had ze ’t beter kunnen hebben; Ajoe voelde zich als

eigen kind in ’t gezin opgenomen. ’t Bleef de vraag, wie meer werd

vertroeteld door lieve Moeder Canneheuvel, zij of Duimelientje. ’t

Eenige wat Ajoe miste, was ’t Indische zonnetje. Ze was nog veel meer

op de warmte gesteld dan Muis de kater.

Daar ’t een koud, regenachtig najaar was, had Mevrouw Canneheuvel er

voor gezorgd, dat ter wille van de Indische familie, overal kon worden

gestookt. Maar kachelwarmte verving bij Ajoe de zon niet, haar handjes

waren altijd koud en die van Duimelientje ook. Jan wreef ze warm in

zijn groote handen. Hij had geen last van de kou, genoot er van, en

verheugde zich op een echt Hollandschen winter. „Dan zullen we wel niet

meer hier logeeren, Jan,” merkte Ajoe op. „We mogen niet onbescheiden

zijn. ’t Wordt voor vader en moeder op den duur vast te druk, drie

logées in huis, met al den aanloop van de andere kinderen bovendien. Je

moet heusch eens met moeder praten, Jan, en dan gaan we naar een

pension uitkijken.”

„Je hebt groot gelijk, Ajoe, maar ik weet stellig, dat moeder ons niet

zal willen missen. Je kent de Mader niet zoo lang als ik, vrouwtje.”

„We hebben ’t hier zoo heerlijk, dat ’t ons overal af zal vallen,”

betuigde Ajoe, „ik ben alleen maar bang onbescheiden te zijn.”

„Maak je geen onnoodige zorgen, kind; morgen ga ik met de Mader

overleggen,” betuigde Jan, „doch let maar op, of ’t niet uitkomt zooals

ik je voorspeld heb.”

„Mader,” zei Jan den volgenden morgen, „er vliegen voortdurend zooveel

vogels de Duiventil uit en in op elk uur van den dag, dat ’t ons een

beetje gaat bezwaren, al de drukte die U daarvan hebt, nog te

vermeerderen. ’k Sprak er met Ajoe over, dat we in de buurt naar kamers

gaan uitkijken eerstdaags, en....”

„Maar Jan, zouden jullie vader en mij dat verdriet willen aandoen?”

vroeg Mevrouw Canneheuvel bedroefd. „Weet je niet meer, hoe ik jullie

indertijd schreef, dat vader en ik juist een groot huis namen voor ons

beiden, opdat er altijd plaats zou zijn voor kinderen en

kleinkinderen?... Kom eens bij Oma, Zonnetje; wil je hier blijven, of

liever naar een ander huis gaan, ver van Opa en Oma af?”

„Prettig hier, Zonnetje wil niet weg van hier allemaal en van Terry en

Muis wil Duimelientje ook niet weg.”

Dat gaf den doorslag, want Terry en Muis zouden in geen geval van huis

willen. De Duiventil was bovendien heerlijk ruim, Moeder had voor Jan,

Ajoe en Duimelientje een heele verdieping ingeruimd, waar zij zoo vrij

waren als vogels in de lucht. Sarina had er ook een lief kamertje voor

zich. Maar ’t middagmaal gebruikten alle logés en gasten altijd

gezamenlijk in de groote eetkamer beneden, en dat was ’t prettigste uur

van den dag.

Lien had den dag bijna niet kunnen afwachten, dat ’t Frans schikte met

Cartje en haar naar „Huize Canneheuvel” te gaan. Want zonder Frans was

’t saai en half plezier. Dan kwam zij er ook niet toe een poosje kalm

te blijven. ’t Werd hoog tijd, dat de Welkom Buiters Ajoe en Jan

verwelkomden, en Cartje met Duimelientje kennis maakte. De peuzels

waren bijna even oud. Toen ze voor ’t eerst tegenover elkaar stonden,

keek de heele familie nieuwsgierig toe, hoe de kennismaking tusschen de

twee zou uitvallen.

Suusje lachte maar met witte schittertandjes en vond Cartje een gek

jongetje. Want hij deed niet anders dan ’t nieuwe nichtje aanstaren. Op

eens keerde ’t ventje zich af, liep naar Jopie, trok haar mee, en duwde

haar vlak voor Duimelientje. Toen liep hij hard weg naar zijn mama. Wat

of er in zijn bolletje omging? Misschien dacht Cartje wel: „meisjes

hooren bij meisjes.” Maar Cartje’s mama was dit in ’t geheel niet met

zoonlief eens. Ze bracht ’t kereltje, dat er uit zag als of hij dacht:

wat gaat er nou met me gebeuren? weer naar ’t nieuwe nichtje en legde

zijn handje in haar handje. Toen pakten zij en Jopie de vrije handjes

van ’t tweetal, en samen dansten ze nu een kringetje rond.

Mama had de zaak volmaakt goed in orde gebracht. ’t Werd koek en ei

tusschen Cartje en Zonnetje, vooral aan Zonnetjes kant. Ze sloeg haar

armpjes om Cartjes’ hals, die dit wel een beetje slachtofferachtig

toeliet, en huppelde met Jopie achter Basje aan, die de kinderen iets

verbazend aardigs wilde laten zien in de badkamer.

Basje had een paar maanden geleden een sijsje in de Boschjes gevonden

en voor drie kwart dood opgeraapt. Dank de onvermoeide zorgen van

Grootma en hem, was ’t diertje niet alleen beter geworden, doch zoo

lustig en tierig als een sijsje maar wezen kan. Tot Basjes groot

verdriet bleef ’t vogeltje echter vleugellam.

Wat nu? ’t Sijsje de vrijheid hergeven was hem in de klauwen van poes

jagen. Hoe zou hij bovendien zijn voedsel kunnen vinden? Neen,

„Petertje,” zooals Basje hem genoemd had, moest een huisdiertje worden.

Grootpa timmerde een ruim kooitje voor Basjes beschermeling, en de

jongen nam zich voor ’t vogeltje zooveel vrijheid te geven als maar

kon. In de badkamer mocht Petertje vrij rondtrippelen, daar scheen de

zon, en zag je de groene denneboomen door ’t breede raam.

Basje kreeg een stuk wasdoek voor op de tafel, tegen mogelijke

„ongelukjes.” ’t Kooitje was zoo gemaakt, dat Petertje er gemakkelijk

uit en in kon wippen als hij een hapje wilde eten of een druppeltje

drinken. ’t Diertje werd merkwaardig tam, veel tammer dan Nel haar

kanaries ooit had kunnen krijgen. Petertje wipte op Basjes vinger,

pikte een lekkernijtje van tusschen zijn lippen, liet zich pakken en

liefkoozen. Maar Basjes jongenshanden waren dan ook uiterst teer en

behoedzaam als ze ’t vogeltje aanvatten. Twee keer in de week nam

Petertje een bad en waren Jopie, Cartje en Duimelientje nu uitgenoodigd

dit wonderlijk iets met eigen oogen te aanschouwen. De kinderen hielden

zich op Basjes verzoek een beetje op een afstand, (Petertje kende hen

immers niet goed) terwijl Basje ’t deurtje van de kooi openzette en

zachtjes floot, om ’t vogeltje te lokken. Daar kwam Groengrijsje

aangetrippeld, ging op zijn baasjes kortgeknipten bol zitten, en

verwaardigde zich ’t hem voorgehouden hennepzaadje aan te nemen.

„’t Is badtijd, Peter,” zei Basje, ging naar de vaste waschtafel, en

draaide de kraan zoo ver open, dat ’t water heel zoet en zachtjes in de

kom druppelde.

Peter hipte dichterbij, sprong op Basjes toegestoken vinger, kweelde

tegen ’t druppelend water, want een beetje muziek hoorde er bij. Toen

wipte hij van den vinger op den rand van de kom, fladderde vlak onder

’t waterstraaltje en begon zich te poetsen, dat ’t een aard had. En al

hooger en luider tjilpte hij daarbij zijn vreugdeliedje. Blijkbaar was

baden een van Petertjes grootste genoegens. Cartje bleef stom van

verbazing; Duimelientje stak Petertje een vingertje toe toen hij

eindelijk uitgebaad was. En Grijsgroentje sprong op ’t kleine

vingertje, en gaf er een speelsch pikje in, waarover Zonnetje echt

verrukt was. Toen moest Petertje op Cartje’s bolletje plaats nemen.

Cartje stond als een angstig standbeeldje, en trok al een gezicht van:

wat zal me nou overkomen?

Petertje sloeg met zijn vlerkjes, hij wou graag weg, want hij hield

niet van krullebollen.

„Krijgt ik Petertje van Basje persent?” vroeg Suusje met een vleiend

stemmetje.

„Petertje is van Duimelientje en Basje,” besliste deze jongeheer

edelmoedig. „We zullen samen voor ’t sijsje zorgen. Hier is zijn

etensbakje en zijn trommeltje met zaad, vul dat nou maar eens netjes,

Duimelientje.” Wat de kleine meid wel probeerde, doch dat haar niet

gelukte, want ze morste leelijk overal met het zaad rond. Basje deed

goedig, of hij ’t niet zag. Cartje draafde weg om maatje verslag te

doen van ’t wonder, en Ajoe kwam met haar mee om Zonnetje te halen.

Maar die had nog lang niet genoeg van Petertje en zei dadelijk: „Jij

mag niet vlakker dichtebij komen, Engeltje, Petertje, die kent jou nog

niet.” Doch Petertje nam Engeltje dadelijk in zijn vriendschap op. Hij

hipte op haar hand en scheen zeer vergenoegd, dat hij er op eens

zooveel vrienden had bij gekregen. Even later sprong hij van zelf zijn

kooitje binnen, en ging zich aan ’t versche zaad vergasten. Tante Lie

troonde Jopie mee. Ze had den groentenboer op de laan gezien, en ze

wilde wat groen voor ’t sijsje aan hem vragen.

Jopie deed dit zoo vriendelijk, dat ze een mooi kropje sla kreeg. Dit

was me een tractatie voor Groengrijsje; hij liet er dadelijk ’t zaad

voor in den steek.

„Hé,” riep Basje, die bewonderend naar zijn vriendje stond te kijken,

„wat zou ik dolgraag een massa boschvogels hebben, maar dan in een

volière buiten, waar ze in- en uit konden vliegen; ik zou ze wel tam

krijgen. Een boschvogeltje in een kooi is een naar gezicht, vindt U

niet, tante Lie?”

„Ja lieverd, ik zou zoo’n aan de vrijheid gewend diertje ook niet graag

opsluiten. Op „Welkom Buiten” hangen we tegen den winter overal halve

kokosnoten en stukjes spek. Daar zijn vooral de meezen dol op. ’t

Krioelt bij ons van vogels, en we hebben den honden geleerd ze met rust

te laten.”

„Nou dat ga ik ook eens probeeren,” zei Basje, „op ’t balcon achter

mijn kamer komen ze vast, als ik daar allerlei lekkers neerhang. Maar

een volière is toch nog veel echter!”

„Of zoo’n reuzenwensch ooit te vervullen is, Basje?” plaagde tante Lie,

en tante Ajoe zei: „’t Is heel verstandig om zelfs reuzenwenschen tegen

St. Nicolaas hardop mee te deelen.”

Ze nam Duimelientje op den arm, die daarom bedelde, en vroeg: „Wat moet

Sint Nicolaas voor mijn Dwergpootje uit Spanje meebrengen?”

„Een Petertje,” wist Duimelientje direct.

Huize Canneheuvel werd nu met recht een duiventil. Marietje kon wel aan

’t opendoen blijven. ’t Was haar echter nooit te veel. Ze lachte tegen

iedereen, die Canneheuvel heette van voor- of achternaam, en tegen de

kleinkinderen eerst recht. Ze had een gevoel, of ze bij de familie

hoorde en er haar leven lang blijven zou.

Eric en Tobi kwamen ook meer dan ooit aandraven. „’t Was altijd

gezellig bij Grootpa en Grootma, nu natuurlijk dubbel met al die

Indianen in huis,” verklaarde Tobi. Doch ’t snoezigste Indiaantje, dat

in heel de wereld rondliep, was Duimelientje, daarover was groot en

klein in de familie ’t volmaakt eens.

„’t Kindje doet mij telkens aan Lientien denken,” zei Nel tegen Joop,

„dat was net zoo’n dotje.”

„Wat lijken Eric en Tobi al groot naast Suusje,” merkte Joop op,

„kleine menschen bijna.”

„Maar ze spelen verbazend aardig met de kleintjes mee,” sprak Nel.

„Tobi heeft Duimelientje alles verteld van ’t poppenhuis, en ’t

kleintje heeft pertinent verklaard, dat er een nieuw poppenhuis moet

komen, veel mooier dan ’t andere, dan moet mijnheer er weer in wonen,

met zijn mevrouw, en dan gaat Duimelientje bij hen op „vilsite”. Wat

een geluk, dat we.... O hemel! daar zou ik mij bijna verspreken, en

kleine potjes hebben ooren,” vervolgde Nel, terwijl zij Eric, die in

een hoekje zat te lezen, ondeugend aankeek.

Eric kreeg een kleur en grinnikte. Moeder was een mooie om zich te

verbeelden, dat hij niet begreep, wat er aan ’t handje was. Hij en Tobi

hadden hun ooren maar niet wijd open gezet en aardig wat meer

opgevangen, dan de groote menschen dachten. Jammer, dat St. Nicolaas

nog zoo ver weg was. Eddy, zijn vriend, begreep niet best, hoe Eric nou

zoo veel met ’t poppenhuis kon ophebben. Dat was immers maar

meisjesgedoe, doch Eric wist ’t best.

Hij vond ’t eenig, dat vader ’t electrisch verlicht had, en in zijn

hart had hij al de aardige dingen bewonderd, (niet minder dan Tobi) die

in ’t huis waren: de pendule, ’t buffet met de laadjes vol vorkjes en

lepeltjes, de theemuts, ’t vogelkooitje en nog zooveel meer. Over al

Tobi’s grappige verzinsels had hij echte pret, en hij keek altijd

belangstellend toe als zij voor „mijnheer” bezig was. Al zijn kleeren

in de groote kast waren met ’t andere moois nou naar de maan door

Tobi’s domheid.

Maar wie weet of met Sint Nicolaas.... Hij kreeg stellig een mooi

rapport en Tobi zeker ook wel.

Afwachten maar, en volstrekt niet laten merken, dat ze stille

vermoedens hadden.

Huize "Canneheuvel" · 第 13 / 20 题