XIII. BASJES BRIEF

Eric giste wel veel, maar weten deed hij eigenlijk niets; en niemand

vertelde wat, of ging in op zijn toespelingen, een nieuw poppenhuis

betreffend. De groote menschen praatten er gewoon over heen. Hij en

Tobi zetten oogen en ooren wijd open, hielden zich muizenstil in hun

hoekje, en hoopten zoo wat op te vangen van de geheimen, die in de

lucht zweefden, nu 5 December hoe langer hoe dichter in de buurt kwam.

Doch al hun moeite hielp ’t tweetal geen zier. De grooten waren te

voorzichtig, en waarschuwden elkaar altijd net bij tijds. De rapporten

waren mooi geweest, en moeder had wat in hun spaarpot gestopt, (dat

best te pas kwam met ’t oog op de St. Nicolaas cadeautjes) maar van een

andere belooning had zij niet gerept. Tante Lien kwam verdacht dikwijls

overwippen. Ze zei nou wel, dat ’t alleen was, omdat Cartje zoo naar

Duimelientje verlangde. Wie dat maar gelooven wou, hij en Tobi vast

niet. Er was verbazend veel gefluister op gangen en portalen, Grootpa’s

timmerkamer was aldoor stijf op slot, ook als Grootpa er was. Basje

keek geheimzinnig, maar hij hield zijn mond, die flauwerd. ’t Was

heusch om er je geduld bij te verliezen, vooral als je zoo’n paar dol

nieuwsgierige Aagjes bent als Tobi en Eric.—

Eindelijk, eindelijk was ’t St. Nicolaasavond, en welke verrassing de

goede Sint in de Duiventil bracht, dat vertelt Basje ons in den langen

brief, dien hij naar Soerabaïa aan zijn ouders schreef.

Lieve beste Pa en Ma,

’k Weet eigenlijk niet waarmee ik moet beginnen, want ik heb U

verbazend veel te vertellen. Maar allereerst kom ik U honderd

duizend maal bedanken voor Uw prachtig Sint Nicolaas cadeau. ’k Ben

er reuzenblij mee. Hoe heeft U ’t zoo goed kunnen raden, dat zoo’n

buitenvolière mijn liefste hartewensch was.

Zeker heeft Grootma er over geschreven? Grootpa heeft beloofd, dat

Grootpa en ik lekker mee mogen werken met den timmerman. We hebben

met Grootma de plaats al uitgezocht, waar de volière komt, op een

mooi, zonnig plekje in den achtertuin. Er staan een paar jonge

boompjes, en die blijven in de volière. Ze mogen niet hooger

worden, want zooals Tobi heel wijs opmerkte: „’t Gaas kan niet tot

den hemel worden gespannen.” Tante Lie zegt, dat als de boschvogels

eenmaal goed gewend zijn, ze dan stellig blijvers worden. Tante

kende vroeger een jongen, die een massa vogels in een volière tam

heeft gekregen. Ze vlogen om hem heen, en kwamen aangevlogen als

hij ze floot. Maar je moet in ’t begin hoopjes geduld hebben en ze

veel lekkere snoeperijtjes voorzetten. Ik begin met groenlingen, je

kunt alle boschvogels bij den vogelkoopman krijgen (wat eigenlijk

een schandaal is, vindt U niet!) Wat zullen ze blij zijn, als ze

bij ons in zoo’n ruim, prachtig huis komen wonen, zelfs met

boompjes er in, en struiken, die altijd groen blijven. En naderhand

zullen ze niet kunnen gelooven, dat ze zoo vrij zijn als vogels in

de lucht. U begrijpt, dat ’t zaakje pas heelemaal in orde is, als

de wilde vogeltjes uit de Boschjes uit zich zelf komen aanzetten.

Maar o, wat zal ik daar lang op kunnen wachten! ’k Moet nou aldoor

aan dat heerlijke present van U denken, en verlang verschrikkelijk

om aan ’t vogelhuis te beginnen. ’k Ben niks bang, dat de vogels

niet mak zullen worden en aan mij wennen. In de Boschjes laten ze

me ook vlak bij komen. In ’t midden van de volière komt een

vogelhuisje, dat gaat Grootpa voor mij timmeren in den vorm van een

Indisch tempeltje met pilaartjes en zoo. Eenig! Daar komt dan brood

of ander voer in te liggen. Grootpa wil er ook een bakje in maken

met een afvoerpijpje, zoodat er altijd frisch water in ’t bakje kan

zijn.

Vooruit bespreken en overleggen we alles samen: Grootpa, Grootma en

ik, en telkens wordt er wat nieuws voor de volière verzonnen.

U weet niet hoe prachtig Grootpa timmeren en alles maken kan.

Grootma heeft een beeldig naaidoosje van Grootpa gekregen, zoo maar

gemaakt van een mahonie-houten boekenrekje, met zwaluwstaartjes,

(weet U wat dat zijn?) en daar slaat iedereen zijn handen over in

elkaar, zoo mooi en kunstig als ’t is.

Grootpa heeft een aparte timmerkamer (zooals U wel weet) met

planken vol gereedschap, waar niemand aan mag komen. Laatst vroeg

Bet: „Mijnheer als ’t niet astrant is, zou ik U wel willen vragen,

of U mijn hakbord kan opknappen, U doet alles zoo degelijk.”

Nou Grootpa dee ’t natuurlijk voor Bet, en ’t is maar niet keurig

en sterk geworden.

Bet zei: „daar doe ik verders mijn leven lang mee.”

’k Kan U niet van al de presenten vertellen op St. Nicolaasavond.

Daar is geen beginnen aan. We vierden hem natuurlijk in de

Duiventil; de heele familie was bij elkaar, de „Welkom Buiters”

ook, dat begrijpt U.

Op ’t laatst bracht Marietje de pakjes met ’n mandje vol tegelijk

binnen, „anders kwam ze den heelen nacht niet klaar,” had Kee

gezegd. Ik kreeg ook veel te veel, maar ’t prachtigste, eenigste

cadeau (behalve mijn volière dan) dat was voor Eer en Tobi. En U

raadt nooit wat.... Een spiksplinternieuw poppenhuis. Eer en Tobi

keken hoe langer hoe vreemder, hoe later ’t werd.

Voor geen van beiden kwam geen enkel pakje. Ja, wel een

zeeppoppetje en een paar harten van chocolade, maar anders niks.

Nou hoor pa en ma, ze hielden zich goed, maar keken toch wel een

beetje als boeren met kiespijn. Om half tien werd er op eens

ontzettend hard gescheld, en ’t was een lawaai in de gang van wat

ben je me. Marietje stak haar hoofd om de deur, en vroeg om hulp.

Wat ze nou hadden gebracht, dat kon ze onmogelijk naar binnen

sjouwen, ’t was veel te zwaar.

We renden allemaal naar de gang, al de groote en kleine jongens. En

daar stond me maar wat: een reuzenkist op een groote kruiwagen. We

hadden dolle pret eer ’t gevaarte binnen was, en op ’t stoflaken

stond, dat Grootma over ’t tapijt had laten leggen. Met koeien van

letters was op de kist geschilderd: Voor Eric en Tobi van Rithem.

En nou had U de gezichten van die snuiters eens moeten zien. Eenig

bepaald!

Grootpa moest er met zijn gereedschap aan te pas komen, eer de kist

open was, en toen maakte iedereen plaats voor Eer en Tobiaantje,

die aan ’t uitpakken gingen, zoo vlug, dat je er geen oog op kondt

houden. Eerst een laagje houtwol, toen couranten, en toen.... ’t

huis. ’k Geloof niet, dat er ooit een prachtiger poppenhuis is

geweest, of er nog wezen zal, dan dat wat uit die kist kwam.

’t Heeft twee verdiepingen en negen kamers, allemaal met beeldige

meubeltjes; tot een badkamer toe is er in, met een snoezig

badkuipje en een electrisch geyzertje. Door op een knopje te

drukken, kan je ’t heele huis electrisch verlichten, dan komt alles

nog veel mooier uit. Eer en Tobi konden niets zeggen, en keken

maar. Tobi had tranen in de oogen en Eric keek ook raar, maar dat

wilden ze niet weten.

En dat was nog lang niet alles. Nou kwamen er allemaal doozen vol

met kleeren. Ik wist wel een beetje, wie die gemaakt hadden, want

ik had Grootma en de tantes wel eens overvallen als ze druk bezig

waren, en tante Lie vooral, want die liep altijd door met een

vingerhoed aan en een naald met een draad er in, als ze in de

Duiventil was. Er waren ook een boel meisjespoppekleeren bij, en

daar keken Tobi en Eer verbaasd van op, want Mijnheer had nog

altijd geen bruid.

Maar in de laatste doos vonden ze ’t raadsel opgelost, daar kwam

een snoezig popje uit in een wit satijnen sleepjurk en met witte

bloemen in haar bruine krullen, en op de doos stond: „De bruid voor

„Mijnheer”.”

Tobi en Eric waren heusch niet wijs van opgewondenheid, en ze deden

net zoo. Tot tante Nel zei: „Kom nou eens hier kinders, dan zal

moeder jullie vertellen, wie al die verrassingen voor jullie

bedacht en gemaakt heeft en ze uit naam van St. Nicolaas aan je

beidjes geeft.

„Grootpa heeft ’t huis met al de meubeltjes zelf gemaakt. Vader

heeft ’t huis verlicht, Moeder de bruid gekocht en gekleed. Grootma

en al de tantes hebben de kleertjes genaaid. Dus is dit een St.

Nicolaas cadeau van Grootpa en Grootma, van Vader en Moeder en al

de tantes en ooms. Eigenlijk dus van de heele familie.

„’t Kanariekooitje met Goudgeeltje er in geeft Basje. ’t Penduletje

hebben jullie van de drie kleintjes en ’t bloementafeltje ook.—En

wat zeg je daar nou van? Tante Lie heeft bijna alles bedacht, maar

die bederft jullie veel te veel, want eigenlijk....”

„Kinders, smoor me zoo niet, want ik wil graag nog een beetje

langer leven.”

Van al die omhelzingen en zoenen, die Eer en Tobi aan ’t uitdeelen

gingen aan al de gevers, vertel ik U maar niet. Iedereen werd half

gesmoord, behalve Jopie, Duimelientje en Cartje, want die waren

naar bed gebracht, omdat ze omvielen van den slaap.

’t Eenige wat mij speet, en Grootma vast ook, was dat U, die

natuurlijk bij zoo’n familiefeest hoort, er niet bij kon wezen.

Maar ’t is alweer een troost, dat U ’t allergrootste feest in de

familie wel mee zult vieren, en ’k vind ’t eenig, dat ik alleen dit

weet.

’k Hoor Grootpa en Grootma er dikwijls over spreken, hoe vreemd ’t

is, dat U nooit eens schrijft van overkomen ’t volgend jaar,

terwijl Grootma er telkens naar vraagt. Laatst zei Grootma: „’k Zou

’t vreeselijk vinden als Dolf en Lous er niet bij waren op onzen

zilveren bruiloft.” U begrijpt hoeveel moeite ik heb om dan mijn

mond te houden. Nou ik zou ook vast niet ’t rechte plezier hebben

op Grootpa’s en Grootma’s feest, als wij U misten. Wat een

reuzenverrassing zal ’t wezen als U volgend jaar October de

Duiventil binnenvliegt. ’t Lijkt nu nog wel ontzettend ver weg,

maar ’t is al gauw Nieuw Jaar, en dan kan ik denken: Ziezoo dit

jaar zie ik mijn lieve „ouwetjes” vast terug, en blijven we een

heele poos samen. ’k Zal ’t wel zoo weten aan te leggen, dat ik U

stilletjes van de boot kom halen. Want ik moet U ’t eerst van

allemaal zien, dat spreekt van zelf. ’k Heb hier een heerlijk

thuis, beter dan best, maar wie verlangt er nou niet naar zijn

eigen ouders? ’t Zal pas volmaakt zijn, als U ook thuis is. ’t Is

al vast erg gezellig, dat oom Jan en tante Ajoe bij ons wonen. Ze

zijn zoo lief en gul. „Echt Indisch”, zegt tante Nel, „de menschen

leven daar veel gastvrijer en hebben veel meer voor elkaar over,

dan de Hollandsche menschen.” Ik zeg maar: er zijn uitzonderingen

b.v. bij ons in de Duiventil. Tante Ajoe heeft altijd den mond vol

over Indië en vertelt graag van de gewoonten en zoo. Dat vind ik

echt, want ’t geeft me ’t gevoel, alsof U dichter bij mij bent.

Duimelientje is een snoezig dotje, maar net een trotsch prinsesje,

niemand mag haar knuffelen. ’t Is een groote gunst als je er ook

een krijgt, wanneer ze zoentjes uitdeelt.

Verleden week is Betjesmoe, U weet wel, de moeder van Bet, één en

tachtig jaar geworden, en heeft ze al de kinderen uit de familie te

visite gevraagd. We waren met ons negenen kinderen, want Sarina en

Marietje waren er ook bij, en dan nog twee kinderen van Betjesmoes’

zoon. Die zoon van Betjesmoe is korporaal geweest in de Oost en nou

politieagent, en een aardige, vroolijke man. Hij is dol op zijn

jongetjes, en woont met die kinderen bij zijn moeder in, want zijn

vrouw is al jaren dood.

Op den zolder hebben zij aardige kamertjes, en een van die jongens

houdt duiven, die aldoor ’t zolderraam in- en uitvliegen. Ik vind

anders aan die jongens, Bertus en Jan, niet veel aan, want ze zijn

erg verlegen, en zeggen haast niks. Betjesmoe vindt dat natuurlijk

niet; zij is erg trotsch op die bruine jochies.

We hebben veel pret gehad op Betjesmoes’ partij, en alle mogelijke

spelletjes gedaan, ook verstoppertje, en je vond elkaar direct,

omdat ’t huisje van Betjesmoe zoo klein is, maar ’t is overal even

keurig netjes. Betjesmoe tracteerde op allerlei lekkers, eigenlijk

veel te royaal.

Bet en Juf kwamen ons halen; er was haast geen plaats meer in de

kamer, omdat we met zoo’n troep waren. Op eens was Jopie weg, en we

konden haar niet vinden, tot dat ze onder ’t tafelkleed uit kwam

piepen. Juf was er boos om (want er werd een kop chocola omgegooid)

maar wij lachten en riepen: „hoera voor Jopie.” En Bet zei:

„Moeder, je doet vast geen oog toe van nacht, je maakt je zelvers

veel te druk.”

Betjesmoe lachte maar, en beweerde, dat ze op al die drukte juist

best slapen zou. Toen we weg zouden gaan, kwam de korporaal, ik

bedoel de politieagent, en toen moesten we op elkaars schoot gaan

zitten, zoo vol als ’t was.

En we schaterden en hadden plezier om niks, en Betjesmoe was de

vroolijkste van allemaal. De politieagent had ook bloemen

meegebracht, en we moesten Betjesmoe er mee versieren.

Duimelientje zat op haar schoot, en stak de bloemetjes tusschen

haar oorijzers, en onderwijl vertelde Betjesmoe nog even een

verhaaltje aan Zonnetje. Want dat had Betjesmoe beloofd, en

Duimelientje liet haar niet met vree, voor ze ’t eind had gehoord

van over een meisje dat „luie Doortje” heette. ’t Was heusch een

aardige partij, en we hebben zoo gelachen, dat we niet meer konden.

U vraagt naar mijn sijsje: Petertje. Nou dat blijft een verbazend

leuk gedierte. Iedereen heeft schik in zijn kunstjes. Hij wordt àl

tammer en meer aan mij gehecht. Of hij ooit in de volière kan

komen, dat geloof ik niet. De andere vogels zouden hem misschien

kwaad doen, omdat hij hulpbehoevend is. ’t Is voor zijn eigen

bestwil, dat hij gevangen blijft en hij heeft ’t heusch zoo kwaad

nog niet.

Ja, vader, U heeft goed gezien op mijn laatste portret: ik ben lang

zoo dik niet meer.

U zal mij erg veranderd vinden, ik groei nu gelukkig in de lengte.

Dat komt zeker van ’t tennissen en voetballen, want daar houd ik

dol van en doe niet veel anders in mijn vrijen tijd, behalve lezen

dan. Grootpa heeft U zeker wel geschreven, dat mijn rapport goed

was, gelukkig, en ik best mee kan komen in de nieuwe klasse.

Als U ’t goed vindt, zou ik naderhand wel willen studeeren in de

dierkunde, de Natuurlijke Historie, zegt Grootpa. Want ik lees ’t

liefst over dieren. Maar ingenieur lijkt mij ook een erg mooi vak.

Nou, ik hoef gelukkig nog niet te kiezen. Dokter zou ik liever niet

worden, en dat is maar goed ook, want dan zou niemand meer uit al

die dokters Canneheuvel wijs kunnen worden.

Is dit geen lange brief?

Als Grootma er niet altijd de postzegeltjes opplakte, had ik veel

dichter in elkaar moeten krabbelen. Want zoo op ’t eind van ’t jaar

zit ’t er niet aan, om misschien wel drie dubbele port te moeten

betalen.

Dag lieve, beste Pa en Ma.

Dit is mijn laatste brief van dit jaar, en als ’t weer December is,

dan zijn wij al lang weer bij elkaar. „Reuzen zalig, heerlijk,

verrukkelijk,” zou Tobi zeggen. Nog eens duizend dankjes voor ’t

prachtcadeau.

Huize "Canneheuvel" · 第 15 / 20 题