Eric giste wel veel, maar weten deed hij eigenlijk niets; en niemand
vertelde wat, of ging in op zijn toespelingen, een nieuw poppenhuis
betreffend. De groote menschen praatten er gewoon over heen. Hij en
Tobi zetten oogen en ooren wijd open, hielden zich muizenstil in hun
hoekje, en hoopten zoo wat op te vangen van de geheimen, die in de
lucht zweefden, nu 5 December hoe langer hoe dichter in de buurt kwam.
Doch al hun moeite hielp ’t tweetal geen zier. De grooten waren te
voorzichtig, en waarschuwden elkaar altijd net bij tijds. De rapporten
waren mooi geweest, en moeder had wat in hun spaarpot gestopt, (dat
best te pas kwam met ’t oog op de St. Nicolaas cadeautjes) maar van een
andere belooning had zij niet gerept. Tante Lien kwam verdacht dikwijls
overwippen. Ze zei nou wel, dat ’t alleen was, omdat Cartje zoo naar
Duimelientje verlangde. Wie dat maar gelooven wou, hij en Tobi vast
niet. Er was verbazend veel gefluister op gangen en portalen, Grootpa’s
timmerkamer was aldoor stijf op slot, ook als Grootpa er was. Basje
keek geheimzinnig, maar hij hield zijn mond, die flauwerd. ’t Was
heusch om er je geduld bij te verliezen, vooral als je zoo’n paar dol
nieuwsgierige Aagjes bent als Tobi en Eric.—
Eindelijk, eindelijk was ’t St. Nicolaasavond, en welke verrassing de
goede Sint in de Duiventil bracht, dat vertelt Basje ons in den langen
brief, dien hij naar Soerabaïa aan zijn ouders schreef.
Lieve beste Pa en Ma,
’k Weet eigenlijk niet waarmee ik moet beginnen, want ik heb U
verbazend veel te vertellen. Maar allereerst kom ik U honderd
duizend maal bedanken voor Uw prachtig Sint Nicolaas cadeau. ’k Ben
er reuzenblij mee. Hoe heeft U ’t zoo goed kunnen raden, dat zoo’n
buitenvolière mijn liefste hartewensch was.
Zeker heeft Grootma er over geschreven? Grootpa heeft beloofd, dat
Grootpa en ik lekker mee mogen werken met den timmerman. We hebben
met Grootma de plaats al uitgezocht, waar de volière komt, op een
mooi, zonnig plekje in den achtertuin. Er staan een paar jonge
boompjes, en die blijven in de volière. Ze mogen niet hooger
worden, want zooals Tobi heel wijs opmerkte: „’t Gaas kan niet tot
den hemel worden gespannen.” Tante Lie zegt, dat als de boschvogels
eenmaal goed gewend zijn, ze dan stellig blijvers worden. Tante
kende vroeger een jongen, die een massa vogels in een volière tam
heeft gekregen. Ze vlogen om hem heen, en kwamen aangevlogen als
hij ze floot. Maar je moet in ’t begin hoopjes geduld hebben en ze
veel lekkere snoeperijtjes voorzetten. Ik begin met groenlingen, je
kunt alle boschvogels bij den vogelkoopman krijgen (wat eigenlijk
een schandaal is, vindt U niet!) Wat zullen ze blij zijn, als ze
bij ons in zoo’n ruim, prachtig huis komen wonen, zelfs met
boompjes er in, en struiken, die altijd groen blijven. En naderhand
zullen ze niet kunnen gelooven, dat ze zoo vrij zijn als vogels in
de lucht. U begrijpt, dat ’t zaakje pas heelemaal in orde is, als
de wilde vogeltjes uit de Boschjes uit zich zelf komen aanzetten.
Maar o, wat zal ik daar lang op kunnen wachten! ’k Moet nou aldoor
aan dat heerlijke present van U denken, en verlang verschrikkelijk
om aan ’t vogelhuis te beginnen. ’k Ben niks bang, dat de vogels
niet mak zullen worden en aan mij wennen. In de Boschjes laten ze
me ook vlak bij komen. In ’t midden van de volière komt een
vogelhuisje, dat gaat Grootpa voor mij timmeren in den vorm van een
Indisch tempeltje met pilaartjes en zoo. Eenig! Daar komt dan brood
of ander voer in te liggen. Grootpa wil er ook een bakje in maken
met een afvoerpijpje, zoodat er altijd frisch water in ’t bakje kan
zijn.
Vooruit bespreken en overleggen we alles samen: Grootpa, Grootma en
ik, en telkens wordt er wat nieuws voor de volière verzonnen.
U weet niet hoe prachtig Grootpa timmeren en alles maken kan.
Grootma heeft een beeldig naaidoosje van Grootpa gekregen, zoo maar
gemaakt van een mahonie-houten boekenrekje, met zwaluwstaartjes,
(weet U wat dat zijn?) en daar slaat iedereen zijn handen over in
elkaar, zoo mooi en kunstig als ’t is.
Grootpa heeft een aparte timmerkamer (zooals U wel weet) met
planken vol gereedschap, waar niemand aan mag komen. Laatst vroeg
Bet: „Mijnheer als ’t niet astrant is, zou ik U wel willen vragen,
of U mijn hakbord kan opknappen, U doet alles zoo degelijk.”
Nou Grootpa dee ’t natuurlijk voor Bet, en ’t is maar niet keurig
en sterk geworden.
Bet zei: „daar doe ik verders mijn leven lang mee.”
’k Kan U niet van al de presenten vertellen op St. Nicolaasavond.
Daar is geen beginnen aan. We vierden hem natuurlijk in de
Duiventil; de heele familie was bij elkaar, de „Welkom Buiters”
ook, dat begrijpt U.
Op ’t laatst bracht Marietje de pakjes met ’n mandje vol tegelijk
binnen, „anders kwam ze den heelen nacht niet klaar,” had Kee
gezegd. Ik kreeg ook veel te veel, maar ’t prachtigste, eenigste
cadeau (behalve mijn volière dan) dat was voor Eer en Tobi. En U
raadt nooit wat.... Een spiksplinternieuw poppenhuis. Eer en Tobi
keken hoe langer hoe vreemder, hoe later ’t werd.
Voor geen van beiden kwam geen enkel pakje. Ja, wel een
zeeppoppetje en een paar harten van chocolade, maar anders niks.
Nou hoor pa en ma, ze hielden zich goed, maar keken toch wel een
beetje als boeren met kiespijn. Om half tien werd er op eens
ontzettend hard gescheld, en ’t was een lawaai in de gang van wat
ben je me. Marietje stak haar hoofd om de deur, en vroeg om hulp.
Wat ze nou hadden gebracht, dat kon ze onmogelijk naar binnen
sjouwen, ’t was veel te zwaar.
We renden allemaal naar de gang, al de groote en kleine jongens. En
daar stond me maar wat: een reuzenkist op een groote kruiwagen. We
hadden dolle pret eer ’t gevaarte binnen was, en op ’t stoflaken
stond, dat Grootma over ’t tapijt had laten leggen. Met koeien van
letters was op de kist geschilderd: Voor Eric en Tobi van Rithem.
En nou had U de gezichten van die snuiters eens moeten zien. Eenig
bepaald!
Grootpa moest er met zijn gereedschap aan te pas komen, eer de kist
open was, en toen maakte iedereen plaats voor Eer en Tobiaantje,
die aan ’t uitpakken gingen, zoo vlug, dat je er geen oog op kondt
houden. Eerst een laagje houtwol, toen couranten, en toen.... ’t
huis. ’k Geloof niet, dat er ooit een prachtiger poppenhuis is
geweest, of er nog wezen zal, dan dat wat uit die kist kwam.
’t Heeft twee verdiepingen en negen kamers, allemaal met beeldige
meubeltjes; tot een badkamer toe is er in, met een snoezig
badkuipje en een electrisch geyzertje. Door op een knopje te
drukken, kan je ’t heele huis electrisch verlichten, dan komt alles
nog veel mooier uit. Eer en Tobi konden niets zeggen, en keken
maar. Tobi had tranen in de oogen en Eric keek ook raar, maar dat
wilden ze niet weten.
En dat was nog lang niet alles. Nou kwamen er allemaal doozen vol
met kleeren. Ik wist wel een beetje, wie die gemaakt hadden, want
ik had Grootma en de tantes wel eens overvallen als ze druk bezig
waren, en tante Lie vooral, want die liep altijd door met een
vingerhoed aan en een naald met een draad er in, als ze in de
Duiventil was. Er waren ook een boel meisjespoppekleeren bij, en
daar keken Tobi en Eer verbaasd van op, want Mijnheer had nog
altijd geen bruid.
Maar in de laatste doos vonden ze ’t raadsel opgelost, daar kwam
een snoezig popje uit in een wit satijnen sleepjurk en met witte
bloemen in haar bruine krullen, en op de doos stond: „De bruid voor
„Mijnheer”.”
Tobi en Eric waren heusch niet wijs van opgewondenheid, en ze deden
net zoo. Tot tante Nel zei: „Kom nou eens hier kinders, dan zal
moeder jullie vertellen, wie al die verrassingen voor jullie
bedacht en gemaakt heeft en ze uit naam van St. Nicolaas aan je
beidjes geeft.
„Grootpa heeft ’t huis met al de meubeltjes zelf gemaakt. Vader
heeft ’t huis verlicht, Moeder de bruid gekocht en gekleed. Grootma
en al de tantes hebben de kleertjes genaaid. Dus is dit een St.
Nicolaas cadeau van Grootpa en Grootma, van Vader en Moeder en al
de tantes en ooms. Eigenlijk dus van de heele familie.
„’t Kanariekooitje met Goudgeeltje er in geeft Basje. ’t Penduletje
hebben jullie van de drie kleintjes en ’t bloementafeltje ook.—En
wat zeg je daar nou van? Tante Lie heeft bijna alles bedacht, maar
die bederft jullie veel te veel, want eigenlijk....”
„Kinders, smoor me zoo niet, want ik wil graag nog een beetje
langer leven.”
Van al die omhelzingen en zoenen, die Eer en Tobi aan ’t uitdeelen
gingen aan al de gevers, vertel ik U maar niet. Iedereen werd half
gesmoord, behalve Jopie, Duimelientje en Cartje, want die waren
naar bed gebracht, omdat ze omvielen van den slaap.
’t Eenige wat mij speet, en Grootma vast ook, was dat U, die
natuurlijk bij zoo’n familiefeest hoort, er niet bij kon wezen.
Maar ’t is alweer een troost, dat U ’t allergrootste feest in de
familie wel mee zult vieren, en ’k vind ’t eenig, dat ik alleen dit
weet.
’k Hoor Grootpa en Grootma er dikwijls over spreken, hoe vreemd ’t
is, dat U nooit eens schrijft van overkomen ’t volgend jaar,
terwijl Grootma er telkens naar vraagt. Laatst zei Grootma: „’k Zou
’t vreeselijk vinden als Dolf en Lous er niet bij waren op onzen
zilveren bruiloft.” U begrijpt hoeveel moeite ik heb om dan mijn
mond te houden. Nou ik zou ook vast niet ’t rechte plezier hebben
op Grootpa’s en Grootma’s feest, als wij U misten. Wat een
reuzenverrassing zal ’t wezen als U volgend jaar October de
Duiventil binnenvliegt. ’t Lijkt nu nog wel ontzettend ver weg,
maar ’t is al gauw Nieuw Jaar, en dan kan ik denken: Ziezoo dit
jaar zie ik mijn lieve „ouwetjes” vast terug, en blijven we een
heele poos samen. ’k Zal ’t wel zoo weten aan te leggen, dat ik U
stilletjes van de boot kom halen. Want ik moet U ’t eerst van
allemaal zien, dat spreekt van zelf. ’k Heb hier een heerlijk
thuis, beter dan best, maar wie verlangt er nou niet naar zijn
eigen ouders? ’t Zal pas volmaakt zijn, als U ook thuis is. ’t Is
al vast erg gezellig, dat oom Jan en tante Ajoe bij ons wonen. Ze
zijn zoo lief en gul. „Echt Indisch”, zegt tante Nel, „de menschen
leven daar veel gastvrijer en hebben veel meer voor elkaar over,
dan de Hollandsche menschen.” Ik zeg maar: er zijn uitzonderingen
b.v. bij ons in de Duiventil. Tante Ajoe heeft altijd den mond vol
over Indië en vertelt graag van de gewoonten en zoo. Dat vind ik
echt, want ’t geeft me ’t gevoel, alsof U dichter bij mij bent.
Duimelientje is een snoezig dotje, maar net een trotsch prinsesje,
niemand mag haar knuffelen. ’t Is een groote gunst als je er ook
een krijgt, wanneer ze zoentjes uitdeelt.
Verleden week is Betjesmoe, U weet wel, de moeder van Bet, één en
tachtig jaar geworden, en heeft ze al de kinderen uit de familie te
visite gevraagd. We waren met ons negenen kinderen, want Sarina en
Marietje waren er ook bij, en dan nog twee kinderen van Betjesmoes’
zoon. Die zoon van Betjesmoe is korporaal geweest in de Oost en nou
politieagent, en een aardige, vroolijke man. Hij is dol op zijn
jongetjes, en woont met die kinderen bij zijn moeder in, want zijn
vrouw is al jaren dood.
Op den zolder hebben zij aardige kamertjes, en een van die jongens
houdt duiven, die aldoor ’t zolderraam in- en uitvliegen. Ik vind
anders aan die jongens, Bertus en Jan, niet veel aan, want ze zijn
erg verlegen, en zeggen haast niks. Betjesmoe vindt dat natuurlijk
niet; zij is erg trotsch op die bruine jochies.
We hebben veel pret gehad op Betjesmoes’ partij, en alle mogelijke
spelletjes gedaan, ook verstoppertje, en je vond elkaar direct,
omdat ’t huisje van Betjesmoe zoo klein is, maar ’t is overal even
keurig netjes. Betjesmoe tracteerde op allerlei lekkers, eigenlijk
veel te royaal.
Bet en Juf kwamen ons halen; er was haast geen plaats meer in de
kamer, omdat we met zoo’n troep waren. Op eens was Jopie weg, en we
konden haar niet vinden, tot dat ze onder ’t tafelkleed uit kwam
piepen. Juf was er boos om (want er werd een kop chocola omgegooid)
maar wij lachten en riepen: „hoera voor Jopie.” En Bet zei:
„Moeder, je doet vast geen oog toe van nacht, je maakt je zelvers
veel te druk.”
Betjesmoe lachte maar, en beweerde, dat ze op al die drukte juist
best slapen zou. Toen we weg zouden gaan, kwam de korporaal, ik
bedoel de politieagent, en toen moesten we op elkaars schoot gaan
zitten, zoo vol als ’t was.
En we schaterden en hadden plezier om niks, en Betjesmoe was de
vroolijkste van allemaal. De politieagent had ook bloemen
meegebracht, en we moesten Betjesmoe er mee versieren.
Duimelientje zat op haar schoot, en stak de bloemetjes tusschen
haar oorijzers, en onderwijl vertelde Betjesmoe nog even een
verhaaltje aan Zonnetje. Want dat had Betjesmoe beloofd, en
Duimelientje liet haar niet met vree, voor ze ’t eind had gehoord
van over een meisje dat „luie Doortje” heette. ’t Was heusch een
aardige partij, en we hebben zoo gelachen, dat we niet meer konden.
U vraagt naar mijn sijsje: Petertje. Nou dat blijft een verbazend
leuk gedierte. Iedereen heeft schik in zijn kunstjes. Hij wordt àl
tammer en meer aan mij gehecht. Of hij ooit in de volière kan
komen, dat geloof ik niet. De andere vogels zouden hem misschien
kwaad doen, omdat hij hulpbehoevend is. ’t Is voor zijn eigen
bestwil, dat hij gevangen blijft en hij heeft ’t heusch zoo kwaad
nog niet.
Ja, vader, U heeft goed gezien op mijn laatste portret: ik ben lang
zoo dik niet meer.
U zal mij erg veranderd vinden, ik groei nu gelukkig in de lengte.
Dat komt zeker van ’t tennissen en voetballen, want daar houd ik
dol van en doe niet veel anders in mijn vrijen tijd, behalve lezen
dan. Grootpa heeft U zeker wel geschreven, dat mijn rapport goed
was, gelukkig, en ik best mee kan komen in de nieuwe klasse.
Als U ’t goed vindt, zou ik naderhand wel willen studeeren in de
dierkunde, de Natuurlijke Historie, zegt Grootpa. Want ik lees ’t
liefst over dieren. Maar ingenieur lijkt mij ook een erg mooi vak.
Nou, ik hoef gelukkig nog niet te kiezen. Dokter zou ik liever niet
worden, en dat is maar goed ook, want dan zou niemand meer uit al
die dokters Canneheuvel wijs kunnen worden.
Is dit geen lange brief?
Als Grootma er niet altijd de postzegeltjes opplakte, had ik veel
dichter in elkaar moeten krabbelen. Want zoo op ’t eind van ’t jaar
zit ’t er niet aan, om misschien wel drie dubbele port te moeten
betalen.
Dag lieve, beste Pa en Ma.
Dit is mijn laatste brief van dit jaar, en als ’t weer December is,
dan zijn wij al lang weer bij elkaar. „Reuzen zalig, heerlijk,
verrukkelijk,” zou Tobi zeggen. Nog eens duizend dankjes voor ’t
prachtcadeau.