„Of ze nu thuis waren bij vader en moeder, of in de Duiventil, dat was
eigenlijk precies ’t zelfde,” bedacht Tobi, „wat de „gewoontes” en zoo
betrof. Wat thuis mocht, mocht van Grootma ook, net eender. ’t Was in
de Duiventil even goed en prettig als thuis, en ’t eten was er nog
lekkerder.” Maar toch ging de tijd akelig langzaam voor Tobi voorbij.
’t Was nu al bijna acht weken geleden, sinds ze moeder voor ’t laatst
gezien hadden. Vader kwam gelukkig bijna elken dag, en vertelde, dat
mama, heel zoetjes aan, vooruit ging. Rust en nog eens rust alleen kon
haar geheel beter maken. Moeder verlangde even hard naar haar
schatteboutjes, als zij naar moeder. Maar moeder was heel zoet en
verstandig, die zeurde nooit, en Tobi moest moeders voorbeeld volgen en
ook geduldig zijn. „Zal je moeder voor me pakken?” vroegen de kinderen
elken keer als ze vader goeden dag kusten. En Tobi onderzocht: „gaat
die pleegzuster nou nog niet weg? Eer en ik kunnen moeder wel verder
oppassen nou ze zooveel beter is.”
„’k Zal jullie aan zien komen,” lachte vader, „wat een verbeelding van
zoo’n ukje.”
„’k Vind die zuster toch een nare indringeling,” besliste Tobi. „Je
praat naar je wijs bent, kleine meid,” wees vader haar terecht.
En Eric vroeg welke ziekte moeder toch eigenlijk had, en hoe die
heette. Vader keek in Eric’s ernstige, vragende oogen, en streelde hem
over zijn kort geknipten bol.
„Moeder heeft catarhale koortsen gehad, en bovendien was er ook iets
inwendig niet goed, dat in verband stond met de zware hoofdpijnen,
waaraan moeder den laatsten tijd leed. Maar dat alles is nu Goddank
geheel in orde. ’k Kan je dat niet zoo precies uitleggen, lieve jongen,
omdat je ’t niet begrijpen zoudt; daar moet je dokter voor wezen.”
„Och,” maakte Tobi uit, „dat zal moeder ons zelf naderhand wel
vertellen, en dan begrijpen we ’t best.”—Tobi vond ’t erg bizonder, dat
moeder catarhale koortsen had gehad, dat klonk zoo deftig. En kleine,
domme Tobi deelde haar vriendinnetjes mede, dat haar mama een
„cathedrale” ziekte had, die heel gevaarlijk had kunnen afloopen.
De wijsheid uit de klasse wist te vertellen, dat ze bij haar thuis
hadden gezegd: „zoo’n ziekte bestond niet. Een cathedraal dat was een
kerk, en hoe kon je nou een kerkziekte hebben?”
Doch Tobi hield vol, dat de ziekte wel zoo heette, want: „Vader had ’t
gezegd, en die was de knapste dokter uit heel den Haag, dus.... waar
Eer?”
Eric wist ’t niet meer precies. Hij zou ’t vader nog eens vragen. Maar
hij vergat dit heelemaal, toen vader den eerst volgenden keer ’t
heerlijk bericht meebracht: „Jullie mogen morgen moeder even zien en
pakken. Heel eventjes maar, en geen huilerijtjes en zeuren, om langer
te mogen blijven dan vader toestaat, hoor! Goed begrepen!”
Juichend viel ’t tweetal vader om den hals, Eric keek even naar
Grootma, zou zij ’t niet naar vinden, dat ze zoo naar huis verlangden,
terwijl Grootma toch zoo van alles verzon om hun plezier te doen, en
iedereen in huis zoo lief voor hen was? Maar lieve Grootma kon je wel
aanzien, hoe blij ze was. Toen voelde Eric zich weer gerust.
De kinderen waren dol van vreugde, konden den volgenden dag nauwelijks
afwachten. Gelukkig, dat de nacht er was om te slapen en die uren dus
niet meetelden in den langen wachtenstijd.
Hand in hand, op hun teenen loopend, slopen Eric en Tobi achter vader
de ziekekamer binnen. In de deur bleven ze even staan. Was dat moeder
in bed! Zoo bleek en mager, zoo heel anders dan vroeger? Maar toen ze
haar armen naar hen uitstak met haar eigen lieven glimlach, toen werd
het weer moeder’s welbekend, welbemind gezicht. Ze hadden zich heel
goed gehouden, prees vader naderhand. Heel eventjes had Tobi van
blijdschap gesnikt, toen ze moeder kuste, en Eric zag bleek en sprak
schorfluisterend in de eerste ontroering. Doch dit alles werd gauw
beter, en nu konden de kinderen moeder niet genoeg liefkoozen en
aankijken.
„Moeder,” klaagde Tobi op eens: „U lijkt wel Soep-Hein, wat zijn Uw
wangen ingevallen, en Uw neusje is ook al zoo spits.”
„Ja,” riep Eric, „al ’t vleesch is van Uw botjes af, en Uw lippen zien
er net uit of er geen bloed meer onder Uw vel is.”
„En kijk die lieverd haar handjes eens,” huilde Tobi bijna, „zoo mager
en dun als luciferstokjes,” ze kuste de „lucifertjes” zoo voorzichtig,
alsof zij ze breken kon. Doch moeder lachte vroolijk, en zei met een
wel zwakke, doch opgewekte stem: „Schei nou uit als je belieft,
kinders, met je geweeklaag. ’t Is of ik de wolf ben en jullie
Roodkapje: „Grootmoeder wat heb je een gekke neus en grootmoeder je
mond lijkt wel een muil, en....”
„U lijkt niks op een verslindenden wolf,” viel Eric in, „eer op een
ongelukkig lammetje, dat vetgemest moet worden.”
„Je moet nou vreeselijk veel gaan eten, moeder,” zei Tobi, „die
„cathedrale” ziekte heeft je maar leelijk aangepakt.” Nu moest moeder
toch zoo lachen over haar: „kerkziekte,” dat vader tusschenbeide kwam
en verklaarde, dat ’t welletjes was geweest.
„We hebben al vast wat heerlijks voor je meegebracht.” vertelde Eric.
„’t Mocht van vader, raad eens wat.... Ingemaakte aardbeien en
sinaasappels. Die zijn er pas en nog erg duur.” „Als U eens wist....”
fluisterde Tobi.
„Tobi,” waarschuwde Eric.
Daar ging de deur open, en de pleegzuster keek om ’t hoekje. „Daar heb
je dat mensch,” dacht Tobi, en groette heel kortaf met een strak
gezichtje. „Tobi zet haar vriesgezicht op,” dacht Eric.
Doch de pleegzuster zei dadelijk bij zich zelf: „Wat een dotje! Ze is
boos, omdat ze ’t mij niet gunt voor haar moedertje te zorgen, maar die
win ik wel, let maar op.”
Toen de kinderen heel teeder afscheid hadden genomen van moeder, (ze
maakten het zoo lang als ze maar even durfden) trad Zuster Corver hen
in de gang tegemoet.
Ze pakte Tobi’s weerstrevend handje, en zei: „Kom eens mee, Zuster moet
je wat vertellen.” In de huiskamer trok ze de kinderen op de bank, en
sloeg om ieder een arm heen. „Je weet niet, hoe blij ik ben, dat jullie
eindelijk komen mocht van vader,” sprak ze. „Want moeder verlangde toch
zoo verschrikkelijk naar jullie, en riep maar: „Ik zal pas echt beter
worden als ik Tobi en Eric terug heb.” En nou ik jullie gezien heb, kan
ik mij best begrijpen, hoe Mevrouw naar haar kindertjes uitkeek en
verlangde.”
Zuster Elisabeth keek Tobi aan, „haar oogen schitterden een beetje
verdacht,” vond Tobi.
En Zuster vervolgde: „Nou beloof ik jullie, dat ik beter dan best voor
moeder zal blijven zorgen tot jullie weer voor goed thuis komt, en haar
vertroetelen mag.
„Dan gaan we met ons drietjes van allerlei bedenken, dat jullie voor
moeder doen kunt. Want zij zal nog een heele poos erg ontzien moeten
worden. Dat zijn dan leuke geheimpjes tusschen ons drietjes.”
Tobi keek een beetje beschaamd, en haar kleur werd steeds hooger.
„’k Dacht, dat U een naar spook was,” zei ze op eens, „maar nou geloof
ik, dat U toch wel lief is.”
„Zeg eens eerlijk, Tobi, was je niet een beetje jaloersch op me?” vroeg
zuster, en ze schudde haar opgeheven wijsvinger langs Tobi’s neusje
heen en weer.
„Niet een beetje, vreeselijk erg,” gaf Tobi eerlijk toe, „maar nou niet
meer, hoor!” En ze gaf zuster Elisabeth’s schouder een hartelijken
druk.
„Zie zoo, dat is in orde,” zei de pleegzuster, „nou moeten jullie
zuster eens helpen. Wil Tobi ’t ei door de melk roeren, die moeder
straks drinken moet?”
„Hé ja,” stemde Tobi toe, „en dat kan ik toch zoo goed, Juffrouw, ’k
sla ’t wit zoo stijf als een plank.”
„Nou moet je ’t geel alleen maar flink roeren, kindje.
„Moeder pruttelt altijd erg tegen haar eierdrankje. Maar ik wed dat
doet ze dit keer vast niet, als ze weet, dat Tobi voor haar is bezig
geweest. En Eric kan jij de bouillon voorzichtig zeven? In dit pannetje
is de bouillon, hier is een groote kop, en ’t zeefje er bij. Nou breng
ik ’t blaadje straks aan Mevrouw, en zeg: „Compliment van Eric en Tobi,
die hebben alles voor moeder klaar gemaakt.””
„Leuk,” riep Eric, die druk aan ’t zeven ging, en dit zoo voorzichtig
deed, dat hij maar een klein beetje op ’t servet morste. Tobi spatte
geen druppeltje, ze was eieren kloppen gewend.
Toen de kinderen klaar waren namen ze hartelijk afscheid van zuster
Elisabeth, en op straat zei Tobi: „ze is heusch lief, hoor Eric, ik had
nou nooit gedacht, dat zij zou verzinnen, dat we wat voor moeder
mochten klaar maken. Jij wel?”
„Neen hoor, maar ik zag dadelijk, dat ze een lieve zuster was. En jij
zette nog al je vriesgezicht op.”
„Jetuurlijk, want toen was ik nog kwaad op haar, en dacht, dat ze een
spook was, maar een mensch kan zich wel eens vergissen.”
„Een „uk” bedoel je, zou vader zeggen,” gierde Eric.
Tobi wou kwaad worden; toen bedacht ze zich en vroeg: „Eer, vond je ook
niet, dat moeder er „miserabelig” uitzag? Dat je van een ziekte zoo
heelemaal anders kan worden, ik begrijp ’t niet. Wat voor een ziekte of
moeder nou toch eigenlijk had?”
„Dat kan zoo’n klein kind als jij ook niet begrijpen,” meende Eric met
een wijs gezicht. „Ik begrijp ’t ook niet, en vader weet ’t alleen,
omdat hij dokter is.”
„Zoo? En moeder zeker niet? Die zou haar eigen ziekte niet weten? Zeg,
loop naar de pomp. ’k Vraag ’t naderhand lekkertjes aan moeder, en
vertel er jou niks van, omdat je zoo eigenwijs bent.”
„’k Geloof, dat moeder ’t ook niet precies weet, dat heb ik je al
gezegd.”
„Waarom?”
„Omdat meisjes altijd veel minder weten dan jongens, dat zeggen al mijn
vrienden.”
Tobi werd rood van boosheid. Ze nam ’t altijd voor de meisjes op, en
Eric wist dit wel, en plaagde haar expres.
„Jouw vrienden! Dat is me ook een zoodje.... Ik zeg, dat moeder net zoo
knap is als vader. Heeft moeder soms geen verpleegstersexamen gedaan,
en weet moeder niet altijd alles wat wij haar vragen van ons
schoolwerk? „O zoo!” zou Kee zeggen.”
„Nou ja,” gaf Eric toe, „maar moeder weet niks af van de sterren, dat
zegt ze zelf. En moeder zou ons huis, dat jij verbrand hebt, ook niet
electrisch hebben kunnen verlichten, en zoo....”
„Moeder kan weer een heele boel, dat vader niet kan, naaien en puddinks
maken, en nog veel duizend dingen meer. Van de sterren vertellen, dat
kan vader nou weer mooi, en dat moet jij ook nog allemaal leeren, en
misschien is dat nou meer voor jongens.
„Moeder is in elk geval ook reuzenknap, en nou praat ik er niet meer
over.”—
„Ik zal maar weer de wijste zijn,” zuchtte Eric.
„Omdat je wel weet, dat je ongelijk hebt,” zei Tobi. Doch tegelijk wou
ze ’t weer een beetje goed maken, pakte Eric’s arm beet, en gaf die een
stevigen druk.
Arm in arm stapte ’t tweetal vergenoegd voort tot de „Duiventil” in ’t
zicht kwam. Toen gingen de kinderen aan ’t hollen, want Grootma stond
voor ’t raam naar hen uit te kijken.
Wat hadden die Eric en Tobi Grootma veel te vertellen! De een gunde den
ander niet aan ’t woord te komen.
Grootma liet hen maar begaan, en deed alsof ze alles begreep van de
verwarde verhalen. Want ze kon zich zoo goed voorstellen, hoe het die
twee te moede was, na ’t eerste weerzien van moeder, na acht eindeloos
lange weken.