Gisteren was Tommy jarig,
En natuurlijk was er feest,
Al zijn allerbeste vrinden,
Zijn op de partij geweest,
Krulledoesje, Kees, de Vechtbaas,
Lord, de zwarte Doberman,
Waldi, ’t kefferig Ami’tje,
En de Airedale Jonathan.
Net precies om zeven ure,
Stond ’t zestal in de gang,
Keffend, stoeiend, opgewonden,
’t Was een leven van belang.
Tommy blafte vroolijk: „Welkom,
Gaat maar mee, ik wijs den weg,
Eerst gaan we wat lekkers drinken,
Dat zal jullie aanstaan, zeg.”
In de keuken, op een rijtje,
Stonden schotels een voor elk,
(’t Was om van te watertanden,)
Boordevol gevuld met melk.
Iedereen begon te slob’bren,
Jonathan was ’t eerste klaar,
Bij Ami, die veel te veel had,
Nam hij toen zijn kansje waar.
Hé, dat smaakte, likkebaardend
Ging ’t nu naar ’t sous-terrein,
Want daar kon je zalig hollen,
’t Was je reinste feestterrein.
„Zullen we wat touwtje springen?”
Stelde nu de gastheer voor,
„Lord en ik gaan aan ’t draaien,
Krulledoesje die springt vóór.”
Krulledoesje die springt vóór.”
Bijna tot den zolder an,
Kleine Ami sprong vlug en netjes,
Keesje kende er niet veel van.
Toen Lord zei: „Kees moet aan ’t draaien,
Want hij sprong niet in de bocht,”
Sloeg Kees woedend aan ’t vechten,
Wat natuurlijk niet mocht.
„Hoor eens Kees,” sprak Tommy kalmpjes,
„Als je dat niet daad’lijk laat,
Ga je vast van de partij af,
En we zetten je op straat.”
Nou dat hielp, Kees gromde en bromde,
En gaf Lord nog gauw een knauw,
Maar die nam ’t hem niet kwalijk,
Lord vergaf gelukkig gauw.
Tommy riep nu zijn vriend Waldi,
Die mocht met hem medegaan,
Al de anderen moesten wachten,
Met dichte oogen blijven staan.
Stoute Ami’tje waagde ’n oogje,
Want ’t duurde vrees’lijk lang,
Eer de vrienden wederkwamen,
Waldi met een dikken wang.
Torn en Waldi droegen ieder
In hun bek een zakje vol,
Met de heerelijkste lever,
En wie is niet op lever dol?
In een oogwenk was ’t lekkers,
Met ’t papier mee opgesmuld,
Er bleef heusch geen tijd tot kauwen,
Niemand had daarvoor geduld.
Bij ’t nu volgend „krijger spelen,”
Kwam ’t op lange pooten an,
En geen wonder dus dat wonnen,
Lord en de Airedale Jonathan.
Na een poosje hijgen en rusten,
Ving zoowaar weer ’t schransen aan,
Als ten minste voor ’t lekkers,
Heel wat moeite werd gedaan.
Heerelijk gebakken spiering,
Bengelde aan ’t sterke touw,
„Klein en groot moest er naar springen,”
Commandeerde Tommy’s Vrouw.
’t Was een kolfje naar hun pootjes,
En ’t kwam meest op vlugheid an,
’t Kleinste deel kreeg arm Ami’tje,
’t Grootste forsche Jonathan.
Doch er was genoeg voor allen,
Iedereen had ruim zijn deel,
Krulledoes en gulzig Keesje,
Kregen eigenlijk wel wat veel.
En hiermee was ’t feest ten einde,
Vroolijk ging de bende heen,
Dankend met een rechtstaand staartje,
Honger had er vast geen een.
Tommy zelf vond zijn partijtje,
Heel plezierig afgeloopen,
Met ’n dankbren lik op vrouwtjes hand,
Is ie in zijn mand gekropen.
„Hé,” zuchtte Tobi, „doodzonde, dat we daar niet bij zijn geweest. ’k
Had ook naar die spiering meegesprongen, wat jij, Eer?”
Eric hield zich goed en bedwong zijn lachlust. „Die Tobi toch!
Natuurlijk was ’t een leuk verzinseltje, die heele partij van Oom Frans
en tante Lie. Maar hij zou Tobiaantje maar in den waan laten, dat alles
wezenlijk en werkelijk gebeurd was. Jopie zou ’t natuurlijk ook
gelooven, en iedereen zou pret hebben over: „Tommy’s Partij.” Hoe kon
Oom Frans ’t toch zoo leuk verzinnen?”
Doch Tobi had Eric maar een beetje voor den gek gehouden. ’s Avonds bij
het naar bed gaan zei ze: „Zeg Eer, ’t was natuurlijk maar een grap van
Oom Frans over dat hondenpartijtje. Verbeeld je! zoo’n bende honden,
die niet zou gaan vechten!.... Heb je heusch gedacht, dat ik ’t
geloofde, dommert?”
„Nou,” gaf Eric toe, „eigenlijk wel.”
„Zoo! Bespottelijk! Dacht je soms, dat je Cartje voor had? Je lijkt wel
een uil van Japan!”
Eric hield maar zijn mond en dacht al weer: die Tobi toch!