„Hallo jongens, waar zitten jullie?” riep Basje in de gang, aan huis
bij tante Nel. „Ja ja, we komen,” gilde Eric terug, en boven aan de
trap zong Tobi’s vroolijk stemmetje: „Kom jij maar bij ons, Basjesman,
we hebben ’t veel te druk om naar benee te gaan.”
In zes stappen was Basje boven, en vond Eric en Tobi in de serre,
achter de huiskamer, die Moeder als speelkamertje voor hen had
ingericht. „Wat doen jullie, kinders?”
„We spelen met ’t poppenhuis, doe je mee?” „Nou, ik kwam maar eens
kijken, waar is tante Nel?”
„Uit, en Vader ook natuurlijk.”
„Die Vader heeft ’t toch altijd zoo druk,” vertelde Tobi, „tè druk, zeg
ik maar. Iedereen wil Vader hebben als dokter; niemand heeft zoo’n
knappen Vader als wij, dat is secuur.”
„Weet je, dat Vader vroeger voor ingenieur heeft gestudeerd, Basje,
maar toch liever dokter wou worden?” vroeg Eric. „Nou van zelf heeft
Vader erg veel verstand van al die ingenieursdingen. Alles wat kapot
is, kan hij maken, waar Tobi?”
„Ja,” bevestigde Tobi, „en zoo mooi en secuur! Ons poppenhuis....”
„Laat mij nou vertellen, Tobi, ik was begonnen,” viel Eric in. „Vader
heeft ons poppenhuis heelemaal electrisch verlicht, gewoon prachtig!”
„Laat eens kijken.”
„Eerst de gordijnen dicht,” bedisselde Tobi, „anders komt ’t niks uit.”
Als een bedrijvig huismoedertje redderde Tobi rond, Basje moest zijn
oogen dicht doen, terwijl Eric in ’t poppenhuis aan ’t prutsen was.
„Klaar,” riep hij op eens. „Neen maar, dat is heusch prachtig!”
bewonderde Basje opgetogen. „Laat eens goed kijken.... buitengewoon,
dat moet ik zeggen, al die beeldig verlichte kamertjes en dan ’t
keukentje.... Je zou er zoo in willen wonen als je een dwerg was. Zeg,
woont er niemand in jullie huis?”
„Eigenlijk staat ’t huis op ’t oogenblik te huur,” vertelde Tobi. „Je
moet ’t niet kwalijk nemen, Basje, maar ik draai ’t electrisch licht
weer uit, want ’t mag nooit lang branden, dat is veel te duur.”
„Misschien verhuren we ’t huis weer aan den menheer, dien we er hebben
uitgezet,” zei Eric nu.
„Waarom hebben jullie dat gedaan?”
„Wel, hij wou er niks van weten, toen we zeiden, dat we zijn huur
opsloegen, omdat hij nou electrisch licht had gekregen. ’t Is ook zoo’n
luie vent, hij doet maar niks dan eten, en wordt zoo dik, dat hij uit
al zijn kleeren berst.”
„Zoo’n stakkerd!” beklaagde Basje „menheer.” „Waar woont hij nou?”
vroeg hij echt belangstellend.
„Op kamers. Kijk, die heeft Vader ook al voor hem in orde gemaakt.
Knap, maar heel eenvoudig „meubeleerd,” zooals je ziet. Mijnheer is
eigenlijk niks moois waard. Hij is te lui om rond te kijken, let er
niet op of ’t mooi dan leelijk om hem heen is.”
„Ik vind, dat ’t nog al gaat,” merkte Basje op. „Hij heeft een mooien
leunstoel en een aardig kooitje voor zijn kanarievogel.” „’t Is toch
een echt oud zoodje,” fluisterde Tobi achter haar hand. „Hij kan niet
op de leunstoel zitten, want daar zakt hij door. En de tafel staat op
drie en een halve pooten....”
„Weet je wat we van plan zijn,” viel Eric in, „we wouen in deze kamers
de meubels uit ’t groote huis zetten, en dan nieuwe nemen voor ons
poppenhuis, dat Vader nou zoo prachtig heeft gemaakt. Maar Moeder zegt:
„deze zijn nog goed genoeg voor menheer, die toch maar een luie dikzak
is.” Nou heeft Tobi ’t heel slim verzonnen, dat mijnheer gaat trouwen,
en nou moet hij natuurlijk alles nieuw hebben. Dat hoort zoo als je
trouwt.”
„Ja, Moeder zal aan een nieuw „meublement” moeten gelooven,” besliste
Tobi. „Eric wil rood fluweel, maar ik zeegroen satijn.... Menheer zijn
bruid wil ’t natuurlijk in de puntjes hebben, en zal maar niet trotsch
zijn op haar prachtig boeltje.”
„Eerst hebben,” zuchtte Eric. „Misschien wil Grootma....”
„We mogen niet vragen, dat weet je wel, Eer,” waarschuwde Tobi. „En
bovendien heeft menheer nog niet eens een vrouw; tijd genoeg zeg ik
maar.”
„Maar als jullie menheer zoo arm is, hoe kan hij dan trouwen en in dat
mooie huis gaan wonen?” onderzocht Basje.
„Dat zullen we je nou eens uitleggen,” zei Eric. „Basje mag ’t wel
weten, hé Tobi?”
„Gerust,” knikte Tobi.
En Eric vervolgde: „Menheer heeft erge klappen gehad, moet je weten.”
„Van wie?” vroeg Tobi verbaasd.
„Och kind, dat zeg je zoo als iemand veel van zijn geld heeft
verloren,” wist Eric wijs, en tot Basje gewend, vervolgde hij: „Nou
weten wij een rijke bruid voor hem, maar ze moet ook een baasje zijn,
en zorgen, dat de duitjes bij elkaar blijven, en ook dat haar man een
beetje magerder wordt. Hij is bijna net zoo dik als jij, Basje.”
„Maar ik barst gelukkig niet uit mijn kleeren,” lachte Basje.
„Weet je, Basje,” fluisterde Eric een beetje erg hardop: „’t Is
eigenlijk Tobi’s schuld, want ze maakt menheer’s kleeren veel te krap.
Al de naadjes barsten dadelijk open als hij een nieuw buis aan heeft.”
„Naai jij dan zelf zijn kleeren,” zei Tobi boos.
„Hoe kan een jongen dat nou?”
„En de kleermaker dan, die vader’s pakken maakt?” riep Tobi
triomfantelijk.
Eric werd rood.
„Nou ja, maar ik kan nou eenmaal niet naaien. Vader kan ’t ook niet.
Jongens doen nou weer andere dingen dan meisjes. Moeder heeft nou weer
geen verstand van electriciteit en zoo.”
„Dat zit nog,” zei Tobi, die altijd voor de meisjes opkwam. „En zeur
nou maar niet langer Eer, en heb niet altijd wat aan te merken, op wat
een ander doet. Dat wou ’k maar zeggen, weet je.”
Eric zweeg als de oudste en wijste van hun beiden, zooals hij bij zich
zelf dacht.
’t Poppenhuis werd voor Basje’s plezier nog eens overal hel verlicht,
en „mijnheer” mocht even in de mooie kamer op de kanapé liggen. Toen
gingen de jongens naar Eric’s kamertje, waar Eric zijn nieuwe
postzegels aan Basje wou laten zien.
Tobi bleef benee om op te ruimen. Ze stelde mijnheer voor, om nou maar
naar bed te gaan. Maar die deed alsof hij niets hoorde en bleef lui
liggen.
Dus werd hij nog al hardhandig terug gebracht naar zijn eigen kamers.
En nu ontdekte Tobi een groote, donkere vlek op ’t mooie rozenkleed in
de voorkamer van ’t poppenhuis vlak voor de kanapé, en verderop twee
kleinere. „O hemel! dat is vast olie,” bedacht Tobi, „dat heeft die
vervelende Eric natuurlijk gedaan. Hij zwaait altijd met Moeder’s
machinespuitje rond.” Ze rende de trap af naar de keuken op zoek van
naphta, ze wist best, dat je met naphta olievlekken wegkrijgt. In de
keuken was niemand; Sophie en Sientje waren boven aan ’t werk. Maar
Tobi vond al gauw een nog bijna vol fleschje met naphta, en vloog met
haar buit weer naar boven. ’t Rozenkleedje zat stevig aan den vloer
vast getimmerd, dus begoot Tobi ’t kleedje rijkelijk met naphta en
begon er met een tandenborstel (als geheel waardeloos afgedankt, voor
’t gebruik waartoe hij moest dienen) over heen te wrijven.
’t Werd er niet beter op. ’t Heele kleed was al gauw drijfnat en de
donkere olievlekken werden geen ziertje lichter. „Goeie grutjes, ’t
wordt hoe langer hoe erger,” zuchtte Tobi, heelemaal ontdaan. „Wat moet
ik toch beginnen! Hoe krijg ik de boel weer droog? Als de kachel nou
maar brandde....” Maar dat deed ’t fornuis in de keuken wel. (Sophie
had zelfs flink opgestookt, de plaat stond bijna gloeiend.) Tobi droeg
’t huis voorzichtig naar benee. „Vijf minuten op de warme plaat, zou je
zien, hoe gauw de bordpapieren vloer droog was”.... Even later hoorden
de meiden en de jongens boven een vreeselijken gil.
Hals over kop stormde groot en klein de trappen af. „Hulp, hulp!”
schreeuwde Tobi, „’t poppenhuis staat in brand en ’t
schoorsteenvalletje bijna.”
Sophie en Sientje vlogen toe, maar Basje was haar te vlug af. „De deur
open, Eric, gauw, gauw,” riep hij. ’t Poppenhuis leek één vuurzee.
Basje pakte de tang, schoof ’t heele zaakje met één ruk van ’t fornuis
in den leegen kolenemmer, (wat een geluk, dat die er juist stond) en
droeg den emmer met zijn brandenden inhoud vliegensvlug naar buiten op
’t plaatsje, waar Sientje den brand met een overvloed van water verder
bluschte. Iedereen viel nu arme, kleine Tobi aan, die hortend en
stootend ’t geval had verklaard. Sophie knorde boos: „ik begrijp niet,
hoe je aan mijn naphta durfde komen, je wist best, dat je dat niet doen
mocht, ondeugend kind.” Tobi deed niets dan huilen, terwijl ze haar
rood beschreid gezichtje in haar boezelaar stopte.
„Ja,” zei Eric, „en ik begrijp niet, Tobi, hoe je zoo verschrikkelijk
dom kunt zijn. ’t Lijkt wel of je Jopie bent, niet te bedenken, dat
naphta en vuur....”
Maar Tobi kon nu niets meer velen. Ze was vreeselijk geschrokken, had
zoo’n verdriet over ’t mooie poppenhuis, waarvan niets meer over was
dan een paar zwarte flarden. En ’t mooie „meublement” en mijnheer zijn
kleeren, en de prachtige kleerenkast, en ’t snoezig penduletje en....
Ze kon er niet aan denken. Arme Tobi vond geen woord om zich te
verdedigen, maar begon zoo onstuimig te snikken, dat ze een steen zou
hebben vermurwd. Hoe veel eerder de jongens dus. Eric wist maar niet,
wat hij doen zou om haar tot bedaren te brengen, en beloofde haar van
alles, als ze maar op wilde houden met dat wanhopig huilen. En Basje
bracht een glas water, en klopte Tobi op haar rug, alsof ze zich
verslikt had. Doch ’t kind wou niet getroost worden. Gelukkig, daar
kwam Moeder, en nu was de zaak gauw genoeg in orde. Moeder begreep
dadelijk wat er aan de hand was, al praatten de kinderen alles door
elkaar, erg verward en onbegrijpelijk.
Basje werd geprezen om zijn flink, cordaat optreden. Tot belooning
mocht hij blijven eten. Sophie zou spekpannekoeken bakken, en dat was
Basje’s lievelingsgerecht.
Tobi, die dadelijk bij Moeder op schoot was gekropen („precies een
echte baby, die ze eigenlijk ook nog is”) dacht Eric hoofdschuddend,
werd getroost, maar ook beknord. Want ze wist best, dat ze niet met
naphta of terpentijn of wat ook, mocht knoeien. Sophie of Sientje
zouden haar die ook stellig niet gegeven hebben. ’t Was verschrikkelijk
jammer van ’t mooie poppenhuis, en een harde straf voor Tobi’s
ongehoorzaamheid, dat ’t verbrand was, en....
„Ja, maar Moeder,” viel Tobi in, „’t huis was ook van Eric, en die
heeft niks gedaan.”
Nou moest Moeder toch even lachen, en Eric mompelde welgemoed zoo iets
van: „Vader is er ook nog, en een nieuw huis met St. Nicolaas....”
„Nou,” merkte Moeder op, „dan mogen jullie wel verbazend lief en
gehoorzaam zijn, tot ’t zoover is, en daarna ook, hoop ik.
„Geef Moeder een zoen, Tobi, en huil nou maar niet langer. Ga je
gezicht en handen wasschen; geef je handen een extra beurt, en doe een
schoon boezelaar voor. Je lijkt zelf wel een naphtafleschje. Laat ons
maar dankbaar zijn, dat alleen ’t poppenhuis is verbrand en van
Sophie’s schoorsteenvalletje ook niet veel is overgebleven. ’k Moet er
niet aan denken wat had kunnen gebeuren.
„Maar Tobi, je moet me ernstig beloven, nooit meer op je eigen houtje
aan ’t schoonmaken te gaan met naphta of ander brandbaar goedje.
Begrijp je wel, liefje, wat een vreeselijk ongeluk er had kunnen
gebeuren als je schortje b.v. in brand was gevlogen?....” Moeder werd
heel bleek, en knipte met haar oogen, alsof de tranen om ’t hoekje
stonden.
„Hé, Moeder,” zei Eer, „nou niet dadelijk aan ’t ergste denken. U ziet
er heelemaal wit van. We zullen je wangen weer rood zoenen, Tobi één en
ik één.”
En dit deden ze ook met zooveel stevige zoentjes, dat Moeder hen
lachend wegduwde.—
„’t Is toch vreeselijk, dat mijnheer’s kleeren allemaal verbrand zijn,”
zuchtte Tobi, toen ze naderhand met Eric alleen was. „Hij lag al in
zijn bed, natuurlijk in zijn pyjama. Stom van ons, dat we de
kleerenkast in ’t groote huis hebben gelaten.”
„’k Heb al wat bedacht,” fluisterde Eric terug. „We schrijven aan tante
Lie; die is vreeselijk knap in ’t naaien van poppenkleeren, weten we
van Moeder.”
Tobi’s oogen schitterden. „Morgen schrijven we direct.”
En twee dagen later ontving tante Lie op: „Welkom Buiten,” den
volgenden brief, dien Eric en Tobi samen hadden opgemaakt: „Lieve tante
Lie. Er is een vreeselijk ongeluk gebeurd, er is brand geweest in ons
poppenhuis, en al mijnheer’s kleeren zijn verbrand.
„’t Was mijn schuld (Tobi) want ik had er niet aan gedacht, dat ’t
fornuis zoo hard brandde en er zoo’n boel naphta op ’t kleedje was.
Tante Lie, U is toch zoo’n lieve schat van een tante. Wil U ons nou een
beetje helpen met nieuwe kleeren voor „mijnheer?” Hij loopt nou, om zoo
te zeggen, poedelnakend.
„Want ziet U, we hebben zoo’n klein hoopje, dat we wel weer eens een
nieuw poppenhuis zullen krijgen, en dan mag mijnheer er weer in wonen,
maar dan moet hij natuurlijk nette kleeren hebben. Hij krijgt ook een
vrouw, en dat is een rijke juffrouw, dus daar mag hij niet bij
afsteken.
„We hebben al een vrouw op zicht voor menheer; ik (Tobi) heb een
snoeperdje op ’t oog met bruine krullen. Misschien koopt Moeder die
prachtpop wel voor ons, „of anders bedelen we bij Vader.” (Eric).
„Weet tante Lie nog van die mooie pop van Tobi die Jeannette heette en
zoo’n mooie pruik op had, van Eric’s krullen gemaakt, toen hij nog een
klein jongetje was?
„Nou, die pruik is heelemaal versleten, en loopt Jeannette nou met een
nakend hoofd. Een beetje erg vies (Eric).
„Dag lieve lieverd van een tante Lie. Komt U weer gauw met Cartje en
oom Frans? Veel kusjes en zoentjes voor U drieën van Eric en Tobi.”—
’t Duurde een beetje lang eer tante Lie terug schreef. Maar toen kregen
de kinderen ook een vers, dat luidde:
„Lieve arme, kleine twee,
Tante Lie voelt met je mee,
Doch nu kan ze nog niets zeggen,
Eerst moet ze ernstig overleggen.
Heb dus nog een poos geduld,
Mogelijk wordt je wensch vervuld,
Cartje en Oom, die groeten zéér,
Tante Lietje nog veel meer,
Zoent en knuffelt je voor tien,
En blijft jullie trouwe Lie(n).”
„’t Lijkt wel een puzzle, ’t bevalt me niks,” zei Eric. „Veel te
moeilijk om op te lossen.”
„Dan maar een beetje geduld,” raadde Tobi wijs. „Menheer moet maar tot
zoolang in zijn bed blijven, dat zal die luilak best bevallen.”
„Er zit nog wat in de enveloppe,” riep Eric op eens, „kijk’s, een lang
vers van Oom Frans, en tante Lie heeft er wat boven geschreven.”
Samen bukten ze zich over ’t papier en lazen: „Jullie hebt Tommy’s
jaardag gisteren heelemaal vergeten, en die is nog al zoo luisterrijk
gevierd geworden. Oom heeft er een vers op gemaakt en hierbij stuurt
jullie dat, tante Lien.”—
Tommy was de dackel van Oom Frans en de lieveling van ’t huis, dat hij
wel een beetje regeerde. Cartje en Tommy waren gezworen kameraden, en
in de familie waren alle kinderen dol op Tommy.—
„Hoe eenig,” juichte Tobi, „gauw lezen, of lees jij maar even vóór,
Eer,” en Eric las: