„Is Mevrouw thuis?” vroeg Joop aan Marietje, terwijl hij haastig binnen
stapte, haar toestemmend: „Ja dokter,” niet eens afwachtend.
Mevrouw Canneheuvel zat druk te breien, een werkje, dat ze graag deed
en doen mocht. Hoe meer moeder haar oog ontzag, hoe liever ’t Frits nog
steeds was.
Met een hartelijk „welkom” op haar gezicht, stak ze Joop de hand toe.
„Dat is een verrassing, jongen,” sprak ze blij, „we zien je zoo
weinig.”
„Ja, moederlief, dat spijt me genoeg. ’k Kon nu eigenlijk ook moeilijk
uitbreken, en kom met geen prettig bericht...”
„Iemand ziek bij jullie?” vroeg Mevrouw Canneheuvel bezorgd.
„Nel is niet al te best. Ze voelde zich al een dag of wat onlekker,
maar dacht, dat ’t gevatte kou was en van zelf wel zou overgaan. U weet
hoe Nel is, ze wil ’t nooit weten, als ze wat mankeert. Maar eindelijk
kon ze zich niet langer ophouden, en bleef vanmorgen liggen. Dat is
voor Nel iets buitengewoons.... Nou kwam ik vragen....”
„Of Eric en Tobi hier mogen komen? Maar dat spreekt toch van zelf,
beste Joop.”
„U neemt mij een pak van ’t hart, dolgraag. Waar zouden de kinderen
beter bezorgd kunnen zijn? U begrijpt, ik kan ze niet geven wat hun
toekomt. Blijven ze thuis, dan gaat Nel er over tobben, dat ze zonder
toezicht zijn; zij willen naar moeder toe, en dat mag niet, want Nel
moet absolute rust hebben. Dus....”
„’k Ga met je mee, Joop,” viel Mevrouw Canneheuvel in. „’k Mag Nel wel
even zien en haar vertellen, dat de kinderen bij ons komen? Van uit
school stuur je ze maar dadelijk hierheen.”
„Als ’t U en Vader maar niet te druk wordt, twee logéetjes voor
onbepaalden tijd over den vloer; vooral Tobi is een echte woelwater,”
zei Joop. „’k Ben bang, dat ’t met mijn lieve Nel een lange
geschiedenis zal worden,” voegde hij er zuchtend bij.
„In onze Duiventil is voor al de kinderen en kleinkinderen altijd
plaats, dat weet je toch wel, beste jongen,” sprak Mevrouw Canneheuvel
eenvoudig. „’k Hoor vader de trap afkomen, vraag ’t hem zelf maar, als
je mij niet gelooft.”
Maar dat hoefde Joop heusch niet te doen. Nauwelijks hoorde vader, dat
Nel ziek was en rust behoefde, of hij zei, net als zijn vrouw had
uitgemaakt: „Eric en Tobi sturen jullie natuurlijk naar ons toe.”
„Neem je een pleegzuster?” vroeg Mama.
„Ja, ik telefoneerde dadelijk, en kon gelukkig Zuster Corver krijgen,
een bovenste beste. Als ik ’t dezer dagen niet juist zoo bizonder druk
had, was ’t niet noodig geweest, had ik Nel zelf kunnen oppassen.
„Vindt U ’t niet vreemd, Nel stemde dadelijk toe, toen ik voorstelde
een pleegzuster te laten komen. Zoo niets voor Nel, wèl een bewijs, dat
ze zich ziek voelt.”
Mevrouw Canneheuvel had zich intusschen klaar gemaakt, en in Joop’s
koetsje reden beiden nu naar de Hertoginnelaan.
De pleegzuster was er al, een zacht, vriendelijk persoontje, volkomen
op haar plaats in een ziekekamer.
Met een hoogroode kleur lag Nel in haar bed, ze was onrustig, en
praatte druk en opgewonden. Mama bleef maar even bij haar. Ze had haar
hand op Nels voorhoofd gelegd; ’t was, alsof ’t daarachter brandde, zoo
heet voelde ’t aan.
Nel bracht moeders hand aan haar lippen. „Dank U duizend maal, dat U de
kinderen wil nemen. Dag lieve moeder, Joop zal mij wel gauw beter
maken.” Ze wuifde met haar kleine, witte hand moeder vaarwel, vroeg
haar niet om nog wat te blijven. Arme Nel moest zich wel heel naar
voelen!
Een beetje angstig en bezorgd ging Mevrouw Canneheuvel naar huis, maar
zij borg die zorg in haar hart, zei tegen haar man, dat ze zich niet
ongerust hoefden te maken over Nel. Ze was jong en sterk, en zou er
stellig gauw bovenop komen met de hulp van zoo’n knappen dokter als
haar eigen, lieven man.
Aan de koffie kwamen de kinderen, en even later verscheen Sientje met
een koffertje met kleeren en toiletbenoodigdheden.
Er was een briefje van Joop bij: „Moeder liet Eric en Tobi honderdmaal
goeden dag zeggen. Ze moesten lief en gehoorzaam zijn, en ’t Grootpa en
Grootma vooral niet lastig maken, dan mochten ze gauw weer thuis
komen.”
De kinderen waren een beetje verschrikt en erg onder den indruk. Ze
hadden op school de boodschap gekregen, dat ze rechtstreeks naar „Huize
Canneheuvel” moesten gaan, omdat Mama ziek was geworden, en rust moest
hebben.
Mama ziek! Dat was nog nooit gebeurd. ’t Was wel heerlijk bij Grootma
en Grootpa te logeeren, maar de reden.... verschrikkelijk! Tobi begon
op eens te huilen, en wilde niets meer van haar boterham weten. „Waarom
moet Moeder een pleegzuster hebben?” vroeg ze verontwaardigd. „Waarom
kunnen Eer en ik Moeder niet helpen? ’k Heb dikwijls Moeder’s haar
gevlochten en Eric kan best Moeder’s gezicht en handen wasschen en....
we kunnen zoo stil zijn als muizen en....” Tobi bedacht wat een
pleegzuster nog meer doet. Toen besloot ze triomfantelijk: „en
bovendien is Vader er toch ook nog.”
„Vader kan toch de zieke menschen niet aan hun lot overlaten,” zei Eric
zacht. „Dat kan je toch ook wel bedenken, Tobi. ’t Is nou omdat Vader
een dokter is, anders zou hij veel meer bij Moeder kunnen blijven.”
„Juist een geluk,” viel Tobi in, „dat Vader dokter is, want een
„bestere” dokter kan Moeder niet hebben, wat U Grootma?”
„Jullie hebt allebei gelijk,” maakte Grootma uit. „Maar kindertjes, nu
moeten jullie eens heel goed naar mij luisteren. Je moet lief en
verstandig zijn, niet zeuren en dwingen om bij je moedertje te mogen
wezen, want dat kan en mag niet. ’k Weet wel, dat jullie erg je best
zoudt doen en heel lief en behulpzaam zijn voor mama, maar je bent nog
te jong, en hebt niet geleerd wat een pleegzuster allemaal weet, om een
zieke zoo goed mogelijk te verzorgen. Grootma heeft ook dikwijls
verpleegd, maar ze moest toch altijd toegeven, dat de verpleegster veel
dingen beter wist en beter deed. Elken dag krijgen we bericht van mama,
dat heeft Vader vast beloofd, en zoo gauw ’t maar eventjes kan mogen
jullie moeder gaan bezoeken en een zoentje brengen. En ik weet zeker,
dat je je zieke moeder met niets meer plezier doet, dan door geduldig
en lief bij Grootpa en mij den tijd af te wachten, dat je weer naar
huis toe mag gaan. Basjesman zal ook wel zorgen, dat jullie je hier
niet al te erg verveelt.”
„Dat doen we nooit in de Duiventil,” riepen de beide kinderen tegelijk.
„Als moeder maar niet ziek was, zouden we ’t zalig vinden een lange
poos hier te zijn, hé Tobi?” vroeg Eric.
„Jetuurlijk,” gaf Tobi toe, „als we nou maar gauw hooren, dat moeder
een beetje vooruitgaat. Daar moet die pleegzuster nou maar eens goed
voor zorgen, daar is ze voor, zou ik denken.”
En Eric fluisterde Grootma toe: „Tobi is toch nog een echt onnoozel
kleintje, hé Grootma?” Grootma lachte maar eens. Basje, die
gymnastiekles had en pas laat thuis kwam, was niet weinig verwonderd
Tobi en Eric te zien. Maar hij betuigde zijn groote ingenomenheid met
’t feit, en nam Grootma de zorg uit de hand, wat ze met hun vrijen
Zaterdagmiddag zouden doen. Hij nam ’t tweetal mee naar boven, naar
zijn ruime, prettige kamer, die niks op een slaapkamer leek. Want alles
wat met slapen en toiletmaken te maken had, stond achter een scherm.
Basje’s speelgoedkast was goed voorzien; Tobi duikelde er zelfs een
oude Teddybeer uit op. „Ja,” vertelde Basje, „die is nog uit mijn
prille jeugd, en hij is veel verder geweest, dan jullie met je beiden.
Teddy heeft door Indië rondgezworven en door Zwitserland. Hij is nou
een oud beestje, en dat kan je hem aanzien ook.”
„’t Is een viezerd,” maakte Tobi uit, „kijk hem eens verharen, waarom
gooi je hem niet weg?”
„Omdat ik aan Teddy gehecht ben, Tobiaantje; ik houd hem mijn leven
lang, want hij en ik zijn oude vrienden, en bij je vrienden moet je
niet op ’t uiterlijk letten.”
Tobi bleef Teddy een viezerd vinden, en duwde hem achter in de kast,
daar kon hij zooveel haar verliezen als hij maar wou.
Basje stelde voor eerst hun huiswerk te maken, en dan gezellig bij
elkaar te gaan zitten tot etenstijd en verhaaltjes te vertellen.
„Ik ken geen verhaaltjes,” viel Tobi uit, „en bovendien moet ik aldoor
aan moeder denken. Mijn werk wil ik ook niet maken, ’t is alles even
akelig. ’k Wil naar moeder,” en kleine dwaze Tobi begon verschrikkelijk
te huilen.
Of Grootma ’t had kunnen raden, dat Tobi ’t niet langer harden kon van
onrust en verlangen naar haar moedertje?
Ze kwam juist binnen, toen Tobi heelemaal ten einde raad was. En,
zooals Frits als kleine jongen zei: „Moeder was de beste „troosteres”
voor groot en klein, en dit ook gebleven.” Mevrouw Canneheuvel nam Tobi
op schoot, en liet haar kalm uitschreien en haar leed uitklagen. En
toen haar kleindochtertje weer luisteren kon, sprak ze zoo geduldig en
meegevoelend, zoo opbeurend en hartelijk, dat de kleine meid een beetje
beschaamd haar tranen droogde, en beloofde haar best te willen doen om
geduldig en zoet te zijn.
Maar toen Eric haar een beetje plaagde, en van een „baby” praatte,
stoof Tobi driftig op, en begon weer te schreien.
Grootma begreep best, hoe stormachtig ’t er nog uitzag in Tobi’s
hartje. Ze nam ’t meisje mee naar benee en verzon kleine werkjes, die
Tobi’s gedachten afleidden. Ze mocht Grootma helpen bij ’t stof afnemen
in ’t salon, en de plantjes water geven. Toen stuurde Grootma haar naar
de keuken, om Bet te helpen. Die had ’t erg druk, en zou ’t vast
heerlijk vinden, als Tobi haar ’t werk een beetje uit de hand nam. Bet
liet Tobi ’t eiwit tot schuim kloppen, dat door de appelmoes moest
geroerd. Daar hield Grootpa zooveel van. „Ik ook,” riep Tobi „en ik doe
’t thuis ook zoo dikwijls, en dan klop ik ’t zoo stijf, dat Sophie
zegt: „je kunt er wel op schaatsen rijden.”” Bet vond die vergelijking
van Sophie heel raar en onnoozel, doch dat zei ze maar niet. Ze had nog
meer werkjes voor Tobi: peterselie schoonmaken en wasschen. Bet prees
Tobi, zoo vlug en handig als ze alles deed. Tobi vond ’t erg prettig in
Bet’s groote, gezellige keuken, en lachte vroolijk over Bet’s verhalen
van vroeger toen moeder, de ooms en tantes nog klein waren.
Hoe tante Lie en tante Puck stilletjes in de keuken kwamen knoeien, en
dan een vreeselijken morsboel maakten. „En je tante Puck,” zei Bet,
„dat was me er eentje. Ze pakte maar zoo m’n schoonen bordendoek om die
vuile boel op te vegen.”
„Nou,” oordeelde Tobi, „’t was toch nog netjes van tante Puck, dat ze
’t niet zoo liet liggen.”
„’t Staat hard te bezien, of ze dat nou uit nettigheid dee,”
betwijfelde Bet. „Ze was eer bang voor knorren. En ik kon mirakel
driftig op der worden, dat wil ik weten. Nou ben ik niet zoo
opstuiverig meer, een mensch wordt kalmer met de jaren.”
„Hielden tante Puck en tante Lie ook zoo veel van Betjes moe?” vroeg
Tobi, die, als al de kinderen in de familie, dol was op Betje’s oude
moeder.
„En òf,” zei Bet met nadruk, „mijn moeder mocht tante Puck maar niet
graag! Op je tante Lien was ze van zelfs gek. Weet je, hoe ze tante
Puck en tante Lien noemde? De schatteboutjes!”
„Hoe eenig!” juichte Tobi. „Weet je wat ik doen zal, Bet? Als ik Lie
weer zie, dan zeg ik: „dag lieve schatteboutje van ’n Lie.”
„Van een tante Lie,” verbeterde Bet.
„Nee, Eer en ik zeggen bijna altijd enkel Lie. Dat maggen we.”
„Ja, de tijden veranderen,” zuchtte Bet, „de kinderen doen nou
allerlei, dat eigenlijk geen pas geeft.”
Tobi lachte guitig. „Maar je vindt Eer en mij toch wel lief, hé Bet?”
„Je bent een paar.... schatteboutjes,” prees Bet, „als je ’t maar
gelooven wil.”
„Omdat ik je nou zoo prettig heb mogen helpen, Bet,” betuigde Tobi,
„zal ik je ook eens waarzeggen, dat kan ik mooi!”
„Beware, kind, wat heb ik, oud mensch, daar nou mee noodig? Voorspel de
toekomst liever aan Marietje.”
Toen Marietje terug kwam met de boodschappen, waarvoor ze was
uitgestuurd, wou ze dadelijk heel graag van Tobi de toekomst hooren.
Tobi ging op ’t aanrecht zitten, en keek heel lang in Marietje’s hand.
„Je wordt verbazend oud, Marietje,” voorspelde Tobi, „want de lijn van
je leven is erg lang; dan trouw je ook nog wel eens.” Tobi schudde wijs
en bedachtzaam haar hoofd. „Maar dat zal nog een aardig tijdje duren;
met een smid, want ik zie een soort hamertje bij je duim.”
„’k Wil geen smid,” beweerde Marietje, „die is altijd even vuil.”
„Dan met een timmerman,” gaf Tobi toe, „die gebruikt ook een hamer. ’k
Zie ook nog al gelukteekens hier en daar. Je hebt een mooie toekomst,
Marietje,” besloot Tobi heel ernstig.
„Geluk der mee. En nou mag je wel gauw binnen gaan dekken, Marietje,”
raadde Bet.
„Kom je mee verstoppertje spelen, Tobi?” vroeg Eric om ’t hoekje. „’t
Kan hier zoo echt in ’t sous-terrain.”
Vroolijk sprong Tobi van ’t aanrecht, en even later hoorde Bet haar
vroolijk stemmetje hoog opschateren.
„Gelukkig maar,” dacht Bet. „’t Kind is al weer over der verdriet
heen.”
Doch ’s avonds, toen ze in haar bedje lag, waar Grootma haar zoo lekker
koesterend in had neergevlijd, terwijl ze zoo lang naast de bedjes was
gebleven, tot ze de kinderen gerust slapend achterliet, werd Tobi op
eens wakker. Haar hartje begon onrustig te kloppen, en de tranen
drongen haar naar de oogen. Wat was er ook weer? O ja, ze waren niet
thuis, omdat moeder ziek was. Moeder had hen niet toegestopt en niet
met hen gebeden. Lieve Grootma wel, maar Grootma was moeder niet.... En
nu lag ze heel alleen in bed in de groote kamer. Waar was Eer? „Eric,”
riep Tobi met een zacht, huilerig stemmetje. Eric hoorde haar niet in
’t cabinetje aan den overkant van de gang. Thuis sliepen ze in kamers
naast elkaar, waarvan de verbindingsdeur altijd open bleef. Tobi gleed
haar bed uit. „Hu! wat voelde ’t linoleum koud aan onder haar bloote
voetjes. Waarom stapte ze ook naast ’t zachte beddevacht?” Tobi schoot
haar toffeltjes aan. Ze wou gaan zien waar Eer was, en of hij sliep.
De deur naar de gang stond op een kier, ze gleed er door, in....
Grootpa’s armen. „Wat doe je nou, vrouwtje?” vroeg Grootpa, „ga je een
beetje aan ’t wandelen in je nachtjapon?”
„Grootpa, ik ben zoo angstig en zoo alleen,” klaagde Tobi.
„Wou je even mee naar benee? Bij Grootma op schoot pootjes warmen,
stouterd?” stelde Grootpa goedig voor. Tobi zoende Grootvader, en
klemde haar armpjes om zijn hals, terwijl hij haar de trap afdroeg.
„Wat een geluk, dat U juist boven kwam,” fluisterde zij aan zijn oor.
„’k Kwam eens kijken, of je lekker sliep. Grootma was daar bang voor,
ze had er zeker een voorgevoel van, dat jij aan ’t ronddwalen was.”—
Dicht tegen Grootma aangeknuffeld, vertelde Tobi, dat ze toch zoo naar
gedroomd had, en wakker was geworden van den schrik.
„Ja maar,” knorde Grootma een beetje, „je hadt in bed moeten blijven,
kindje, wie gaat er nu in ’t donker aan ’t ronddwalen? Eric is veel
verstandiger dan jij.”
„Ja, maar Eric slaapt altijd dadelijk, en hij wordt nooit wakker. Als
ik had geslapen, zou ik ook in mijn bed zijn gebleven,” verklaarde Tobi
met nadruk.
„Dat is nog al heel begrijpelijk,” lachte Grootpa.
„Ik zou hier wel den heelen nacht willen blijven,” beweerde Tobi, na
een poosje, met een slaperig stemmetje, terwijl zij haar hoofdje aan
Grootma’s borst vlijde.
„Maar dat zou mij niet best bevallen, Tobiaantje, Grootma verlangt ook
naar bed. Weet je wat we zullen doen, peuzel? We zullen morgen Eric’s
bedje ook in de groote logeerkamer zetten. Dan mogen jullie naast
elkaar slapen, is dat goed? En nu dan ook zoet naar bed hoor! Kijk, je
oogen vallen haast toe. Je bent nou heerlijk warm, hé vrouwtje?”
„Ja Grootma, dank U wel, Grootpa en Grootma,” fluisterde Tobi bijna.
Ze was al voor drie kwart onder zeil, terwijl Grootpa haar naar boven
droeg, en Grootma haar onder de dekens stopte.
„Nou Suze, we weten, dat we een echte woelwater in huis hebben,” sprak
de heer Canneheuvel hoofdschuddend, toen ze even later Tobi, gerust
slapend, achter lieten.
„’k Vind ’t toch schattig, dat Tobi zoo aan haar moedertje hangt. En ze
is ook nog zulk een klein aapje,” verontschuldigde Mevrouw Canneheuvel.
„Maar Eric is ook een gevoelig kind,” voegde zij er bij. „Hij schreide
toen ik met hem en Tobi bad, en zei zacht aan mijn oor: „Moeder zal ’t
ook wel vreemd vinden, dat ze ons niet goeien nacht kan zeggen, ’k zal
nog eens apart voor moeder bidden, Grootma.” Echt lief hé.”