„Hoor eens, moeder,” zei Tobi met een boos snuitje en een vastberaden
stemmetje, „Eer en ik vinden ’t niks prettig, dat U Jopie ook wil
vragen Zondag. Wat moet dat kleine kind er nou bij? ’t Zal niks dan
last geven.”
„Maar Tobi.... laat me je eens aankijken,” zei moeder Nel. „’k Dacht
heusch niet, dat mijn lieve, hartelijke Tobi zoo onaardig kon zijn.
Jopie thuislaten.... je eigen nichtje .... dat net zoo goed als een
zusje van jullie is.... moeder heeft je vast verkeerd begrepen, niet?”
„Maar moeder,” en Tobi stampte met haar voetje op den grond, „wat doet
nou zoo’n klein kind bij ons groote kinderen?” En Eric viel in:
„Natuurlijk kunnen we dan niet met de Electrische spoor spelen, want
daar begrijpt Jopie niks van. En ’t is toch mijn jaardag, en U doet
alles voor mijn plezier, en wat hebben jongens er nou an als er zoo’n
klein meisje bij is?”
„Nou,” zei moeder met haar lieve, bedaarde stem, „dan moeten jullie ’t
maar aan Jopie gaan zeggen, dat ze niet komen mag. Ze zal
verschrikkelijk ongelukkig zijn. Tante Puck vertelde me gisterenavond,
dat Jopie aldoor haar mondje vol heeft van: „Eertje zijn verjaardag.”
Ze heeft zelf een presentje gekocht voor Eer, en van Paps een mooi
lichtblauw ceintuurlint gekregen om op den feestdag te dragen. Tante
Puck heeft haar witte jurkje zelf uitgestreken....”
Eric en Tobi zeiden niets.
En mama vervolgde: „Nou is ’t net, of ik dat lieve druddeltje voor me
zie, zoo bitter, bitter bedroefd, omdat ze niet gevraagd is. Ze zal
denken, dat ’t voor straf is, omdat ze stout is geweest, want anders
kan ze ’t niet begrijpen.
„En wat moet ze wel van Tante Nel denken, die haar verleden week
beloofd heeft, dat ze natuurlijk komen mocht. Ze danste aan mijn schoot
van plezier, en riep: „Jopie geeft Eertje een plachtig persent, Jopie
heeft ’t zelf gekoopt.” En Tante Puck waarschuwde: „Niet vertellen,
Jopie, ’t is een gegeim.””
„Ja, gegeim,” zei Jopie, „maar ’t is plachtig.”—
„En jullie had haar gelukkig, stralend snoetje moeten zien, ’t leek wel
een zonnetje. Tante Puck zegt altijd: „Jopie krijgt wel graag wat, maar
ze geeft nog veel liever....” En nou zal ze haar „persent” niet zelf
komen brengen, en alle aardigheid zal er voor haar af zijn. Ik moet er
niet aan denken,” zuchtte moeder, „ik zou er zelf wel om kunnen
huilen.” Tobi plukte verlegen aan haar boezelaartje, Eric keerde zich
af, en ging uit ’t raam staan kijken, maar hij zag niets.
Met een ruk draaide hij zich op eens om. „Maar Tobi, waarom heb jij ’t
dan ook gezegd, dat we Jopie niet hebben willen? Moeder....” En Tobi
viel in, „omdat we ’t hadden afgesproken, maar nou wil ik ’t ook niet
meer. Ik zie Jopie in mijn gedachten met de traantjes langs haar wangen
loopen, ’k zou daar telkens aan moeten denken Zondag. Nee moeder, laat
dat kind dan maar komen, wat jij, Eer? En Eer, we kunnen dan wel een
anderen keer met de „Electrische” spelen.”
„Natuurlijk,” beaamde moeder, „er zijn toch wel honderd andere
spelletjes. En nou kom ik ook meespelen, als,” voegde ze er met een
guitig knipoogje bij: „moeder ten minste niet een te groot meisje voor
jullie is.”
Eric en Tobi bedolven mama onder hun liefkoozingen, en Eric verklaarde:
„een moeder hoort overal bij. Hoe vieren wij mijn verjaardag nou,
moeder?”
„Wel ik had zoo gedacht:
„Omdat Eric Zondag tien jaar wordt, mag de visite al tegen de koffie
komen: Basje natuurlijk, Eric’s twee beste vrienden Tom en Eddy Driot,
en Zusje voor Tobi.”
„En Jopie, moeder.”
„Let maar op, of die er niet vroeg genoeg met haar neusje bij zal
zijn,” lachte mama.
„Nou, natuurlijk is er een extra verrassing op de koffietafel. Ze
begint met een „T.”
„Taart,” raadde Tobi.
„Tulband,” riep Eric.
„Eigengebakken,” juichte Tobi, en ze klapte in haar handen.
„’k Verraad niks, ’t zijn allemaal geheimen,” plaagde moeder. „Na de
koffie rijden we naar de Wijckerbrug. ’t Weer zal, volgens Jopie, nog
een heele poos „plachtig” blijven. Daar kunnen jullie zalig spelen tot
’t tijd wordt om naar huis te gaan, dan....” „Komt ’t glanspunt,” viel
Eric in. „Moeder ik wil niet zelf verzinnen wat we zullen eten, U moet
alles maar bedenken.
„Maar ik zou wel dolgraag roomtaart willen en asperges en erwtjes en
gebakken botjes.”
„Nee, die is goed,” riep Tobi, „en moeder zou alles bedenken.”
„Ja maar Tobi, dat zijn nou hartewenschen van me; ik word maar eens
tien jaar, hé moeder?”
„Gelukkig!” zei moeder, „’t zou me anders veel te duur uitkomen. Na ’t
eten gaan we kamerspelletjes doen, en iedereen speelt mee, al de groote
menschen ook. Jullie moogt tot 10 uur opblijven. Wat zeggen jullie van
moeder’s plan? ’k Weet nog meer geheimen, die Grootma me verteld heeft,
maar ik mag niks verraden. In elk geval geloof ik, dat Eric’s tiende
jaardag bizonder feestelijk zal worden.”
„Heerlijk! Natuurlijk omdat ’t een tienjaar is,” wist Tobi.
„Ze bedoelt een kroonjaar,” verbeterde Eric wijs.
„Kan me niks schelen, hoe hij heet,” verzekerde Tobi, met een luchtig
gebaar, „als de pret nog maar „dubbelder” is, dan op andere
verjaardagen.” Tobi verzon altijd gekke woorden, en lachte zelf ’t
hardst mee, als zij er om werd bespot. Op eens viel haar wat in, en ze
trok moeder naar zich toe en fluisterde: „Moeder ik heb tegen Eer
gezegd, dat hij geen vieze woorden meer mag zeggen, nou hij tien jaar
wordt, vindt U ook niet? Toen hij gisteren boos was, toen zei hij....”
„Wil ik niet eens hooren,” viel mama in.
Eric kreeg een kleur: „Maar voor een jongen is dat toch zoo erg niet,
hé moeder?”
„Ik vind,” sprak mama, „dat wat onbehoorlijk en leelijk klinkt uit een
meisjesmond, even leelijk is als een jongen ’t zegt. Ik heb je al zoo
dikwijls gevraagd, Eric (en Tobi ook, want die praat je na) om die
akelige gewoonte te laten varen. ’t Is niks dan een flauw, naar
aanwensel. Wie heeft jullie dat toch geleerd?”
„Op school doen we ’t allemaal,” verklaarde Eric.
„Eddy niet,” wist Tobi.
„Nou, als ik ’t weer hoor,” besloot mama, „weet ik wel wat ik doen zal.
Jullie krijgt er straf voor.”
„Wat voor straf?” onderzocht Tobi.
„’k Kom dan een maand lang niet boven, om jullie toe te dekken en met
je te bidden. En dat is voor moeder net zoo goed een harde straf als
voor jullie.”
„O! Moeder is echt verdrietig, ze meent ’t heusch, ik zie ’t aan je
oogen, moeder,” riep Tobi ontsteld. En toen begreep ze, en zei
verteederd: „Moeder, wat ben je toch een schatje! Nee Eer, nou moeten
we ’t heusch niet meer doen.” En tot Vader, die de kamer binnenkwam
vervolgde Tobi, haastig: „Vader, we zeggen geen vieze woorden meer, we
hebben ’t moeder beloofd. Eer, jij hebt ’t ook beloofd, hoor!”
„Als ik ’t niet vergeet, en omdat ’t van ’t jaar mijn kroonjaar is,”
gilde Eric. „Hoera!”
„Nou ik vind dat voornemen van jullie een groot geluk,” prees Vader,
„en voor Jopie ook, want die zegt in haar onschuld de leelijkste
woorden na. Laatst heeft ze haar moeder uitgemaakt voor een ouwe
„drakekrukkedil,” en Juf voor een slingeraap. „En,” zei tante Puck, „ze
weet niet eens, wat dat voor dieren zijn.”
„Nou „Slingeraap en drakekrokodil,” zijn toch geen vieze woorden!”
verklaarde Tobi.
„Nee maar die leert ze even vlug als ze ze hoort. Ik vind ’t een groot
geluk, daar blijf ik bij, dat jullie dat plan hebt verzonnen, en die ’t
een jaar volhoudt, krijgt van mij een dubbeltje.”
De kinderen proestten. En Tobi verklaarde brutaal op ’t kantje af: „We
laten ’t veel eer om Moeders’ straf dan om Vaders’ groote belooning,
wat jij Eer?”
„Als jullie ’t maar laat,” sprak Vader tevreden.—
Eric’s verjaardag werd luisterrijk, een dolzalige dag, zooals de
kinderen ’t noemden. Dadelijk na ’t ontbijt kwamen de „feliciteerders”
al: Grootpa, Grootma en Basje met.... leege handen.
Eric vond ’t vreemd, maar hij hield zich goed. Van Vader en Moeder had
hij ook nog maar alleen gelukwenschen en kussen gehad. Hij zoende zijn
grootouders hartelijk terug, en gaf beleefd antwoord. Grootpa keek
oolijk; Grootma bepaald ondeugend.
Toen pakte Basje op een wenk van Oma Eric bij de hand, en trok hem naar
de gang. Wat stond daar tegen den muur? Stuur, wielen, lantaarn, alles
fonkelnieuw en glanzend? Een fiets! een echte jongensfiets! Eric werd
heel bleek, toen vuurrood. „Voor mij die pr.... prachtfiets, voor mij?”
Toen jubelde de jongen ’t uit; in één sprong was hij bij zijn
verjaarspresent. Tobi juichte even hard mee. „O Eer, je vreeselijk
grootste, allerverschrikkelijkst grootste hartewensch, die wij niet op
’t lijstje durfden te zetten.... Er hangt een papiertje aan ’t stuur,
wat staat er op?”
„Zie jij maar,” hijgde Eric, „ik kan niet.”
En Tobi las zoo hard, dat ’t overal in huis te hooren was: „Van Grootpa
en Grootmama, van Vader en Moeder.” „En van mij,” zei Basje, „want de
lantaarn heb je van Basjesman.” Eric vocht met zijn tranen, en groote
jongen als hij al was, deed hij nu toch erg kleintjes, zooals Tobi
hoofdschuddend opmerkte. Want hij rende naar Moeder, en duwde zijn bol
in haar schoot, terwijl hij zijn armen om haar middel knelde.
Maar was ’t eigenlijk niet best te begrijpen, dat je de kluts kwijt
raakte wanneer je „verschrikkelijkst” vurigste hartewensch van jaren
lang al, op eens vervuld wordt.
Moeder droogde Eric’s natte oogen af, en fluisterde hem wat in. „Ja,
Moeder, ja,” en nu vloog de jarige achtereenvolgens zijn Grootouders om
den hals met duizend, duizend dankjes. „Och! Och! wat dee die Eer toch
kleintjes vandaag,” dacht Tobi. Want nou zat hij warempel bij Vader op
schoot, en streelde zijn gezicht. „Was hij nou een Baby of zij?” Tobi
trok broertje van Vader’s knie, want Basjesman moest nog bedankt
worden, en dan zij zelf....
„Mijn present valt maar leelijk af tegen de fiets, hé Eer,” merkte Tobi
een beetje spijtig op, terwijl ze hem een groote zak met knikkers
toestopte.
Maar Eric zoende haar dankbaar, en zei: „’k Ben erg blij met je
knikkers en zoo veel! en dat je de zak zelf voor me gemaakt hebt met
die mooie geborduurde bloemetjes!”
Toen vloog hij weer naar zijn fiets, want die moest nog van A tot Z
bekeken en bewonderd worden. Met vader natuurlijk, die precies wist,
hoe de boel in elkaar zat.
(Vader had vroeger voor ingenieur gestudeerd, maar deze studie
afgebroken, omdat ’t hem veel meer aantrok dokter te worden.)
„Makkelijk voor jou, Eer, als er wat aan mankeert, maakt oom ’t
dadelijk in orde, en ’t kost je niks,” riep Basje, „hoe vindt je mijn
lantaarn?”
„Nou je kan zien, dat die een centje meer heeft gekost dan een
dubbeltje,” riep Eric verrukt. „Niet aan ’t nikkel komen, Tobi, je hebt
misschien vochtige vingers en als ’t beslaat....”
Grootma en Grootpa, die ’t binnen hoorden, lachten er om. „Of Eert je
zoo netjes en zuinig blijven zal op zijn nieuwe schat,” betwijfelde
Grootvader.
„Natuurlijk niet,” zei Mevrouw Canneheuvel, „en ’t is maar goed ook.
Dat is ’t begin. In minder dan geen tijd, mag Tobi er op zitten.”
„’k Weet een mooie naam voor je fiets, Eric,” verzon Tobi op eens: „„De
Krona,” omdat je hem op je kroonjaar hebt gekregen.”
„Ja, dat heb je leuk verzonnen,” stemde Eric toe, „mijn nieuwe paardje
heet: „Krona” en of ik ’t beestje best verzorgen zal.”
Daar werd gescheld.
Sientje liet Juf en Jopie binnen. Jopie had haar handjes vol pakjes,
die ze Juf in de handen stopte, om op Eric los te stormen. Ze sprong
tegen hem op, en smoorde hem bijna onder haar zoentjes. „Jopie is toch
zoo blij,” riep ze maar aldoor, en liep steeds rond om iedereen te
pakken en te feliciteeren.
Tobi keek even naar moeder, en knikte haar toe. Ja, ’t zou echt jammer
zijn geweest, als Jopie nou thuis had zitten huilen in plaats van
aldoor, schaterend van plezier, Eric haar presentjes toe te duwen.
„Zelf gekoopt, allemaal zelf gekoopt.”
Een zak vol roze pepermuntstengels, een reuzentol, die muziek maakte
onder ’t ronddraaien, een doos vol witte en roze muisjes. Of die Jopie
ook maar in de bus had geblazen met hulp van tante Puck!
„Paps en Moes komen van avond,” vertelde Jopie, „nou kon ’t niet.”
Even later kwamen de vriendjes, met presentjes beladen. Op zoo’n
jaardag kan je wel aan ’t bedanken blijven, maar dat was juist dol en
echt, vond iedereen.
Grootpa en Grootma bleven mee koffie drinken. Doch op ’t tafeltje, waar
de kinderen aanzaten, prijkte de eigengebakken tulband, en Eric moest
die aansnijden en uitdeeling houden, wat hij heusch nog al netjes deed.
’t Trof goed, dat de tulband een reus was, want er waren heel wat
mondjes, die om hun deel kwamen, en iedereen hield graag voor nog een
klein stukje zijn bordje bij.
„Maar ze bedoelen een „groot”,” zei Tobi.
Eric had zijn fiets dadelijk graag ingewijd. Want natuurlijk kon hij
fietsen, dat leer je van zelf, als je beste vriend een fiets rijk is.
Eddy had er verleden jaar al een gekregen. „Maar de mijne is lang niet
zoo mooi als de jouwe, Eer,” gaf Eddy gul toe. „Kom, ’t zal zoo veel
niet schelen,” meende Eric uit beleefdheid te moeten zeggen. Doch zus
Tobi dacht: „En óf en geen klein beetje ook.”
’t Was of Eer en Tobi voelden, dat ze wat hadden goed te maken aan
kleine Jopie, die zoo gelukkig rondsprong en hen naliep als een hondje,
aldoor opgewonden van plezier. Wat een geluk, dat ’t lieve diertje niet
af wist van hun boos plannetje, om haar thuis te laten. Broer en zus
fluisterden even samen, en toen riep Eric: „Moeder, ik vind, dat Jopie
„Krona” moet inwijden. Jopie mag het eerst van iedereen op mijn fiets.”
En Jopie wou dolgraag. Dus werd ze op ’t stalen paardje gezet; Eric en
Basje trokken de fiets voort, en Tobi hield juichende Jopie vast. Zoo
ging ’t vier, vijf maal de lange gang op en neer, terwijl Jopie verrukt
riep: „Morgen koopt Jopie ’n „fies” en dan mag Eertje er op van Jopie.”
En toen Jopie Krona had ingewijd, stond de „Jan Plezier” vóór met twee
geweldig snuivende paarden. De heerlijke rit was op zich zelf al een
zalig pleziertje, en aan de Wijckerbrug leek ’t wel een overval toen ze
daar met hun allen binnen kwamen. Van de pret, die daar gemaakt werd,
hoeft niets verteld te worden, want iedereen weet, hoe eenig ’t is in
den Wijckerbrugtuin. Moeder Nel dee heerlijk mee, al was ze een groot
meisje: „Kruip door, sluip door”, schommelen, wippen, in Holland staat
een huis, Patertje langs den kant, enz. enz.; dat alles kon ze nog even
goed als vroeger.
Moegespeeld, maar daarom niet minder vroolijk en druk, reed men tegen
etenstijd weer naar huis.
„Jammer dat de dol zalige dag al zoover om is,” zuchtte Eric, en Tobi
troostte: „er komt nog een boel meer, ’t is nog lang geen bedtijd.”
„Handen wasschen en dan aan tafel, kinderen,” zei Juf, „die voor haar
doen, nog al moppig was geweest vandaag,” vonden de kinderen.
Moeder had al Eric’s wenschen vervuld, tot de gebakken botjes toe. „’k
Wou, dat Eric wat anders verzonnen had,” pruttelde Sophie. „Visch
bakken en dat op zoo’n drukken dag, en dan voor zooveel monden.” Maar
Sientje vond, dat Eertje gelijk had, om op zijn jaardag botjes te
willen eten, als hij daar nou zoo dol op was (zij hield er ook van, en
ze hoefde ze niet te bakken.)
Na ’t eten kwamen Tante Puck en Oom Frits en gingen ook dadelijk in den
kring zitten om mee te spelen.
Jopie kroop bij Paps op schoot, ze had hem verbazend veel te vertellen.
„’k Kan mijn presentjes haast niet tellen,” riep Eric, dankbaar en
verrukt, terwijl hij de doos aannam, die Tante Puck hem gaf, en haar al
zoende en omhelsde voor hij nog wist, wat er inzat: een seinhuisje voor
de Electrische. Iets prachtigs, daar je zoo wel dadelijk mee zou willen
spelen. En nu kwam Vader thuis, die onder ’t eten was uitgeroepen, en
bracht een reuzenzak mee met.... pepernoten. „Want,” zei Vader Joop:
„ik heb onderweg bedacht, dat we den avond gaan besluiten met
„ganzenborden.” Dat hebben Jopie en ik afgesproken, mama, heb je nog
een ganzenbord?”
„Ja zeker, ’t staat of liever hangt zoo’n beetje achter ’t buffet in de
eetkamer, en in mijn sleutelmandje liggen de dobbelsteenen.”
In de keuken dachten Sophie en Sientje: „’t Is hier altijd druk en als
er kindervisite is, weet je nou eenmaal, dat er een herrie komt van
belang. Maar zooals nou hebben we ’t nog nooit beleefd.” ’t Is me dan
ook maar niks om met je twaalven te ganzenborden. Bij elken
ongelukkigen worp, die den speler in een of ander noodlottig verblijf
bracht als de gevangenis, de put, de herberg, ja zelfs den dood,
juichte iedereen, en klapte in de handen. Waaraan je als slachtoffer,
zelf ’t hardst meedeed. Wat nood! In minder dan geen tijd werd je
verlost of had een voorganger ingehaald. Toen er vier potten waren
gespeeld, wilde de vijfde zich maar niet laten winnen, en door ’t
telkens boete betalen, was ’t een geweldige pot geworden. „Ik wint
hem,” riep Jopie, die vlak bij de 63 stond.
„Nee Jopie, dit keer niet,” meende Basje, „want wie gooit er nou ooit
bijna: twee?”
Maar Jopie deed ’t, ’t was een echte geluksworp, zei iedereen, en aan
’t gejuich kwam geen eind.
„Doch nu moest de gelukkige winnares dan ook onherroepelijk naar huis
en naar bed,” zei Moesje. Vader’s koetsje had al een poosje staan
wachten, eigenlijk was ’t veel te laat geworden voor zoo’n kleine
dreumes, al had Jopie nog zulke heldere schitteroogjes, Klaas Vaak
stond om ’t hoekje klaar.
’t Was ook te laat geworden om nog met de Electrische te spelen, hoe
dolgraag Eric dit ook gedaan had.
„We zijn te moe van de pret,” beweerde Tobi. Al gauw werden de
vriendjes en zusje gehaald en daarmee was ’t feest afgeloopen.
Eric en Tobi hoefden niet aangemaand te worden, hun beddeke blank te
gaan opzoeken. Ze hadden moeite, de oogen open te houden. Toen Moeder
de kinderen goeden nacht kwam zeggen, fluisterden zij met slaperige
stem hun avondgebed aan haar oor. Maar Eric werd nog even klaar wakker,
om Moeder eens extra te pakken en te danken. „’k Heb voor een millioen
plezier gehad, en dank U een millioen maal. Geen jongen op de heele
wereld kan zijn eerste kroonjaar heerlijker gevierd hebben dan ik.”—