VI. ERIC’S KROONJAAR

„Hoor eens, moeder,” zei Tobi met een boos snuitje en een vastberaden

stemmetje, „Eer en ik vinden ’t niks prettig, dat U Jopie ook wil

vragen Zondag. Wat moet dat kleine kind er nou bij? ’t Zal niks dan

last geven.”

„Maar Tobi.... laat me je eens aankijken,” zei moeder Nel. „’k Dacht

heusch niet, dat mijn lieve, hartelijke Tobi zoo onaardig kon zijn.

Jopie thuislaten.... je eigen nichtje .... dat net zoo goed als een

zusje van jullie is.... moeder heeft je vast verkeerd begrepen, niet?”

„Maar moeder,” en Tobi stampte met haar voetje op den grond, „wat doet

nou zoo’n klein kind bij ons groote kinderen?” En Eric viel in:

„Natuurlijk kunnen we dan niet met de Electrische spoor spelen, want

daar begrijpt Jopie niks van. En ’t is toch mijn jaardag, en U doet

alles voor mijn plezier, en wat hebben jongens er nou an als er zoo’n

klein meisje bij is?”

„Nou,” zei moeder met haar lieve, bedaarde stem, „dan moeten jullie ’t

maar aan Jopie gaan zeggen, dat ze niet komen mag. Ze zal

verschrikkelijk ongelukkig zijn. Tante Puck vertelde me gisterenavond,

dat Jopie aldoor haar mondje vol heeft van: „Eertje zijn verjaardag.”

Ze heeft zelf een presentje gekocht voor Eer, en van Paps een mooi

lichtblauw ceintuurlint gekregen om op den feestdag te dragen. Tante

Puck heeft haar witte jurkje zelf uitgestreken....”

Eric en Tobi zeiden niets.

En mama vervolgde: „Nou is ’t net, of ik dat lieve druddeltje voor me

zie, zoo bitter, bitter bedroefd, omdat ze niet gevraagd is. Ze zal

denken, dat ’t voor straf is, omdat ze stout is geweest, want anders

kan ze ’t niet begrijpen.

„En wat moet ze wel van Tante Nel denken, die haar verleden week

beloofd heeft, dat ze natuurlijk komen mocht. Ze danste aan mijn schoot

van plezier, en riep: „Jopie geeft Eertje een plachtig persent, Jopie

heeft ’t zelf gekoopt.” En Tante Puck waarschuwde: „Niet vertellen,

Jopie, ’t is een gegeim.””

„Ja, gegeim,” zei Jopie, „maar ’t is plachtig.”—

„En jullie had haar gelukkig, stralend snoetje moeten zien, ’t leek wel

een zonnetje. Tante Puck zegt altijd: „Jopie krijgt wel graag wat, maar

ze geeft nog veel liever....” En nou zal ze haar „persent” niet zelf

komen brengen, en alle aardigheid zal er voor haar af zijn. Ik moet er

niet aan denken,” zuchtte moeder, „ik zou er zelf wel om kunnen

huilen.” Tobi plukte verlegen aan haar boezelaartje, Eric keerde zich

af, en ging uit ’t raam staan kijken, maar hij zag niets.

Met een ruk draaide hij zich op eens om. „Maar Tobi, waarom heb jij ’t

dan ook gezegd, dat we Jopie niet hebben willen? Moeder....” En Tobi

viel in, „omdat we ’t hadden afgesproken, maar nou wil ik ’t ook niet

meer. Ik zie Jopie in mijn gedachten met de traantjes langs haar wangen

loopen, ’k zou daar telkens aan moeten denken Zondag. Nee moeder, laat

dat kind dan maar komen, wat jij, Eer? En Eer, we kunnen dan wel een

anderen keer met de „Electrische” spelen.”

„Natuurlijk,” beaamde moeder, „er zijn toch wel honderd andere

spelletjes. En nou kom ik ook meespelen, als,” voegde ze er met een

guitig knipoogje bij: „moeder ten minste niet een te groot meisje voor

jullie is.”

Eric en Tobi bedolven mama onder hun liefkoozingen, en Eric verklaarde:

„een moeder hoort overal bij. Hoe vieren wij mijn verjaardag nou,

moeder?”

„Wel ik had zoo gedacht:

„Omdat Eric Zondag tien jaar wordt, mag de visite al tegen de koffie

komen: Basje natuurlijk, Eric’s twee beste vrienden Tom en Eddy Driot,

en Zusje voor Tobi.”

„En Jopie, moeder.”

„Let maar op, of die er niet vroeg genoeg met haar neusje bij zal

zijn,” lachte mama.

„Nou, natuurlijk is er een extra verrassing op de koffietafel. Ze

begint met een „T.”

„Taart,” raadde Tobi.

„Tulband,” riep Eric.

„Eigengebakken,” juichte Tobi, en ze klapte in haar handen.

„’k Verraad niks, ’t zijn allemaal geheimen,” plaagde moeder. „Na de

koffie rijden we naar de Wijckerbrug. ’t Weer zal, volgens Jopie, nog

een heele poos „plachtig” blijven. Daar kunnen jullie zalig spelen tot

’t tijd wordt om naar huis te gaan, dan....” „Komt ’t glanspunt,” viel

Eric in. „Moeder ik wil niet zelf verzinnen wat we zullen eten, U moet

alles maar bedenken.

„Maar ik zou wel dolgraag roomtaart willen en asperges en erwtjes en

gebakken botjes.”

„Nee, die is goed,” riep Tobi, „en moeder zou alles bedenken.”

„Ja maar Tobi, dat zijn nou hartewenschen van me; ik word maar eens

tien jaar, hé moeder?”

„Gelukkig!” zei moeder, „’t zou me anders veel te duur uitkomen. Na ’t

eten gaan we kamerspelletjes doen, en iedereen speelt mee, al de groote

menschen ook. Jullie moogt tot 10 uur opblijven. Wat zeggen jullie van

moeder’s plan? ’k Weet nog meer geheimen, die Grootma me verteld heeft,

maar ik mag niks verraden. In elk geval geloof ik, dat Eric’s tiende

jaardag bizonder feestelijk zal worden.”

„Heerlijk! Natuurlijk omdat ’t een tienjaar is,” wist Tobi.

„Ze bedoelt een kroonjaar,” verbeterde Eric wijs.

„Kan me niks schelen, hoe hij heet,” verzekerde Tobi, met een luchtig

gebaar, „als de pret nog maar „dubbelder” is, dan op andere

verjaardagen.” Tobi verzon altijd gekke woorden, en lachte zelf ’t

hardst mee, als zij er om werd bespot. Op eens viel haar wat in, en ze

trok moeder naar zich toe en fluisterde: „Moeder ik heb tegen Eer

gezegd, dat hij geen vieze woorden meer mag zeggen, nou hij tien jaar

wordt, vindt U ook niet? Toen hij gisteren boos was, toen zei hij....”

„Wil ik niet eens hooren,” viel mama in.

Eric kreeg een kleur: „Maar voor een jongen is dat toch zoo erg niet,

hé moeder?”

„Ik vind,” sprak mama, „dat wat onbehoorlijk en leelijk klinkt uit een

meisjesmond, even leelijk is als een jongen ’t zegt. Ik heb je al zoo

dikwijls gevraagd, Eric (en Tobi ook, want die praat je na) om die

akelige gewoonte te laten varen. ’t Is niks dan een flauw, naar

aanwensel. Wie heeft jullie dat toch geleerd?”

„Op school doen we ’t allemaal,” verklaarde Eric.

„Eddy niet,” wist Tobi.

„Nou, als ik ’t weer hoor,” besloot mama, „weet ik wel wat ik doen zal.

Jullie krijgt er straf voor.”

„Wat voor straf?” onderzocht Tobi.

„’k Kom dan een maand lang niet boven, om jullie toe te dekken en met

je te bidden. En dat is voor moeder net zoo goed een harde straf als

voor jullie.”

„O! Moeder is echt verdrietig, ze meent ’t heusch, ik zie ’t aan je

oogen, moeder,” riep Tobi ontsteld. En toen begreep ze, en zei

verteederd: „Moeder, wat ben je toch een schatje! Nee Eer, nou moeten

we ’t heusch niet meer doen.” En tot Vader, die de kamer binnenkwam

vervolgde Tobi, haastig: „Vader, we zeggen geen vieze woorden meer, we

hebben ’t moeder beloofd. Eer, jij hebt ’t ook beloofd, hoor!”

„Als ik ’t niet vergeet, en omdat ’t van ’t jaar mijn kroonjaar is,”

gilde Eric. „Hoera!”

„Nou ik vind dat voornemen van jullie een groot geluk,” prees Vader,

„en voor Jopie ook, want die zegt in haar onschuld de leelijkste

woorden na. Laatst heeft ze haar moeder uitgemaakt voor een ouwe

„drakekrukkedil,” en Juf voor een slingeraap. „En,” zei tante Puck, „ze

weet niet eens, wat dat voor dieren zijn.”

„Nou „Slingeraap en drakekrokodil,” zijn toch geen vieze woorden!”

verklaarde Tobi.

„Nee maar die leert ze even vlug als ze ze hoort. Ik vind ’t een groot

geluk, daar blijf ik bij, dat jullie dat plan hebt verzonnen, en die ’t

een jaar volhoudt, krijgt van mij een dubbeltje.”

De kinderen proestten. En Tobi verklaarde brutaal op ’t kantje af: „We

laten ’t veel eer om Moeders’ straf dan om Vaders’ groote belooning,

wat jij Eer?”

„Als jullie ’t maar laat,” sprak Vader tevreden.—

Eric’s verjaardag werd luisterrijk, een dolzalige dag, zooals de

kinderen ’t noemden. Dadelijk na ’t ontbijt kwamen de „feliciteerders”

al: Grootpa, Grootma en Basje met.... leege handen.

Eric vond ’t vreemd, maar hij hield zich goed. Van Vader en Moeder had

hij ook nog maar alleen gelukwenschen en kussen gehad. Hij zoende zijn

grootouders hartelijk terug, en gaf beleefd antwoord. Grootpa keek

oolijk; Grootma bepaald ondeugend.

Toen pakte Basje op een wenk van Oma Eric bij de hand, en trok hem naar

de gang. Wat stond daar tegen den muur? Stuur, wielen, lantaarn, alles

fonkelnieuw en glanzend? Een fiets! een echte jongensfiets! Eric werd

heel bleek, toen vuurrood. „Voor mij die pr.... prachtfiets, voor mij?”

Toen jubelde de jongen ’t uit; in één sprong was hij bij zijn

verjaarspresent. Tobi juichte even hard mee. „O Eer, je vreeselijk

grootste, allerverschrikkelijkst grootste hartewensch, die wij niet op

’t lijstje durfden te zetten.... Er hangt een papiertje aan ’t stuur,

wat staat er op?”

„Zie jij maar,” hijgde Eric, „ik kan niet.”

En Tobi las zoo hard, dat ’t overal in huis te hooren was: „Van Grootpa

en Grootmama, van Vader en Moeder.” „En van mij,” zei Basje, „want de

lantaarn heb je van Basjesman.” Eric vocht met zijn tranen, en groote

jongen als hij al was, deed hij nu toch erg kleintjes, zooals Tobi

hoofdschuddend opmerkte. Want hij rende naar Moeder, en duwde zijn bol

in haar schoot, terwijl hij zijn armen om haar middel knelde.

Maar was ’t eigenlijk niet best te begrijpen, dat je de kluts kwijt

raakte wanneer je „verschrikkelijkst” vurigste hartewensch van jaren

lang al, op eens vervuld wordt.

Moeder droogde Eric’s natte oogen af, en fluisterde hem wat in. „Ja,

Moeder, ja,” en nu vloog de jarige achtereenvolgens zijn Grootouders om

den hals met duizend, duizend dankjes. „Och! Och! wat dee die Eer toch

kleintjes vandaag,” dacht Tobi. Want nou zat hij warempel bij Vader op

schoot, en streelde zijn gezicht. „Was hij nou een Baby of zij?” Tobi

trok broertje van Vader’s knie, want Basjesman moest nog bedankt

worden, en dan zij zelf....

„Mijn present valt maar leelijk af tegen de fiets, hé Eer,” merkte Tobi

een beetje spijtig op, terwijl ze hem een groote zak met knikkers

toestopte.

Maar Eric zoende haar dankbaar, en zei: „’k Ben erg blij met je

knikkers en zoo veel! en dat je de zak zelf voor me gemaakt hebt met

die mooie geborduurde bloemetjes!”

Toen vloog hij weer naar zijn fiets, want die moest nog van A tot Z

bekeken en bewonderd worden. Met vader natuurlijk, die precies wist,

hoe de boel in elkaar zat.

(Vader had vroeger voor ingenieur gestudeerd, maar deze studie

afgebroken, omdat ’t hem veel meer aantrok dokter te worden.)

„Makkelijk voor jou, Eer, als er wat aan mankeert, maakt oom ’t

dadelijk in orde, en ’t kost je niks,” riep Basje, „hoe vindt je mijn

lantaarn?”

„Nou je kan zien, dat die een centje meer heeft gekost dan een

dubbeltje,” riep Eric verrukt. „Niet aan ’t nikkel komen, Tobi, je hebt

misschien vochtige vingers en als ’t beslaat....”

Grootma en Grootpa, die ’t binnen hoorden, lachten er om. „Of Eert je

zoo netjes en zuinig blijven zal op zijn nieuwe schat,” betwijfelde

Grootvader.

„Natuurlijk niet,” zei Mevrouw Canneheuvel, „en ’t is maar goed ook.

Dat is ’t begin. In minder dan geen tijd, mag Tobi er op zitten.”

„’k Weet een mooie naam voor je fiets, Eric,” verzon Tobi op eens: „„De

Krona,” omdat je hem op je kroonjaar hebt gekregen.”

„Ja, dat heb je leuk verzonnen,” stemde Eric toe, „mijn nieuwe paardje

heet: „Krona” en of ik ’t beestje best verzorgen zal.”

Daar werd gescheld.

Sientje liet Juf en Jopie binnen. Jopie had haar handjes vol pakjes,

die ze Juf in de handen stopte, om op Eric los te stormen. Ze sprong

tegen hem op, en smoorde hem bijna onder haar zoentjes. „Jopie is toch

zoo blij,” riep ze maar aldoor, en liep steeds rond om iedereen te

pakken en te feliciteeren.

Tobi keek even naar moeder, en knikte haar toe. Ja, ’t zou echt jammer

zijn geweest, als Jopie nou thuis had zitten huilen in plaats van

aldoor, schaterend van plezier, Eric haar presentjes toe te duwen.

„Zelf gekoopt, allemaal zelf gekoopt.”

Een zak vol roze pepermuntstengels, een reuzentol, die muziek maakte

onder ’t ronddraaien, een doos vol witte en roze muisjes. Of die Jopie

ook maar in de bus had geblazen met hulp van tante Puck!

„Paps en Moes komen van avond,” vertelde Jopie, „nou kon ’t niet.”

Even later kwamen de vriendjes, met presentjes beladen. Op zoo’n

jaardag kan je wel aan ’t bedanken blijven, maar dat was juist dol en

echt, vond iedereen.

Grootpa en Grootma bleven mee koffie drinken. Doch op ’t tafeltje, waar

de kinderen aanzaten, prijkte de eigengebakken tulband, en Eric moest

die aansnijden en uitdeeling houden, wat hij heusch nog al netjes deed.

’t Trof goed, dat de tulband een reus was, want er waren heel wat

mondjes, die om hun deel kwamen, en iedereen hield graag voor nog een

klein stukje zijn bordje bij.

„Maar ze bedoelen een „groot”,” zei Tobi.

Eric had zijn fiets dadelijk graag ingewijd. Want natuurlijk kon hij

fietsen, dat leer je van zelf, als je beste vriend een fiets rijk is.

Eddy had er verleden jaar al een gekregen. „Maar de mijne is lang niet

zoo mooi als de jouwe, Eer,” gaf Eddy gul toe. „Kom, ’t zal zoo veel

niet schelen,” meende Eric uit beleefdheid te moeten zeggen. Doch zus

Tobi dacht: „En óf en geen klein beetje ook.”

’t Was of Eer en Tobi voelden, dat ze wat hadden goed te maken aan

kleine Jopie, die zoo gelukkig rondsprong en hen naliep als een hondje,

aldoor opgewonden van plezier. Wat een geluk, dat ’t lieve diertje niet

af wist van hun boos plannetje, om haar thuis te laten. Broer en zus

fluisterden even samen, en toen riep Eric: „Moeder, ik vind, dat Jopie

„Krona” moet inwijden. Jopie mag het eerst van iedereen op mijn fiets.”

En Jopie wou dolgraag. Dus werd ze op ’t stalen paardje gezet; Eric en

Basje trokken de fiets voort, en Tobi hield juichende Jopie vast. Zoo

ging ’t vier, vijf maal de lange gang op en neer, terwijl Jopie verrukt

riep: „Morgen koopt Jopie ’n „fies” en dan mag Eertje er op van Jopie.”

En toen Jopie Krona had ingewijd, stond de „Jan Plezier” vóór met twee

geweldig snuivende paarden. De heerlijke rit was op zich zelf al een

zalig pleziertje, en aan de Wijckerbrug leek ’t wel een overval toen ze

daar met hun allen binnen kwamen. Van de pret, die daar gemaakt werd,

hoeft niets verteld te worden, want iedereen weet, hoe eenig ’t is in

den Wijckerbrugtuin. Moeder Nel dee heerlijk mee, al was ze een groot

meisje: „Kruip door, sluip door”, schommelen, wippen, in Holland staat

een huis, Patertje langs den kant, enz. enz.; dat alles kon ze nog even

goed als vroeger.

Moegespeeld, maar daarom niet minder vroolijk en druk, reed men tegen

etenstijd weer naar huis.

„Jammer dat de dol zalige dag al zoover om is,” zuchtte Eric, en Tobi

troostte: „er komt nog een boel meer, ’t is nog lang geen bedtijd.”

„Handen wasschen en dan aan tafel, kinderen,” zei Juf, „die voor haar

doen, nog al moppig was geweest vandaag,” vonden de kinderen.

Moeder had al Eric’s wenschen vervuld, tot de gebakken botjes toe. „’k

Wou, dat Eric wat anders verzonnen had,” pruttelde Sophie. „Visch

bakken en dat op zoo’n drukken dag, en dan voor zooveel monden.” Maar

Sientje vond, dat Eertje gelijk had, om op zijn jaardag botjes te

willen eten, als hij daar nou zoo dol op was (zij hield er ook van, en

ze hoefde ze niet te bakken.)

Na ’t eten kwamen Tante Puck en Oom Frits en gingen ook dadelijk in den

kring zitten om mee te spelen.

Jopie kroop bij Paps op schoot, ze had hem verbazend veel te vertellen.

„’k Kan mijn presentjes haast niet tellen,” riep Eric, dankbaar en

verrukt, terwijl hij de doos aannam, die Tante Puck hem gaf, en haar al

zoende en omhelsde voor hij nog wist, wat er inzat: een seinhuisje voor

de Electrische. Iets prachtigs, daar je zoo wel dadelijk mee zou willen

spelen. En nu kwam Vader thuis, die onder ’t eten was uitgeroepen, en

bracht een reuzenzak mee met.... pepernoten. „Want,” zei Vader Joop:

„ik heb onderweg bedacht, dat we den avond gaan besluiten met

„ganzenborden.” Dat hebben Jopie en ik afgesproken, mama, heb je nog

een ganzenbord?”

„Ja zeker, ’t staat of liever hangt zoo’n beetje achter ’t buffet in de

eetkamer, en in mijn sleutelmandje liggen de dobbelsteenen.”

In de keuken dachten Sophie en Sientje: „’t Is hier altijd druk en als

er kindervisite is, weet je nou eenmaal, dat er een herrie komt van

belang. Maar zooals nou hebben we ’t nog nooit beleefd.” ’t Is me dan

ook maar niks om met je twaalven te ganzenborden. Bij elken

ongelukkigen worp, die den speler in een of ander noodlottig verblijf

bracht als de gevangenis, de put, de herberg, ja zelfs den dood,

juichte iedereen, en klapte in de handen. Waaraan je als slachtoffer,

zelf ’t hardst meedeed. Wat nood! In minder dan geen tijd werd je

verlost of had een voorganger ingehaald. Toen er vier potten waren

gespeeld, wilde de vijfde zich maar niet laten winnen, en door ’t

telkens boete betalen, was ’t een geweldige pot geworden. „Ik wint

hem,” riep Jopie, die vlak bij de 63 stond.

„Nee Jopie, dit keer niet,” meende Basje, „want wie gooit er nou ooit

bijna: twee?”

Maar Jopie deed ’t, ’t was een echte geluksworp, zei iedereen, en aan

’t gejuich kwam geen eind.

„Doch nu moest de gelukkige winnares dan ook onherroepelijk naar huis

en naar bed,” zei Moesje. Vader’s koetsje had al een poosje staan

wachten, eigenlijk was ’t veel te laat geworden voor zoo’n kleine

dreumes, al had Jopie nog zulke heldere schitteroogjes, Klaas Vaak

stond om ’t hoekje klaar.

’t Was ook te laat geworden om nog met de Electrische te spelen, hoe

dolgraag Eric dit ook gedaan had.

„We zijn te moe van de pret,” beweerde Tobi. Al gauw werden de

vriendjes en zusje gehaald en daarmee was ’t feest afgeloopen.

Eric en Tobi hoefden niet aangemaand te worden, hun beddeke blank te

gaan opzoeken. Ze hadden moeite, de oogen open te houden. Toen Moeder

de kinderen goeden nacht kwam zeggen, fluisterden zij met slaperige

stem hun avondgebed aan haar oor. Maar Eric werd nog even klaar wakker,

om Moeder eens extra te pakken en te danken. „’k Heb voor een millioen

plezier gehad, en dank U een millioen maal. Geen jongen op de heele

wereld kan zijn eerste kroonjaar heerlijker gevierd hebben dan ik.”—

Huize "Canneheuvel" · 第 7 / 20 题