’t Was toch zulk prachtig weer. Wel erg warm! Maar wat merkte je
daarvan, als je zalig aan ’t spelen en ravotten bent, in de Bataaf?
Basje, Eric, Tobi, hun vrienden, de twee Driotjes, en de kleintjes,
Jopie en Careltje, waren er al vroeg op uitgetrokken. De Van Rithempjes
en Jopie hadden Basje en Cartje, die met zijn moeder voor een paar
dagen bij Oma Canneheuvel logeerde, in de Bataaf gevonden. Dat was de
afspraak geweest. Basje zou op de kleintjes passen. „Niet op ons
natuurlijk,” verklaarde Tobi bijdehand, „we zijn groot genoeg, om voor
ons zelf te zorgen.” Basje had, toen de afspraak met moeder Nel werd
gemaakt, bij Tobi’s verklaring een knipoogje met tante gewisseld.
In de Bataaf was het heerlijk veilig spelen. Al wou je, dan kon je daar
al heel moeilijk een ongeluk krijgen. Grootma had Basje geld mee
gegeven, om te kunnen tracteeren op limonade en gebakjes. Eric wist nog
net op ’t laatste nippertje, vóór hij uitreed, twee dubbeltjes van
vader te veroveren voor hem en Tobi ieder een. Ze hadden er
chocolaadjes en zuurtjes voor gekocht.
Basje zorgde er voor, dat de kleintjes niet te kort kwamen in den
draaimolen en op den schommel. Want Eddy en zusje Driot deden met Tobi,
Eric en andere kinderen liefst woeste spelletjes. Basje „voelde” zich.
’t Is dan ook maar geen baantje om vrede te bewaren, onder zoo’n
troepje woeste kinderen, allemaal een beetje overmoedig en stout, omdat
ze zooveel pret hadden, er geen groote menschen waren om te verbieden,
en geen Juf om te bedillen.
Juf ging bij gelegenheden als nu anders altijd mee. Maar dit keer was
ze thuis gebleven, om Mevrouw te helpen, die ’t druk had met de
vruchteninmaak.
Juf was een trouwe, onontbeerlijke zorg in huis. Puck kon gerust
uitgaan en alles aan haar overlaten. Niemand kwam te kort, alles vond
zij steeds in de beste orde bij haar thuiskomst.
Toch zou Puck er niet aan gedacht hebben, om een Juffrouw te nemen als
dit niet zoo van zelf gekomen was.
Op een keer, nu al een heelen tijd geleden, kwam Frits thuis met een
droef verhaal. Hij had een arm naaistertje behandeld en genezen van een
ernstige oogontsteking. Maar den eersten tijd mocht ze volstrekt nog
niet naaien of ander oogeninspannend werk verrichten. Haar tranen
nauwelijks kunnende bedwingen, had Jetje van Tol deze uitspraak
aangehoord. En toen Frits haar met vriendelijke woorden drong hem te
vertellen waarom ze zoo bedroefd was, was hem de reden toevertrouwd. ’t
Arme schepsel stond heel alleen op de wereld. Waar moest ze heen, als
zij haar kost niet meer kon verdienen?
Frits, die veel met het geduldige, zachte meisje op had, voelde diep
meelij met haar en Puck niet minder. De zaak werd lang en breed
besproken en het einde was, dat Jetje van Tol zoo’n beetje als hulp in
’t huishouden bij Puck en Frits zou komen, en voorloopig blijven. Doch
van ’t voorloopig was een altijd geworden. Puck kon Jetje al gauw niet
meer missen, en Juf zou zich de oogen uit ’t hoofd hebben geschreid,
wanneer zij de familie, die haar zoo lief was geworden als eigen,
vaarwel had moeten zeggen.
Frits was ook steeds vol lof over Jetje. Want zoo attent en flink als
zij, was er stellig geen tweede te vinden. Jetje vergat nooit iets, wat
de praktijk betrof, was secuurder dan secuur met boodschappen en
opdrachten.
Met hartelijke, aanhankelijke Jopie, kon Juf ’t best vinden, maar de
andere kinderen in de familie zagen Jetje liever niet dan wel. Ze was
zoo stil en zeurig, „niks niet aan,” verklaarden de Van Rithempjes.
Altijd was Juf bang, dat je je zou bezeeren of je goed bederven.
„Tolletje,” zooals Tobi oneerbiedig zei, was een best mensch, om
allerlei te beredderen, niet om pret mee te maken. „Daarvoor is ze een
veel te bange haas.” En Eric besliste: „Ze is een goeie voor de
kleintjes, maar wij, grooten, kunnen best zonder een Juf.”
Dus speet ’t niemand, dat Juf thuis was gebleven om aardbeien- en
frambozen-gelei te maken.
Basje had praatjes voor tien en verbeeldde zich, dat hij de baas was,
maar dat zat nog. Als je niet naar hem luisterde, dan.... „dee hij nog
niks.”
Tobi zwaaide met zusje Driot aan ’t zweeftouw, Eric en Eddy klauterden
en gleden langs het: „huisje” en Basje speelde met de kleintjes in den
draaimolen, toen de zon op eens schuil ging. ’t Leek plotseling bepaald
donker te worden. Zoo even was er nog geen wolkje te zien, en nu.... In
een ommezien scheen al ’t blauw van den hemel verdwenen, en in plaats
daarvan stonden en dreven dikke grijze wolken, waar je ook keek.
„Goeie Grutje,” riep Tobi, „’t gaat stellig regenen,” en Basje
commandeerde, terwijl hij zijn troepje bijeen dreef: „Vooruit jongens,
misschien ontloopen we de bui nog.”
„En we hebben geen capes, en wat moet dat nou met Jopie en Cartje? Die
kunnen niet zoo hard rennen,” viel Tobi driftig uit.
„Ik wel,” verzekerde Jopie, en ze gooide haar beentjes hoog de lucht
in.
Intusschen had Basje de kleine bende ’t hek uit gedreven. „Vlug
aanstappen, kinders. We gaan natuurlijk naar de Duiventil, dat is ’t
dichtst bij.”
„Nee, wij vliegen naar huis, hè Eric?” besliste Tobi.
„Geen kwestie van, dat is te ver weg,” zei Basje kalmpjes, „daar heb je
de bui al. Rennen jongens, rennen!”
„Zou moeder niet ongerust zijn, Eer?” vroeg Tobi angstig.
„Dommert, we telephoneeren toch dadelijk bij Grootma.”
Basje had Cartje op zijn rug genomen; Eric en Tobi namen Jopie tusschen
zich in, de Driotjes waren al een flink eind vooruit gedraafd. Maar de
bui was veel vlugger dan de kinderen. En ’t was me maar geen buitje van
stavast! In een oogenblik was ieder drijfnat. Gelukkig! daar kwam
„Huize Canneheuvel” in ’t zicht. Jopie hield zich dapper, doch Cartje
ging aan ’t huilen en wou van Basjes rug af. „Hij was daar nog dichter
bij den regen dan op den grond,” dacht hij.
Grootma, Bet en Kee stonden in de vestibule naar de kinderen uit te
kijken.
Dat werd me een drukte en door elkaar heen gepraat, toen de heele bende
veilig binnen was. „Ach, ach, wat zijn de stumperds nat! Je kunt ze wel
uitwringen,” beklaagde Bet.
Grootma dreef ’t troepje voort naar de kleedkamer, en ’t werd daar al
gauw een leven als een oordeel. In minder dan geen tijd was ’t natte
goed uitgetrokken door de vlugge handen van Grootma, Bet, Kee en
Marietje. Eric, Tobi, Eddy en zus Driot in hun ondergoed en op bloote
voetjes, speelden ’t kikkerspel en rolden telkens om van plezier.
Cartje, die door Marietje in een veel te groote hansop was gestoken,
want hij was heelemaal drijfnat („zie je wel,” zei Cartje, „omdat
Cartje zoo dicht bij de regen was”) begon een nieuw spelletje te
leeren, dat Jopie den vorigen avond van vader had geleerd.
Jopie liet Cartje op den grond hurken, waar de kleine jongen zoet op
zijn duimpje bleef zuigen.
„Zie zoo,” riep Jopie over Cartje neerhurkend: „nou begint ’t. Cartje
is Jopie’s nichie.” En ze zong met haar lief, fijn stemmetje: „Nichie,
nichie, ik vraag jou te gast. Nou Cartje.” Maar Cartje zweeg in zeven
talen.
„Nou, dan doet Jopie voor Cartje.”
„Waarop?” vraagt Cartje.
En nou zegt Jopie: „Op spek en boonen.” Nou Cartje weer: „Die lust ik
niet.”
En Jopie zegt: „Wat lust je dan?”
En nou zingt Cartje weer: „Hoendeltjes, kapoendeltjes, gebraden in de
pan.”
„Nichie, nichie, kom over dan?”
Dit deel van ’t spel, speelde Cartje op Jopie’s voorbeeld meer dan
goed. Eerst rolde hij omver, over de hansopspijpen, maar hij krabbelde
vlug overeind, en nu ging ’t prachtig. Al hurkende sprongen de peuzels
op elkaar toe, vielen elkaar om den hals, en ’t spel begon van nieuws
af aan.
Basje was natuurlijk ’t eerst van allen behoorlijk aangekleed. Hij had
zijn kleeren bij de hand. Eric en Eddy zouden een pak van hem
aantrekken. Maar Kee wenkte de jongens. Boven op zolder stond een
koffer vol kleeren van vroegere verkleedpartijen. De kleintjes bleven
aan hun „Nichie, nichiespel.” De anderen stoven naar boven.
Toen Bet de gong liet spelen, traden vijf vreemde gasten de eetkamer
binnen. Vooraan Basje, in een pandjesjas, met ’n hoogen hoed schuin op
’t hoofd. Hij fiedelde verbazend valsch op een viool. Achter hem,
gearmd met Tobi, verscheen Eric als Indiaansch opperhoofd. Hij zag er
prachtig uit, gedost in een zeer kleurig kostuum, met een hoofdsieraad
van groene papegaaien-veeren op zijn blonde krullebol. Om zijn hals
droeg hij een ketting van aan een touwtje geregen tijgernagels, en in
de hand zwaaide hij Bet’s keukenbijl. Aan zijn arm liep Tobi. Zij was
zijn „squaw,” doch daar er geen Indiaansch vrouwenkostuum in de koffer
was, had zij een zeer kort zijden rokje (vol slijtgaatjes)
aangetrokken, met een vuurrood fluweelen keursje. Op haar hoofd prijkte
ook een krans van papegaaienveeren.
Eddy Driot stelde een mensch-aap voor. Hij had een beddevacht van
geitewol om zijn schouders geslagen en liep op bloote voeten, steunend
op een dikken stok.
De jongen zag er bepaald „eng uit,” vond Marietje. Zijn zusje was heel
wat aardiger om te zien als lentefee, in een tullen japonnetje,
volgeprikt met groote rose rozen (van papier). Op haar voorhoofd
bengelden gouden munten. Je kon bijna niet zien, dat die ook al van
papier waren, zoo schitterden zij. Maar zonderling stond ’t wel onder
uit de verlepte krans van rozen.
Jopie en Cartje, nu behoorlijk aangekleed, gilden ’t uit van plezier en
sprongen opgewonden om ’t vijftal heen.
Daar kwam grootpapa binnen, en sloeg zijn handen van verbazing in
elkaar. „Lieve Hemel! vrouw, wat is dat voor een zigeunerbende! Moet
die soms bij ons blijven eten? Kerel, jij met je viool, schei uit met
je muziek, of ik laat je door Terry de deur uitzetten.”
Maar Terry, die den grooten baas gevolgd was, kreeg nauw zijn
allereigenaardigsten baas in ’t oog, of hij sprong hem vol woeste
vreugde bijna omver. Je kon Terry niet foppen met pandjesjas en hoogen
hoed. Die herkende zijn baasje in duizend vermommingen.
„Lieve man,” zei grootmama, „strijk je hand maar eens over ’t hart. ’t
Booze weer heeft deze dames en heeren overvallen. ’k Heb ze dus maar
binnen laten komen, en hun ten eten gevraagd op wat de pot schaft.
„Want op zooveel monden meer heeft onze Bet natuurlijk niet gerekend.”
„Enfin dan maar,” gaf Grootvader toe. Waarop de vioolspeler met een
diepe buiging zijn „hooge zijden” afnam. Eric salueerde, hetgeen een
Indianenopperhoofd gewoonlijk niet doet, en Tobi maakte een knix, wat
ook al niet paste bij haar veeren hoofdkrans. De onbeleefde aap dankte
in ’t geheel niet, hij schudde met zijn kop en strompelde naar de
tafel.
„Kom je maar naast mij zitten, Krullemietje,” noodigde de heer
Canneheuvel zusje Driot, en hij trok even aan haar kastanjebruine
krulletjes, die dubbel op waren gekroest nà ’t lekkere regenbuitje.
„Wat een mooie krans heb je opgezet, vrouwtje; je hebt die rozen toch
niet in den tuin geplukt, hoop ik?”
„Nee menheer,” fluisterde ’t meisje schuchter, maar ze vond ’t plaatsje
naast mijnheer nog zoo kwaad niet. Want hij legde de lekkerste hapjes
op haar bord: bruin gebakken aardappeltjes met appelmoes, naderhand
zalige pannekoekjes.
Bet had op verzoek van Jopie een massa pannekoekjes gebakken. Jopie was
’t met Cartje zelf gaan vragen in de keuken.
Voor een zoentje van Cartje deed Bet alles. Ze hield anders niet van
jongetjes, „maar op Lientiens’ jongetje was ze mirakel dol,” zei ze
tegen Kee, die dit best begrijpen kon.
„En vertel nu eens,” zei Grootvader deftig: „waar komen jullie vandaan,
jongelui? Zeker uit Hongarije, want daar hooren de Zigeuners thuis.”
„We hebben elkaar onderweg ontmoet, edele Heer,” sprak de „Hoog
Zijden.” „We zijn van plan de kermissen in Uw land met onze
tegenwoordigheid te vereeren, want allen zijn wij groote kunstenaars.”
„Dat zou men jullie zoo niet aanzien,” meende de heer Canneheuvel.
’t Indiaansch Opperhoofd nam nu het woord, en sprak: „Schijn bedriegt,
edele Heer, we zijn wel degelijk zeer bekend en gezocht. ’t Vioolspel
van mijn vriend met den hoogen hoed, is door de heele wereld beroemd.
We willen U graag een proefje van onze kunst geven.
„Mijne squaw en ik dansen buitengewoon voortreffelijk, en onze
Orang-Oetan, die wij in de wildernis vonden en opleidden, is een
acrobaat van het zuiverste water.
„In ruil voor onze kunstvoorstelling, zouden we dan een poos van Uwe
gastvrijheid willen genieten.”
„Dank je wel, Indiaansch Opperhoofd, ik geloof je best,” verzekerde
grootvader. „Naar het spel van Uw vriend „Hooghoed” te oordeelen,
verlang ik nou juist niet bizonder naar ’t geen de andere dames en
heeren kunnen aanbieden. Een uur of wat moogt U met Uw gezelschap hier
blijven, en dan afgemarcheerd marsch! Neem intusschen nog deze lekkere
vette pannekoek, edel opperhoofd, en pas op, dat de groene veer uit Uw
krans, die bedenkelijk naar omlaag hangt, niet meesmult. ’t Zou jammer
zijn van de suiker... neen ik bedoel van Uw hoofdsieraad.”
Waarop zelfs de aap, (die zich lang niet onbetuigd had gelaten aan de
pannekoeken) maar in zijn rol meende te blijven, door zeer droefgeestig
rond te kijken, het uitproestte van plezier. Eric, een beetje rood en
verlegen, greep naar de groene veer, doch kon die niet te pakken
krijgen, waarop zijn goede squaw den steen des aanstoots uit de krans
trok, en midden op haar eigen hoofd plantte.
Careltje was lekker ingedut op Grootma’s schoot, en kleine Jopie vielen
ook de oogen toe. Terwijl de kleintjes naar bed werden gebracht, (Jopie
mocht in de Duiventil blijven slapen dien nacht) nam Grootpa de
Zigeunerbende mee naar boven. Gezellig om zijn leunstoel geschaard, op
de armleuningen of den grond gezeten, zagen de kinderen vol verwachting
naar den heer Canneheuvel op. Want Grootpa had beloofd hun wat van ’t
echte Zigeunerleven te vertellen. Van die immer rondzwervende menschen,
die geen vaste woonplaats hebben, liefst in wagens wonen, van land tot
land, van stad tot stad voorttrekkend. Doch ze willen niet anders,
omdat ze van geslacht tot geslacht gewend zijn geweest aan een zwervend
leven, en niet beter weten of het hoort zoo,
„’t Is wel jammer, dat de Zigeuner (en niet onverdiend) in een slechten
reuk staat. Hij heet lui, vuil en verbazend diefachtig,” vervolgde
Grootvader. „Toch brengt hij den ketel, die hem ter reparatie is
toevertrouwd, wel eens terug. De zigeunerkindertjes zijn schattig om te
zien, maar ze leeren ook al jong alles weg te kapen, wat ze vangen en
grijpen kunnen, wanneer dit ongemerkt gebeuren kan.”
„Hé,” riep Tobi en haar oogen straalden, „behalve, dat ik niet zoo
gemeen wou stelen, zou ik wel een Zigeuner willen zijn. Jij niet,
Eric?”
„Voor een poosje wat graag,” stemde Eric toe, „zalig in zoo’n wagen
voort te trekken....” Maar toen bedacht hij: „Grootpa, waar gaan die
kinderen school en zoo? Leeren ze niks?”
„’k Vrees, dat ’t leeren er treurig bij inschiet, vent, met dat eeuwig
reizen en trekken. Neen Tobiaantje, ’t zou jou ook niks meevallen
zigeunermeisje te zijn. Je trekt je neusje nou al op voor een
onschuldig preitje in de sla, en waar zou je dan wel heen moeten? Want
Zigeuners zijn dol op knoflook, en koken dat smakelijk, welriekend
kruid overal door heen, hebben ze me wel eens verteld.... En nou
tenslotte wat goeds van dat vreemde volkje. Ze hebben één groote gave
op bijna alle andere menschen vooruit: ze zijn onbegrijpelijk muzikaal,
en spelen b.v. prachtig viool, zonder ooit een noot muziek te hebben
geleerd. Die kunst schijnt bij hen overerfelijk, en ’t is bepaald een
wonder.”
„Maar Eric speelt toch ook erg mooi, hé Grootpa?” verkondigde Tobi, „al
is hij bij toeval geen Zigeuner.”
„Hé, Tobi, schei toch uit,” riep Eric een beetje boos.
„Eric speelt heel goed voor zijn leeftijd,” stemde Grootpa toe, „maar
zonder zijn lessen.... hij moet ook nog veel leeren.
„Een Zigeunerkereltje dat muzikaal is, weet van zelf, zonder ooit les
genomen te hebben, hoe hij spelen moet. De Zigeuner schijnt een
uitstekend gehoor te hebben. Hoe dat nu mogelijk is moet je mij niet
vragen. Eens hebben Grootma en ik een Zigeuner-orkest hooren spelen, en
’t was prachtig, dat is alles wat ik er van zeggen kan.
„Maar daar hoor ik de auto van mijnheer Driot, die zou jullie komen
halen. Grootma heeft dat alles per telefoon in orde gebracht; Juf komt
mee.”
„Hoera,” riep Eric, „jullie brengt ons dus thuis, hé, lieve aap?”
Juf had voor al de kinderen bovenkleeren meegebracht. Met veel drukte
en gelach werd er op nieuw toilet gemaakt. Dankbaar en voldaan reed ’t
troepje heen, en Eric zei, uit den grond van zijn hart: „’t Is toch
altijd maar eenig leuk in de Duiventil, hé jongens?” met welke
uitspraak ’t heele stelletje ’t roerend eens was.—