De heer Canneheuvel zat ijverig te schrijven (er moest nog heel wat mee
met de eerst vertrekkende mail), toen hij op eens van zijn stoel
opsprong, hevig verschrikt door het geluid van een zwaren val en een
doordringenden gil.
Vader gunde zich geen tijd zijn bril af te zetten of pen neer te
leggen, maar snelde de kamer uit naar beneden. Uit de keuken kwamen de
meiden tegelijker tijd ijlings aangeloopen. Onder aan de trap lag een
gedaante, roerloos stil, met een bebloed gelaat.... Mama.
’t Was of Vaders hart stilstond. Door Bet en Kee geholpen, droeg hij
zijn bewustelooze vrouw naar binnen, legde haar op de divan. Kee
schreide, Bet ontdaan en bevend, vloog weg om water, kom en spons te
halen, bracht ook azijn mee.
„Bet,” sprak de heer Canneheuvel met trillende stem, terwijl hij even
teeder als voorzichtig, ’t bloed trachtte te stelpen, dat uit een
breede wond bij de slapen staag neerdruppelde, „telefoneer naar menheer
Joop, vraag, of hij dadelijk komen wil.... zeg waarom.... Naar menheer
Frits ook, mevrouws oogen...” Hij kon niet verder spreken, dikke tranen
vielen op mama’s bleek gezicht. Goddank, daar sloeg ze de oogen op, en
fluisterde in afgebroken woorden: „Lieve man, wees niet zoo.... ’t was
mijn eigen schuld.... niet goed vast.... gleed uit over.... o, mijn
hoofd, mijn hoofd....”
„Mevrouw is vast met haar hoofd tegen de pilaster geslagen,” zei Bet.
„’k Zou die Marietje wel wat kunnen doen. Ze liet blik en stoffer op de
trap staan, toen ze weg moest om open te doen. M’n arme Mevrouw kon het
niet zien en.... Marietje moet maar gauw weg, hoe eer hoe beter; zoo
een kunnen we hier in huis niet gebruiken,” voegde ze er heftig bij.
Niemand antwoordde. Mevrouw Canneheuvel scheen weer bewusteloos te zijn
geworden.—Nel, die altijd wist, waar ze Joop ongeveer vinden kon op
zijn ochtendvisites, had hem gelukkig getroffen bij de familie, die zij
opbelde. Ze kwam met hem mee in het koetsje.
Nu nam Joop de leiding op zich; vlug en kalm deed hij wat er gedaan
moest worden, terwijl Nel hem flink hielp, elken wenk en ieder gebaar
dadelijk begrijpend. Zij zag doodsbleek, en haar handen beefden, maar
ze trachtte mama toch geruststellend toe te spreken, toen deze uit een
hernieuwde flauwte bijkwam.
Spoedig lag Mevrouw Canneheuvel te bed, met een verband om ’t hoofd en
warme kruiken aan haar ijskoude voeten. Met haar hand in die van haar
man, lag zij vrij kalm. Frits was nu ook gekomen. Op zijn raad werd
mama met rust gelaten; Joop had de wond gehecht, voorloopig kon er
niets meer gedaan worden dan moeder de grootst mogelijke rust geven.
Nel had vaders plaats naast het ziekbed ingenomen, en deze volgde Frits
buiten de kamer, en klemde zich hulp zoekend aan hem vast. „Frits,
lieve jongen, denk je, dat moeders gezonde oog geleden heeft door den
schok? Ze zal het gezicht toch niet verliezen.... ik verga van angst.”
„Hoor eens, vadertje,” en Frits sloeg zijn arm met vasten druk om
vaders schouders, „U moet trachten kalm te wezen, zoo helpt U moeder
het meest. ’k Kan immers nog niets met zekerheid zeggen..... pas morgen
hopen we, dat moeder onderzocht kan worden. U begrijpt wat ik doen
kan.... U weet, we zouden voor moeder alles opofferen, met liefde, wij
kinderen allemaal.... Toe dan, vader.... moeders’ herstel ligt
grootendeels in Uw hand. Als ze U kalm naast zich weet, aan Uw heele
optreden voelt, dat alles zich ten beste zal schikken, komt dat haar
algemeenen toestand veel meer ten goede dan U denkt.”
„’k Zal mijn best doen, Frits,” beloofde de heer Canneheuvel, „maar kan
je mij niet een beetje hoop geven, jongen?”
„Morgen, vaderlief, zie, daar is Joop; die zal U ’t zelfde zeggen als
ik.”
„Frits heeft gelijk, vader,” sprak Joop. „We kunnen nu niet anders doen
dan afwachten. Maar heusch, U moet zich niet zoo overstuur maken.
Moeder heeft een gezond, krachtig gestel, en komt er zeker bovenop.
Goddank heeft zij niets gebroken, en die hoofdwond is niet gevaarlijk.
’k Vertrouw, dat moeders oog niet ernstig geleden heeft door den schok,
altijd voor zoover ik dit na een zeer vluchtig, voorloopig onderzoek
zeggen kan. Frits kan dit morgen pas met zekerheid weten.”
Joop wendde zich nu tot Frits, en de doktoren spraken zacht, en
gebruikten Latijnsche uitdrukkingen.
„Nel blijft natuurlijk hier,” zei Joop bij ’t afscheid nemen tot zijn
schoonvader. „Ze heeft niet alleen haar verpleegstersdiploma, maar ze
is ook de beste pleegzuster, die ik in heel de stad voor U zou kunnen
vinden. Ze weet precies wat ze doen moet.”
„En jullie dan, Joop? Hoe moet dat dan met jou en de kinderen?”
„Redt zich van zelf, vadertje, Tobi wordt al wat een kwiek
huismoedertje, zegt Nel, en de meiden zijn goed en zorgzaam. Kom, nu
gaan we, Frits, en komen van avond terug, tenzij Nel eerder mocht
opbellen, zij is geheel op de hoogte.” Hij klopte den Heer Canneheuvel
op den schouder. „Moed gehouden, lieve vader, al de kinderen zullen U
bijstaan zooveel ze maar kunnen.”—
In de keuken zat Marietje, rood behuild, verwezen, rampzalig
ongelukkig. Als een stormvlaag was de woedende woordenstroom van Bet
over haar hoofd heengestreken. Ze had er bijna niets van gehoord of
begrepen in haar diepe ellende en hopelooze verslagenheid. Dat zij,
juist zij haar lieve Mevrouw dàt had aangedaan! ’t Was verschrikkelijk!
Marietje had, naast een groote vereering een haast kinderlijke liefde
voor haar Mevrouw. Geen schepsel op heel de wereld was in haar oog zoo
oneindig goed en liefderijk. Bij haar thuis, in het arm, verwaarloosd
gezin, waar tien broertjes en zusjes den schamelen kost met vader en
moeder moesten deelen, had zij hulp en licht en troost gebracht.
Vader kwam niet meer dronken thuis, moeder had nu dikwijls een
vriendelijk woord voor de kleintjes, waar zij vroeger steeds schold en
keef.... Marietjes Mevrouw was de goede engel, die dit wonder had
bewerkt, en nou had Marietje....
„Schei nou eens uit met dat razen, Bet,” verzocht Kee. „Dat is toch
niks gedaan. Zie je niet, dat ’t schaap heelemaal weg is van de
akeligheid! Ik zeg maar ’t was heel stom en onbedachtzaam, maar toch
een ongeluk, wat jij, kind?” „Kom drink eens een slokje koud water
en....”
„’k Zou me wel kunnen verdrinken,” mompelde Marietje voor zich heen.
„Dat is zondige taal, en ’t brengt je niks verder.” Bet, die bij ’t
aanrecht groente stond schoon te maken, keerde zich om en keek naar
Marietje. Kee had gelijk, wat zag dat schaap er uit! Ze vulde een kopje
met water, en hield dit Marietje voor. „Kom, drink eens, meid,” zei ze
goedhartig. „’k Ben heelemaal veraltereerd, je moet ’t je maar niet
aantrekken wat ik allemaal tegen je gezegd heb. Zie je, ik denk maar
aan Mevrouw der zieke oogen, en dat Mevrouw wel blind kan blijven. En
als ’k dat bedenk, dan word ik half gek.”
„Ik ook,” kreunde Marietje, en toen: „’k Moet hier vast vandaan, je zal
’t zien.”
„Dàt staat aan Mijnheer,” meende Kee, haar dikbehuilde oogen bettend
met een handdoekpunt. „Hé, ik verga van de hoofdpijn,” voegde ze er
bij, „de narigheid slaat bij mij altijd in m’n hoofd.”
„Mijn in m’n beenen,” zuchtte Bet, „ik kan amper voort.” En Marietje
herhaalde moedeloos: „’k Moet hier vast weg, menheer zal me niet best
meer kunnen zien, en wat moet ik dan beginnen!”
Maar ze werd niet boven geroepen. Even als Bet en Kee liep ze op haar
teenen bij ’t volbrengen harer dagelijksche bezigheden.
Mevrouw moest immers de meest volmaakte rust hebben? Als een schichtig
muisje sloop Marietje, trap op, trap af; geen trêe mocht kraken. Elke
deur opende en sloot ze zoo voorzichtig alsof die van porselein was.
Met behulp van Kee omwond ze den klepel van de voordeurschel, zoodat ’t
schellen boven niet hoorbaar zou wezen.
’t Was of de uren kropen, en er geen eind wilde komen aan den langen,
treurigen dag. Puck, die op Frits’ raad niet dadelijk naar de Duiventil
was gegaan, zooals ze ’t liefst gedaan had natuurlijk, liep tegen ’t
eten even aan, en fluisterde met Nel op ’t portaal. Nel’s kalmte werkte
weldadig op Puck, die een ellendigen dag had gehad, zich geen raad had
geweten van onrust en angst over den toestand van lieve moeder. „Maar,”
zei ze, en er vloog even als een zonnestraaltje over haar beschreid
gezicht: „als iemand moeders’ oog behouden kan, dan is ’t mijn Frits.
Dat weet ik zeker, hij is zoo knap, en hij heeft, als wij allen, moeder
zoo zielslief. Weet je wat hij zei bij zijn thuiskomst: „Nou ga ik voor
moeder vechten, Puck, zooals ik nog nooit gevochten heb....”
„’t Is zeker beter, dat ik nu niet bij moeder binnen ga, hé Nel?”
„Ja, lieverd. Bovendien slaapt moeder op ’t oogenblik, al is ’t heel
onrustig. Je moogt wel door een kiertje van de deur, om ’t schut
heenkijken en vader toeknikken, dat zal hem zeker plezier doen.”
Dit deed Puck dus, zich zoo zacht en voorzichtig mogelijk bewegend.
Vader zat te lezen, en zijn hand rustte op ’t dek om die van moeder
heen. Hij voelde zeker, dat Puck er was, want hij keek op, en knikte
haar vriendelijk toe, bracht even zijn vinger aan de lippen als teeken,
dat mama sliep.
Puck en Nel slopen op haar teenen de trap af, en aan de voordeur
vertelde Nel nog even aan Puck, dat Frits zich als jongen al had
voorgenomen oogarts te worden om mama, die toen al aan één oog blind
was, misschien weer geheel ziende te kunnen maken. Hij wist toen niet,
dat die mogelijkheid voorgoed was buitengesloten.
„’k Kan ’t mij best begrijpen. ’t Is net iets voor Frits,” zei Puck.
„Hij is zoo dol op moeder, zooals wij allemaal trouwens. Al zijn we nu
deftige, groote menschen, ik geloof, dat we in ons gevoel tegenover
vader en moeder dezelfde kleine jongens en meisjes zijn gebleven als
vroeger. Voel jij dat ook zoo, Nel?”
„Ja Puck, net zoo. ’k Denk wel eens, dat ik dit gevoel tegenover vader
en moeder zou behouden, al was ik zelf grootmama.
„Nu dag lieverd, houd maar goeden moed; dat doen vader en ik ook.”—
Frits had ’s morgens al voorgesteld, of Basje niet liever bij hen zou
komen logeeren. Doch de heer Canneheuvel voelde wel, dat Basje
doodongelukkig zou wezen, als hij werd weggestuurd, en dankte
vriendelijk voor het aanbod.
Hij werd er voor beloond door Basjes overgroote dankbaarheid. „’k Moet
zelfs zooveel mogelijk thuis blijven,” redeneerde de jongen bij zich
zelf, „om bij de hand te zijn, vliegensvlug op de fiets boodschappen te
doen, recepten weg te brengen en zoo. En dan benee, in grootma’s
plaats, te zorgen voor grootpa, dat die ’t niet al te eenzaam heeft aan
tafel. Ik zal wel wat afleiding weten te bedenken door verhalen van
school en over de jongens.”
Hij mocht natuurlijk niet in de ziekenkamer komen, maar grootma zou ’t
toch plezierig vinden, dat hij in huis was, verbeeldde Basje zich. ’t
Was erg prettig bij tante Puck en oom Frits, doch Basje hoorde thuis en
bleef er dus.
Niemand behoefde hem tot voorzichtigheid aan te manen met deuren
sluiten en trappen loopen of hard praten. In plaats van een last werd
hij een echte hulp in huis, die niemand graag gemist zou hebben.
Na ’t eten kwamen Joop en Frits en waren niet ontevreden over moeders
toestand. Zij was bijna koortsvrij en verzekerde, dat de hoofdpijn nu
dragelijk was.
Nel zou blijven waken, in welken maatregel vader alleen toestemde, als
hij in ’t nevencabinet op de bank mocht gaan liggen, met de
tusschendeur open. Nel moest beloven, vader dadelijk te roepen als mama
naar hem vroeg. Toen alles dus voor den nacht in orde was gebracht, en
gereed gezet wat de zieke noodig mocht hebben, zeide vader moeder
goeden nacht. Maar deze hield hem even staande. „Lieve Carel,” sprak
ze, de trouwe hand drukkend, die haar den heelen dag tot zoo grooten
steun was geweest, „je moet Marietje niet wegzenden, beloof me dat. Ze
was alleen maar onvoorzichtig. ’k Voel me heusch een beetje beter. Van
middag kon ik zoo moeilijk mijn gedachten bij elkaar houden, anders had
ik ’t je toen al gevraagd.”—„Eigenlijk heb ik in ’t geheel niet meer
aan Marietje gedacht,” antwoordde vader. „Bet riep maar, dat ze weg
moest, en in ’t eerst.... toen we je opnamen dacht ik ook.... Maar
lieve vrouw, als jij ’t niet wilt, dan gebeurt ’t niet; dat spreekt
toch van zelf.” „Dankje beste. Zul je ’t van avond nog aan Marietje
zeggen, Carel?”
Dit beloofde vader met een kus. En Mevrouw Canneheuvel betuigde
tevreden: „Nou ga ik lekker slapen; hoe heerlijk, dat jij en Nel vlak
bij me zijn. En die lieve, knappe jongens van ons zullen er mij wel
bovenop helpen. ’k Heb in Frits zoo’n groot vertrouwen als oogarts. Ja
Nel, knor maar niet; nu mag ik niet langer praten, hé? Goeien nacht
man, nacht lieve Nel, ga nu ook slapen, Carel....”—