„Nou komt ’t,” dacht Marietje, toen Bet haar vóór ze naar boven zouden
gaan, zei: „Je moet nog even bij menheer komen, Marietje, Menheer is in
de huiskamer.”
Met klamme handen en angstige oogen tikte ’t meisje aan, met loome
schreden trad ze binnen.
„Hoor eens, Marietje,” sprak de heer Canneheuvel....
Doch wat ze nooit had gedaan, deed Marietje nu: ze viel mijnheer in de
rede. „’k Weet ’t wel, mijnheer,” hokte ’t kind, „dat ik hier weg moet,
maar mag ik nog zoolang blijven, tot ik mevrouw om vergiffenis kan
vragen (Marietje had er den heelen dag over getobd, of zij dit zou
durven vragen, en deed dit nu met den moed der wanhoop). „Want o,
mijnheer, ik weet niet wat ik doen moet. ’k Heb toch zoo’n verdriet en
zoo’n vreeselijken spijt, dat ’t gebeurd is.”
„Dat geloof ik graag, Marietje,” sprak vader, ontroerd door Marietjes’
diep gevoelde smart, die sprak uit elk woord, en zich nu uitte in een
onstuimigen tranenvloed. „Wij weten nog niet welke gevolgen je groote
onachtzaamheid hebben zal,” vervolgde de heer Canneheuvel, „je wist
toch hoe dubbel voorzichtig je hier in huis wezen moet met ’t oog op
Mevrouws toestand. Dat je dat kon vergeten.... ik begrijp ’t niet. Een
mensch met gezonde oogen had een vreeselijk ongeluk kunnen krijgen door
je onvoorzichtigheid. Hoe te meer dus Mevrouw....”
Marietje deed niets dan erbarmelijk snikken. „Als Mevrouw dus geen goed
woord voor je had gedaan.... Mevrouw vroeg mij, of ik je van avond nog
wilde zeggen, dat je moogt blijven. ’k Behoef je niet te vragen om
voortaan....”
En weer viel het meisje mijnheer in de rede.
„O menheer, ik dank Mevrouw en U wel duizend maal. ’k Verdiende, dat U
mij weg dee, want ’t is toch zoo vreeselijk, wat ik gedaan heb.... Maar
ik heb er zoo’n berouw van en ik zal nooit.... ik zou liever dood gaan
dan ’t ooit weer te doen. En ik zal voor Mevrouw bidden, dat Mevrouw
weer zal kunnen zien. En, o menheer wil U Mevrouw bedanken, dat Mevrouw
dat aan U gevraagd heeft en zeggen....”
„Al genoeg Marietje, schrei nu maar niet langer, en ga gauw slapen. God
geve, dat we met den schrik vrij komen; aan iets anders durf ik niet te
denken.”
Met gebogen hoofd, het boezelaartje tegen haar nat beschreid gezichtje,
ging Marietje weg.—
’t Was toch wel heel goed, dat Nel was blijven waken, want haar arme
moeder had een zeer onrustigen nacht. Doch zij ijlde gelukkig niet, en
sluimerde tegen den morgen eindelijk in. Ze sliep nog, toen de doktoren
kwamen en men liet haar slapen, „’t Was het beste wat mama doen kon,”
verzekerde Joop.
In den loop van den volgenden dag kwamen Lien en Frans. Puck had hen
dadelijk uitvoerig van alles op de hoogte gebracht.
Ze lieten Cartje bij Puck achter, en wachtten geduldig beneden, tot Nel
kwam, en Lien permissie gaf moeder even te zien.
En nu zou niemand die drukke babbel van een Lien herkend hebben, zoo
doodstil en kalm als ze nu naast haar lieve moeder zat, haar enkel van
tijd tot tijd glimlachend toeknikkend met den vinger tegen de lippen.
„Niet praten, moedertje, dat mag niet van Joop.”
Mevrouw Canneheuvel was innig dankbaar en tevree haar lieven bij zich
te weten, al kon zij ze niet zien. „Moeder is de liefste, volgzaamste
patiënt, die ik nog ooit verpleegd heb,” betuigde Nel, met tranen in de
oogen.
En dat bleef mama nog weken lang. Haar flink, door en door gezond
gestel, hielp Mevrouw Canneheuvel er spoedig bovenop. ’t Ging nu om ’t
licht in Moeders’ gezonde oog te behouden, en hiervoor streed Frits uit
al zijn macht. Ofschoon vader en de geheele familie vol vertrouwen
hadden in Frits groote kunde, stond hij er zelf op, dat de knapste
oogarts in Holland, professor K., met hem in consult kwam. Deze was ’t
in alle opzichten met Frits eens, en na afloop van het consult zeide de
Hooggeleerde heer tegen vader: „Uw zoon is buitengewoon knap in zijn
vak. Als iemand ’t licht in Mevrouw’s oog kan redden, dan is hij ’t.”
Met deze vage geruststelling moest de heer Canneheuvel ’t doen, maanden
achtereen.
Want Frits alleen wist, hoe de toestand eigenlijk was, of er
verbetering kwam ja dan neen, of wat hij hoopte en verwachte,
langzamerhand verwezenlijkt werd.
En Frits vocht en streed den stillen strijd met oneindig geduld en
onvermoeide zorg en toewijding. Hij werd niet moedeloos, omdat ’t
zoolang duurde, eer er zelfs uitzicht kwam op een beetje vooruitgang.
Uiterst voorzichtig, altijd opgewekt, tot geduld aanmanend, wist hij
bij allen de hoop levendig te houden. Moeder zelf hielp hem wat ze kon.
Nooit beklaagde zij zich, volgde stipt Frits’ voorschriften, Nels raad,
bedwong haar wenschen en verlangen, ook waar dit haar dikwijls heel
moeilijk viel....
’t Was een vreugdedag, toen mama voor ’t eerst op mocht zitten, nog
grooter feest toen ze de kleinkinderen mocht ontvangen. Puck of Kee
konden Nel nu dikwijls vervangen, en altijd was er iemand, om moeder
gezelschap te houden, een lieve hand tot steun bereid, om haar in haar
blindheid te leiden. Puck maakte tijd, om moeder elken dag te gaan
voorlezen, want niemand in de familie kon voorlezen als Puck. En Puck
dacht dikwijls aan vroeger, toen ze tante Sjarlotje voorlas, die ’t
voorlezen als een slaapmiddeltje gebruikte. Hoe anders was ’t nu, zoo
heerlijk om met mama over ’t gelezene nà te praten en met haar van
meening te wisselen. Moeder en Puck zagen elken dag met vreugde naar ’t
leesuurtje uit. Lien kwam meer dan ooit naar den Duiventil overvliegen
met ’t loodsmannetje achter zich aan. Mama had de kleintjes graag bij
zich, en als ze dan zoo stil zat te luisteren naar Puck’s voorlezen of
Lien’s gezellig gebabbel, met Cartje op schoot en Jopie aan haar voeten
spelend, voelde ze haar hulpbehoevendheid bijna niet. Jopie wist ook
altijd wat te vertellen. Ze had een lief stemmetje, en deed niets
liever dan dit gebruiken.
„Oma,” zei Jopie op een keer, „nou moet U hooren. Die Cartje wordt toch
zoo vreeselijk wijs, maar hij is toch ook nog erg dom. Gisteren, toen
we van Bet een potlepel hebben gekrijgt, om in ’t zand te spelen, loopt
Cartje naar Terry. En wat denkt Oma dat Cartje doet?”
„Nou liefje?”
„Hij legt de potlepel op Terry’s ruggie, en luistert aan ’t bakje van
de lepel. Ik zegt: „Cartje, wat doe jij nou?” „St, st,” zegt Cartje,
„ik luistert of Terry zijn ruggie ziek.” Hoe vindt Oma dat nou?”
„Echt leuk, Jopie. Cartje die wordt naderhand ook een dokter, zal je
zien.”
„Zoo? Nou maar Cartje krijgt Jopie zijn poppen niet om beter te maken.
Hij heeft Carolientje zijn koppetje al stuk gemaakt, met de potlepel
heeft hij er op geslaat.”
„Dat is stout van Cartje, arme Carolientje!”
„Ja maar die Carolientje was al kapot, en Paps geeft Jopie een nieuw
kind,” betuigde de kleine meid weltevreden.—
Er heerschte steeds een vriendelijke, opgeruimde geest in moeder’s
ziekekamer. Iedereen ging er graag binnen. Vader huisde er, en liet
zijn vrouw slechts alleen voor de wandeling, die hij, weer of geen
weer, dagelijksch ondernam. Mama knorde er wel eens over, dat iedereen,
vader voorop, haar zoo verwende met dure lekkernijen en mooie bloemen,
waarvan ze slechts de geur genieten kon. Basje, Eric en Tobi leegden
hun spaarpot, om voor Oma presentjes te koopen. En ze deden dit zoo
dolgraag, zoo met hart en ziel, dat Oma niet anders doen kon, dan de
kinderen danken met kussen en liefkoozingen.
Bet en Betjesmoe hadden Mevrouw mogen bezoeken, en Bet had gezegd, dat
Marietje Mevrouw ook zoo vreeselijk graag even zou willen zien, als ’t
mocht. En natuurlijk mocht ’t. Zoo gleed Marietje den volgenden dag
heel stil en schuchter de ziekekamer binnen, en mama die haar
verwachtte, stak ’t meisje vriendelijk de hand toe.
„Dag Marietje, ’t gaat mij veel beter, hoor! ’k Weet, hoe bedroefd je
bent geweest en hoeveel spijt je hadt over je onvoorzichtigheid, dus
daar praten we niet meer over. Arm kind, je hebt straf genoeg gehad.”
„Wil Mevrouw mij vergiffenis geven?” fluisterde Marietje, de oogen vol
tranen.
Hoe naar en vreemd zag Mevrouw er uit met dat verband over ’t oog.
Griezelig! En dat was nou haar schuld!
Ze moest zich geweld aandoen om niet in snikken los te barsten. „Dat
mocht ze volstrekt niet,” had Bet gezegd, „ze moest zich flink houden.
Mevrouw kon die „aandoenlijkheid” in ’t geheel niet velen.”
Even legde ze een bevend handje in Mevrouw’s hand. Met een tastende
beweging zocht Mevrouw Canneheuvel Marietjes gezicht, en streelde haar
over de wang.
„’k Ben niet boos op je geweest, Marietje,” sprak ze met haar lieve,
zachte stem, „wees nou maar niet meer verdrietig.”
„En zal Mevrouw naderhand weer mogen zien?” vroeg Marietje, en begreep
zelf niet, hoe ze ’t durfde vragen.
„Menheer Frits hoopt ’t, kind, en die kan ’t weten. We moeten maar
goeden moed houden.”
Marietje tastte in haar zak. „Mag ik Mevrouw wat geven? ’k Heb ’t voor
Mevrouw gekocht. Ik dacht.... Kee zegt Mevrouw houdt daar veel van.”
En ’t meisje haalde een kievitsei te voorschijn.
„Dat is aardig van je, Marietje,” prees de heer Canneheuvel, en mama
nam het grijsgroen, met zwart gespikkeld eitje dankbaar aan, en
betuigde: „Wat zal ik daar straks aan smullen, kind, ik houd er dol
van, dank je wel.”
En nu lachte Marietje over haar heele gezicht erg blij, dat haar
geschenk in zoo’n goede aarde viel. Ze had ’t dan ook maar wat echt
verzonnen, van dat kievitsei, en Mevrouw moest eens weten hoe
reuzenduur ’t kostte. Maar dat vertelde Marietje aan niemand niet.