Ruim elf jaar zijn verloopen, sinds we afscheid namen van de familie
Canneheuvel, sinds Puck een Canneheuveltje werd. In elf jaar kan veel
gebeuren, en die tijd had dan ook heel wat veranderingen gebracht bij
de familie Canneheuvel, Lous, de vrouw van Dolf, (de oudste zoon) was
met haar zoon Bas je al weer eens overgekomen uit Indië. Ditmaal zonder
Dolf, die zijn drukke dokterspraktijk te Soerabaïa niet in den steek
kon laten. Maar Basje moest naar Holland. Hij bleek hoe langer hoe
minder bestand tegen de warmte, leed er bepaald onder, en was nooit
recht gezond op het snikheete Soerabaïa. Op school kon hij moeilijk
mee, dus... Dolf en Lous vonden ’t verschrikkelijk, dat zij hun lieven
jongen jaren achtereen zouden moeten missen; doch er was geen andere
uitweg. Moedertje Lous ging Bas je zelf brengen.
Waar? Bij wie? Natuurlijk bij vader en moeder Canneheuvel. Daar alleen
kon de jongen een echt gelukkig thuis vinden.
De heele familie Canneheuvel was heel blij geweest, toen ze hoorde, dat
Basje in Holland blijven zou, inzonderheid Mama. Die dacht er nog
precies over als ze altijd had gedaan: hoe meer kinderen over huis hoe
liever, des te meer waren er ook om te vertroetelen, gelukkig en blij
te maken.—Basje zou met zijn grootouders mee gaan naar ’t nieuwe huis.
Er was reeds lang sprake van geweest, dat de Heer en Mevrouw
Canneheuvel buiten wilden gaan wonen, (wat altijd een wensch van Mama
was geweest) nu de kinderen zoo langzamerhand ’t ouderlijk huis hadden
verlaten, of dit al spoedig gingen doen. Doch nu ’t er op aan kwam, kon
Mevrouw Canneheuvel er toch niet toe besluiten, uit den Haag te gaan.
Al trok ’t haar nog zoo aan, zich in ’t mooie Utrecht of Gelderland te
vestigen, ze zou er de kinderen en kleinkinderen, die in den Haag
woonden, veel te veel missen.
In Velp, Zeist of de Steeg zou ’t ouderlijk huis geen duiventil zijn,
waar bijna al de Canneheuveltjes, groot en klein, dagelijksch in en uit
vlogen.
Als ze nu eens aan den buitenkant van de stad gingen wonen. In de
Scheveningsche Boschjes of aan den Badhuisweg of....
Tot de heer Canneheuvel op een dag thuis kwam met ’t bericht, dat hij
een mooie villa in ’t Van Stolkpark had gezien, die hem juist geschikt
leek voor moeders duiventil. En daar Mama ook zeer ingenomen bleek met
’t bedoelde huis, werd de villa gekocht en: „Huize Canneheuvel”
gedoopt.
Reeds zes jaar bijna woonde de familie er nu al, zeer naar haar
genoegen. ’t Maakte vader en moeder wel eens weemoedig te bedenken, dat
al de kinderen ’t ouderlijk nest waren uitgevlogen. Doch allen hadden
in eigen huis, aan eigen haard hun geluk gevonden, en dat stemde de
ouders heel dankbaar. Bovendien bleven zij, getrouwd en aangetrouwd,
innig gehecht aan ’t ouderlijk huis. ’t Ging zooals Jan had voorspeld:
„Huize Canneheuvel” was een echte duiventil, nooit zonder een der
kinderen Canneheuvel „groot of klein.”
In de eerste plaats moet hier Basje worden genoemd, want hij woonde er
immers? Basje, zes jaar geleden bij zijn grootouders gekomen als een
bleek, mager, uit zijn kracht gegroeid kind, (Puck noemde hem toen
medelijdend de „slierasperge”,) was een flinke, stevige boy met roode,
gevulde wangen. „Dikkie” of „Bas de Dikkerd,” plaagden de jongens hem
op school. Zijn witte tanden en zwarte oogen blonken tegen elkaar op.
Als vroeger sprak Basje met zijn donkere kijkers, en... praatte
daardoor nooit zijn mond voorbij.
„Een stil, in zich zelf gekeerd kind,” zeiden vreemden van Basje. Ze
hadden hem thuis maar eens moeten zien! Daar babbelde hij naar
hartelust, was Grootma’s rechterhand bij alles en nog wat. Altijd klaar
om uit te vliegen voor een boodschap, of een werkje om aan te pakken
waar niemand veel lust in had. Net als zijn vader was hij dol op
dieren, en alle dieren hielden van hem. De schuwste hond liet zich door
hem streelen, de boschvogels duldden niemand zoo dicht bij zich als
Basje. Tusschenbeide had hij ze best kunnen grijpen, zoo vertrouwelijk
dicht waagden zij zich bij zijn handen. Maar de jongen was wel wijzer
dan zijn vriendjes aan ’t schrikken te maken. Hij knikte ze alleen eens
vriendelijk goeden dag, en sprak ze zachtjes toe, terwijl hij voeder
neerstrooide. Menig centje van zijn weekgeld ging naar den
vogelkoopman, bij wien hij het juiste voer voor zijn boschlievelingen
krijgen kon. Terry, een gladharige hond, die ’t midden hield tusschen
een setter en een doberman, was Basje’s beste vriend. Op zekeren dag
had hij hem als een vuil, ongelukkig straatzwervertje in huis gebracht.
’t Huis was toen zonder hond. Waldi, de dackel, was op hoogen leeftijd
gestorven, tot ’t laatste toe liefderijk en geduldig verzorgd door de
geheele familie. En tot ’t laatste toe bleef Waldi een eigenzinnige,
egoïstische tiran, die ’t niet anders dan natuurlijk vond, dat iedereen
altijd voor hem klaar stond. Toch werd hij zeer gemist, en van harte
betreurd, want Waldi’s deugden overtroffen toch nog zijn fouten.
Bovendien hoorde hij tot de familie, waarvan hij zoo vele, vele jaren
deel had uitgemaakt.
Socrates, de kater, volgde Waldi heel spoedig. Hij telde nog heel wat
jaartjes meer dan het taksje. Maar Basje zorgde ook voor een nieuw
katertje, en gaf dit den wel wat eigenaardigen naam van „Muis.” Muis
voelde niets voor zijn naamgenooten, integendeel, hij verslond ze met
huid en haar, kon hij ze te pakken krijgen.
Terry en Muis, als baby’s bijeengekomen, waren al gauw dikke vrienden,
en ’t sprak van zelf, dat ze mand en maaltijden deelden. ’t Katertje,
dik en traag, was bij lange na niet zoo verstandig als Terry. Die kende
allerlei nuttige en aardige kunstjes, die hij zonder klappen of ruwe
woorden, spelenderwijs, van zijn baasje geleerd had. Terry bracht trouw
couranten en brieven binnen, haalde pantoffels van boven, sloot de deur
achter zich door er een flinken duw tegen te geven met zijn
achterdeeltje, kon verloren geraakte voorwerpen terug vinden, en nog
heel wat meer.
Basje’s vrienden noemden Terry een wonderhond, en geloofden vast en
zeker, dat zijn ouders circushonden waren geweest. Gelukkig maar, dat
ze nooit zulk een ongelukkig dier van Terry konden maken, dacht zijn
baasje dankbaar.
Basje was een bizonder hartelijk, gevoelig kind gebleven, nooit
tevredener en meer in zijn schik dan wanneer hij anderen blij en
gelukkig kon maken, menschen zoowel als dieren.—
Na Dolf en Jan had Nel ’t ouderlijk huis verlaten, kort nadat Puck als
Canneheuveltje in de familie was aangenomen. Nel had intusschen haar
verpleegstersdiploma gehaald, want ze wilde met hart en ziel
doktersvrouw zijn; als ’t noodig was Joop ook bij zijn arbeid tot hulp
en steun. Gelukkig bleef ’t jonge paar in den Haag wonen, en dus was er
enkel reden tot vreugde. „Want,” zei Vader in zijn toast aan ’t
bruiloftsmaal, „de familie hield Nel als dochter en zuster in de buurt,
en kreeg er in Joop den besten zoon en broer bij, dien zij zich maar
wenschen kon.”
In ’t ouderlijk huis werd Nel wel erg gemist; al kwam ze er zoo
dikwijls binnen wippen als ze maar kon, ’t was toch heel anders dan
vroeger. Joop was zoo blij met zijn Nel als de dag lang is, en riep
maar, dat er geen tweede doktersvrouw als zij, zoo goed en trouw, zoo
lief en flink, in heel den Haag te vinden was. Altijd opgewekt en goed
gehumeurd, was ze ’t zonnetje van haar omgeving. Niemand kwam ooit te
kort, als Nel er was om voor ’t algemeen welzijn te zorgen. Voor alles
en iedereen had zij steeds tijd, en dat leek heusch een wonder, want
Nel’s leven was verbazend druk. Daar waren Joop, het huishouden, de
patiënten; Joop had langzamerhand een zeer uitgebreide praktijk
gekregen. Maar bovendien (en die twee stonden eigenlijk vooraan) de
kinderen: Eric en Tobi. Bij den aanvang van ons verhaal was Eric negen
en Tobi kort geleden acht jaar geworden. Ze waren dol op elkaar maar
konden ook frischjes samen kibbelen.
Want alle twee waren ’t echte bijdehandjes, en gewoonlijk hadden ze
praatjes voor tien. „Bij Grootma en Grootpa, in ’t Van Stolkpark, was
’t net zoo goed hun thuis, als bij Vader en Moeder,” redeneerden Tobi
en Eric. Op elk uur van den dag waren ze er welkom, en nu ze wat
grooter werden, vonden ze best den weg alleen heen en weer.
„Ik pas wel op Tobi, moeder,” verzekerde Eric, en Tobi bijdehand: „Neen
moeder, we passen op elkaar.” En dat deden ze ook. Arm in arm, of hand
aan hand, renden ze den weg over als ’t gevaar, in den vorm van een
auto, tram of ander voertuig, voorbij was. Wanneer ’t regende of
stormde, knoopte Tobi Eric’s losgewaaid jasje dicht, en bij winterdag
wrong Eric Tobi’s verkleumde handjes in de wollen handschoenen, of
streek de door den wind losgewoelde haren uit haar gezicht, onder ’t
elastiekje van den hoed. Thuis hielpen ze elkaar bij ’t uit- en
aankleeden. Tobi maakte de knoopen voor Eric los of vast, en broertje
vond ’t verbazend leuk, Tobi’s lang haar in een vlecht te strengelen.
Meestal wilde Tobi dat niet toestaan. Eric deed ’t heel niet naar haar
zin: erg langzaam en ’t voelde tegelijk los en toch „trekkerig.”
Nee, niemand kon je haar zoo prettig „doen” als moeder. Maar moeder
deed alles goed en prettig. Daar was ze nou eenmaal „Moeder” voor.
Basje was wel een paar jaar ouder dan het Van Rithem paartje, maar dat
„gaf” niets. Ze waren dikke vrienden, en deelden trouw elkanders lief
en leed. Tobi vond ’t heel gewoon, dat de jongens belang stelden in
haar poppenhuishouding, (Eric voelde daar echt voor, en Basje deed
alsof) en op hun beurt lieten broer en neefje Tobi altijd mee knikkeren
en woeste spelletjes spelen. „Tobi hoort overal bij,” zei Eric, en dat
beweerde Tobi ook, waar ’t Eric betrof.
Basje was nog steeds bizonder op tante Puck gesteld, en vond ’t erg
prettig met haar te babbelen en zijn jongensaangelegenheden te
bespreken. Tante Puck was echter sinds vier jaar al niet meer thuis. Ze
woonde in haar eigen huis aan ’t andere eind van de stad met haar man
en een snoeperig dochtertje, dat Johanna was gedoopt, maar Jopie werd
genoemd.
Niemand van de familie Canneheuvel kon zich nu nog best begrijpen, als
zij ’t geval bespraken, hoe geen van allen er iets van gemerkt had, dat
Frits en Puck zooveel van elkaar waren gaan houden, dat ze niets liever
wenschten dan een paartje te worden. Of vader en moeder ook zoo ziende
blind waren geweest? In elk geval toonde de heele familie zich zeer in
haar schik met de verrassing. Maar niemand was blijer en verrukt er dan
Lientien. Zij en Puck raakten niet uitgepraat over ’t groote wonder.
„Zeg, Puck,” zei Lientien op een keer: „als we in de toekomst hadden
kunnen zien, zou vader zich al de moeite hebben bespaard, om jou aan
onzen naam te helpen. Die krijg je nou van zelf.” „Ja, en ik krijg een
driedubbele, zou Bet zeggen,” riep Puck blij. „Klinkt ’t niet prachtig:
Mevrouw Canneheuvel, geboren Canneheuvel van Vorden?”
Hadden ze vroeger slecht bijeen gepast, terwijl ze altijd wat op elkaar
hadden aan te merken en van elkaar af te keuren, nu leek ’t wel, alsof
er geen eensgezinder tweetal op de wereld was dan Puck en Frits. „We
hebben als kinderen voor ons leven lang af gekibbeld,” verkondigde Puck
vroolijk, „we blijven nu altijd beste maatjes, hé Frits?” En Frits
dacht: „hoe is ’t mogelijk, dat ik tegen zoo’n snoezig meisje als Puck
ooit onaardige dingen heb kunnen zeggen?”
Dien zomer ervoor had Frits zijn artsexamen gedaan, en een bizonder
mooi examen afgelegd. Doch hij wilde beslist oogarts worden, zooals hij
zich als jongen reeds had voorgenomen. En pas toen ’t zoover was, zou
er bruiloft zijn.
In de keuken dachten Bet, Kee en Marietje, ’t nieuwe meisje, dat de
muziek Puck en Frits had saâmgebracht. Want Puck speelde prachtig
piano, en ze zong als een engel uit den hemel. En wanneer de jonge
dokter er dan bij op de viool speelde, leek ’t wel of er twee engelen
uit den hemel waren neergedaald.
„Effectief mooi,” prees Kee, en Bet vond ’t met haar oud stopwoordje:
„miserabel” prachtig!
Bet, Kee en Neeltje waren natuurlijk mee verhuisd naar „Huize
Canneheuvel.” Marietje diende pas een jaar bij de familie, in plaats
van Neeltje, die een braven man had gevonden, om voor haar te zorgen en
den kost te verdienen.
Marietje was Bet een flinke hulp, terwijl Kee Nel zooveel mogelijk bij
Mevrouw Canneheuvel verving. In tijden van ziekte was Kee een niet
genoeg te waardeeren hulp en steun. Niet voor niets had zij haar lieve
Juffrouw Sjarlotje jaar in, jaar uit, met geduld en toewijding
verpleegd.
En Lientien?
Die werd nu alleen nog maar in vertrouwelijke oogenblikken door Moeder
of Puck bij dit kindernaampje genoemd. Lien Canneheuvel was op haar
beurt ’t ouderlijk nest uitgevlogen, en heette sinds drie jaar Mevrouw
Frans van Delden. Frans was maar een geluksvogel, dat hij die dot van
een Lien tot vrouwtje had gekregen. En niemand geloofde dit vaster dan
Frans zelf.
Frans had zijn vrienden droevig teleurgesteld. Hij was geen ster
geworden aan den muzikalen hemel. Maar in plaats daarvan een door en
door gezond, gelukkig mensch, dat veel van de muziek was blijven
houden, doch geheel opging in zijn eigenlijk vak, dat van landheer.
Frans en Lien woonden op een klein landgoed in Gelderland, (ver van
alle stadsgewoel) dat Frans niet alleen uitstekend bestierde, maar waar
hij ook zelf flink de hand aan den ploeg sloeg.
Als de broers en zusters Lien wilden plagen dan zeiden zij: „Jouw Frans
is een gewone heereboer.” Doch ze hadden geen plezier van hun
spotternij, want Lien antwoordde onvervaard: „Ja zeker, Frans is
heereboer en ik ben zijn heere-boerinnetje, en wat een tevree en
gelukkig boerinnetje, op ons heerlijk: „Welkom Buiten”.”
En Mama knikte haar vol instemming toe, en dacht bij zich zelf: „’k Mis
haar wel erg in ’t dagelijksche leven, mijn eigen, lief kind, maar ik
zou toch niet willen, dat ’t anders was. ’t Buitenleven heeft van mijn
teer meisje een flinke, gezonde vrouw gemaakt.”
’t Eenige wat Lien wel eens speet was, dat ze niets van muziek kende en
er ook niets voor voelde. Van muziek, die Frans eenvoudig en in ’t
geheel niet moeilijk te begrijpen noemde, snapte Lien niets, en ze had
moeite te blijven luisteren, als Frans lang achtereen speelde. Ook
vatte ze maar niet, hoe haar man beweren kon een wals te hebben
gespeeld, terwijl de tonen, die hij piano of viool ontlokte, haar zoo
ernstig en verheven voorkwamen als kerkmuziek. Geen schepsel kon daarop
dansen. Anders had Lien de voeten zeker niet kunnen stilhouden, maar
was ze met Careltje, haar kleine jongen, vroolijk de kamer
rondgesprongen.
Careltje, meest „Cartje” genoemd en pas twee jaar geworden, was een
gezond, stevig baasje, met zijn vaders donkere oogen en krullen. Hij
heette naar zijn oom, (moeders tweelingbroertje) die als klein kindje
op Java gestorven was. Wanneer Mevrouw Canneheuvel Cartje tegen zich
aan koesterde, dacht zij dikwijls, dat dit kleinkind in ’t bizonder
haar gegeven was als vergoeding voor haar eigen vroeg gestorven
jongetje, dat zij zoo innig betreurd en nooit vergeten had.
En in haar hart dankte zij God, dat dit Careltje zulk een door en door
gezond kind was, en zeker tot een flinken jongen zou opgroeien.
Jan Canneheuvel had op Java zijn vrouw gevonden. Haar ouders waren in
der tijd uit Denemarken naar Indië gekomen. Hun dochtertje, te
Soerabaïa geboren, werd Ajoe genoemd, een Maleisch woord, dat op zijn
Hollandsch zacht en lief beteekent. En Ajoe deed haar naam eer aan.
Toen Jan haar ontmoette, dacht hij dadelijk: „die moet mijn vrouwtje
worden, naar zoo’n lief, zacht, klein meisje heb ik mijn leven lang
uitgekeken. Ze lijkt net de prinses uit het sprookje.” Met recht had
Ajoe kunnen zeggen: „En Jan lijkt wel de reus; die past niet bij mij.”
Doch ’t ging nu eens niet, zooals in ’t sprookje: de reus kreeg ’t
prinsesje wèl, en Jan schreef naar Holland: „’k Ben rijker met mijn
kleine vrouw dan de rijkste koning. ’t Is alleen vreeselijk jammer, dat
ik haar vooreerst niet bij U kan brengen, maar lang zal ’t toch wel
niet meer duren.”
’t Duurde echter wel lang. Toen de reis naar Holland was vastgesteld,
werd Ajoe ziek, zoo zwaar en ernstig, dat Jan, diep wanhopig dikwijls
dacht: „Vader en Moeder zullen mijn Ajoe nooit zien.”
Doch ’t teere vrouwtje streed dapper tegen de verraderlijke koortsen,
die haar hadden aangegrepen. Ze wilde niet scheiden van Jan, die haar
niet missen kon, en bleef behouden. ’t Duurde echter een heele poos,
eer Ajoe geheel de oude was. Toen werd ’t kindje geboren, en op dokters
raad, moest er weer gewacht worden, tot die jonge juffrouw zoo ver was,
dat haar ouders ’t kleintje met een gerust hart op zulk een groote reis
durfden meenemen.
’t Jongste Canneheuveltje moest Grootmama’s petekindje zijn, en werd
dus Suze gedoopt. Haar mamaatje had echter zooveel naampjes voor ’t
meisje, dat Suusje eigenlijk alleen haar zondagsnaam was.
Wanneer Mevrouw Canneheuvel de brieven van Jan en Ajoe beantwoordde,
gaf ze ’t kleintje altijd een van de grappige naampjes, die haar
moedertje voor haar had uitgedacht: „Duimelientje,” (omdat ze zoo klein
bleef) „Zonnetje,” „Dwergpootje,” „Schitteroogje” of „Moeders zegen.”
Haar grootvader vroeg altijd naar „Suusje” en liet dien naam voluit op
den paplepel graveeren, dien hij zijn vrouw’s petekindje op haar
eersten jaardag present gaf.
En dit was nu al weer een jaar geleden.