vinden we bij zulke mensen, maar ook kracht en verlichting in de zin
van verheldering. Ik ben de eerste niet in het kamp der min of meer
officiële paedagogen, die ter wille der opvoedkundige vorming naar de
grote schrijvers verwijs. De heer Zernike, de bekende en zeer bekwame
samensteller van het "Paedagogisch Woordenboek", iemand die de
paedagogische wetenschap wel onder de knie heeft, sprak het meermalen
uit, dat we in goede romans heel wat voortreffelike opvoedkundige
waarheden vinden. En wanneer ik dit onderschrijf, ben ik dus in goed
gezelschap. 'k Heb eens beproefd, uit een roman van Thackeray een
bloemlezing te verzamelen van paedagogische uitspraken en beschouwingen,
maar er kwam geen eind aan. Al wat we nu nog prediken en als de nieuwste
opvoedkundige wijsheid op de markt brengen, vond ik daar slag op slag
verkondigd, o.a. ook de noodzakelikheid van waarheid in de opvoeding
waar het sexuele voorlichting betreft. En we kunnen nog heel wat verder
teruggaan, dan tot die Engelsche schrijver. Goede lectuur is van oudsher
opbouwend, opvoedend, voorlichtend in haar wezen.
Zou Frits Reuter 't niet zijn? Men leeft zijn leven op 't land niet
mee, zonder altans de kans te hebben dat men er iets beter door wordt.
Zwaarder kan een mens al moeielik getroffen worden dan Karel Haverman.
Na tien jaar hard zwoegens is hij eindelik gelukkig getrouwd. Maar de
tegenspoed achtervolgt hem--zijn inboedel wordt voor schuld verkocht,
zijn vrouw sterft, en er blijft hem niets anders over dan een nog jong
kind. Hier was reden om in moedeloosheid weg te zinken, in radeloosheid
te bezwijken. Maar Haverman--we weten het immers allen--blijft niet in
de ellende zitten. Wanneer zijn meubelen en de werktuigen der boerderij,
wanneer zijn vee verkocht is, begraaft hij zijn vrouw, en trekt met zijn
kind op de arm de wereld in. Niet treuren bij het graf van zijn liefde,
maar aanpakken. Aanpakken het leven en daarbij vertrouwen.
Ik vind Haverman een heerlike figuur en zegen Reuter voor de uitbeelding
van deze man. Vrolikt de humor van de nobele Oom Bräsig ons op, verkwikt
ons de liefde van de Dominé, worden door het onbezorgde zorgen van het
Domineeske en van Madam Nüszler ook ons de zorgen afgenomen, we houden
ons vast aan de ernstige, stille, trouwe Karel Haverman. Hij richt zich
op te midden van alles wat hem neer wil drukken. Hij staat en blijft
staan, ook waar krachtige stromen hem dreigen omver te werpen en weg te
voeren. En geen ogenblik verheerlikt hij zichzelf of koestert hij ook
maar zichzelf. Hij kent alleen zijn plicht en handelt daarnaar. En dan
had hij nog iets.
Toen hij, de laatste dag op zijn pachthoeve, met zijn kind nog eens door
de tuin ging, "kwam hij bij een jongen boom, dien hij zelf geplant had.
Het strooien touw, waarmee deze aan zijn stut was vastgebonden geweest,
had losgelaten, en de jonge boom liet zijn kroon neerhangen. Haverman
richtte hem weer in de hoogte en bond hem vast, zonder er verder iets
bij te denken, want zijn gedachten waren verre weg, en "zorgen en helpen
lag in zijn natuur.""
Zorgen en helpen lag in zijn natuur. De jonge boom was zijn eigendom
niet meer, erger, behoorde nu aan den man, die hem in 't ongeluk had
doen storten. Maar daar dacht Haverman niet aan. Hij hielp, omdat helpen
in zijn natuur lag.
* * * * *
Wanneer zorgen en helpen in onze natuur ligt, dan behoeven we voor geen
enkele toekomst bevreesd te zijn. Dan zijn we overal bruikbaar en overal
welkom. Alleen eigen machteloosheid kan ons dan nog maar verontrusten,
een machteloosheid die ons het helpen en zorgen onmogelik maakt. Maar
dit "onmogelik" is dan ook slechts een fictie. Zulke naturen zijn zelfs
vermogend in hun machteloosheid. Waar zorgen een natuurdrang is, helpen
een gemoedseigenschap, daar blijven ze in werking tot zelfs op het
sterfbed. Zulke stervenden zijn sterker dan de levenden die hen
omringen. Menigmaal gaat er van een sterfbed groter kracht uit, en
meerder hulp, dan van hen die helpen moesten. Het is de vraag, wie daar
sterft, of het iemand is die geleefd heeft. Wie geleefd heeft voor
anderen, zal ook sterven voor anderen. En van machteloosheid kan dan
nooit sprake zijn.
Zoals Haverman zorgde voor de boom, die hem niet meer toebehoorde,
zorgde hij ook voor het kind, dat zijn zorgen behoefde en er recht op
had. En in dat zorgen hielp hij meteen zichzelf. De mensen staan bij
dergelike smartelike verliezen zo gauw gereed, met iemand afleiding aan
te bevelen. Alsof een waarlik liefhebbend hart ooit van zijn geliefde
gestorvenen wil worden afgeleid. En alsof men de smarten niet in zich
meedraagt, de hele wereld door, ook te midden der afleiding. Afleiding
betekent wegdoen. En men kan de feiten niet wegdoen. Men moet ze
verwerken, en aldus aanwenden tot zijn wezenlike vorming. Maar dat
verwerken kan niet zijn een herhaald overpeinzen, een wroeten met
tobbende ziel in de wreedheid der smart. Dat zou worden een fijnmalen
van bittere zaden, waarbij de bitterheid uit ieder korreltje geproefd en
aldus verduizendvoudigd werd. Verwerken, dat is opnemen in ons leven als
feiten, als machten die ons een bepaalde kant uit dwingen, als factoren
van onze levensarbeid. Verwerken, dat is aanvaarden als krachten en
plichten ten leven. De beste afleiding is de aanneming.
Zo voelde Haverman het, al kwam het niet in hem op, het aldus te
beredeneren en voor zichzelf helder te maken. Hij deed zo, omdat het in
zijn natuur lag, omdat hij niet anders kon. Geen handeling op grond van
een welgemotiveerd besluit, maar uit spontane drang des harten. En omdat
hij zo voelde en deed, daarom hielp hij ook zichzelf. Hij dacht niet
aan eigen moeiten, hij zocht niet naar ontheffing van lasten. Hij zocht
alleen het heil van zijn kind. Dat kind nam hij als willige last op de
armen, zelfs ondanks het liefdevolle aanbod van medelijdende harten, die
't voor hem dragen wilden, en hij droeg het mee op de stille weg. Maar
die last was daardoor zijn steun. Die plicht was zijn kracht. En al
besefte de eenzame man het niet, de wijze waarop hij de verwoesting van
zijn levensgeluk omzette in zorg voor het heil van dat hulpeloze
wezentje, die was zijn redding uit de schipbreuk.
Er is geen ondergang voor hen, die het zorgen en helpen in hun natuur
hebben. Ook al is iemand nog minder bedeeld dan Karel Haverman, al
blijft hem zelfs geen kind over, al staat hij gans alleen op de wereld,
hij heeft de toewijding in zich, en voor dezulken is er altijd een
taak, een arbeid, een roeping, en daarin een levensvreugde. Er zijn
altijd boompjes die vastgebonden moeten worden. Het grootste bezit is
daarom--de zorg voor anderen. De blijvendste rijkdom--een hulpvaardige
natuur. Hiermee kan de mens in een hulpbehoevende wereld nooit ten
ondergaan.
* * * * *
Deze opvoedkundige waarheid predikt Fritz Reuter ons zo als
onopzettelik. Hij laat ze ons daarna in het leven zien. Doch het is geen
kwaad, dat _wij_ voor die waarheid eens opzettelik de ogen openen en er
met volle bewustheid naar luisteren. Bij het "opvoeden" van ons zelf en
onze kinderen is het gewoonlik veel meer de vraag, ons en hen te oefenen
in het aanwenden van de rijke bronnen van welvaart tot heil van onszelf,
dan dat we denken aan het heil van anderen. De kinderen moeten sterk
gemaakt worden voor de levensstrijd. Dat betekent, ze moeten knap,
handig en slim worden om het met hun arbeid of hun zaken anderen af
te snoepen. Ze moeten liefst die anderen overtreffen, om het er zelf
materiëel beter door te krijgen. Ze moeten onafhankelik worden, zodat
geen Samuel Pomuchelskop hen van hun boerderij kan afzetten. Alle
krachten van lichaam en geest moeten in hen worden ontwikkeld, om hen
te doen opgroeien tot krachtige individuen. En er wordt bijna of in 't
geheel niet aan gedacht, dat hun zorg voor zichzelf ook en wel voor een
groot deel gevonden kan worden in de zorg voor anderen. Neen, met alle
inspanning leren we hen volmaakte zelfverzorgers te worden en zelden
zijn de ouders gelukkiger dan wanneer hun kinderen zó goed hun eigen
belangen behartigen, dat de ouders er geen omkijken naar hebben. Als
die kinderen trouwe en nauwgezette wachters zijn bij hun eigen bezit,
prijzen de ouders hen als braaf en gemakkelik.
Nu spreekt het vanzelf, dat niemand bezwaar mag maken tegen een
vorming der kinderen tot krachtige, praktiese, veelzijdig bruikbare,
zelfstandige mensen. Maar het gaat hier om de zedelike zijde van de
zaak, waarbij de vraag op den voorgrond treedt: voor wie het kind
al die eigenschappen moet bezitten. En dan zal men mij wel niet de
opvatting betwisten, dat daarbij meestal te veel, zo niet uitsluitend
het eigenbelang van het kind de spil is, waar alles om draait. We zijn
zo bang, dat onze kinderen maatschappelik mislukken, dat we hen liever
in fatsoenlik egoïsme zedelik zien ten onder gaan. Natuurlik, het
egoïsme moet fatsoenlik wezen, moet hen kunnen voeren naar de hoogste
plaatsen in de samenleving, maken tot leiders in kerk en staat,
maar--als het fatsoen gered is en daarmee een der onmisbare faktoren
voor maatschappelike vooruitgang, kan ons dat egoïsme minder schelen.
De opvoeding wordt zozeer beheerst door de vrees, dat een kind later
zichzelf niet zal kunnen redden, dat aan redden van anderen niet kan
gedacht worden. En hierdoor mislukt die opvoeding, ook al heeft het kind
nu en later ook als volwassene sukses op sukses. Het zal nooit onder
alle omstandigheden, ook onder de treurigste--die hem natuurlik evenmin
bespaard blijven als ieder ander--de rustige kracht ontwikkelen van een
Karel Haverman. Als hem zijn sukses ontgaat, ontzinkt hem ook alles.
Daarom, en in het wezenlik belang der kinderen, moeten we ons
verheugen, als we zien dat helpen en zorgen in hun natuur ligt. Ook al
veronachtzamen ze daarbij wat, in het oog der baatzucht, hun voordeel
schijnt en zulks ook heet. Al worden ze zelfs geëxploiteerd door sluwe
berekening van anders aangelegden, beklaag ze daarom niet. Prijs ze
liever gelukkig, dat ze hieronder absoluut niet lijden. Het komt ons zo
voor, dat de inhaligste het meeste wint, omdat hij het meeste verzamelt.
Maar het is zo innig waar: die zijn leven verliezen wil voor anderen,
die zal het behouden, en die het behouden wil, die zal het verliezen.
Wie verliest, wint--mits hij verliest om der liefde wil.
* * * * *
De vraag, ook voor hen, die deze overtuiging delen, is echter, hoe
we dat zorgen en helpen in de natuur der kinderen moeten brengen. De
onervaren onrijpheid denkt daar zo gemakkelik over. Die meent, dat men
met zeggen, redeneren, met overtuigen klaar komt.
Maar men redeneert geen elementen in de zedelike natuur. Over 't
algemeen redeneert men geen levende krachten aan. Hoogstens kan men ze
redenerende opwekken, bewust maken, en daardoor versterken. Maar nooit
lijdt die opvoeding meer fiasco, dan wanneer ze haar uitsluitende kracht
zoekt in de redenering. En dit fiasco is te ontnuchterender, omdat de
redeneerder al pratende zozeer zichzelf heeft overtuigd, dat hij--ook
zijn toehoorders overtuigd waande. Neen, door redenering komen we er
niet. Zelfs al vermogen we daarmee instemming voor onze mening te
verwerven, dan nog betekent die instemming maar een verstandelike
erkenning. Maar daarmee heeft men het erkende nog niet in zijn natuur
opgenomen. Er is zo veel principieels, dat op de markt van 't zedelike
leven geen waarde heeft. Principiële moed is geen moed. Hij laat ons bij
't gevaar in de steek. Principiëel vertrouwen is geen vertrouwen. Het
vernevelt in den nood. En zo is principiële liefde ook geen liefde. Ze
redeneert in zalen en salons, maar lost op bij de ellende. Principiële
dingen zijn hersenspinsels, maar geen levende krachten. En alleen deze
werken iets uit. Voor anderen, en voor ons zelf.
Hoe zullen we nu die zorgende liefde _in de natuur_ onzer kinderen
brengen? Ik vrees, dat van brengen geen sprake kan zijn. Als ze er niet
is, kunnen wij ze er niet in zaaien. Maar, in normale gevallen, mogen we
vertrouwen, dat ze er is, zij het soms ook in gering gehalte. En dan is
het de, nog wel moeilike, maar niet onmogelike opgave, hoe de aanwezige
kracht te ontwikkelen. De enorme kultuur in de wereld van planten en
dieren levert ons tal van hoopgevende voorbeelden, hoe door bizondere
behandeling speciale eigenschappen kunnen worden versterkt. Waarom zou
dat in de zedelike natuur niet kunnen? Op de zekerheid hiervan steunt
onze gehele zedelike opvoeding. En in die zekerheid wenden we onze
middelen aan.
Het eerste middel--zijn wij zelf. Niet ons beginsel, maar onze daad.
Niet ons leren, maar ons leven. Waar wij dag aan dag reddend en helpend
met anderen medeleven, ook in kleinigheden, daar nemen de kinderen
dat onwillekeurig van ons over. En waar ze het niet doen, daar is
een woordje van opwekking al gauw vruchtdragend, mits het door onze
levenspraktijk niet weersproken wordt. Woordjes, die daarmee niet in
overeenstemming zijn, werken het tegendeel uit. Ze vestigen de aandacht
op onze tekortkomingen en stellen die in 't licht. Hoe zullen de
kinderen zich daaraan sterken? Met een brandend hout kan men alleen
ander hout doen ontvlammen, hoorde ik op een Bijbellezing een predikant
zeggen. Alleen een levend christendom kan christenen wekken. En zo kan
ook alleen een levende liefde de liefde in onze kinderen doen
aanwakkeren.
Voorgaan is reeds opvoeden. En dan, door het voorschrijven en opleggen
van kleine en grotere plichten, gewennen aan het zorgen en helpen van
anderen. Ook al gaat dat niet altijd met hooggestemde gevoelens, die
simpele practijk is zulk een machtige gemoedsvormer. Moeders die alles
voor hun kinderen doen en alles voor hun lievelingen over hebben, moeten
ook eens voor die lievelingen over hebben, dat zij iets voor Moeder
mogen doen. Voorbeelden, die niet tot navolging leiden, hebben een
problematieke waarde. Ze kúnnen de zelfzucht in de hand werken. En
daarom moeten de moeders net zo goed opoffering vragen als geven. Bijna
zou ik zeggen, dat het eerste nóg practischer opvoedingsmiddel was, als
ik een woordje ten ongunste van opofferende moeders zou kunnen zeggen.
Maar daartoe zijn ze een te grote zegen voor haar kring, en verre daar
buiten. Ze mogen echter bij al haar toewijding, de aanvaarding niet
vergeten. Zelfs moeten ze haar opofferende liefde zo ver drijven, dat ze
zich eens niet opofferen. Wat een gezegende naturen, voor wie dat de
grootste opoffering is!
Maar niet alleen voor Moeder, ook voor de andere huisgenoten, ook voor
de vriendjes en vriendinnetjes, ook voor armen en zieken, ook voor
vreemden, van dichtbij en verre, moet het kind zich allerlei offers
gewennen. De onnozele cent in het negertje voor "de arme heidenwereld"
kan aldus een dubbele zending der liefde vervullen, en de gezegendste
van die twee komt dan nog niet eens die arme heidenwereld ten goede.
Elke gave verrijkt het meest de gever. En een snoepcent, die aan het
negertje wordt afgestaan, werkt allicht meer uit dan de hele predikatie.
Dat verstaat het "Leger des Heils" zo goed, waar het zijn soldaten aan
het werk zet, aan het werk in de dienst der liefde. Wilt ge liefde
winnen, nu niet van anderen, maar in uzelf, begin dan maar met liefde te
betonen. Ook op dit gebied geldt de wet der zelfwerkzaamheid, het leren
en groeien door doen. Niet alleen in klei, karton en hout, ook in liefde
moeten de kinderen leren werken. Ook hier is de daad het machtigste
opvoedingsmiddel. En zo ontwikkeld mag de methodiek der leervakken nooit
worden, dat ze ook in de school geen plaats meer laat voor deze nodigste
van alle oefeningen.
En eindelik het verhaal. Vaak, waar het voorbeeld wel wordt bijgewoond,
maar toch niet gezien, omdat niet iedereen daartoe de ogen heeft. En
waar de daad wel wordt gevolgd, maar toch het harte koud laat, omdat
de gewoonte ook tot de verstening kan leiden. Daar werkt het bezielde
verhaal, het verhaal, dat zich meester maakt van de verbeelding, en zo
van het hart, en zo van het leven. De Negerhut van Oom Tom heeft heel
Amerika, heel de wereld in een brand van liefde ontstoken en de negers
uit hun slavernij verlost. Dat is de geweldige macht van het verhaal.
En wanneer we het in de laatste plaats noemen, is het niet, omdat het
de geringste waarde zou hebben, maar alleen omdat de daad als bereikte
werkelikheid, als vervuld woord, voor ons de hoogste plaats inneemt. Het
is echter bekend genoeg, dat één woord soms meer heeft uitgewerkt dan
een reeks van daden. Eén woord, dat uit een brandend hart kwam.
* * * * *
Er zijn dus middelen, waarmee men de kinderen het zorgen en redden
tot een belangrijk deel van hun natuur kan maken. Laten we ze niet
verwaarlozen, maar aanwenden, niet eens nog het meest in het belang van
anderen, maar in hun eigen belang. Wie anderen redt, redt zichzelf. Dat
is de gezegende baatzucht van de liefde.
XV. VAN DE ZANDGRONDEN.
"Het lijkt wel, of de katten hier 's nachts net zoo huishouden als bij
ons," zei mijn vrouw. En zij had gelijk. Wie in een stad woont, weet,
hoe op sommige tijden van 't jaar, de katten van je buren en dan nog
enige zwerfkatten kunnen krijsen en blazen in het tuintje achter je
huis.
Datzelfde geluid nu horen we hier haast elke morgen, heel in de vroegte,
zoo om een uur of vier. En ook 's middags en 's avonds.
't Komt echter niet van katten. Die zien we niet. Maar aan de overzij
van de zandweg, waaraan ons pension ligt, verrijst een mooi dennebos,
hoge, bruinstammige dennen met donkergroene kruinen. En daaruit komt het
harde gekrijs. Enige mooigevederde vogels vergasten er ons op.
Reeds meermalen is het opgemerkt, hoe groot verschil er wezen kan tussen
de bevedering en de stem van een vogel. De volle orgelklanken van de
nachtegaal schijnen even weinig bij zijn vale veertjes te behoren,
als de onwelluidende schreeuwen van de papegaai en de pauw bij hun
schitterende tooi. En zo is het ook met onze overburen in het dennenbos.
Ze krijsen afgrijselik, maar hebben een prachtig verenkleed. _Zie_ je
ze, dan noem je ze _Vlaamse gaai_, er is in de klank van deze naam zo
iets voornaams en warms, dat heel wel bij hun uiterlik past, maar _hoor_
je ze, dan spreek je van _Meerkol_ of _Krijtekster_. Hun geluid doet
denken aan krijsende heksen, zo rauw en onheilspellend klinkt het,
en worden heksen niet wel eens Meerkollen genoemd? Maar de naam
_Krijtekster_, ofschoon het minst gebruikt, is misschien nog wel
de meest juiste en sprekende. Vooreerst omdat de vogel aan de ekster
verwant is, en ten twede omdat zijn _krijten_, schreeuwen, een van zijn
"sprekendste" kenmerken is. Ik vermoed, dat die naam ook de meest
volksaardige is. Hij is zo kenschetsend.
Toen ik nog jong was, kende ik de naam zonder ooit iets van de vogel
gezien of gehoord te hebben. Men zal zeggen: dat is zo'n wonder niet.
Ook nu nog leren de kinderen heel veel namen zonder ooit iets van de
dingen te horen of te zien. Maar zo bedoel ik het nu niet. Het was niet
de meester, die me met die naam bekend had gemaakt, maar mijn moeder. En
deze had ons die naam nooit "geleerd", maar door hem te gebruiken aan
ons overgedragen. Een van ons gezin kon nog al luid praten, erg luid,
vooral wanneer ze in enig geschil haar gelijk wou betogen. Dan zei
mijn moeder vaak, en 't is of ik de stem nog hoor: "Hè kind, schreeuw
toch zo niet, je schreeuwt als een krijtekster." De juistheid van de
vergelijking kon ik toen niet beoordelen. Krijteksters had je niet in
Amsterdam, maar zo is de naam mij bijgebleven, en nu ik het krijsende
geluid reeds jaren ken en mij het luide gekrijt van menige opgewonden
kinderstem herinner, moet ik bekennen, dat de vergelijking goed gekozen
was, al was ze dan ook voor ons nietszeggend. Mijn moeder had jarenlang
in Brabant gewoond en kende dus de vogel, had wellicht vandaar die
vergelijking als heersende beeldspraak meegebracht (bestaat ze wellicht
nog in Brabant of andere zandstreken?), maar voor ons bezat die
vergelijking niets tekenachtigs, was ze slechts een graadbepaling:
je schreeuwt als een krijtekster, betekende voor ons: je schreeuwt
hinderlik hard. En daar bleef het bij, totdat de vogel ons in
werkelikheid de beste toelichting bracht, veel beter toelichting, dan
enig taalboekje vermag te schenken.
Nu ik toch aan beeldspraak van de zandgrond ben, wou ik wel eens weten,
of iemand, die daar thuis is, wel eens gehoord heeft van "jouw kar is
toch niet aan de zijne gebonden." Dit zei mijn moeder, als we ons b.v.
voor een of andere daad verontschuldigden, omdat een vriendje ze ook
bedreven had. De uitdrukking betekende natuurlik, dat wij door het
gedrag van een ander toch niet tot hetzelfde gedrag verplicht waren.
Dat begrepen we heel best. Maar niemand weer dacht toen bij die woorden
aan een _kar_, die aan een andere kar gebonden was. De figuurlike zin
van de uitdrukking was ons alleen bewust. Natuurlik. De woorden en
uitdrukkingen ontlenen hun betekenis voor ons aan het _gebruik_,
midden in 't leven, en niet aan schoolse verklaringen. En dat gebruik
geschiedde in dit geval, als er noch van karren noch van binden sprake
was, maar alleen van ongehoorzame kinderen, die hun overtredingen
meenden te kunnen rechtvaardigen met die hunner makkers, of van
dwingende kinderen, die hun zin wilden verkrijgen door op het voorbeeld
van andere te wijzen.
Toen ik later menige boerenkar gebonden zag achter een andere, beide
getrokken door hetzelfde paard, en die dus in al zijn bewegingen de
eerste moest volgen, toen zag ik de uitdrukking uit mijn kinderjaren
eensklaps in schitterende werkelikheid voor me. Geen vrijheid van weg of
beweging voor nummer twee. Overal waar de eerste ging, moest de twede
volgen. Daarmee was voor deze met alle vrijheid ook alle zelfstandigheid
en verantwoordelikheid verdwenen, en ik hoorde de twede kar, neen, de
twede mens, gebonden aan de eerste, zich op die gebondenheid beroepen
als op een voldoende verontschuldiging.
Nog één voorbeeld van een beeldspraak, die ik, evenmin als dit tweetal
uitdrukkingen, ooit anders hoorde, dan uit mijn moeders mond. Van een
heel voorzichtig mens heette het: "Nee, maar die gaat ook in geen mandje
melken." Kent iemand die zegswijze? Ook deze is mij weer als kind
vertrouwd geworden door 't gebruik, zonder dat ik er ooit bij aan een
mandje dacht. Maar toen ik later eens, plotseling, in mijn verbeelding
dat mandje voor me zag, voelde ik de spottende scherts van een
boerenleven, dat meer verstand bezit en gebruikt, dan de "ontwikkelde"
stadsmensen wel denken.
Maar nu nog even naar mijn krijteksters terug. Onlangs werden we
uit onze lectuur opgeschrikt door een angstig geschreeuw van de hele
mussenwereld. We keken op, en daar zagen we een krijtekster met een mus
in zijn snavel wegvliegen. Hij zette zich op een dennetak, legde de mus
daar even neer, precies zoals een kat dat met een muis doet, pakte het
dode diertje toen weer op, en vloog ermee het bos in. We hoefden niet te
vragen, of onze Meerkol een kwade heks was. Met eigen ogen hadden we 't
gezien.
Enige ogenblikken later sjilpten de mussen er weer vrolik op los en
kwamen uit hun schuilhoekjes te voorschijn. Zouden ze er iets van
gevoeld hebben, dat een der hunnen zo eensklaps uit het land der
levenden was verdwenen? Zouden ze hem missen? Of alleen maar een
ogenblikje bang zijn geweest voor hun eigen hachje? In de mussenwereld
als in de mensenwereld, het schip zinkt in de diepte weg, en de golven
vloeien weer samen, of er niets gebeurd is. We zien geen graven, maar
alleen de zee, de eindeloze, eeuwig rusteloze zee, de zee van het
woelende, vereffenende leven. Is het zo?
* * * * *
Op de zandgronden zijn niet alleen hei en dennen, krijteksters en
eekhoorns, er zijn ook nog mensen. Dat wordt altijd zo leuk vergeten
door de ijverige geografen en natuurvrinden. Mensen tellen niet mee. Die
bestudeer je niet. Die laat je links liggen. En dan vooral de mensen
op de zandgronden. Heten die niet "domme boeren", even armelik aan
ontwikkeling als hun grond schraal is aan voedingsstoffen? Je mag nog
wel enige aandacht wijden aan hun rogge, boekweit en aardappelen, aan
hun knollen, spurrie en lupinen, maar aan henzelf, dat loont de moeite
niet. Ze zijn zo bekrompen.
Ja, dat heb ik ondervonden. In menige boerderij zijn we geweest, hebben
het bedrijf gadegeslagen en met de mensen gepraat, maar--heb ik het zo
goed getroffen?--in de stad heb ik bij windbuilerigheid heel wat meer
domheid en bekrompenheid aangetroffen dan bij die domme boeren.