ziet alleen opgestapelde rauwe steenen vóór zich, en daarboven eenige
lagen gemetselde steen. En die voorstelling is glad mis. Dit is wel de
zaak, waar het eigenlijk op aan komt, het essentiëele van deze bakkerij,
maar daar zie je voorloopig niets van. Je ziet nòch rauwe steenen, nòch
gemetselde lagen daarboven. En dat spreekt nog al vanzelf. Denk nu eens
aan die gemetselde steenlagen--waar moeten die op rusten? Zoo maar op
de rauwe steenen? Moet men dus eerst een dikken vloer van baksteenen
metselen, met op bepaalde afstanden gaten erin, en daarna dien vloer
ophijschen, zoodat hij boven de rauwe steenen komt te liggen? En moeten
die opgestapelde rauwe steenen verder maar aan de vier zijkanten
ongedekt blijven, zoodat al de warmte naar alle richtingen kan
uitstralen, de buitenlucht in? Dat zou al een heel onvoordeelige
stokerij zijn. De groote kunst in alle fabrieken is immers altijd,
de ontwikkelde warmte zoo goed mogelijk te gebruiken en zoo weinig
mogelijk, liefst in 't geheel niet te laten vervliegen? Neen, dat gaat
niet. Aan alle kanten zijn de rauwe steenen dan ook door dikke muren
afgesloten, muren van 1 à 1½ meter dik. En de gemetselde lagen daarboven
vormen met die muren één bouwwerk. Ziezoo, nu zijt ge er al een beetje
beter achter. We denken ons dus een gemetselden tunnel, met muren
van 7 tot 12 steen dik, en waarvan de zoldering op gelijkmatige
afstanden gaten vertoont, zeg schoorsteengaten. Maar 't zijn geen
schoorsteengaten, 't zijn vuurmonden, want niet de rook moet eruit naar
boven, maar de brandstof moet erin naar beneden. En in dien tunnel zijn
de rauwe steenen zóó opgestapeld, dat onder de vuurmonden--telkens drie
in de breedte--de vuurkanalen aansluiten. Nu zijn we er. Laat nu de
stoker maar vrij boven zijn bakkerij wandelen. Hij zal niet tot een
klinker versteenen. De vloer onder zijn voeten is misschien wel een
kleinen meter dik en bovendien heeft hij er nog een laag zand op gelegd.
Tusschen dat zand zie je overal de ijzeren kapjes uitsteken, net
schoorsteenkappen, waarmee de vuurmonden zijn afgesloten. Toen wij met
den stoker op zijn oven rondscharrelden, voelden we niets van de hitte
onder onze voeten. En toch brandde daar een geducht vuur, zooals we
konden zien, toen de stoker van eenige monden de deksels aflichtte en
ons een blik deed werpen in de diepte. 't Was alles één en al gloed,
waarbij het eigenlijke vuur haast niet te onderscheiden was van de
gloeiende steenen. Toch zagen we die als lichte, 't leek wel
doorschijnende blokjes opgestapeld liggen.
Wanneer de lezer zich nu dezen tunnel denkt in den vorm van een ring, of
liever, van een lang ovaal, dan begint zijn voorstelling misschien al
iets op de werkelijkheid te lijken, vooral wanneer hij nog weet, dat de
hoogte ± 5 Meter en de lengte van het heele bouwwerk ± 50 Meter is.
* * * * *
We zien dus een steenen bouwwerk, in den vorm van een langgestrekt ovaal
met een lengte-as van ongeveer 50 Meter en ongeveer vijf Meter hoog.
Niet oneigenaardig vergeleek een onzer het met een puddingvorm, die met
de open zijde op de tafel staat. En die vergelijking was te juister,
omdat ook hier de buitenzijde schuin naar beneden liep. Die buitenmuur
groeide, van boven naar beneden, van 7 tot wel 12 steenen dikte aan,
en wel aan den buitenkant, die daardoor een vrij schuine helling
vertoonde. Wil men die vergelijking met den puddingvorm nog nauwkeuriger
hebben, dan moet men denken aan een vorm, die in 't midden een ovale
opening heeft, en die dus eigenlijk bestaat uit een ovalen ring of
tunnel.[5] Die opening werd bij den steenoven ingenomen door het
gemetselde rookkanaal, dat naar den hoogen schoorsteen voerde, die
aan het eene uiteinde van den oven stond. In rechte lijnen was de
plattegrond van den geheelen oven dus ongeveer aldus:
+-----------------------------------------------+
| |
| tunnel voor de steenen. stee- +--------+
| stee- +-----------------------------+········|schoor- |
| nen. | rookkanaal. | | steen. |
| +-----------------------------+········| |
| steenen. steenen. nen. +--------+
| |
+-----------------------------------------------+
[5] Zoo ongeveer als een ovalen rijstrand.
In plaats van een rechthoek denke men zich nu een ovaal.
En hoe moest die ringoven nu gevuld en geleegd worden?
Daartoe bevinden zich in den buitenmuur zestien poortjes, van wat minder
dan een manshoogte, zoodat een man er gebogen door kan gaan, aan elke
zijde acht, en op 4 à 5 Meter afstand van elkaar. In die poortjes konden
we de dikte van den muur goed zien, en ook, dat zijn doorsnede op een
rechthoekig trapezium leek met de schuine zijde naar buiten. Bij het
vullen werden de kruiwagens met rauwe steenen door een der poortjes
naar binnen gereden, en daar, nu en dan met uitsparing der drie
loodrechte vuurkanalen, opgestapeld tot aan de geweldige zoldering.
We woonden het vullen en leegen bij, en dat is geen wonder, want deze
werkzaamheden gaan hier dag aan dag door. 't Is hier niet, zooals bij
een gewonen steenoven: eerst den _heelen_ oven vullen, dan den _heelen_
oven vier tot zes weken laten branden, daarna den _heelen_ oven laten
afkoelen, om tenslotte den _heelen_ oven te leegen. Hier ging het leegen
en vullen onafgebroken voort, al maar door in de rondte van den oven.
Om dit te kunnen begrijpen, zullen we den geheelen ovalen tunnel eens in
16 vakken verdeelen, elk vak tusschen twee poortjes. Men lette er echter
vooral op, dat het een verdeeling is _zonder tusschenschotten_. De
opeenvolgende vakken zullen we benoemen met de getallen van 1 tot 16, en
we spreken dus van vak 1, vak 2, vak 3, enz. Elk vak is dus de inwendige
ruimte van den tunnel, van een poortje tot het naastvolgende. In de
zoldering van één vak zien we drie maal drie stookgaten--drie rijen van
drie--zoodat we meteen kunnen uitrekenen, dat deze oven 16×9 stookgaten
heeft.
Wanneer de stoker nu b.v. vak 9 aan het stoken is, blijft de daar
ontwikkelde hitte niet beperkt tot dat vak, maar verspreidt zich ook
door vak 10, 11, 12 enz.--steeds in één richting, en zoo ver mogelijk,
dus tot in het laatste vak, dat pas met rauwe steenen is gevuld.--Verder
niet, want de zijde van dit laatste vak, (laten we zeggen vak 16) waar
de overgang naar het volgende vak 1 is, heeft men met grauw papier
beplakt. Vak 1 is of wordt dus juist geleegd.
En gaat de warmte uit vak 9 dan niet _terug_, naar de vakken 8, 7, 6,
enz. tot 1? Neen, want de luchtstrooming, de trek, is altijd in dezelfde
richting. De versche buitenlucht treedt binnen, in het vak dat men aan
't leegen is, thans dus in vak 1. Naar het vorige vak 16 kan ze niet,
want dit is met grauw papier beplakt. Ze dringt nu tusschen de steenen
door in vak 2, 3, 4, enz., tot in vak 9, waar gestookt wordt, daar
onderhoudt ze de verbranding, waarna de ontstane heete gassen verder
trekken door vak 10, 11, 12, enz. tot 16 en hier, tegengehouden door
den papieren wand, in het rookkanaal verdwijnen. Alle frissche lucht,
trekt dus steeds den _heelen_ oven door, eerst afkoelend de reeds
gebakken steenen (b.v. vak 2-8), daarna de verbranding onderhoudend
(vak 9), vervolgens de nog rauwe steenen alvast--doch nu als heete
gassen--verwarmend en drogend (vak 10-16), eindelijk verdwijnend door
het rookkanaal (vak 16) en den schoorsteen.
Is vak 1 geleegd, dan volgt vak 2. Tegelijkertijd wordt vak 1 weer
gevuld. Nu komt de versche lucht in het open vak 2 binnen, en krijgt vak
3 dus de afkoeling der directe buitenlucht. Deze buitenlucht trekt weer
door de vakken 4, 5, 6, 7 en 8, doch bereikt nu ook 9, want de stoker is
nu bezig met 10 te verhitten. De heete verbrandingsgassen trekken door
vak 11, 12, 13, 14, 15 en 16, doch nu ook door het pas gevulde vak 1,
waar de rauwe steenen aanstonds een beetje van de ontwikkelde warmte
profiteeren. Verder dan 1 gaat de warmte niet, want het grensvlak
tusschen het pasgevulde vak 1 en het pas geleegde vak 2 is alweer met
grauw papier beplakt. De gasvormige verbrandingsproducten verdwijnen uit
vak 1 in het rookkanaal.
Wie deze uiteenzetting heeft kunnen volgen, zal nu begrijpen, dat de
oven onafgebroken door aan 't branden blijft. Elken dag laat de stoker
een rij van drie vuurmonden schieten, en neemt hij drie nieuwe onder
zijn schep. Ieder vak wordt dus, daar het immers 3×3 vuurmonden heeft,
juist drie dagen _gestookt_. Ik onderstreep dit woord _gestookt_. Want
_verwarmd_, _verhit_, is zoo'n vak reeds al den tijd, waarin de vorige
14 vakken gestookt werden. Langzamerhand is de warmte het genaderd, al
dichter en dichter. Geleidelijk nam ze toe. Grooter en grooter werd de
hitte. Reeds kwam ze uit de eerste hand, van het naburige vak. Doch ze
moest nog toenemen. Daar wierp een onzichtbare hand, van boven, zwarte
steenkool naar beneden, en de vlammen, die reeds lang tusschen de
steenen doorspeelden, verslonden met gretigheid dit nieuwe voedsel,
voerden de hitte tot haar grootste hoogte op, en bakten daarmee de rauwe
steenen volkomen gaar. Even geleidelijk als de verwarming gekomen was,
volgde haar de afkoeling, totdat het baksel koud genoeg was, om op
kruiwagens te worden geladen en naar buiten gereden.
* * * * *
Voor den belangstellenden lezer zijn er onder het nagaan der
voorafgaande beschrijvingen en mededeelingen natuurlijk allerlei vragen
gerezen. Dat spreekt vanzelf. Juist als je iets van een nieuwe zaak
begint te weten, vertoonen zich aan alle kanten de leemten in je kennis,
en die wil je graag aanvullen. We hebben altijd zoo graag een goed in
elkaar gesloten _geheel_. Doch, ofschoon ik de vragen niet slechts
voorzie, maar ze zelfs best zou kunnen formuleeren, ik zal er niet aan
beginnen, want dat zou niet alleen op nieuwe mededeelingen maar daardoor
weer op nieuwe vragen uitloopen. We zijn in een zaak, in wèlke dan ook,
eigenlijk _nooit_ uitgevraagd. Steeds kunnen we er dieper in
doordringen.
Ik zwijg dus nu over onzen ringoven, doch wil alleen nog eens in het
bizonder de aandacht vestigen op zijn voordeelen. Die zijn dan in
hoofdzaak:
1º. _Enorme besparing van brandstof._ Bij de _gewone_ steenovens gaat
van de ontwikkelde warmte verreweg 't grootste deel nutteloos verloren;
volgens genomen proeven zeker meer dan 80 pct.; daarenboven is de
verbranding in de vuurgangen onvolkomen, omdat de lucht niet vrij toe
treden kan en er zich in plaats van koolzuur (CO2) zeer veel kooloxyde
(CO) vormt, waarbij de vrij geworden warmte slechts een vijfde is van
die, welke men bij doelmatig aangelegde ovens zou kunnen verkrijgen. De
besparing aan brandstof is bij den ringoven nu niet minder dan 66, soms
80 pct. van het gebruik in de gewone steenovens.
2º. _Winst aan tijd._ Door 't vullen, afkoelen, en ledigen van den
gewonen oven gaat heel veel tijd verloren. Bij den ringoven gaan alle
werkzaamheden onafgebroken door. 't Is steeds op denzelfden tijd:
vullen, branden, bakken, afkoelen, leegen. Het eene onderdeel geeft niet
het minste oponthoud voor het andere.
3º. _Beter kwaliteit van steenen._ Terwijl bij de ongeveer 30
sorteeringen uit een gewonen oven veel mindere kwaliteiten zijn,
geeft de ringoven--tenminste was dit het geval bij den door ons
bezichtigde--maar vijf soorten, doch alle van de beste kwaliteit.
Bevreemding mag het dus wekken, dat er in ons land nog zooveel met
gewone ovens gewerkt wordt, waar deze zulke groote nadeelen hebben.
* * * * *
Na het bezichtigen van den ringoven bleven we nog een poos staan kijken
bij een ploeg van vier mannen en een jongen, die "handwerk" verrichtten.
Twee mannen kneedden de klei op een stuk land, de derde reed ze per
kruiwagen naar den vormer, en deze, de vierde, vulde er met de hand
telkens een vorm voor vier steenen mee, die dan door den jongen op het
droogveld geleegd werd.
't Was alles zwáár werk. Dat kneden van de vettige klei met de handen,
waarbij de armen soms tot de ellebogen in de massa geduwd werden,--en
dat een heelen dag door, een dag van 's morgens 5 tot 's avonds 7, met 2
uren schafttijd; dat vullen en omhoog rijden van de volle kruiwagens,
altijd maar omhoog, en die dan weer met de handen leegen op de tafel
van den vormer,--en dat een heelen dag achtereen van 's morgens 5 tot
's avonds 7, met 2 maal een uur schafttijd; vooral dat vormen, dat
vullen van de vier bakjes in één vorm, met de hand, zonder een seconde
oponthoud, seconde aan seconde, minuut aan minuut, uur aan uur, den
ganschen langen dag van 's morgens 5 tot 's avonds 7, met slechts
tweemaal een uur, om gauw naar huis te loopen, te eten, en terug te
rennen; maar toch ook dat opnemen, leegen en terugbrengen van de vormen,
het werk van den jongen, en ook van 's morgens 5 tot 's avonds 7,--'t
was alles zwáár werk.
't Is waar, er werd niet veel kennis voor dezen arbeid vereischt, maar
wie zou zich niet liever wat bekwamen in zijn jeugd om dan later niet
alleen loonender maar ook aangenamer arbeid te kunnen verrichten, arbeid
die in zichzelf wat voldoening meebrengt?
Onze oude boer mocht waarschuwend zeggen: "Pas op mieneer, een mensch
kan wel eens te veul weten," wat we hier voor ons zagen sprak in de taal
der feiten de waarschuwing uit, om toch vooral onze kinderen ook niet te
weinig te leeren.
XIII. DE ZEDELIKE OPVOEDING MOET BIJ DE VOLWASSENEN BEGINNEN.
Men zegt: Wie de Jeugd heeft, heeft de toekomst. En men vecht om
de Jeugd, om deze zekere zedelike beginselen in te prenten, zekere
godsdienstige geloofswaarheden in te praten, zekere goede gewoonten
eigen te maken. Zoo meent men dan de toekomst der Jeugd en in haar de
toekomst der Mensheid het best te verzekeren.
Maar als die Jeugd gaandeweg volwassen wordt, bemerkt ze, dat die
beginselen onder de mensen wel beleden, die geloofswaarheden daar wel
gepredikt, die gewoonten daar wel vormelik geëerd, maar geen van deze
tot werkelikheid, tot leven gemaakt worden.
Het kind, dat "altijd de waarheid moest spreken", raakt verdwaald in
de politiek der wereldwijsheid, eerst al in zijn eigen huis, waar het
oordeel over anderen zoo gans verschillend is, naarmate die anderen
afwezig of aanwezig zijn; daarna in 't maatschappelik leven, waar
"zaken" en "carrière" haar eigen zedelike eisen stellen; eindelik in de
staatkunde en de oorlogskunst, waar het succes vaak alleen gekocht wordt
door sluwe misleiding der tegenpartij.
Het kind, dat God leerde liefhebben boven alles, ook boven Mammon,
ervaart al spoedig, dat zijn opvoeders dit niet zo letterlik bedoeld
hebben. Wanneer het zijn geld aan God wil geven, maakt dit zijn vrome
opvoeders eerst onrustig, dan vertoornd, eindelik hard. Mammon kan beter
zorgen voor kleren en voedsel en woning en menseneer--dan God. Eer God
met den mond, Mammon met de daad.
En het kind, dat reeds verder was dan 't opzeggen, het napraten van
woordenbraafheid en woordenvroomheid, dat zich reeds enige goede
gewoonten had eigen gemaakt, de gewoonte b.v. om de minste te zijn,
wordt later door baatzucht en heerszucht kalmpjes geëxploiteerd. De
wereld der volwassenen, ook die der kerkeliken, blijkt hem een wedstrijd
om de meeste te worden.
Nog erger is het, wanneer de zedelike opvoeding niet bestaan heeft
in het inpraten en inprenten van verstandelike formuleringen als
levenseisen, ook niet in het aanwennen van practiese deugden, maar in
het heiligen en sterken van de wil; wanneer de opvoeding het zó ver
mocht brengen, dat het kind zijn enig heil vond in een leven vol liefde
en waarheid, wanneer oprechtheid en gerechtigheid en toewijding zijn
wezen werden.
Hoe zou het met die geaardheid zich in de maatschappij kunnen bewegen?
Gerechtigheid? Neen, dienen van personen en partijen. Het recht
opgeofferd aan de naam, de positie, het belang. Toewijding? Mits die
toewijding niet de persoonlike en maatschappelike zonden aantast. Het
is, alsof men een vogel, aangelegd en grootgebracht voor een reine
atmosfeer, liet rondstrompelen door vunzige moddersteegjes. Het is,
alsof men een vis de zandwoestijn in stuurde, en zei: zwem.
Men brengt het kind groot voor de wereld, die er niet is. Men rust het
toe met neigingen, die--áls ze zich ontwikkelen--zijn leven tot een
moordende worsteling maken. Men maakt het klaar voor een samenleving,
die het zal uitstoten of verteren.
Wie de Jeugd heeft, heeft de toekomst? Eer deze jeugd toekomst is,
zal ze, bij de langzame vergroeiing tot de wereld der volwassenen,
geleidelik vervormd zijn en tenslotte geassimileerd worden met het oude
milieu.
* * * * *
We moeten het omkeren: Wie de toekomst heeft, heeft de Jeugd. Wanneer
het kind, ouder wordend, telkens komt in een kring en een dampkring,
waarin met de zedelike eisen ernst wordt gemaakt, steeds méér ernst
wordt gemaakt, zal het door de invloed zijner omgeving voortdurend en
bij toeneming vertrouwd worden met een morele levenspractijk. Bij de
kunstmatige visteelt ziet men zoo aardig de kleine visjes bij 't groeien
telkens van basin veranderen, maar ieder nieuw basin biedt meer ruimte,
water, licht en lucht, alles naar de behoeften der dieren. De vlugge
zwemmers worden niet in telkens onreiner water gebracht. Ze krijgen
telkens opnieuw levensvoorwaarden, waarin hun materieel welzijn het best
wordt bevorderd. Niet anders mag het bij de opvoeding der mensenkinderen
zijn. Schep hun een moreel milieu.
Hiertoe is echter nodig, dat de ouderen, aan wie de zedelike opvoeding
der jongeren is toevertrouwd, beginnen met aan zichzelf te werken. Maak
eerst de groten goed en dan, door hen, de kleinen. Want die ouderen zijn
de vormers van dit morele milieu.
De kinderen moeten, niet uit huiskamer-preekjes, maar uit het
levensgedrag van Vader en Moeder leren wat waarheidsliefde,
verdraagzaamheid, welwillendheid is. Door het dageliks verkeer met die
deugden moeten zij zich die eigen maken, als een vanzelfsheid. Wanneer
er bovendien over die deugden gesproken wordt, diene dit alleen om bij
de jongeren helderder bewust te maken, wat ook van hen geëist wordt.
Maar hoofdzaak is, dat de ouders zelf geven, wat ze van hun kinderen
vorderen, opdat de gezinsatmosfeer de kinderen niet belemmere in het
handelen naar de etiese eisen, en die eisen aan het kind gebracht worden
door een levende leer.
Zo moet het ook in de School de kinderen niet onmogelik gemaakt
worden, waarheidlievend en naastenlievend te zijn en dient daar van de
persoonlikheid des onderwijzers, van zijn houding tegenover volwassenen
en kleinen, een aanhoudende, doordringende prediking uit te gaan. Waar
blijft de morele invloed, wanneer de onderwijzer, zijn leerlingen b.v.
het twisten verbiedend, zelf in onmin leeft met zijn collega's, zelf
twist met klagende, verwijtende ouders, ja zelfs, onder de les, op ruwe,
kijvende toon zijn leerlingen te lijf gaat. Dan schept hij niet alleen
een immoreel milieu door zijn eigen gedrag, maar verergert dit nog door
het huichelend onderscheid tussen woord en daad. Eerst zij de
onderwijzer goed, dan groeie, door hem, de schooljeugd.
En dit geldt niet slechts de onderwijzer der lagere school. Ook die
der kweekschool, der middelbare school, der universiteit. Welke kracht
kan uitgaan van een paedagogiekles, die in de practijk der les zelve
reeds de verkondigde theorie weerspreekt? Men leert de leerlingen
theoretiseren over waarheden in plaats van hen te oefenen in het
verwerkeliken van waarheden. Men leert ze aldus de hand lichten met
de ernst der dingen, zo niet spotten met het heilige. Een hoogleraar,
die liefde voor de wetenschap zegt te hebben en overtuigd heet van de
gezegende invloed der wetenschappelike beschaving, grijpt toch ieder
college aan, om die liefde te tonen, over te dragen, om die overtuiging
te planten in de hoofden en harten der studenten? Of zal hij zijn
toehoorders door dorre dictaten, door memoriseerwerk, van de wetenschap
vervreemden, en zodoende 't geloof in haar aantrekkelikheid en heilzame
invloed ondermijnen? Dan moet de verbetering bij hem beginnen.
En dit is in de allereerste plaats waar voor hen, die zich in 't
bizonder met de zedelike en godsdienstige vorming van jong en oud zien
belast. Van de Kerk, in al haar openbaringen, gaat zedelike kracht uit.
Maar dan moet de Kerk niet beschouwd worden als een Priesterschap,
wakende voor een leer, maar als een Gemeenschap van Godzoekenden, van
heiligmaking waarachtig begerenden, werkende voor het zedelik heil
der mensheid. Hoe echter, wanneer de dienaars dier Kerk niet levende
bewijzen zijn voor de kracht en de zaligheid van hun prediking? En als
ook de leken, die zich om hen scharen, geen levende berichtgevers zijn
van het heil der waarheid, "levende brieven van Christus"? Dan is het
zout smakeloos. En waarmee moet dit dan gezouten worden?
Men bekommert zich altijd zo over het heil der jeugd. Terecht. Maar wie
zich daar waarachtig over bekommert, beginne dan met van zichzelf in
zedelike zin het beste te maken, wat hij kan. Dan heeft hij alvast
aan één factor der zedelike opvoeding, aan de voornaamste, met ernst
gearbeid. Dan heeft hij geholpen aan het scheppen ener reine sfeer,
waarin de jonge vogels het vliegen moeten leren.
Beginnen met de volwassenen, beginnen met ons zelf.
Als Jezus Christus niet begonnen was met Zichzelf, zou de zegen van het
christendom nooit ons deel zijn geworden. En wanneer die zegen nog niet
véél groter is, het is, omdat wij verzuimen, door Hem gekrachtigd, Zijn
voorbeeld hierin na te leven en te beginnen met onszelf.
Dit stukje schreef ik op verzoek van het Bureau voor het "Congres voor
Zedelijke Opvoeding". Onze lezers zullen er geen nieuws in zien. Doch
het leek mij nuttig, ons, volwassenen, eraan te herinneren, dat de ernst
van ons streven blijken moet uit onze daden. Een kind mag geen mug
inslikken, en wij, volwassenen, zwelgen kemels.
XIV. "IN ZIJN NATUUR".
Daar is mijn geliefde Frits Reuter weer. Wanneer een mens zo eens een
opwekking nodig heeft,--en wie heeft dat niet?--dan staan hem allerlei
middelen ten dienste: een sigaar, een glas wijn en meer zulke zinnelike
prikkels. Maar die brengen hem in den regel verder van de wijs. Beter
helpt gewoonlik een boek. Niet een boek, dat in opwindende tonelen en
spannende verhoudingen afleiding brengt door onrust, maar een boek, dat
ons in een vriendelike, liefdevolle atmosfeer leidt, dat ons geestelik
doet ademen in reine dampkring, dat ons aan eigen moeiten ontvoert door
ons deelgenoot te maken van andrer moeiten en strijd en overwinning.
Zulk een boek is mij "Het leven op het land" van Frits Reuter.
De mensen willen, dat een "beschaafd mens" op de hoogte zij van de
hedendaagse literatuur. Dat wil dus zeggen, dat je ter wille van
je beschaving ook tal van dikke boeken doorworstelt, die je van de
ene narigheid in de andere duwen. Deze soort "beschaving" lacht me
niet toe. Al kunnen we dan niet over tal van schrijvers en werken
meespreken, in vredesnaam. Men maakt tegenwoordig veel te veel van
alle heerlikheden onaangename plichten. We lezen echter niet terwille
van een beschavingsvernis. We lezen voor ons genot, voor ons geluk. En
liever één geliefd boek telkens en telkens weer gelezen, dan dat we
een hele bibliotheek in ons hoofd krijgen, zonder dat ons hart daar
noemenswaardige winst bij heeft. We tellen onze vrienden toch immers
ook niet bij hele regimenten? Goede boeken zijn goede vrienden, en de
eerste zijn al net zo dun gezaaid als de laatste, al willen we dankbaar
erkennen, dat we ook veel verplicht zijn aan hen, die onder de boeken en
de mensen alleen tot de goede kennissen gerekend kunnen worden.
Frits Reuter is een vriend, een echte, en een vriend van duizenden. Je
zoekt hem telkens weer op, en--wat meer zegt--je zoekt hem op in nood.
Hoe vaak heb ik al mensen gesproken, die me dat volmondig beaamden. Op
het ziekbed, bij een langzame herstelling, onder zorgen, bij spanningen
die maar niet tot ontspanning konden komen, bij hoofdbrekende
vragen--naar hem werd gegrepen, en als hij er was, bracht hij geduld,
verlichting, hoop, vertrouwen, kalmte, vrede. Een smartelike trek wist
hij om te plooien tot een glimlach. Hij liet de zon door de wolken
breken. En daarom is hij velen zo lief, in zekere zin onmisbaar. Bij
voorspoed, in blijde stemmingen, dan hebben we geen hulp van buiten
nodig. Dan braniën we door 't leven, of we ik weet niet hoe zelfstandig
zijn. Dan hebben we wijsheid voor tien en kracht voor honderd. Dan
kunnen we niet begrijpen, hoe je nog zwakkelingen hebt, die niet in
zichzelf, uitsluitend in zichzelf, de vermogens bezitten, om zich door
alles heen te slaan. Dan dragen we de wereld op onze schouders en
gruwen van elke steun, die men ons mocht willen aanbieden. Maar de
Schepper heeft het aldus ingesteld, dat we niet altijd voorspoedig en
verblijd zijn, dat we niet altijd braniën kúnnen, dat we ook wel eens
steun behoeven, en die dan heel gaarne aanvaarden. En in zulke zwakke
momenten, uren, dagen--zegenen we de helpers in de nood, de toevluchten
in 't lijden. De psalmdichters zingen van God als hun hoogvertrek,
waarin ze zich veilig kunnen terugtrekken. Zulk een hoogvertrek is ons
ook in menige mens gegeven. God werkt door mensen.
* * * * *