je, zal zo'n boerin anders doen dan op 't land werken en sjouwen met
varkensvoer? Klaosjemeu woont met haar zuster Mientje, een vrouw van
vijf-en-zeventig, op dezelfde boerderij, met de zoon van Mientje en
diens vrouw, en dan het dochtertje van het jonge paar, een zevenjarig
meisje. En toen we zo bij hen zaten te praten, zei Klaosjemeu: "Jao, 't
is lastig voor ons kleintje, dat die school zo ver is, want we kunnen
haar niet altijd halen en brengen, maar lezen kan ze toch." Hoe had
ze dat dan geleerd? Twee jaar geleden had het kleine ding haar voet
gebrand. Toen moest ze een lange tijd thuis blijven liggen. Daarbij
verveelde ze zich erg. En toen had Klaosjemeu bedacht, om haar maar
lezen te leren. Hoe? Klaosjemeu wist niemendal af van methode, noch van
Bouman noch van Versluys, ook Hoogeveen's Leesplank was nooit tot haar
doorgedrongen. Maar ze kende nog het A, B, C. Dat leerde ze het kind met
de ouderwetse namen, en dan zochten ze de letters in de Bijbel op. "En
zo heeft het kind 't geleerd. En nu kan ze 't. Haal maar eens een boekje
en lees eens."
De kleine ging weg, kwam spoedig terug met een oude Bijbel, ging op de
grond zitten, sloeg het boek open en las, waar het toevallig openviel.
't Was bij Psalm 110, een psalm met nog al heel moeilike woorden. Maar
't ging zonder haperen, en allerliefst klonk het eentonige
kinderstemmetje in de kring van volwassenen:
Een psalm van David.
De Heere heeft tot mijnen Heere gesproken: Zit aan mijne
rechterhand, totdat Ik uwe vijanden gezet zal hebben tot eene
voetbank uwer voeten.
De Heere zal den scepter uwer sterkte zenden uit Zion, zeggende:
Heersch in het midden uwer vijanden.
Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht, in
heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal u de dauw
uwer jeugd zijn.
De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt
Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.
De Heere is aan uwe rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten
dage zijns toorns.
Hij zal recht doen onder de Heidenen; Hij zal het vol doode
lichamen maken; Hij zal verslaan dengenen, die het hoofd is over
een groot land.
Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal hij het hoofd
omhoog heffen.
Ik heb de gehele psalm overgeschreven, om eens te doen zien, welke
moeilike woorden er in voorkomen. Die las het lieve kind onberispelik.
Natuurlik begreep ze de tekst niet en was er geen voordracht in haar
toon, maar daar ging het hier niet om. Hoofdzaak was: ze kon lezen, en
ze kon goed lezen. En dat volgens de methode van het A, B, C, en onder
de ongeschoolde leiding ener ruim zeventigjarige boerin. Domme boeren?
Ik beloofde, dat ik de kleine "Pim en Mien" zou sturen, en als ze die
uit had, "Ot en Sien", en zo verder het hele rijtje. En Klaosjemeu? Ik
kon het haar niet toezeggen, maar anders kreeg ze op haar oude dag nog
de acte van onderwijzeres, honoris causa. Er zijn, vrees ik, dommer
en ongeduldiger schooljuffrouwen, die de acte bezitten krachtens een
welvolbracht eksamen en onderwijzen volgens een volmaakte methode,
menselikerwijs volmaakt als de kieswet van Van Houten. Ach, de
methode! Ik wil geen kwaad van haar zeggen, al bederft ze vaak de
onderwijzersstudie en de onderwijspraktijk. Maar de persoonlikheid van
de onderwijzer, van de onderwijzeres is toch ook nog iets. Niet waar,
domme Klaosjemeu?
"Mientje kan ook al de taofels," zei Grootmoeder, naar wie ze genoemd
is. En inderdaad, ze kende ook al de tafels van vermenigvuldiging, en
prompt ook.
"En waar woon je?"
"Ik woon in de provincie Gelderland, in de gemeente E., in de buurtschap
T."
Dat was Mientje haar Aardrijkskunde. Heeft ze er heus niet meer aan dan
aan het "begrip plattegrond" en het "kaartbegrip"?
* * * * *
Maar dat lezen van "een Priester, naar de ordening van Melchizédek," dat
is toch immers een dwaas ding? Laten we hier niet van dwaas spreken,
maar bewondering koesteren voor een oude boerin, die met geen andere
hulp dan haar oude Bijbel haar achternichtje zo ver gebracht had.
Zijzelf en de anderen hadden uit dat boek heel hun leven nog wel iets
meer gehaald--n.l. hun troost en kracht in moeilike tijden. En moeilike
tijden waren over dit boerengezin heengegaan.
Meer dan twee honderd jaren had de familie op een boerderij gewoond, van
ouder tot ouder. Toen was de boerderij met het hele landgoed, waartoe ze
behoorde, verkocht, en moesten zij een andere plaats zoeken. Maar die
was niet te vinden, uren in den omtrek niet. De oude boer leefde toen
nog, de man van Mientje. En o, meester, vertelde Mientje, wat die man
toen een strijd heeft gehad! Hij was ten ende raad. Maar, hij geleufde,
dat de Heer alles ten goede zou keren. Die zou hem niet verlaten. En
in zijn radeloosheid liep ie het huus uit, naar een eikenbosje, en
daar knielde hij neer, en daar bad hij God om voorlichting. En toen hij
opgestaan was, kwam hij bij me en zei: Vrouw, zou Veldzicht niet te koop
zijn? 't Is mogelik, zei ik. En hij ging er op af, en jao heur, 't was
te koop. En zo zitten we nou hier, al vijf jaar. Maar mijn beste man is
dood.
De tranen kwamen het oudje in de ogen, als ze over haar man sprak.
Maar, zei ze, als om haar smart te verklaren, maar 't was ook zo'n innig
goeie man en zo'n brave, vrome ziel. Door al zijn lijden heen kwam hij
steeds dichter bij den Heer. En hij heeft geleden. Ach, de stakker heeft
zo'n pijn gehad in zijn ziekte. Maar dan zong hij maar een psalm, en als
je hem dan zo hoorde zingen, ach meester, dan brak je hart. Vader, zei
ik tegen hem, wat zing je nog? Ja, zei die dan, in mijn ziel jubelt het
door al mijn pijnen heen. En wat heeft de Heere Jezus wel voor ons
geleden. En Die was zonder zonden.
In 't Diaconessenhuis te Utrecht is hij nog tweemaal geopereerd. Maar
't mocht niet baten. En daar is hij dan ook gestorven. Maar wat die man
daar nog een zegen geweest is! De andere zieken, die lang zo erg niet
waren als hij, werden door hem getroost. En dan bad hij met ze. Ja, dat
kon hij hier in huis ook zo met ons doen. 't Is altijd een voorbidder in
huis geweest, meester. En bij alles maar met God raadplegen. En daar is
hij zalig bij heengegaan.
Mientje en Klaosjemeu waren niet uitgepraat van die goede geest, die een
groot deel van haar leven haar geleid en gesterkt had. En nu wachtten ze
maar, totdat het ook hun tijd was. Dan werden ze bij hem begraven op het
kleine, stille kerkhof. Heeft meester het kerkhof al gezien? Ja, dat had
ik. Maar we zouden er nu nog eens naar toe gaan, om zijn graf te
bezoeken.
Dat deden we, enige dagen later. We dwaalden tussen de steentjes rond,
totdat we zijn zerk vonden, en daar lazen we: Hier rust Aalt v. L., oud
77 jaar. Gestorven November 1905. En daaronder: Door Lijden geheiligd.
* * * * *
Wellicht hebben we het bij uitstek goed getroffen met onze bezoeken
bij de boeren. Maar in die eenvoudige woningen hebben we herhaaldelik
gevonden: verstand, liefde, vroomheid. En alle drie echt. Laten we
voorlopig niet meer van die domme boeren spreken en erkennen, dat de
zandgrond nog iets anders ter lering biedt dan hei en dennen en
krijteksters.
XVI. WAAR 'T SCHORT.
Het is wel een aangrijpend stuk wereldgeschiedenis[6], dat we nu
doormaken.
[6] Dit werd geschreven bij het uitbreken van den oorlog.
Maar hoe geweldig ook, nieuw is het niet.
Europa heeft meermalen over haar gehele uitgestrektheid in vuur en vlam
gestaan. En al is het waar, dat de krijg tans zoveel moordender is met
zijn volmaakte vernielingswerktuigen, daar is ook het gevolg van, dat
hij spoediger beslecht kan zijn. Gelijk overal geldt hier de wet van 't
energieverbruik: vermeerdering van spanning, vermindering van tijd. Snel
en krachtig is kort handelen. Naar menselike berekening zal de ellende
gauwer voorbij zijn: we kennen geen 80- of 30- of 7- of 4-jarige
oorlogen meer. We kennen alleen uitbarstingen als van vuurspuwende
bergen.
Wat in deze dagen evenwel bevreemdt, het is de bevreemding der mensen,
dat zulk een massale moordpartij nu nog mogelijk is bij de reeds
bereikte zedelike en verstandelike ontwikkeling.
Die bevreemding is bevreemdend, omdat ze van zulk een onverstand getuigt
bij die verstandelik ontwikkelden.
Wat baat, in de eerste plaats, verstandelike ontwikkeling, als ze niet
uitsluitend in dienst staat der zedelike ontwikkeling. Dan is ze een
kwaad te meer, daar al haar uiterst werkzame faktoren dan meehelpen, om
de moraliteit nog sneller te doen verworden. Dan vermenigvuldigt ze de
ellende op schrikbarende wijze. Terecht heeft men de duivel nooit als
een domoor getekend. Hij is de intelligentste en geslepenste diplomaat
te knap af, en verliest het alleen tegen de waarachtige onschuld.
Daarmee weet hij geen weg.
Verstandelike ontwikkeling is dus op zichzelf geen voordeel. Men zet
geen vrede kunstig in elkaar, als er geen vredegezindheid in de harten
leeft. En die is er niet, omdat er geen liefde is.
Is er geen liefde? Hebben we dan ook niet een hoge zedelike ontwikkeling
bereikt?
Het is overbodig over deze vraag veel bespiegelingen te houden: de
feiten spreken met overgrote duidelikheid. Wás er liefde, wás de
mensheid moreel hoog ontwikkeld, dan kon het kanon niet de hoogste toon
voeren in de beslechting van geschillen. Maar het feit, dat de macht bij
de moord berust, bewijst afdoende het schromelik tekort aan liefde.
Dat is ook niet anders te verwachten.
Hoe de mensen van deze tijd ook verschillend over Jezus Christus denken,
in hem Gods Zoon, een volmaakt mens of een zachtaardige dweper zien,
hieromtrent zijn de tot oordelen bevoegden het wel eens, dat in Hem de
Liefde werkelikheid was geworden.
Welnu, die vlees geworden Liefde heeft de mensheid in koelen bloede en
eigenlik met bevredigd haatgevoel aan 't kruis genageld.
Men haatte de Liefde.
De Joden wilden wel een Messias, maar een, die hen van 't juk der
Romeinen zou verlossen en dan hun koning zijn, hun aardse koning. Ze
begeerden een koninkrijk hier op aarde. Maar een Koninkrijk der hemelen,
een vrede des harten door de heerschappij der liefde, daarnaar waren ze
gans niet begerig, en ze riepen het "Kruist hem" over de volksmisleider.
Liever een moordenaar losgelaten dan deze zielenredder.
En zo dachten de Joden niet, omdat ze Joden waren, want zo denkt nog
tans de gehele Romaanse, Germaanse, Slaviese wereld onder allerlei
walgelike schijn van Christendom.
* * * * *
Het kruis van Christus is inderdaad de morele veroordeling der menselike
natuur. Hier hebben wij, mensen, getoond, hoe veilig de Liefde op aarde
rondwandelt. En als zij weer eens van haar hemelse hoogte afdaalde, om
opnieuw reddend--doch ook richtend--onder ons rond te gaan, ze zou weer
evenzo ontvangen worden, nu niet door de Joden, maar door de Duitsers,
of de Engelsen of de Nederlanders, brave, christelike natiën. Zij zou
hier weer een kruis vinden.
Maar datzelfde kruis van Christus is tevens de morele zegepraal der,
ja óók der menselike natuur. Dat Hij, een mens, zulk een liefde tot
de mensen met zijn onbegrensd Godsvertrouwen verenigde, dat is voor de
naar verlossing uit haar zelfzucht reikhalzende ziel een hoopvol teken.
Daar is een mens geweest, een mens van gelijke bewegingen als wij,
die--door zijn zondeloosheid, dat is: door zijn heiligheid, dat is: door
zijn goddelikheid--de lof en de smaad, de kroon en het kruis der wereld
niet heeft geacht, in wien de liefde zaligheid werkte onder het
smartelikste lichamelik en geestelik lijden.
"Zie de mens," zei Pilatus van hem.
Wanneer Pilatus nu eens in die woorden de adelbrief van ons geslacht had
uitgegeven!
Jezus Christus--_de_ mens. Hij de alleen ware mens. En wij--armzalige
verwordingen van dit type!
Dan is er geen reden tot vertwijfeling bij de zedelike mogelikheid, die
we bij dien Eenen verwerkelikt zien en wiens invloed we, ondanks alles,
toch in de loop der geschiedenis kunnen bespeuren.
Maar dan is er wel reden tot bittere smart en zelfverwijt, dat de
verwerkeliking van de hoogste aanleg in de menselike natuur zo uiterst,
uiterst langzaam gaat, en dat mede door onze schuld.
Niet de Liefde heerst, maar de Zelfzucht, en deze gebruikt de meest
barbaarse middelen, om zonder enige zachtheid of verschoning haar
zegeweg te effenen. Vernielen en vermoorden, zoals geen middeleeuwse
roverbende 't zou gedaan hebben, dat is haar christelikheid. En dat
geschiedt dan onder de godslasterende aanroeping van de zegen der
Voorzienigheid.
Doch wachten we ons, omdat het eerste binnenbreken op onzijdig gebied,
het eerste bloedvergieten van onschuldigen, nu op de zondenlijst der
Duitsers komt, onze verontwaardiging bij uitsluiting over hun hoofden
uit te storten. We zijn nog niet vergeten de verbranding van hoeve aan
hoeve, de concentratiekampen in Zuid Afrika, waar door "godvrezende"
Engelsen vrouwen en kinderen als in moordholen opeengehoopt werden. En
we weten ook, hoe in onze Oost, door de kogels onzer soldaten, dessa's
werden platgeschoten, ook vrouwen en kinderen geveld. In dit opzicht
geeft het ene beschaafde, christelike volk het andere niets toe.
Als wij in Duitslands plaats waren geweest, hadden we evenzo gedaan
en de anderen niet minder. Dit te erkennen, is niets meer dan
simpele eerlikheid en bewaart ons tenminste voor die schijnheilige
eigengerechtigheid, die in gloeiende verontwaardiging uitbreekt over...
onze eigen zonden, nu die toevallig door anderen bedreven worden en deze
daar profijt van hebben.
* * * * *
Men kan vragen, waaraan de schrijver dezer regelen het gezag ontleent
tot zulke uitspraken. Dan behoeft hij echter met zijn antwoord niet
verlegen te staan en niet eens de geschiedboeken te raadplegen. Het
is voldoende, als hij de mensen bij hun medemensen, bij hun vrienden,
buren, stad-, stand-, landgenoten, als hij hen bij henzelf bepaalt. Vaak
hoort men beweren, dat de geschiedenis een leerschool voor 't heden is.
Het schijnt nog aannemeliker, dat omgekeerd het heden de geschiedenis
doet begrijpen, en dat op de grote gebeurtenissen in het leven der
volkeren, het licht wordt geworpen door de gebeurtenissen in 't leven
der individuen om ons heen, door de gebeurtenissen in ons eigen leven.
Treffend is in de laatste moeilike dagen uitgekomen, van welk een
eigenaardig karakter onze persoonlike liefde is. De mensen hebben zich
gehaast met--niet een buitenlandse vijand, maar hun eigen landgenoten
te bestrijden. In allerijl vergoudden en verzilverden ze hun papier,
weigerden papier te ontvangen, sloegen buitensporig levensvoorraad
in--absoluut niet denkend aan anderen. En zo deden ze tegenover hun
medeburgers. Tans, als bij een schouwburgbrand, kwam het eens aan de
dag, wat er in de menselike natuur zit: dringt de anderen maar dood,
mits wij gered worden.
Dit is precies het tegengestelde van christendom. En deze uiting van
broedermoordende zelfzucht is eigenlik nog jammerliker dan de gevoelloze
vernielingswoede op 't slagveld. Zij, die de kanonnen doen aanrukken,
wagen er ook hun eigen leven aan, terwijl de anderen heel veiligjes met
hun zilver en hun voorraad binnen de vier muren van hun bovendien nog
_lafhartig_ egoïsme blijven.
Waar aldus de liefde spreekt in eigen kring en eigen hart, behoeven we
ons nog niet verontwaardigd te tonen over een inval, die als hoogste
nadeel heeft, dat hij _ons_ in ongelegenheid brengt. Geschiedde hij
ergens ver weg, in Afghanistan b.v.; onze verontwaardiging zou slinken
met het toenemen van de afstand, d. i. met het toenemen van ons gevoel
van veiligheid. Neen, er is reden om onszelf eens goed te leren kennen,
nu de omstandigheden in ons oproepen wat er in ons is.
Zijn wij bereid tot offeren?
Dat is _de_ hoofdvraag.
Men spot vaak met die oude god der Israëlieten, die offers eiste, bloed
van stieren en rammen, en aldus verzoend moest worden.
Maar is de God der Liefde minder wreed?
Kunnen we ons een leven van liefde anders denken dan als een aanhoudend
offeren?
Wie zich aan de Liefde overgeeft en uit de volheid zijns harten
uitroept: "Zeg _gij_ wat ik doen zal," die moet nog iets anders op
't altaar brengen dan stieren en rammen, die moet als Abraham zijn
eengeboorne, als Christus zichzelf overgeven, volkomen.
Ach, we zijn nog niet eens in staat, een beetje gerief te offeren, een
beetje ontspanning, een beetje rust. Worden we er toe verplicht, en
kunnen we het niet ontduiken, dan klagen we, of, als we 't heel ver
brengen, berusten we, zwijgend en hopend. Wáár is de innerlike blijheid
der offerende liefde?
Er is nog zo bitter weinig christendom. Ook in ons. En dáár schort het.
Het is niet nodig, hier verder over uit te weiden.
Ieder raadplege eens eerlik zijn eigen hart.
Dan zal hij zien, dat de oorzaak der tans uitgebroken ellende ook dáár
schuilt. En dat die oorzaak alleen verzwakt als dáár tenminste wordt
ingestemd met de woorden: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.
We leren altijd zo naief uit onze studieboeken "de oorzaken" der
verschillende dingen.
Maar zijn die oorzaken iets anders dan variaties van het ene
door-en-door onchristelike thema: _Ik?_ Ze zijn slechts de momentele
omlijningen der Zelfzucht, tijdelike verschijningsvormen van blijvende
krachten. En tegenover haar staat alleen: Bereidheid tot redden.
Wie hiertoe bereid is, voelt zich onder alle dreiging rustig en vredig.
Hij heeft de wereld overwonnen. Dat is zaligheid.
XVII. VREDE DOOR RECHT?
"Vrede op Aarde!"
Streng dreigde op steile rots de burcht van 't menslik recht.
Gebouwd door Zelfzucht, hief hij koud zijn harde tinnen.
Al wat door kracht en list de slotheer wist te winnen,
Werd hier beschermd, en zwakke Onnozelheid geknecht.
Een ijzren band van wet haar vrijheid aangelegd,
Moest die misdeelde nog haar keetnen erend minnen.
Het Recht! Het heilig Recht! Wie dorst de kamp beginnen,
Verwaten wensend, dat die "tempel" wierd geslecht?
Onnozel Kind, in 's werelds beestenstal geboren,
Aan 't eind uws levens door het menslik recht gekruist,
In u zal de aard, der Liefde godlik recht zien gloren,
Dat vrede brengt. O Christus, zelfs door hen verguisd,
Die in hun schone naam u heten toe te horen,
Geen vrede aleer uw vree door wolk én wereld ruist.
INHOUD.
Blz.
I. Vroege tucht 1
II. In Blaricum 12
III. Een paar klachten 14
IV. Over straffen 35
V. Van buiten? of van binnen? 38
VI. Zeg maar ja 39
VII. Groeien gaat langzaam 61
VIII. Frederik Fröbel 64
IX. Dood-eenvoudig 106
Durven? 135
X. Wek godsdienst in het kinderhart 148
XI. Een moeilik ogenblik 158
XII. Op en om een ringoven 180
XIII. De zedelike opvoeding moet bij de volwassenen beginnen 204
XIV. "In zijn natuur" 210
XV. Van de zandgronden 224
XVI. Waar 't schort 235
XVII. Vrede door recht 243
+-----------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De volgende correcties zijn in de tekst |
| aangebracht: |
| |
| Bron (B:) -- Correctie (C:) |
| |
| B: onder dwaasheid onverschilligheid en |
| C: onder dwaasheid, onverschilligheid en |
| B: de wereld een weingje beter verlaten |
| C: de wereld een weinigje beter verlaten |
| B: verbeterend, verlichtend versterkend |
| C: verbeterend, verlichtend, versterkend |
| B: in het vertreden van de _te recht_ |
| C: in het overtreden van de _te recht_ |
| B: ontwikklen tot zedelijke karakters, |
| C: ontwikkelen tot zedelijke karakters, |
| B: "Stoute tafel!" Geef de |
| C: "Stoute tafel! Geef de |
| B: gedaan, hoor!" Ze bijten |
| C: gedaan, hoor! Ze bijten |
| B: goud-glinsterende kabbe-beling voor |
| C: goud-glinsterende kabbeling voor |
| B: kind overliet. "De thuiskomst des |
| C: kind overliet. De thuiskomst des |
| B: handhaven. "Het is lichter--riep |
| C: handhaven. "Het is lichter"--riep |
| B: Koninkrijk van God," want |
| C: Koninkrijk van God, want |
| B: alleen zij. "Toen de hertog van |
| C: alleen zij. Toen de hertog van |
| B: grond af weder opbouwen." |
| C: grond af weder opbouwen."" |
| B: beweging--_is de daad_!" |
| C: beweging--_is de daad_! |
| B: van het oord, die der aanschouwing |
| C: van het woord, die der aanschouwing |
| B: opzichte van de weerspanning eigenwijze |
| C: opzichte van de weerspannig eigenwijze |
| B: schelen Zo zijn ze." |
| C: schelen. Zo zijn ze." |
| B: "Kind, wat is er!" zei |
| C: ""Kind, wat is er!" zei |
| B: vlak bij je Op 't laatst |
| C: vlak bij je. Op 't laatst |
| B: als b.v. later Emilie werd |
| C: als b.v. later Emile werd |
| B: De einge vraag is: Wilt |
| C: De enige vraag is: Wilt |
| B: mens, zonder redeneringgen, de wil |
| C: mens, zonder redeneringen, de wil |
| B: deze een moreele consolidatie, maar |
| C: deze een morele consolidatie, maar |
| B: kopsnellen en verorbenen, maar |
| C: kopsnellen en verorberen, maar |
| B: trappen en bliksemde ogen nodig |
| C: trappen en bliksemende ogen nodig |
| B: groene woud", Dan stelde |
| C: groene woud". Dan stelde |
| B: dat de jongen reeds 's |
| C: dat de jongens reeds 's |
| B: grauw papier beplakt, Ze dringt nu |
| C: grauw papier beplakt. Ze dringt nu |
| B: uren schaftijd; dat vullen |
| C: uren schafttijd; dat vullen |
| B: lag in zijn natuur." |
| C: lag in zijn natuur."" |
| B: kan ze toch. Hoe had ze |
| C: kan ze toch." Hoe had ze |
| B: verworden. Dan vermenigtvuldigt ze |
| C: verworden. Dan vermenigvuldigt ze |
| B: van de afstand, d..i. met het toenemen |
| C: van de afstand, d. i. met het toenemen |
| |
+-----------------------------------------------+