openging, aten ze de inhoud haast met hun ogen op. En ze begrepen
alles zo best. Het was--een triomf.... lieve hemel, ook voor mijn
zaakonderwijs. Die steentjes van klei, die rood-gebakken steentjes,
die steenoven, die kalkoven, die ploeg, die eg, die molenstenen, dat
weefstoeltje, die houtzaagmolen, van alles wilden ze weten, en dan kwam
er zo'n heerlik: "o ja!" als ik de uitlegging had gegeven. Ik liet de
handenarbeidvoorwerpen zien, die de leerlingen vervaardigd hadden, legde
uit hoe die in verband stonden met de tuintjes en de platen en de huizen
in de straat, gaf een complete les in... practiese pedagogiek, in
didactiek, in onderwijskunst. "Zie je," zei ik, "als de kinderen die
dingen maken, _begrijpen_ ze het beter."
"Nog al natuurlik," zei een der ouderen.
Het was een verrukkelik halfuurtje. De tijd vloog om. Van
vrijpostigheden of ongemanierdheden was in de verste verte geen sprake
meer. Met ons allen waren we één club, verloren in belangstelling.
Eindelijk zei een: "Hoe laat is 't al, meester?"
Ik keek op mijn horloge: "Tien minuten over half vijf."
"O, dan moet ik gauw naar huis. Mijn moeder wacht."
En ze gingen, allen. Ik liet ze uit, vroeg van ieder de voornaam, gaf ze
de hand, en zei: "Tot weerziens."
"Dank u wel," zei er een.
Nu bedankten de anderen ook. Zelfs kwam er een nog terug, gaf me de hand
en zei: "Dank u wel, meester!" Toen holde hij zijn makkers na..
* * * * *
En zo heeft de zoetsappigheid het tóch gewonnen.
Een ogenblik had het geschenen, alsof alles verloren was. En was het zo
gebleven, ik had het eerlik verteld. Waarheid bovenal.
Maar nu--Michiel Adriaanszoon, wat zeg je ervan?
Men kan met zijn schepen de Theems dwingen, men kan vierdaagse zeeslagen
winnen, en tevens met "in-goedheid" ruwe harten veroveren. Het een sluit
het ander niet uit. En 't was maar goed, dat onze Admiraal me dat nog
net bijtijds herinnerde.
En om 't nu maar ineens af te vertellen, de vriendjes zijn blijven
komen. Ik noem ze nu bij hun voornaam. Er zijn twee Jannen bij. "Ik heet
ook Jan," zei ik. Maar ze schelden me niet uit, schreeuwen me niet na.
Vertrouw je maar aan dat volk toe, maar--gehéél. Geen halfheid, geen
liefdoenerij. Ze vóélen je echtheid.
"Meester, magge we morgen weer"?
"Neen, morgen heb ik geen tijd, wel Vrijdag."
Rustig-vrolik gaan ze weg.
Vrijdag brengen ze weer een bezoek.
Maar dan de volgende Maandag:
"Meester, magge we morgen?"
"Laat eens kijken. Dinsdag, dan kan ik niet. Kom maar Woensdag."
"Neen Meester," roept er een, "dan hebt u immers geen tijd? Weet u wel?
U kan op een Vrijdag."
Is dat niet allerliefst?
* * * * *
Er is in onzen tijd een jammerlijk tekort aan geloof in den zin van
vertrouwen. Aan 't geloof dat zich uitdrukt in deze woorden: God helpt
degenen, die zichzelf helpen.
En toch dit geloof, dit vertrouwen, deze innerlijke verzekerdheid is een
sterke waarborg voor ons welslagen. Vat maar aan uw taak, hoe moeielijk
ze u ook schijnen moge, vat maar aan met vasten hand en blijden moed, en
met vol vertrouwen op dien onzichtbaren bijstand, die het leeuwendeel
van uw arbeid verricht, en bemoedigend als beschamend zal vaak de
uitkomst zijn.
XII. OP EN OM EEN RINGOVEN.
I.
Het schijnt over me besloten te zijn: een specialiteit in
steenbakkerijen móét ik worden. Daar is geen ontkomen aan.
Nauwelijks heb ik op den laatsten dag vóór de vacantie achter het
laatste woord van mijn laatste artikel over de kleitegeltjes een dikke
punt gezet, denkende: ziezoo, van dien kleirommel ben ik voorloopig af;
nauwelijks zijn we naar Brabant gestoomd, om daar te genieten van de
zonnige en zalige rust bij heiden en bosschen en boeren; nauwelijks
hebben we den omtrek van het logies een beetje verkend, en zijn onze
oogen weer wat verkwikt door het groen van 't woud en het paars der
vlakte, of daar rol ik midden tusschen de bouwakkers weer met mijn neus
in de grijze klei, in een heusche steenbakkerij, en wel in een van de
nieuwste inrichtingen, in een steenfabriek met een _ringoven_. Zoo móét
een mensch immers wel een specialiteit worden in dit knederige vak onzer
binnenlandsche nijverheid? En hoe zou ik daarna over deze nieuwe
kennismaking in S. en L. kunnen zwijgen?
Waar de omstandigheden, gansch onvoorzien, me aldus tot deskundige
bekwamen, moeten de lezers van S. en L. er ook aan gelooven. Dat heb
je bij deskundigen altijd. Die zijn zóó vol van hun speciale kennis en
bekwaamheid, dat ze er bij tijd en ontijd ook anderen mee lastig vallen.
Alle heil verwachten ze voor zich en hun tijdgenooten, zelfs voor hun
nageslacht, van hun speciaal gebied. Pas daarom op met die heeren. Ze
zien zóó nauwkeurig de fijnheden van hun terrein, dat ze álle andere
dingen in de groote wereld onopgemerkt en buiten rekening laten. Zelfs
al is iemand een specialiteit in steenbakkerijen, wees voorzichtig met
den man. Straks zal hij u nog willen overtuigen, dat ons heele onderwijs
zich om het vormen en bakken en toedienen van steenen kan concentreeren,
dat onze gansche opvoeding in den grond der zaak een kleiknederij is,
en dat men zich tot onderwijzer en opvoeder dus niet beter prepareeren
kan dan op een steenfabriek. Wees op uw hoede. Specialiteiten zijn de
eenzijdigste domkoppen van alle knappe menschen. En nu ik zelf gevaar
loop, in een totaal nieuw soort van specialiteit te ontaarden, acht
ik me verplicht, u tegen de kwade gevolgen van dat dreigend kwaad te
waarschuwen. Om bovendien mezelf te bewaren voor alle mogelike onheilen,
die de kleideskundigheid me kan bezorgen, ga ik in dit opstel, dat toch
eigenlijk alleen voor den _ringoven_ geschreven wordt, tevens over
allerlei andere dingen praten. En dan eerst over een versje van Heye.
* * * * *
Die dichters toch, je kunt ze maar nooit vertrouwen. Wat heb ik niet
dikwijls, in den huiselijken kring of in het schoollokaal, dat mooie
liedje gezongen van: "Wie rusten wil in 't groene woud". Dan stelde ik
me alles zoo levendig voor, _een peluwtje van mollig mos, een kussentje
van varen, en een gordijn van blaren_. Heerlijk, heerlijk! Vooral op
warme zomernamiddagen, wanneer mijn leerlingen het zangerige wijsje zoo
snoezig konden zingen, zoo'n beetje smachtend, heb ik vaak leerlingen
en leerlokaal weggedacht en zelfs weggewenscht, om "een plekje te kunnen
opzoeken van het dichte woud", en me daar "ter ruste te kunnen vlijen".
Heye verzekerde het zoo nadrukkelijk: dat peluwtje van mollig mos, dat
kussentje van varen en dat gordijn van blaren
"schenkt zoeten middagslaap in 't bosch".
Doch luister nu eens. Nu heb ik deze vacantie weer doorgebracht in de
nabijheid van een uitgestrekt bosch. Terwijl ik deze regels schrijf,
ben ik zelfs nog omringd door eeuwenheugende eiken en beuken. Laag hout
zie ik in overvloed om me heen. Gordijnen van blaren zijn er dus overal
in de rondte. Aan mos en varens ontbreekt het al evenmin. Het mos is
zoo dik, dat je voet er in wegzakt, het mollige mostapijt veert onder
den tred. En de varens vormen als een nieuw woud tusschen de stammen.
Maar--zoo dikwerf als ik beproefd heb, me hier "ter ruste te vlijen"
en de door Heye voorgespiegelde zaligheden te genieten, liep
het op teleurstelling uit. Alles wat de dichter--oneerbiedig
gesproken--opgesomd had, was present, maar er waren nog tal van
andere dingen bovendien, en daar had Heye maar van gezwegen.
Daar had je allereerst de mieren. Je kon nergens gaan liggen, of
die "ijverige" dieren herinnerden je aan Salomo's wijze spreuk. Als
gezanten van den wijzen koning kwamen ze aanstonds den luiaard plagen en
opschrikken. Over je kleeren, over je handen, over je gezicht, door je
haren kropen ze. Vlij je bij zulk een gezelschap maar eens ter ruste.
En dan de vliegen, waarvan sommige soorten zoo gemeen steken konden.
Onafgebroken gonsden ze om je hoofd heen, juist om je hoofd, en nu zou
je in een versje van dat gegons wel een mooi slaapliedje kunnen maken,
zoo iets van:
En vlijt ge u op het mollig dons
Van 't mos, dan zingt een zacht gegons
U dra in zaalge droomen,
maar in werkelijkheid gaat het zoo heel anders dan in een versje. Daar
komt zoo'n gonzende sinjeur vlak bij je oor, of hij erin wou kruipen,
en daar gaat hij telkens op je voorhoofd of op je neus of op je lippen
zitten, en dan sla je hem onophoudelijk met je zakdoek weg, zoodat je
warm wordt van het zwaaien. Neen, die gonzende slaapaanbrengers zijn
haast nog lastiger dan de mieren.
En dan die kleine spinnetjes, nog gezwegen van de groote, die even
griezelig als kriewelig zijn.
Zou Heye zelf wel eens zoo'n "middagslaapje in 't bosch" genoten
hebben? Ik geloof er niets van. Zoo'n dichter is eigenlijk ook al een
specialiteit, een specialiteit in 't bijeenbrengen--op papier!--van
precies de mooie en prettige dingen. En als je nu op zijn schoone
compositiën af gaat, dan kom je bedrogen uit. Een dichter is een
gevaarlijk man. Niet wanneer je hem neemt voor wat hij waard is. Maar
als je hem beschouwt als een streng waarnemend en waarheidlievend
mensch. Hij liegt niet, maar hij phantaseert. En nu zijn phantasieën
nog gevaarlijker dan leugens. Want ze zijn zoo bekoorlijk, en de maker
gelooft er zelf in.
Kom, ik laat mijn kinderen voortaan zingen:
Wie rusten wil in 't groene bosch,
Moet maar niet veel verwachten;
De mieren duiken uit het mos,
Bij kleine legermachten;
De spinnen drentlen in je nek,
Bloedgierige vliegen steken,
En om zich fiks te wreken,
Maakt u hun gonzen bijna gek.
Weet je, _wie_ in 't woud kunnen slapen? De varenplukkers. En wie dat
zijn? Dat zal ik je vertellen. Of nu eerst over den ringoven? Neen,
eerst over de varenplukkers. Dan blijven we nog wat in 't bosch.
* * * * *
Al meermalen hadden we opgemerkt, dat op sommige plekken de varens toch
zoo schandelijk gehavend waren. Moedwillige handen hadden blijkbaar
de mooie gevederde bladeren van de stengels gerist, en nu staken die
lange, dunne dingen als spichtige sprieten boven 't omringende groen
uit. In plaats van het sierlijke gedein en gewapper der volle en toch
ranke planten, zagen we alleen zoo'n beetje gezwiep van de kale nerven.
Welke baldadige kinderen--of menschen?--konden er nu genot in gevonden
hebben, het bosch derwijze te ontsieren? En waarom had de boschwachter
niet beter gewaakt tegen zulk een schending van het aan zijn zorgen
toevertrouwd woud? 't Was toch niet op één plek, maar op verscheidene
terreinen had men het lage groen zoo geruïneerd. Eén ding bevreemdde
ons echter, en die bevreemding temperde de verontwaardiging door
nieuwsgierigheid: nergens zagen we de varenvederen liggen. Waar kon al
dat goed gebleven zijn?
Op een goeien dag werd die vraag beantwoord door hetgeen we voor onze
oogen zagen geschieden. In een breede laan stonden een drietal lage
karren, elk bespannen door twee of drie armoedige honden, die in hun
span lagen te rusten, en--zeldzaam verschijnsel--niet eens plezier
schenen te hebben, om ons woedend aan te blaffen. De beesten waren
zichtbaar moe. En in de nabijheid bemerkten we al spoedig de eigenaars,
of tenminste de beheerders van die karren. Daar scharrelden namelijk
eenige knapen door 't bosch. In gebogen houding slopen ze verder, alsof
ze ons trachtten te ontduiken, doch toen we dichterbij kwamen, zagen we
wat ze uitvoerden. Zij waren de varenschenders. Maar ze waren toch zeker
niet met hun hondenkarren hierheen gekomen alleen om 't genoegen te
smaken, hier vrijelijk planten te mogen vernielen? En voor zulk een
twijfelachtig plezier zouden ze toch stellig zich niet barrevoets
tusschen de braamstruiken begeven hebben, waarvan de nijdige stekels
ons zelfs door dubbele beenbekleeding in de huid prikten?
We maakten een praatje, en vernamen toen, dat de jongens reeds 's
morgens om vijf uur op 't pad waren gegaan. Ze woonden in een gehuchtje
twee uren ten zuiden van het bosch, en hadden in de vroegte dien langen
weg afgelegd, om hier varens te plukken. En wat moesten ze daarmee doen?
Verkoopen. De massa groen persten ze in groote juten zakken en die
zouden ze vervoeren naar... België, nog een uur of drie rijdens per
hondenkar voorbij hun gehucht. De drogist aldaar betaalde drie centen
per pond, dat gaf dus voor de ongeveer zestig pond, die ze met hun
drieën verzameld hadden, ongeveer één-gulden-tachtig, of zestig cent
den man. Voor die zestig cent hadden ze een langen en vermoeienden dag
moeten maken. De drogist zou de varens drogen, en ze daarna verkoopen
aan ieder, die er een kinderbedje mee wilde opvullen, een bedje en ook
een kussentje, een "kussentje van varen". Daarop kan een kindje rustig
en gezond slapen.
We vroegen de jongens, of ze den heelen dag zoo aan de gang bleven,
of dat ze er een uurtje afnamen, om te rusten. O ja, ze hadden al een
uurtje heerlijk geslapen. Zoo maar midden in het bosch? Ja zeker. En had
je dan geen last van de mieren en de vliegen en de spinnen? Wel neen.
Je slaapt hier maar wat lekker.
Zou Heye dan toch gelijk hebben? Ongetwijfeld. Maar één ding had hij
vergeten, één belangrijk ding:
Zoo'n middagslaapje in 't groene woud
Kan u perfect gelukken,
Mits ge u van 's morgens vijf uur af
Vermoeit met varens plukken.
* * * * *
En nu gaan we naar den ringoven. Of zijt ge met dien ouden boer van
meening, dat de menschen teugenswoordig veul te veul weten? En stoort ge
u liever aan zijn waarschuwing: "Pas op, pas op, mieneer, je kunt uut
alles zooveul kwaod zuigen"?
Twee keer waren we zijn boerderij voorbij gekomen, en beide keeren had
hij ons aan de praat gehouden. Hij was al over de zeuventig, twee en
zeuventig, maar nog sterk hoor, en gezond. De Brabantsche lucht is best,
meneer! Zijn vrouw had het leven niet mogen houden. Al dertien jaar
geleden was ze gestorven, aan het water. Nou, daar kon de lucht niks aan
doen. En kinderen had hij nooit gehad. Een tweede vrouw? Neen, neen, met
paarden en vrouwen moet je voorzichtig zijn. En met vrouwen nog meer als
met paarden. Want als je een paard hebt gekocht, en het bevalt je niet,
dan verkoop je het weer. Maar as je nou een kwaoie vrouw hebt getrouwd?
Hé? Dan zit je er mee, je leven lang, of onze lieve heer most je van
d'r verlossen. Maar daar wou hij 't maar liever niet op wagen. Nu dreef
hij de boerderij met een paar neven en een zuster, en dat ging wat best.
En wat denkt meneer nou van Port Arthur? Zouen de Japanners 't al
hebben? Onze twee en zeventig jarige zat wel verre buiten de bewoonde
wereld, een half uur van den straatweg af, midden tusschen zijn
bouwakkers, dennebosschen en heide, maar hij was toch drommels goed op
de hoogte van alles. Dat dankte hij aan zijn krant, dien dagelijkschen
nieuwsbode, die tot in de afgelegenste hoekjes van 't land de
wereldgebeurtenissen vertelt, en aan zijn schoolmeester, die hem had
leeren lezen. En hij had over alles ook zoo zijn eigen opinie. Denk oe,
dat de Russen en de Japanners vechten om een stukje land? Wel neen,
de groote meneeren moeten een opruiming houden onder het arme volk,
en nou beginnen ze maar een oorlog, en laten ze de jonge mannen bij
duuzenden doodschieten. Ja meneer, 't is een kwaoie tijd, dat zie je
aan Frankrijk. Wat daar nog r's van terecht moet komen? 't Is allemaal
tegen de godsdienst, en dat doen de loge en de socialen. En dat zou hier
ook 't geval worden, als meneer Troelstra de baas werd. Maar gelukkig,
meneer Kuyper houdt de boel goed in orde. De loge en de socialen,
meneer, dat zijn de kwaoien in onzen tijd, en die jagen de geestelijken
weg. 't Is treurig.
Wat ik daar voor een plantje in de hand hield? Ja, dat was nu eigenlijk
een plantje, dat van vleesch moet leven. Zie je die ronde, roodbruine
blaadjes? En die haartjes langs de randen? Nu, aan de punten van die
haartjes zit een kleverig vocht, en daarmee worden kleine dieren
vastgehouden. En dan buigen de blaadjes om, en klemmen ze zoo'n diertje
stevig vast, en dan zuigen ze het uit. Daar moeten ze van leven. Zie je
wel, dat die blaadjes een vlindertje te pakken hebben? Dat vreten ze nou
finaal op. Niet met tanden natuurlijk, maar ze verteren het toch.
De oude man keek met schuwe blikken eerst naar het plantje en toen naar
mij. Hij vertrouwde de zaak niet. Waar ik dat plantje dan vandaan had?
Wel hier vlak bij vandaan, daar van de hei. Waar al die plaggen gestoken
zijn, zit het nu vol met die plantjes. Doch nu werd het nog erger. Hier
vlak bij vandaan? Van de heide bij _zijn_ boerderij? En zou ik, die heel
uit Den Haag kwam, dat weten, en zou hij, die toch al meer dan vijftig
jaar daar woonde, het niet weten? Dat was den oude waarschijnlijk wat
al te kras. Onderzoekend keek hij mij nog eens aan, en vroeg toen: "Hoe
weet oe dat?" Wel, uit de boeken. "Mieneer, mieneer, pas op, je kant wel
te veul weten. En uit alles zuigen ze teugenswoordig kwaod." Toen gunde
hij mijn zonnedauw geen blik meer. Een plantje, dat een diertje opat,
neen, al zag je het vlindertje nu ook voor eigen oogen vastgegrepen door
de omgebogen blaadjes, 't was al te onnatuurlijk. En we praatten nog een
beetje over den roggeoogst, die juist in hoog opgestapelde wagens werd
binnengehaald.
Tenslotte vroeg de oude, met zoo'n ondeugend knipoogje: "Oe is toch ook
niet van de loge of van de socialen?"
"O neen, ik ben maar een simpele schoolmeester."
"Nou mineer, pas dan op, dat oe niet te geleerd wordt."
"Daarvoor kom ik nu juist in de vacantie hier een beetje uitrusten.
't Is hier zoo vredig en zoo mooi." En ik dacht aan mijn varenplukkers.
Wel had ik geen dagtaak van zonsopgang af achter den rug, maar als een
mensch een vol jaar hard gewerkt heeft, dan mag hij toch ook wel eens
uitrusten, en dan kán hij ook wel eens uitrusten. Dan zal de geleerdheid
hem niet plagen, dan zal de weetgierigheid hem niet in actie houden. Dan
slentert hij zorgeloos, schier gedachteloos door de heerlijke natuur,
ligt te luieren in het heidekruid of in de schaduw van een denneboschje,
en weet van niets meer, allerminst van steenbakkerijen met ringovens....
wanneer nu maar niet zoo'n akelig ding hem in zijn rustoord opwachtte,
om zijn belangstelling te wekken en daarmee zijn rust te storen!
* * * * *
Hoe is het, zullen we onzen ringoven nog bezoeken? Of meent ge met den
ouden boer, dat een schoolmeester niet te geleerd moet worden? Helaas,
de ringoven zit al in mijn hoofd, en nu heb ik geen rust, eer ik u mijn
kennis ervan heb meegedeeld. Dat heb je van die specialiteiten.
II.
We wandelden op een mooien, breeden straatweg van Prinsenhagen naar
Rozendaal. Eerst een klein half uur tusschen de bouwlanden door,
waar de rogge reeds gemaaid was, de haver nog te veld stond, het
aardappelloof al dorde, de dikke bieten met hun zware bladeren zich
boven den grond trachtten te werken, of de klaver zoo'n beetje de heide
ging imiteeren: een paarse tint over een onderlaag van groen. Toen een
goed kwartier langs het Liesbosch, dat bij iedere van zijn vier of vijf
lanen den blik vergunt in zijn diepte door te dringen, bijna tot aan het
andere einde: de lengte- zoowel als de breedtelanen van dit ongeveer
rechthoekige bosch doen denken aan de reepen uit een dambord. Daarna nog
een minuut of tien tusschen akkers en enkele weiden--en daar stonden we
ineens, nog steeds op denzelfden straatweg, midden in een steenplaats.
De weg was niets veranderd: hij was dezelfde bestrate eikenlaan, die hij
aldoor geweest was. En toch stonden we hier midden in een steenbakkerij,
want rechts waren eenige mannen bezig met kleigraven, echte, vette,
grijze klei, die daar onder een laag zand met heide verborgen had
gezeten, en links was de steenfabricatie in vollen gang: kleimalen,
vormen, drogen en bakken.
Hoe die klei daar kwam, moeten de heeren en dames aardrijkskundigen
maar vertellen, ik weet alleen, dat ze daar lag als een eiland in den
zandgrond, en dat er meer zulke eilanden in Brabant zijn. Heeft een
steenfabrikant zoo'n eiland behoorlijk afgegraven en verwerkt, dan
verkoopt hij den grond weer voor weiland of bouwland, laat in andere
streken van de provincie boren, of er klei onder den bovenlaag
zit--natuurlijk alleen, waar hij er eenig vermoeden op heeft, en trekt
dan met zijn heele gedoe naar die plek toe, d.w.z. hij laat zijn oven
afbreken, alles vervoeren naar het nieuwe terrein, en daar zijn oven
weer optrekken. Dat is geen kleinigheid, want zoo'n oven is een massief
bouwwerk, zooals straks blijken zal, doch 't schijnt toch de moeite
waard te zijn. Wat zou een steenbakker ook met zijn oven en zijn
droogschuren moeten doen, als de klei was opgebruikt? Men vertelde mij
van een steenbakker, die op die wijze al zijn vijfde plaats had.
Nadat we ons al gauw zat gekeken hadden aan het kleigraven in de
kleilanden rechts en het kleikruien van rechts naar links, dwars over
den weg heen, stapten we het terrein op. Er was geen schutting, er was
geen hek, alles lag zoo maar open en bloot, en op onze vraag of we eens
mochten kijken, luidde het antwoord zonder eenig voorbehoud bevestigend.
Het malen van de grijze grondstof in den ijzeren, cilindervormigen
kleimolen was geen nieuws meer voor ons; het natten, zanden en vullen
der vormen evenmin; ook niet het omkeeren der vormen op de droogvelden,
of het opstapelen der gedroogde en daardoor al wat harde _rauwe_ steenen
in de lange drooghagen. Maar in alle opzichten nieuw was voor ons de
oven, en daarvan wil ik nu dan ook een beschrijving trachten te geven.
Als het me lukt. Want ik ontveins me de moeilijkheid niet, om zonder
illustratie, enkel en alleen door woorden, u een juiste voorstelling te
doen vormen van het uit- en inwendige. Probeeren echter.
* * * * *
Men weet, dat bij een gewonen steenoven de vuurkanalen _langs den
grond_ liggen. Ze loopen _horizontaal_ langs den bodem en zijn ongeveer
een meter hoog. Het gevolg daarvan is, dat de steenen der hoogere lagen
niet zoo verhit worden, niet zoo doorbákken, als die der onderste, en we
tenslotte uit één baksel steenen wel 20 tot 30 soorten, sorteeringen,
krijgen. De beste steenen zijn steeds die, welke dicht (niet _al_ te
dicht) bij 't vuur gezeten hebben. Zij zijn het hardst, ze klinken
prachtig als je ze tegen elkaar slaat, en worden het duurst betaald. 't
Zijn de klinkers.
Nu zou het natuurlijk in 't voordeel van den steenbakker zijn, als hij
allemaal steenen van prima kwaliteit bakte. Voor de grondstof hoeft hij
daarbij niet meer te betalen, want alle kwaliteiten komen van dezelfde
klei. Hij moet er alleen meer brandstof aan geven. Doch hoe zal hij
de hoogere lagen beter verhitten, zonder door _te_ groote warmte de
onderste weer te bederven? Dat gaat niet. Wanneer de warmte de bovenste
lagen pas bereiken kan, als ze door de onderste lagen is heengetrokken,
kunnen de bovenste nooit op voldoende temperatuur worden gebracht,
tenzij ten koste van een _te_ hooge temperatuur der benedenste. Er zou
alleen op te vinden zijn, dat men de ovens niet zoo hoog opstapelde, en
dan in plaats van één oven er twee opbouwde van de halve hoogte.
Ik zeg: dit _zou_ er op te vinden zijn. Doch men _heeft_ er al iets
anders op gevonden. In plaats van _horizontale_ heeft men bij het
opstapelen der ovens _vertikale_ vuurkanalen uitgespaard. Die loopen dus
van boven tot beneden door alle steenlagen heen, en men kan er zooveel
aanleggen als men wil, zoodat de afstand tusschen twee vuurkanalen (noem
ze nu mijnentwege vuur_pijpen_) nooit zoo groot behoeft te zijn, dat de
tusschenliggende steenen niet voldoende verwarmd worden.
Doch hoe moeten die vuurpijpen gestookt worden? Natuurlijk van boven.
Hun vuurmonden komen alle in de bovenste laag uit, en daar dient dus een
mannetje over die bovenste laag te wandelen, om op tijd brandstof in die
monden te gieten. Maar dat mannetje zou op die manier zelf al gauw in
een klinker veranderen, want natuurlijk is het daarboven gloeiend heet.
Daarom is de massa opgestapelde steen geheel overdekt met een dikken
laag gemetselde steenen, waarin, op bepaalde plaatsen, juist boven de
vuurpijpen, vertikale gaten zijn opengelaten, welke dus in 't verlengde
van de vuurpijpen liggen. Die gaten zijn van boven afgesloten met
ijzeren deksels. Wil de stoker zijn vuren voeden, dan licht hij de
deksels op en werpt van boven brandstof--kleine stukken steenkool!--bij
scheppen in de open monden. Onmiddellijk daarna sluit hij de monden weer
dicht.