Gelukkig bracht ik het zo ver, dat ieder zijn beurt mocht genieten, zij

het dan ook, dat enkele brutale doordrijvers een onrechtvaardig lange

beurt kregen. En toen wist ik ze, door mijn eigen tuin, naar een twede

speelplaats te krijgen. In mijn tuin liepen verscheidenen maar over 't

gras, en toen ze op de twede speelplaats kwamen, draafden ze daar als

gekken rond, schreeuwden, sprongen, en stoorden zich geen seconde aan

mijn bevelen.

Kommanderen, ik begreep het, baatte hier niets. Ze waren er

ontoegankelik voor. De enige weg was, dat ik rustig, heel rustig, de

schoolgang binnen ging. Enkelen volgden me, anderen renden weer de

plaats op. Maar zónder mij werden ze toch een beetje onrustig. Ze kwamen

ook, ik opende een voordeur, en schreeuwende als indianen sprongen

ze de straat op, zonder bedanken, zonder groeten, zelfs een beetje

jouwende. 'k Was blij, ze kwijt te zijn. Maar wist tevens, dat ik van

die bende nog niet af was. Dat zou wat geven.

* * * * *

De volgende dag, klokke vier, daar stonden, of eigenlik daar drongen

ze weer. Ze persten zich haast de poort in. Hun oogjes schitterden met

ondeugend geflikker. Nerveuse bewegingen van schouders, armen en benen,

opspringen, dansen, malkaar gooien, alles sprak van opgewondenheid. Ik

hield ze niet buiten, vond het ook verstandiger, ze binnen te laten,

anders hadden ze zeker tegen de deur getrapt, met stenen gesmeten,

gescholden. 'k Liet ze dus gaan, maar besefte heel wel, dat ik hier

geen vriendelikheid bewees, geen gunsten uitdeelde, doch eenvoudig te

gehoorzamen had aan de onbeschaamde dringerigheid van een aantal kleine

deugnieten. 'k Was echter eenmaal begonnen en moest tegen wil en dank

verder gaan.

Ze stormden de plaats op, zo mogelik ditmaal nog tomelozer dan de vorige

keer. Niemand stoorde zich aan mij. De gymnastiekzaal stond open, ze

holden er in. Binnen een ogenblik waren ze buiten mijn bereik. 't Leek

zo iets, of ik een kooi had geopend en alle vogels naar buiten waren

gevlogen, in de vrijheid. Alleen waren deze vogels kleine monsters van

baldadigheid. Wat een bengels! En natuurlik waren ze sterk door hun

aantal, de een voelde zich krachtig door al de anderen. Ze maakten

malkaar aan de gang.

Toch had ik al gauw in de gaten, dat een de oorzaak, de psychiese

besmetter was. Dat scheen een ventje, die tuis zijn zin kreeg. 'k

Schatte hem tussen 8 en 9 jaar. Hij was nog al lang, en slungelde met

een eigenaardige onaandoenlikheid zijn zin door. Hij maakte niet de

indruk van een nijdige, grove forceerder, maar van iemand die zich met

een lachend gezicht eenvoudig aan niets stoorde, met komies gedrijn

al zijn makkers op zijn hand kreeg, en volwassenen, die niet innerlik

krachtig waren, volslagen machteloos maakte. Een jongen die een hele

klasse kon bederven. Zijn lachend gezicht, niet vriendelik, maar leuk

aanstokend, was in staat een onderwijzer hels te maken. De andere

jongetjes waren meer nerveuse natuurtjes, door hem buiten hun gewone

doen gebracht, niet door zijn plannen of bevelen of aanhitsingen, maar

eenvoudig door zijn houding, zijn stemming, zijn gedrag, zijn manier

van laat-maar-gaan, zijn--niet in wilde overmoed, maar als in vrolike

dronkenschap ontzien van niemand en niets. Dat ventje moest ik baas

worden.

Dit laatste was gemakkeliker gedacht dan gedaan. Hij gleed als 't ware

tussen je geestelike vingers door. Met zijn grappige, lummelachtige,

halfbewuste, onbedoelde en toch bedoelde omverwerping van mijn gezag,

kreeg ik zo moeilik vat op hem. Ik voelde me als een fatsoenlike, stijve

meneer, die, in een achterbuurt verzeilt geraakt, nu in 't ootje wordt

genomen door de eigenaardige, schijnbaar beleefde manieren van de clown

uit de buurt. Ga je zo'n heerschap met een grap te gemoet, dan heeft

hij je onmiddellik omwikkeld door zijn boertige stemming. Niet de

geestelike kwinkslagen, maar de onbarmhartig komiese persoonlikheid

overwint je. En word je boos, dan heb je het terrein helemaal verloren.

Gesteund door zijn kring van genieters, geeft hij je aan de algemene

bespotting prijs. Het beste is maar, eventjes te lachen, en rustig

verder te gaan. 't Is hier niet een enkel woord, maar een stemming,

een sfeer, waar je tegen te strijden hebt, een onaantastbare en in

zijn onaantastbaarheid geheimzinnig-overmachtige werkelikheid. Ga er

niet tegen in, ga er in vredesnaam niet tegen in, of je bent verloren.

En waag je het in je domheid toch, word je driftig of handtastelik,

dan slaat de stemming plotseling om, de tirannieke clown wordt een

wrede wreker, en 't loopt uit op een strijd van leven en dood. Zulke

schijnbaar goedmoedige, maar inderdaad harteloos heerszuchtige naturen

geven geen kamp.

Ik kreeg de jongen niet onder mijn invloed en de anderen al evenmin.

"Magge we weer op die plaats?"

Waar weigeren niet baat, is toestemmen soms het wijste. Dan bewaar je

tenminste nog de schijn, of je de baas was. Maar ook is vaak, en juist

dan, een besliste weigering nodig, die het verzet reëel maakt en

constateert. Al is het heel vaag, de belhamels krijgen dan toch een

vluchtig besef van overtreden. Zodra men voelt, dat er in een verzet min

of meer opzet werkt, lijkt mij 't verbloemen uit den boze en dunkt me

een openlike nederlaag verreweg beter dan een gehuichelde meegaandheid.

Die geconstateerde weigering, nú onze zwakheid, is straks onze kracht.

Ongehoorzaamheid kan ons een ogenblik verrassen, maar zij kan--en

mag--het nooit winnen. En daar zou groot gevaar voor wezen, als zij in

haar waar karakter van ongehoorzaamheid werd gelochend.

Evenwel, ik had hier niet eens te philoseferen over weigeren of

toestemmen, de zwerm liet zich al gaan, als vogels drijvend op de wind.

Ik volgde van verre, uiterlik rustig, maar innerlik kokend, en--ergst

van al--telkens twijfelend, of ik wel goed had gedaan. 't Werd half

vijf, eer de dolle troep weer goed en wel buiten was. Joelend holden

ze de straat in, met schitterende oogjes, malle bokkesprongen: levend

vuurwerk.

Wat zou er nu in dat kleine goed omgaan? dacht ik. Zouden ze besef ervan

hebben, dat ze hier de baas hebben gespeeld? Zouden ze mij voelen als

een zwakkeling, bij wie ze alles konden doen? Zo iets als, helaas,

wellicht hun vader of moeder? Zouden ze wachten op een krachtdadig

optreden, om daarna pas van houding te veranderen? Hoe zouden ze nu met

elkaar over 't geval spreken? Ik was ervan overtuigd, dat ze wel degelik

een, zij het flauw, bewustzijn hadden, me te hebben overrompeld. En

hiervan was ik te zekerder, omdat zulke kinderen zich niet een volwassen

mens konden indenken, die zo maar een troep vreemde jongens op zijn

speelplaats toelaat. Ze zijn van ouderen een andere behandeling gewoon.

Doch, dit stond voor me vast, de volgende dag zouden ze geen voet op de

speelplaats zetten, al moest het op een openlike oorlog uitlopen.

* * * * *

En nu komt de ervaring, die het opschrift boven dit artikel

rechtvaardigt.

De volgende dag, vier uur, kom ik nauweliks met mijn rij uit de school,

of daar word ik weer door de schavuiten bestormd. Als vliegen kringelen

ze om me heen. Gelukkig schijnen ze te beseffen, dat tenminste de

schoolkinderen eerst moeten vertrekken, maar pas verlaat het staartje

van de rij onze schoolpoort, of de heren dringen op mij aan en werken

zich de poort in.

"Neen," zeg ik, "jelui mag vandaag niet op de plaats, je hebt gisteren

veel te hard geschreeuwd." En ik wil de poort sluiten. Maar daar had

je 't lieve leven gaande. "Hè meneer, magge we nou, magge we nou,"

tjengelden ze, met een volmaakt gemis aan respekt voor mijn rang en

macht, "toe late me nou." En ze persten zich naar binnen, zetten hun

been over de dorpel, zodat ik de deur niet kon sluiten, zonder ze te

verbrijzelen. Iets dergeliks had mijn vrouw wel eens van aanbellende

straatventers ondervonden, maar ik nog nooit van kinderen. En dan

kinderen van acht jaar!

Wat te doen?

Dit was nu het moeilike ogenblik. Mijn handen jeukten, om een paar

van de brutaalsten in de nek te nemen en met kracht de straat op te

slingeren. Dat had er natuurlik aanstonds de schrik onder gejaagd. Ze

zouden allen op hol zijn gegaan. Maar ten eerste zou, bij een ongelukkig

gevolg van deze slingermetode, ik niet verantwoord zijn tegenover

rechtzoekende ouders. Die zouden me, niet zonder grond, kunnen

verwijten: "Waarom haal je dan eerst die kinderen in je school. Begin

dan niet met ze." Maar ten andere, en dit woog me nog zwaarder, zou ik

precies niet bereiken, wat ik had beoogd: de jongens zouden me gaan

vrezen, haten, vijanden worden in plaats van vrinden. Ik luisterde

daarom niet naar dat gejeuk in mijn handen, schoof, beslist, maar

voorzichtig, de op- en indringers terug, en wist de deur toe te krijgen,

echter niet vóórdat een der deugnieten de pet van een makker had

gegrepen en naar binnen gesmeten. Zulke opgewonden standjes ontzien net

zo min malkaar als de volwassenen.

Toen de deur toe was--de pet was al weer buiten--begon het spektakel.

Trekken aan de bel, trappen tegen de deur, rammelen aan de knop, en

jouwen. Jouwen, schreeuwen, krijsen, als van een troep ontvlamde

roofdieren, wie een prooi ontsnapt is. Maar hun razende machteloosheid

aan gene zijde was niet zo erg als mijn kalmte aan deze zijde. Zij

losten hun teleurstelling op in dolle uitgelatenheid. En ik....

'k Wil 't wel weten: mismoedig en terneergeslagen zakte ik over de

speelplaats mijn tuin in. Daar bleef ik rustig op een bank zitten. 'k

Had het verloren, totaal verloren. Een handvol kleine schavuiten had

me verslagen. En daar zat ik nu met mijn pedagogiek en met mijn mooie

sinaasappel-metode. 't Had er nog maar aan ontbroken, dat ik ze werkelik

sinaasappelen had gegeven en ze mij de schillen in 't gezicht hadden

gesmeten.

Een heerlike herfstgeur zweefde door de bladeren der heesters en bomen

om mij heen. Een paar merels, die van 't jaar bij de school genesteld

hadden, schoven met vlugge gangetjes door 't gevallen lover op de

paden en tussen de heesters. Blauwe hemel omhoog, waartegen het mooie

acaciagroen prachtig afstak. O, die verrukkelike herfst. Maar hij kon

me nu niet opwekken. Tegen de achtergrond van die mooie Septembernatuur

sprongen de kleine, helse kannibalen, juichend over de nederlaag der

christelike zoetsappigheid.

II.

_Die geloven, haasten niet._

Dit is een heel oud woord.

En mijn moeder zei altijd: _Je kunt geen ijzer met handen breken._

Dat is ook al oude wijsheid.

En toch willen we altijd direkt succes hebben en weten van geen geduld.

_De aanhouder wint._

Weer zo'n korte waarheid.

Wat wás het voorgeslacht toch wijs!

Ik zat daar dan op mijn tuinbank, twijfelend. Hoe zou ik de volgende dag

de heren ontvangen? Buitensluiten? Of toelaten?

Nu heb ik al zo dikwels 's nachts op mijn bed besluiten genomen, die ik

bij wakende dag toch niet uitvoerde, dat ik me maar niet in overwegen

verdiepte en alles zou laten afhangen van de omstandigheden. Eén ding

stond echter bij me vast: Ik _wilde_ winnen. Niet uit een heerszuchtig

instinkt. Maar ik wilde winnen--nu ja, laat ik mezelf maar eens

opkammen--omdat ik die kinderen niet los kon laten, eer ik hun betere

natuur in werking had gebracht. Ik wilde winnen, zoals de dokter,

worstelend tegen heirlegers bacteriën. Zoals de heilsoldaat, die met

zijn krant en zijn liefde de dronkaards opzoekt in de kroegen. Ik

móést ook winnen, omdat deze kleine strijd de grote wereldstrijd

vertegenwoordigde: het ging hier om goedwillende vriendelikheid of

kwaadwillende baldadigheid. Het was hier de kamp tussen goed en kwaad in

miniatuur. Op mijn manier was ik hier een zendeling onder de heidenen.

En nu konden die heidenen me misschien kopsnellen en verorberen, maar

dat gaf mij toch geen recht ze maar heidenen te laten. Dan zou het

heidendom het winnen. En daarvoor behoort een mens nu toch niet tot het

opvoedersgilde. Ik zou, gezel in dit gild, mij hebben te schamen voor de

meesters.

Ik sprak daar van het opvoedersgilde en van de meesters daarin. En zie,

het toeval wilde, dat ik juist onder de invloed van een dier meesters

werd gebracht. Het was niet Stanley Hall, de Amerikaanse, of Prof. Rein,

de Duitse autoriteit. Het was niet Förster of Claparède of zelfs

Montessori.. Het was niet Pestalozzi of Fröbel....

Het was Michiel Adriaanszoon de Ruyter.

Vermoedelik zou onze grote admiraal er zelf bezwaar tegen gehad hebben,

onder de pedagogen te worden ingelijfd, en dan nog wel tot meester, tot

grootmeester van 't gild te worden verheven. Maar 't gaat met pedagogen

gelijk met dichters en schilders. Niet de academies maken Rembrandts

en Vondels, zulke heerschappen groeien zonderling op in kousenwinkels

en zo. Waarom zou een opvoeder niet, ver van de hogeschool, op een

oorlogsschip zich kunnen ontplooien? En waarom zouden wij niet bij zulk

een begenadigde in de leer gaan?

Lezende, genietende in een voortreffelik boekje van onze A. Weruméus

Buning (De Ruyter's Afrikaanse reis. Een vergeten bladzijde uit het

leven van onzen grooten zeeheld. Aan het volk verteld door A. W.-B.

Rotterdam, D. Bolle), was ik genaderd tot bladzijde 124-126, en daar

werd ik door De Ruyter opgevoed. De zeeheld was bezig, op last van

de "Heeren Staten", in 1665, de door Engeland veroverde koloniën op

de Westkust van Afrika stuk voor stuk terug te nemen, en bij die

gelegenheid gebeurde er iets, dat we ons door W. B. eens zullen laten

vertellen.

"Drie matrozen--verhaalt Brandt--, aan land zijnde, raakten op

een avond, door den drank bevangen, met elkander in geschil, en

met messen aan het vechten. Ja, hunne baldadigheid ging zo ver,

dat ze het licht uitbliezen en in het donker als dolle menschen

elkander sneden en staken. De waard van den huize, daarop

onvoorzichtelijk toeloopende, om hen te scheiden, liet er het

leven.

"De vechters werden gevangen, doch zij ontkenden den

doodslag.--Ook is het onzeker, of de schuldige van zijn misdaad,

in het duister, en smoordronken, begaan, bij zichzelven overtuigd

was...."

Dit was dus, toen de zaak voor den krijgsraad kwam, voor de

heeren rechters een moeielijk geval. Zij losten echter dit

vraagstuk in dezen zin op, dat zij hen alle drie voor "schuldig"

verklaarden, hen alle drie "nominaal" ter dood veroordeelden en

hun dus opdroegen, "zich ter dood voor te bereiden", maar er

tevens bij voegende, dat er "effectief" maar _een_ opgehangen

zou worden, en wie die ééne zou zijn, moest door het lot worden

uitgemaakt. De heeren werden dus verzocht, hun hand in een zakje

met drie briefjes te steken en die er het galgje uithaalde, zou

dan voor alle drie moeten boeten....

Het gebeurde ook werkelijk aldus en een van de drie werd

behoorlijk volgens de regelen van de kunst opgehangen, doch ziet,

toen men, zooals Brandt vertelt, "meende, dat hij den geest had

gegeven en men hem afsneed, om hem ten grave te brengen, begon

men aan 't bewegen van een zijner leden eenig leven te merken en

kwam de gehangene allengs weer tot zich zelven...."

Daar zat dus nu de krijgsraad opnieuw met de handen in het haar

en er werd "beraadslaagd, wat men met hem zou doen".... Moest het

vonnis nu andermaal worden voltrokken? De Gouverneur-Generaal

Valkenburg, aan wiens oordeel deze zaak nu ook werd onderworpen,

gaf het juridisch-juiste advies, dat hij "moest sterven,

aangezien hij verweezen was, om zoodanig met de koorde te worden

gestraft, dat er de dood na zou volgen."

Generaal Valkenburg was een volbloed Afrikaansch hoofdambtenaar

ter kuste, die niet alleen nu, maar ook bij andere gelegenheden

zeer geneigd was tot een "korte afdoening van zaken", bestaande

in ophangen of andere afdoende maatregelen.

Geheel anders echter was het advies van onzen besten Admiraal

de Ruyter, die zeker een minder goed "jurist" of logisch

rechtsgeleerde, maar zeer zeker een aangenamer en meer "goedig

denkend" menschenkind was....

"De Heer de Ruyter dreef het tegendeel, zeggende, _"dat men, geen

klare blijken hebbende, dat hij de rechte doodslager was, hem wel

door het lot had veroordeeld, maar dat zulks geen vast bewijs van

zijn schuld medebracht, dat het lot zoowel de ongelukkigen als de

schuldigen kon treffen; dat deze man, nu door Gods bestiering nog

in het leven bewaard, onschuldig kon zijn, of min schuldig dan

een der twee anderen, en derhalve behoorde gespaard of begenadigd

te worden...._

_"Dat ook hetgeen hij al reeds had geleden, te weten, de smart en

het gevaar des doods, hem tot een straf verstrekte en anderen ten

spiegel kon dienen...."_

Zoo waren de eigen woorden en het welsprekend pleidooi van

onzen Admiraal, die de voldoening had, dat de arme matroos werd

vrijgesproken en "begenadigd", en van nu af den Admiraal zijn

"tweeden vader" noemde, aangezien deze hem "van den dood had

verlost". "Hij placht te verhalen, hoe hem de schrik des doods

te dier tijd zoo had bemachtigd, dat hij weinig geheugenis of

gevoelen had gehad van 't geen hem op dien dag overkwam, dat hij

na het hooren van het vonnis bijna nergens van wist, en, van de

ladder gestooten wordende, in een diepen put scheen te vallen,

zonder eenige smart of benauwdheid te voelen...."

Het is wel merkwaardig, hier tevens, in den ouderwetschen

zeventiende-eeuwschen stijl, de gemoedsaandoeningen te lezen en

te vernemen van iemand, die dit verschrikkelijk oogenblik heeft

doorleefd. En--onze Admiraal had hier een menschenleven gered,

dat, na deze gebeurtenis "anders" werd; deze matroos toch werd

een ander mensch; hij was niet alleen lichamelijk, maar ook

"geestelijk" behouden; in zijn volgend leven "wist hij zich

zelven te redden" en werd "een braaf en eerlijk zeeman."

Wanneer wij dit en zoo vele andere kleine, weinig bekende

bijzonderheden uit het leven van onzen Admiraal lezen, verwondert

het ons niet, dat Janmaat en officieren, iedereen, hoog en laag,

zooveel van onzen Michiel Adriaanszoon hield."

En, voeg ik erbij, dat zelfs de pedagogenwereld van hem de kunst gaat

afkijken.

Horen we hiertoe nog eenmaal naar de schrijver van "De Rooie", "Mottige

Janus", "Ouwe Jan Hallema" en andere zeebonken, naar onze Weruméus

Buning.

Een dag of drie achtereen zijn de matrozen met de negervrienden aan 't

plunderen, drinken en krakeelen geweest. Het was aan de kust een en al

verwarring en bandeloosheid. Toen wist De Ruyter "de bende van blanke en

zwarte plunderaars weer te kalmeeren, hen onder den disciplinairen tucht

te brengen."

En hoe?

"Het is merkwaardig, als wij nu lezen en zien, hoe bij deze

gelegenheid onze Admiraal door zijn groote rust en kalmte,

en goedmoedigheid, de woeste troep in zijn onstuimigheid

weet te stuiten en met goed gepaste woorden en groote

_rechtvaardigheid_ eindelijk alles en allen tot rust en orde

brengt... Zoo ooit, dan ziet men ook weer hier, wat de kalme

macht van de _persoonlijkheid_ vermag en hoe groot in dergelijke

omstandigheden het moreel overwicht is van een opperhoofd en

chef, die bij zijn minderen bekend staat als iemand, die altoos

het _goede_ wil, _zonder aanzien des persoons;_ iemand, _van wie

ze veel houden_.... Toen ze hun ouden, goeden Admiraal aan den

wal zagen verschijnen, kwamen ze tot zichzelf en _schaamden

zich_. Zelfs de negers kwamen onder den indruk van den klank van

zijn stem en de goedige, maar toch zoo flinke trekken van zijn

door weer, en wind, en zon, gebruind oud zeemansgelaat...."

* * * * *

En hoe staat het nu met _mijn_ kleine, bandeloze nikkertjes?

O, dat zullen we aanstonds zien. Maar eerst moesten we ons eens

_sterken_ bij onze grootste vlootvoogd en nationale held. Dat zulk

een man de matrozen van die tijd--welk een uitschot!--niet door

"vloeken en schelden of dreigen", niet door "opgewonden vechtlust en

schitterende vertooningen", maar "eenvoudig en gewoon, door altoos kalm

te blijven, in-goed, en..... rechtvaardig te zijn"--"werkelijk wist te

_beheerschen_", dat zij "dol veel van hem hielden, hem vereerden", dat

is toch voor een officieel opvoeder der jeugd wel de moeite waard, om er

een ogenblik bij stil te staan.

"In-goed."

De hoogste man der vloot, de welhaast wereldberoemde, achtte zich niet

te hoog, om naar land te gaan, en daar vriendelik met dat uitschot der

maatschappij te redeneren, om ze tot kalmte te brengen. Alleen door

zijn zedelik overwicht te heersen, over zulk ruw volk, en onder zulke

omstandigheden--dat was toch wel ware kracht. En die kracht had als een

van haar bronnen: _in-goedheid_.

Wanneer ik zulke dingen lees, ga ik de wereld heel anders zien. Al die

bulderaars, al die tierders, al die ranselpedagogen, het zijn de zwakke

naturen, heus, het zijn de zwakke. Ze hebben geen kracht genoeg in hun

persoonlikheid en zoeken nu hulp bij harde woorden, luid geschreeuw,

ruwe handtastelikheden. De kinderen en de ouders noemen ze: strenge

meesters. Maar dat is onjuist. Misschien is menige zachte natuur veel

strenger in de zin van veeleisender. En dikwels ook heten ze: sterke,

krachtige optreders. Maar dat is ook onjuist. Wie met een zachte,

rustige stem, met een beweging van zijn vinger, met een blik van zijn

oog, wie bijna onmerkbaar heerschappij voert, die is krachtig. En wie

hiertoe schreeuwen en trappen en bliksemende ogen nodig heeft, die moet

werken met krachtvertóón en is eigenlik--te zwak om zacht te kunnen

zijn.

De opvoederswereld--gelijk deze in ouders en meesters, van mijn

kinderjaren af, mijn oog is voorbijgegaan--ziende onder het licht

van De Ruyter's leven, bevestigt deze opvatting. Afgescheiden van

verschil in levendigheid van temperament, zag ik sterke naturen in hun

gezagsmiddelen altijd rustig, en kon van de andere meestal gelden, dat

ook hier het geschreeuw in omgekeerde reden stond tot de wol en de

hardheid van 't geluid de leegheid van 't vat meldde.

Gesterkt door een pedagoog als onze De Ruyter, dorst ik het aan, mijn

afgedwaalde schavuitjes nog een paar kansen te geven, om het goede en

handelbare in hun aard te doen uitkomen, en het stond bij me vast, dat

ik de snaken niet aan hun lot zou overlaten, gelijk ook zij mij zeker

nog niet hadden opgegeven.

* * * * *

Ze kwamen dan weer, mijn kleine indringers, en ik duwde ze niet de deur

voor de neus dicht. Ik herinnerde ze ook niet aan hun onhebbelikheden.

Ik stak de beide handen naar hen uit, alsof ze me van ganser harte

welkom waren--dat wáren ze eigenlik ook--en zei met de opgewektste

vriendelikheid: "Zo jongens, kom jelui weer eens kijken?"

"Ja, meester, magge we?"

"Zeker mag je. Maar nou moet ik jelui eerst één ding zeggen. Dat wist

jelui gisteren nog niet, maar de kinderen schreeuwen hier nooit zo op de

plaats. Zal je daaraan denken?"

"Ja meester, magge we nou? En magge zullie ook?"

"Zullie" waren twee oudere jongens van ongeveer 12 jaar met heel

verstandige gezichten.

"Natuurlik magge zullie. Ik vind het juist zo leuk, dat jullie alles

graag ziet. En nou mag jullie ook mee in school, dan zal ik je ook de

platen en de kasten laten kijken."

Ze waren wel een beetje opgewonden, maar bleven bij me, en toen we de

school in gingen, werden ze stil en zetten er een paar de petjes af.

"Dat zijn nette jongens," zei ik. En toen deden de anderen het ook.

Met mijn kleine karavaan trok ik nu alle lokalen door, en ik volgde

daarbij de raad van wijlen Mr. A. Kerdijk. Toen deze in Den Haag de

"Toynbee-vereeniging" oprichtte, wilde hij voor "het volk" alleen maar

prima-krachten doen optreden: de eerste geleerden en kunstenaars. Het

"volk" mocht niet afgescheept worden met het middelmatige, omdat het

maar het volk was. Integendeel: het moest door het allerbeste worden

opgevoed en ook ervaren, dat men het allerbeste pas goed voor hen

achtte. Het moest voelen, dat het gerespecteerd werd.

Die houding neem ik ook altijd aan tegenover kinderen, bizonderlik

tegenover ietwat proletariese. Ik gaf me daarom ook nu alle moeite voor

mijn gasten, niet minder dan of een keurbende van buitenlandse pedagogen

mijn school bezocht. En dat kostte me geen zelfoverwinning, maar ik vond

het heerlik en werd er rijkelik voor beloond.

Verspreide Opstellen, I · 第 10 / 14 段