Ik prijs de jongen gelukkig met zo'n vader, en de vader met zo'n kind.

Het ware te wensen, dat het nergens minder was. Maar wanneer de jongen

nu eens niet in de gelegenheid was, alles te vragen? Wanneer Vader eens

voor lange tijd op reis moest, ernstig ziek werd, stierf? Het kan voor

niemand goed wezen, dat zijn geweten bij een ander gedeponeerd ligt.

Ook niet voor een kind. Dat is een ding, dat ieder voor zichzelf moet

hebben, gelijk elk uurwerk zijn veer. Vragen kan tweeërlei doel hebben:

het kan op inlichting, op raad uitgaan, of op verlof. Het eerste kan

natuurlik niet verkeerd zijn, al is het van een oudere niet altijd wijs

gevraagde inlichting en raad te verschaffen, wanneer die door geestelike

traagheid worden verzocht: laat de kinderen vinden, wat ze zelf kunnen

zoeken. Doch het twede neemt verantwoordelikheid af, bestendigt

afhankelikheid, voedt niet op tot zelfstandigheid--de deugd, die in 't

belang van 't kind zo spoedig mogelik moet worden aangekweekt. Wie zijn

kind alles laat vragen, doet het altijd zwemmen op kurken. En hoe, als

het nu onverwacht door 't water moet en de kurken zijn niet bij de hand?

De heer De Haan, en de zeer velen aan zijn zijde, zullen, vertrouw ik,

het zwakke punt van hun kracht zien. Nu wil ik echter niet in hetzelfde

euvel vervallen, als waarvan ik zelf de dupe werd, en door verkeerd

lezen de tegenstander onrecht aandoen. Ik wil nog verder gaan en de

schrijver niet aan zijn woorden houden, doch naar zijn zuiverste

bedoeling trachten te begrijpen. En dan moet ik zeker dat woord "alles"

niet letterlik opnemen. De jongen zal zijn vader wel niet "alles"

behoeven te vragen, hij zal bij zeer veel dageliksche plichten wel weten

wat hij doen moet en alleen bij min of meer belangrijke wijzigingen in

het dagprogramma zijns vaders wil vernemen. Hij oefent zich dus wel

degelik in zelfstandigheid, maakt door stage gehoorzaamheid van zijn

plicht een goede gewoonte, en zal, eens te water gaande, op de kurken

dier goede gewoonten veiliger drijven dan op zijn eigen nog zwakke

beenen.

Is het wonder dat ik, te midden van zoveel karikatuur van "vrije

opvoeding", het kind gelukkig prijs, dat aldus wordt gebonden? Verre te

kiezen deze leiband-metode boven een vrijheid, die niets anders is dan

volslagen ongebondenheid en die het kind roerloos laat zwalken in een

zee vol blinde klippen. En hier blijkt het, dat de heer De Haan en die

vader het nog verder met elkaar eens zijn dan in het zich bemoeien met

het kind: beiden willen het kind _binden_, en aldus leiden.

Maar nu komt het verschil: de eerste bindt het kind zo lang mogelik met

uiterlik gezag, met wat ik zou willen noemen: een moreel mechanisme, met

zedelike werktuiglikheid, en de laatste wil zo spoedig mogelik binden

door zedelik gevoel, door de innerlike tirannie van het geweten. Het

is, als ik goed zie, de grote tegenstelling tussen de vrijheid van het

alleseisende christendom, en de vormelike gehoorzaamheid aan de

voorschriften van het wettiese gezag.

Deze formulering van het onderscheid schijnt zuiver, en toch zou de heer

De Haan zich juist op deze formulering kunnen beroepen, om zijn positie

verkiezelik boven de andere te achten. Is het, kan hij vragen, dan niet

echt christelik, wanneer het kind in liefde en vertrouwen zijn vader

blindelings gehoorzaamt? Is dit zelfs niet de eis van het christendom,

dat de mens, zonder redeneringen, de wil volbrengt van zijn Hemelsche

Vader? Gehoorzaamheid voortvloeiend uit volmaakt vertrouwen--kan het

christeliker?

Ja, het kan christeliker. Paulus zegt: "Ik vermag alles in Christus,

die mij kracht geeft." Dat is niet de stille, vertrouwenvolle

gehoorzaamheid. Het is meer. Het is de geest van liefde, van heiligheid,

het is de Christusgeest, wonende, werkende _in_ Paulus. Het is God _in_

de mens. Het is de Goddelike bezieling.

Nu willen we hier niet pogen te ontleden, wat wij onder God verstaan.

Voor ons doel is het genoeg, als wij bij deze naam ons vaag iets bewust

worden van volmaakte heiligheid en liefde. En dan zeggen we: beheerst

worden door die geest, gedwongen worden door die geest, gelijk deze in

Christus tot ons gekomen is, dat is zuiver christelik.

Men mag zich niet achter Christus verschuilen, om iedere gehoorzaamheid

aan ouderlik voorschrift christelik te noemen, zelfs niet als die

gehoorzaamheid geschiedt in volmaakt vertrouwen. Rooverskinderen kunnen

ook hun ouders vertrouwen en in gehoorzaamheid aan hun bevelen op roof

en moord uittrekken. Christelik wordt de opvoeding pas, als het kind in

zijn vader de Christengeest gehoorzaamt, zich steeds helderder bewust

wordt wat deze van hem vordert, en het zijn vader missen kan, omdat het

Christus in zich heeft, omdat Diens krachten in hem werken.

Daarom is christelike opvoeding: gewetenscultuur. "Zonder Mij kunt gij

niets doen," zei Christus zelf. Zijn geest van heiligheid en liefde moet

heersen, en _zonder deze_ wordt de opvoeding een niet gevaarloze

werktuiglikheid.

* * * * *

Gebondenheid aan een gezaghebber buiten of aan een heerser binnen

ons--ziedaar het eerste onderscheid in het hangende geding. De voorrang

van de laatste wordt al verzekerd, doordat hij de mens overal verzelt.

Een twede verschilpunt kwam uit in de zelfwerkzaamheid der zedelike

natuur, waartoe de vrijheid verplicht, de vrijheid onder leiding.

Gehoorzamen aan een uitwendig machthebber is voor de overgrote

meerderheid zoveel gemakkeliker, dan onderwerping aan eigen

plichtsbesef. Het laatste, met zijn gelegenheid tot ontduiken, maakt

de strijd dikwels zo zwaar. Aan een gezag buiten ons, dat zijn

machtsmiddelen kan aanwenden, onttrekt men zich niet licht. Slavernij is

op slot van rekening bij een goed meester, voor velen een begeerlike

toestand, en dit ondanks al het geschreeuw om vrijheid.

Hoe willig onderwerpen de mensen zich aan de tirannie der mode. Zijn er

velen, die, tegenover haar, eigen zelfstandigheid kunnen handhaven? Hoe

veilig voelen millioenen zich in de schoot der kerk. Als de priester het

maar weet, is 't hun genoeg, en gaarne volgen ze de voorschriften. Hij

draagt de verantwoordelikheid en zij zijn zalig in hun gehoorzaamheid.

Niet verplicht worden tot een keuze, het is bewaard worden voor de

strijd.

Maar, al is het waar, dat het trouw volgen van voorschriften goede

gewoonten aankweekt, voor afdwalen behoedt, en een zekere stugge kracht

ontwikkelt, het is ook waar, dat deze een morele consolidatie, maar

geen zedelike stijging is. Die wordt alleen door strijd bewerkt. Móéten

kiezen, móéten beslissen, móéten doorzetten--kúnnen dwalen, kúnnen

weifelen, kúnnen opgeven--ziedaar voorwaarden voor zedelike groei. En

dus vordert de zedelike opvoeding een vrijheid, die--_berekend naar

zijn krachten_--het kind tot kiezen, beslissen, doorzetten verplicht.

Gelijk bij alles moet er evenredigheid zijn tussen taak en kracht.

Niemand denkt er aan een zuigeling met bruine bonen te voeden, een

zesjarige de worteltrekking te doen uitvoeren, een tienjarige met

honderd kilo te belasten. Zo behoort ook de verantwoordelikheid in

overeenstemming te zijn met leeftijd, aanleg, bereikte hoogte. De heer

De Haan merkte op, dat kinderen die nog te jong zijn om op eigen benen

te staan, gesteund moeten worden. Men kan het hiermee eens zijn en toch

menen, dat dit steunen geen dragen mag wezen, dat kruipende kinderen hun

spieren ontwikkelen, en zij wel door kruipen, maar niet door

gedragen-worden tot lopen komen.

Gewetenscultuur is misschien wel een der moeilikste opvoedingsplichten.

Zeker is ze een der voornaamste. Maar nooit vervullen we deze plicht

naar behoren, als we dit wondere orgaan van de geestelike natuur buiten

werking houden. Vroeg beginnen, héél vroeg, met het doen dragen van

kleine verantwoordelikheden; met het schenken--neen, het verplichten tot

zekere zelfstandigheid; met het verlenen--neen het noodzaken tot zekere

vrijheid; dit is, naar mijn ervaring, de weg, waarlangs het geweten

zichzelf voedt en versterkt. Mits op die weg de "Zon der gerechtigheid"

schijnt.

Er is in onze tijd een schreeuwen naar vrijheid en zelfstandigheid.

Ik begrijp niet, hoe iemand zich daarover bekommerd kan maken. Ik

zou zeggen: Is het u ernst, hier hebt ge vrijheid, hier hebt ge

zelfstandigheid. Doe uw plicht en draag de verantwoordelikheid.

Waarom zijn velen zo bang, aldus te spreken? Is het, omdat zij niet

begonnen zijn, en dageliks voortgaan, met gewetenscultuur? In deze

ligt de oplossing der politieke, der sociale vrijheid--misschien wel

der hele sociale kwestie. Want deze is in hoogste instantie een

opvoedingsprobleem.

DE KORTSTE WEG.

Ontdek het kind zijn sluimerende kracht,

En breng die tot ontwikk'ling door waardeeren,

Dan zal de lust in d'arbeid hem regeeren

En hebt ge uw "deugniet" 't rustigst in uw macht.

X. WEK GODSDIENST IN HET KINDERHART.

(EEN TOESPRAAKJE).

Godsdienst _wekken_ in het kinderhart? Dan moet er ook godsdienst

_sluimeren_ in het kinderhart.

Natuurlik. We moeten van een godsdienstige aanleg kunnen uitgaan, een

aanleg, die wij tot groei en ontwikkeling kunnen brengen. Hoe zou er

anders later van een godsdienstig leven sprake kunnen zijn? De gehele

plant met haar schoonste bloemen is reeds in de kiem aanwezig.

Die godsdienstige aanleg openbaren de kinderen aan ons het allereerst

in hun aanhankelikheid en vertrouwen. Kinderen, die zich met volkomen,

naief vertrouwen naar volwassenen begeven en zich jegens deze

aanhankelik betonen, doen hierin de eerste groene sprietjes van hun

godsdienstige aanleg zien.

Is ook onze godsdienst niet grotendeels aanhankelikheid en vertrouwen?

Aanhankelikheid jegens onze Schepper en vertrouwen in zijn Vaderliefde?

Het vertrouwen van kinderen in volwassenen is, helaas, dikwels

misplaatst. Dat is dan echter niet de schuld van dat vertrouwen,

die onmisbare eigenschap der jeugd, maar van de verdorvenheid der

volwassenen.

En zo, wordt, door de zelfzucht der ouderen, ook vaak de aanhankelikheid

der jongeren teruggewezen. Maar dit neemt niet weg, dat beide

eigenschappen getuigen, hoe de jonkheid zich overgeven en hechten

wil aan de voor haar hoogere macht der volwassenheid.

Ons hechten en overgeven, met vertrouwenvolle aanhankelikheid, aan de

Hoogste Macht, dit is het wezen van ònze godsdienst, waarin de kinderen

niet ons, maar wij de kinderen gelijk moeten worden.

Eigenlik is het dan ook minder juist te spreken van godsdienst _wekken_

in het kinderhart. We moeten hem alleen de gelegenheid niet benemen,

zich te openbaren. Dan verschijnt hij vanzelf.

Wij ouderen behoeven voorlopig niets in het kind op te roepen. We moeten

alleen in het kind iets niet indrukken en verstikken. Doch hiertoe

moeten we aan onszelf iets doen.

Vele volwassenen, ja ook ouders, missen liefde, geduld, belangstelling,

om de uitingen van het kind zelfs maar aan te horen, laat staan te

beantwoorden, en in plaats van die lieve aanhankelikheid te dragen,

schudden ze haar af als een hinderlike last. Ze redeneren liever,

genietend van hun dialecties spel, over de oorsprong van het ouderlik

uit het goddelik gezag, dan dat ze God waarlik vertegenwoordigen in

diens onuitputtelike liefde en geduld. Redeneren over aangevochten

meningen is zoveel gemakkeliker en zelfbevredigender, dan zedelike

waarheden uit te leven. Doch zodoende bieden ze het kind geen

gelegenheid, zijn aanhankelikheid te tonen, en beschamen het reine

vertrouwen, dat het kind onberedeneerd, en helaas ook ongemotiveerd,

in hen stelde. De ontluikende godsdienst wordt in zijn eerste groei

belemmerd in stee van bevorderd, en geen gedogmatiseer en gephilosofeer

kan later herstellen, wat door verwaarlozing vroegtijdig aan

zielekrachten vernield is.

* * * * *

Verhinder uw kinderen niet.

Dat is ook het woord van den Heiland: "Laat de kinderen tot mij komen en

verhinder ze niet."

Maar Hij kon dit onvoorwaardelik zeggen. Hij in zijn liefde, in zijn

reinheid, wilde de kinderen in zijn armen nemen en Hij kon het veilig

doen.

Hij kon hen koesteren. Hij kon hen ook leiden.

Doordat Hijzelf vol Godsvertrouwen was, kon Hij dat vertrouwen in hen

vestigen en versterken.

Doordat Hij zijn Vader in de hemelen liefhad boven alles, kon Hij die

liefde in de kleinen wekken en voeden.

Doordat het Zijn lust was, zijns Vaders wil te doen en niets dan dat, in

volkomen gehoorzaamheid, kon Hij zulk een gehoorzaamheid vorderen.

Het is met ons echter zo geheel anders. Wanneer wij de aanhankelikheid

der kinderen al aanvaarden met hun vertrouwen, wat hebben wij hun

dan aan te bieden? Een leven van zelfzucht, ijdelheid, zinnelikheid,

eerzucht, hebzucht. Een leven van aardsgezindheid. Ja, wij hebben ook

mooie woorden, waarmee we hen strelen en onszelf verblinden kunnen.

Maar als zij daden vragen? Als hun onbevangen oordeel een pijnlik

onderscheid ziet tussen ons zeggen en doen? Als zij teleurgesteld

worden, ondanks ons goed willen, door ons armelik kunnen? Dan baat het

niet veel, of we hen al of niet verhinderd hebben. Dan hebben we hen

toch verhinderd, omdat ze bij ons niet vonden, wat ze nodig hadden. En

waar we dan mooier gepreekt dan geleefd hebben--en wie doet dit niet, al

draagt hij geen toga--geldt ook voor ons het verwijt uit kindermond:

Zij hebben ons met woorden wel gedreven,

Maar hebben ons verhinderd met hun leven.

Aanhankelikheid en vertrouwen van kinderen aanvaarden legt ons een grote

verantwoordelikheid op. Zij moeten toch in ons _het goede_ aanhangen en

met hun vertrouwen ook hun _zedelik heil_ aan ons toevertrouwen. En die

verantwoordelikheid kunnen wij niet dragen. Ook al openen we de ogen der

jongeren niet opzettelik voor onze zwakheden en gebreken, ze zullen die

toch spoedig genoeg zien. Daarom verhelen we de kinderen niet, hoe ook

wij ons nog kinderen voelen, niet op onszelf kunnen staan, ons aan God

vastklemmen en in volmaakt vertrouwen ons aan Zijn Vaderzorg overgeven.

Terwijl zij tot ons komen en wij hen met open armen ontvangen, nemen

we hen mee tot Hem, den Levende, den Machtige, die zich in Christus

geopenbaard heeft als een Vader vol ontfermende liefde, maar ook als de

Volmaakte, die zijn kinderen de strenge eis voorhoudt: Weest heilig,

want ik ben heilig.

Zo leiden we de gevoelens van aanhankelikheid en vertrouwen tot Hem, op

wiens liefde zij en wij moeten leren bouwen, en aan wiens heiligheid zij

en wij ons moeten leren hechten, die, gevend en eisend, de zoekende en

hulpbehoevende mens bij de hand neemt en voert langs Zijn wegen.

* * * * *

De kinderen moeten op God _leren_ bouwen en _leren_ zich aan Hem te

hechten. Zo zeiden we. Maar is dit niet in strijd met hetgeen we in de

aanvang opmerkten, dat aanhankelikheid en vertrouwen tot de kindernatuur

behoorden?

Geenszins. Een jong kind vertrouwt, onder normale omstandigheden,

gemakkelik op zijn ouders: het kan hen niet missen en ontvangt van hen

niets dan goeds. In zijn afhankelikheid geheel aan hen overgeleverd,

ervaart het slechts liefde en zorg. Zo valt het vertrouwen licht.

Doch als de ouders, mede in 't belang van 't kind, moeten weigeren en

eisen, verandert de zaak. Dan heeft het kind zijn zelfzuchtige natuur te

verlochenen, zijn zondige en zelfs geoorloofde begeerten op te geven, en

krijgt het in die strijd vaak zó moeilik, dat het liever op eigen kompas

vaart, dan in 't vertrouwen op zijn ouders.

Oneindig veel moeiliker wordt het nog, wanneer het een volmaakte en

volmaaktheid eisende God moet blijven aanhangen en het vertrouwen moet

bewaren in Hem, die, in stede van onze lusten te bevredigen, ons vaak

schijnt te willen pijnigen en smarten met tegenspoed, armoede, ziekte,

zedelike nederlaag. Dan breekt de tijd aan van maar al te gegronde

twijfel en al te redelik ongeloof. Dan brokkelt de aanhankelikheid

weg en sterft het vertrouwen. Op een mens zouden ze zich nog kunnen

verlaten, maar op God? Op zulk een God? Die zijn almacht misbruikt en

zijn eigen liefde lastert? Die met pest en oorlog de mensheid, zijn

kinderen, teistert? Zij zouden het die God verbeteren.

Gelukkig wanneer zij dan als de diepste psalmdichters en profeten,

God aanklagen bij God. Dan zullen zij tot antwoord ontvangen, dat

aanhankelikheid en vertrouwen alleen het deel zijn voor de ziel, die

waarachtig naar de Allerhoogste hijgt. Niet voor hem, die God begeert

als wonderdoend bevrediger van aardse verlangens, maar wel voor hem,

wiens hoogste zaligheid is met God één te zijn.

Zullen we zúlk een godsdienst bij hen aankweken, dan moeten we hen vroeg

leren, God lief te hebben, opdat die liefde hen redde tegen twijfel en

ongeloof. En geen beter weg hiertoe, dan het geestelik verkeer met

Jezus, die zichzelve de weg genoemd heeft. Wij, worstelende, bezwijkende

volwassenen, kunnen onmogelik God in zijn liefde en heiligheid bij de

kinderen vertegenwoordigen. Maar Jezus, wiens spijze het was de wil

van zijn Vader te doen, is hierin de kinderen en ons gelijkelik een

middelaar. Levende met Hem, voert Hij ons mee, voert Hij ons op, leert

Hij ons, ook in Gethsemané en aan het kruis niet te vertwijfelen, en

liever de smaad der hele wereld te dragen, dan het vertrouwen te

verliezen in Gods Vaderliefde.

Jezus onze middelaar. Het woord heeft door zekere dogmatiese verstarring

bij vele een onaangename bijklank gekregen. Dit mag echter geen reden

zijn, het te versmaden. Wij allen behoren in de opvoeding onzer

kinderen middelaars te wezen, dragers en overbrengers der goddelike

eigenschappen. Maar wij kunnen niet, dan uiterst gebrekkig in dezen

onze plicht vervullen. Heerlik dan, dat wij in Hem, naar wien wij ons

christenen noemen, voor de jeugd en voor onszelf, de Middelaar bezitten,

wiens leven en sterven Liefde en Godsvertrouwen wàs.

* * * * *

Deze korte toespraak werd gehouden bij de openlucht-samenkomst van

"Vrijzinnige godsdienstigen" op Hemelvaartsdag. Het comité had me

uitgenodigd en graag voldeed ik daaraan.

"Ben jij modern?" vroegen sommigen me. "Ik dacht dat je orthodox was."

Vreemde vraag.

Wat ik ben?

Ik wou, dat ik iets _was_--een christen b.v., een goed christen.

Dat was me genoeg.

En dan zou ik willen spreken overal en voor allen, voor confessionelen

en Hottentotten, voor etischen en dronkaards, voor modernen en

Papoea's, en ook voor puur ongelovige gelovigen. Want die heb je ook,

net als gelovige ongelovigen.

Maar ach, het is zo'n ontzettende toer, eerst een beetje christen te

zijn, ik bedoel een echte, zo eentje in wie Jezus iets van zijn discipel

zou zien, dat ik aan het modern of orthodox nog lang niet toe ben.

Daarvoor moet je eerst enige eeuwen van Jezus af staan.

Als ik me niet vergis, waren zijn eerste volgelingen ook simpel

christenen en werden als zodanig gestenigd. Later kwam pas het onderling

stenigen. Daar ben ik dus nog niet aan toe. 'k Zit pas op de christelike

bewaarschool. En eigenlik hoop ik het nooit verder te brengen. Dan blijf

je een kind in die dingen.

Maar nu wil ik toch nog even zeggen, welk een heerlike indruk ik van

Duindigt heb meegebracht. Daar waren 4 à 5000 mensen, grotendeels uit

de burgerstand en van 30-60-jarige leeftijd. Ik had gevreesd, dat het

een roezemoezige dag zou zijn, veel gelach, gescherts, gebabbel,

heen-en-weer-geloop. Gescharrel om de tentjes, met nu en dan een

ogenblikje luisteren naar wegstervend gegalm.

Maar neen. Ademloze stilte, _levende_ stilte, luisterende stilte.

't Was koud, winderig, wat vochtig. Doch al die duizenden bleven, bleven

tot den einde toe, luisterden aandachtig naar iedere spreker, zongen met

toewijding de psalmen en gezangen. Het was treffend. Er zweefde zo'n

stille vrije vroomheid om de schare. En daarbij zong een koor van

dames en heren bizonder mooi een keur van liederen. Alles stemde tot

Godsverering en was in die stemming.

Terwijl ik een ogenblik sprak en die menigte overzag, zag ik in de geest

onze zendelingen, de pioniers van dit werk, arbeidende in onbeschaafde

streken, ver, ver weg. En toen dacht ik: bij zo'n samenkomst moet

eigenlik ook altijd de zending herdacht worden door een toespraakje en

een aparte collecte. Ze heeft onze liefde en ons geld zo nodig. Moderne

en confessionele liefde, modern en confessioneel geld--dat zie je de

liefde niet aan, en ook de goudstukken niet. Als die maar echt zijn. Is

het niet onbescheiden, als ik voor volgende gelegenheden een kwartiertje

voor de Zending aanbeveel? Dit is toch óók zending.

* * * * *

Alle kinderen van alle openbare scholen horen, zo ongeveer op hun

negende of tiende jaar dat onze voorvaderen heidenen waren die aan

afgoden offerden en dat er toen zendelingen in ons land kwamen, die

er het Christendom predikten. Ook wat de gevolgen daarvan waren. Dat

enkele van die zendelingen wreedaardig vermoord werden, maar dat er ook

kerken werden gebouwd en kloosters en scholen werden gesticht. En dat

door de monniken de landbouw en de tuinbouw verbeterd werden, en de

ziekenverpleging en allerlei bedrijven. Dat door diezelfde monniken

kunsten en wetenschappen werden beoefend en hierdoor het volk ook

allengs geestelijk ontwikkeld. Dat eindelijk door die volgelingen van

Christus de jeugd werd onderwezen, niet alleen in lezen en schrijven,

maar ook in de christelijke leer en zeden, zoodat de bewoners van ons

land, stoffelijke, verstandelike en zedelike verheffing aan de invoering

van het Christendom, dus aan de zending te danken hadden. Zonder zending

geen school. Echter dat was--de zending naar ons toe. De zending van ons

uit--dat is heel wat anders!

XI. EEN MOEILIK OGENBLIK.

I.

Dat heb ik me zelf berokkend.

Men weet nog wel, dat ik een poos geleden zo blufte op mijn succes met

de sinaasappelmetode. Jaag de straatbengels niet weg met schelden en

schoppen, maar geef ze een sinaasappel. Zo ongeveer luidde mijn raad.

En ik wou het wel weten, dat ik daar menig hart mee gewonnen had.

Maar nu ben ik er dezer dagen toch lelik ingelopen met die, volgens

sommigen, zoetsappige pedagogiek.

Bij het uitgaan van de school stromen onze eigen kinderen als een levend

riviertje een stukje speelplaats over, de schoolpoort uit, en langs de

huizen tot aan het eind der straat. Dit is nodig opdat er niet een,

dartel de school uitvliegend, onder de tram komt, die om de vijf minuten

vlak voorbij de uitgang snort. Ze zouden er onder liggen, eer ze 't

wisten. Eens, ongeveer 15 jaar geleden, is er een leerling, die vóór

schooltijd in de straat speelde, overreden, en was aanstonds dood. Toen

hadden we nog maar de paardentram. 't Is dus begrijpelik, dat we nu, met

die vliegende electriese, wat bizonder voorzichtig zijn.

Ons levend riviertje stroomt dus over het trottoir, langs de huizen, de

Tullinghstraat uit. Maar daarbij hebben we nog al eens last van andere

scholieren: er zijn wel zes à zeven scholen in de buurt. Dat kleine goed

doet dan als jonge kozakken telkens vlugge invallen op de rij en vliegt

even gauw weg als 't komt. Je kunt ze niet narennen, zonder de hele

straat in opstand te brengen, en daar maken ze misbruik van.

Nu was er de laatste dagen weer zo'n troepje van wel twaalf zeven- tot

negenjarige jongetjes om onze rij aan 't zwermen en die kleine bengels

waren haast dronken van baldadigheid. Ik wist er niet beter op, dan ze,

met mijn oude en beproefde metode, te winnen, en lokte de meer dan

dartele vlegeltjes met wat vriendelike woorden bij me. Ze kwamen, maar

tuimelden haast door elkaar van overmoedige, luidruchtige

onbeheerstheid.

"Wil jelui de duiven eens zien?"

O ja, dat had ik geen tweemaal te vragen. Schuchterheid of schroom

kenden ze niet. Ze renden de speelplaats op en holden daar naar alle

kanten heen. Naar de duiven, de kippen, de tuintjes--ze deden precies

wat ze wilden. Ze gooiden malkaar, een ging in de tuintjes lopen, een

ander greep een pet van zijn makker en smeet die een eind weg. 't Leek

net een troep speelse honden, maar dan honderd graden erger.

Ik kan niet verklaren, dat deze opvatting van hun gastrecht me bijster

beviel. En om de gulle waarheid te zeggen, ik voelde me er een beetje

verlegen mee worden. 'k Had dat volk binnengehaald, hoe kreeg ik ze weer

fatsoenlijk de straat op.

Daar zag een de schoolbel, die op de speelplaats onder een afdakje

hangt. "Meester, mag ik bellen?" Doch eer ik nog ja gezegd had, had

hij de ketting al te pakken en begon te luiden. De anderen er bij, en

nu vochten ze om de ketting. Al die kleine handjes grepen hem beet en

trokken. Straks trokken ze de ketting nog stuk of kregen ze de zware

klok op hun kop.

"Ieder op de beurt," gebood ik, en 't lukte me altans eenige orde in

't gelui te krijgen, maar wie eenmaal de ketting te pakken had, was

volstrekt niet altijd bereid hem op mijn kommando los te laten. Hij

vond het veel te lekker. 'k Was echter wijs genoeg, niet mijn handen

te gebruiken. 'k Wist veel te goed, dat zúlke heerschappen dan

tegenspartelen.

Verspreide Opstellen, I · 第 9 / 14 段