onwil voortkomt, maar uit onmacht. Ze is een uitvloeisel van de bepaalde
constructie uwer natuur. Het is een soort van gemoedsstremming, die
absoluut niet gelijk staat met bangheid, vrees of lafheid. Verlegen
naturen kunnen in 't gevaar onverschrokken moed tonen, behoeven niet
bang te zijn in duister of eenzaamheid, niet gevoelig voor pijn. Ze
zijn alleen niet aangelegd op het gezellig verkeer, voelen weinig
behoefte aan mensen, bevinden zich het rustigst en gelukkigst in de
afgeslotenheid. Dit is geen zedelike fout, waaromtrent we ons ernstig
bezorgd dienen te maken. Ook is het geen gevaar. Wellicht is de
vrijmoedigheid, die zich lichter in onbekende omstandigheden waagt, ja
wat gevaarliker. Alleen--is het soms wat lastig, zoals iedere stroefheid
wat lastig is. De verlegenheid kan iemand in de omgang belemmeren en
daardoor zijn maatschappelike vooruitgang wel eens tegenhouden, ofschoon
echte verdiensten ondanks dat waas van verlegenheid toch gauw genoeg
opgemerkt en waardeerd worden. De verlegenheid is dus een betrekkelik
onschuldige en ongevaarlike eigenschap, zich openbarend in stijfheid en
stramheid in de omgang.
Waar nu gemis aan gemoedslenigheid in 't spel is, moet alles aangewend
worden om het gemoedsleven en de daarmee samenhangende spraakzaamheid
zo vrij en ongedwongen mogelik te maken. Belemmeringen moeten worden
weggenomen. En nu geschiedt bij straf en dwang juist het tegendeel.
Daardoor wordt het gemoed in een bepaalde toestand geperst, waarin het
wel bepaalde gewenste uitingen kan voortbrengen, maar die aan zijn aard
niets ten gunste veranderen. Die uitingen zijn dan slechts surrogaat van
wat men begeert, gelijk het sissen van een kat, die men tot spinnen wil
noodzaken door het dier in de staart te knijpen. Dat is een spinnen waar
een mens bang van wordt.
Wie de gemoedsuitingen wil veranderen, moet de medewerking van dat
gemoed inroepen. Daartoe is nodig heel veel vrijheid, zodat het gemoed
zichzelf kan zijn. En daarbij een sfeer van sympathie, van waardering,
waarin aangeboren fijngevoeligheid niet schroomt, en zelfs uitgelokt
wordt zich bloot te geven. Die waardering moet niet bestaan in het
vleiend spreken van prijzende en aanmoedigende woordjes. Die zijn uit
den boze. Die bepalen de aandacht veel te veel bij de persoon zelf en
het is juist zaak de aandacht geheel en al van de persoon af te trekken.
Aan het onderwerp, aan het zakelik element moet alle aandacht gewijd
zijn. Verlegen naturen moeten zichzelf totaal vergeten en verliezen, om
zich juist dan geheel te geven.
Daarom is het verderfelik zulke naturen door merendeels onbescheiden en
onbeduidende vragen bij zichzelf te bepalen. Ik weet natuurlik niet, wat
aan uw ventje gevraagd is en onder welke omstandigheden, maar ik vrees
dat het veel te na hemzelf betrof. Wanneer hem gevraagd was: "Och, geef
me eens even je mesje," dan had hij--ondersteld dat hij er een rijk
was--dit zeker aanstonds uit de zak gehaald en gegeven. En wanneer
de vrager het dan niet had kunnen openen, zou hij, ondanks zijn
verlegenheid, stellig gezegd hebben: "Zo moet u doen" en het de man
even uit de handen hebben genomen.
Leid de aandacht van het kind af.
En gij bepaalt juist de aandacht bij het kind.
Win zijn belangstelling voor onpersoonlike realiteiten.
En gij exploiteert de niet eens bestaande belangstelling.
Kinderen zijn heus dikwels net vogeltjes.
Loop je ze na, dan vliegen ze weg.
En blijf je rustig zitten, dan komen ze vlak bij je. Op 't laatst pikken
ze de kruimels van je ontbijttafel. Die schuwe vogeltjes.
IV.
"Vader, mag ik vanmiddag fietsen?"
"Wel meid, dat hoef je mij niet te vragen."
"Nou, zeg u nou maar, mag ik?"
"Dat moet je immers zelf weten. Heb je je werk af?"
"Neen, nog niet."
"Dan zul je zelf wel weten, of je tijd hebt om te fietsen."
"Nou maar, zeg _u_ nu, mag ik fietsen? Ja of neen?"
"Dat laat ik aan jou over."
"Dan zal ik in vredesnaam maar gaan werken," en de dertienjarige
hogere-burgerin droop af, naar haar eigen kamertje.
"Wat ben je toch een steen," zei Moeder. "Je zag toch, hoe graag 't kind
wou, en je antwoordde haar net of je er niets om gaf."
"Wat had jij dan gewild?"
"Dat je 't haar had toegestaan, óf verboden. Een van tweeën. Maar nu
liet je 't kind helemaal in d'r eigen twijfel."
"'t Kind? Je moest liever zeggen: de onnozele stakkerd. Merkte je niet,
wat ze wou?"
"Wat dan?"
"Ze wist heel goed, dat ze nog werk te maken had. En ze wou toch graag
fietsen. Nu wou ze van mij absoluut een beslissing hebben. Had ik "ja"
gezegd, dan was ze gegaan en had mij de verantwoordelikheid van de
gevolgen laten dragen. Was dan morgen haar werk niet klaar geweest, dan
had ik nog mogen horen: Ja, u hebt gezegd, dat ik gaan mocht. En had
ik "neen" gezegd, dan was ze boos afgetrokken met de klacht, dat zij
"ook nooit wat mocht" en dan had ik al weer de verantwoordelikheid te
dragen van haar knorrige stemming en de noodlottige gevolgen daarvan in
verzwakking der leerkracht. Neen vrouw, die steen wist heel goed wat hij
deed."
"Maar waarom heb je haar dan niet even een goede raad gegeven? Als je nu
gezegd had: Werk nu eerst een uurtje, dan ben je klaar, en dan kun je
zoveel te heerliker genieten. Maar je zat daar als een stuk ijs. Niets
aardig."
"En denk je, dat ze die goede raad van me nodig had? Dat ze niet uit
zichzelf zo slim was? Ik heb haar de beste raad gegeven, die er was: Doe
wat je wilt, maar draag zelf de verantwoordelikheid. Iedere preek van
mij had de kracht van die raad verzwakt. Maar weet je hoe kinderen zijn?
Ze willen wel zondigen--maar niet de verantwoordelikheid dragen. Die
laten ze liever aan vader en moeder."
"Hoe weet je dat?"
"Omdat ik zelf ook zo ben. 't Is de menselike natuur. En al van Adam en
Eva af. Adam schoof het op Eva, en Eva op de slang. De slang maakte er
zich niet druk over. Meneer de Duivel wil de verantwoordelikheid wel op
zijn smalle schoudertjes dragen. Hij laat ze er toch weer afglijden. Hij
_kent_ geen verantwoordelikheid. Want--en dit is zijn pure, onredbare
duivelnatuur--hij heeft geen _geweten_."
"En?"
"En? Wel, _al_ onze opvoeding is gegrond op de zekerheid, dat het kind
een _geweten_ heeft. Bezaten we die gewisheid niet, dan konden we wel
uitscheiden. Zwakken kun je sterken, dommen kun je verstandigen, maar
gewetenlozen zijn onverbeterbaar. En toch doen zoveel opvoeders dageliks
hun best om 't geweten der kinderen te verslappen."
"Maar...."
"Ja zeker. Door hun eeuwigdurend gebieden en verbieden, dreigen en
straffen slaan ze het geweten murw als met zweepslagen. En door hun
opdringen van goede raad en wijze vermaning begraven ze het als onder
zand. Het is een kracht, en die moet werken. Werkende groeien de
krachten. En het geweten werkt alleen, als er verantwoordelikheid
gedragen wordt.--Zag je wel, met wat een beslistheid de dertienjarige
Eva aftrok? Dat was de onderwerping aan de tiran _in_ haar. Geloof maar
gerust: de tiran zit niet hier op een stoel met jou te praten. Maar Eva
heeft hem _in_ zich. En wees daar maar heel dankbaar voor."
* * * * *
Een uur later.
Daar is de hogere-burgerin weer:
"Ziezo, nu ga 'k een uurtje fietsen."
"Ga-je? Ga-je? En vraag je dat maar niet eens?"
"Maar Moeder! Vader heeft toch gezegd, dat ik het zelf weten moest?"
"Zeker, maar daarom kon je het toch wel vragen?"
"Ik heb mijn werk af, Moeder!"
"Zeg eens Eva," vraagt Vader, "waarom vroeg je het een uur geleden wel,
en nu niet?"
"Ja--waaróm--"
"Nu?"
"Dat zou ik zo ineens niet kunnen zeggen."
"Probeer het toch maar eens."
"Nu--ik geloof--omdat--ik toen--mijn werk nog maken moest."
"En dat bezwaarde je."
"Ja."
"En toen vond je geen vrijheid om te gaan."
"Ja."
"En je wou toch graag."
"Ja."
"En toen dacht je: ik zal 't aan vader vragen, dan moet die 't maar
weten."
"Ja, 'k geloof het wel."
"En heb je nu ook behoefte, om 't aan mij te vragen?"
"Och, ik _wil_ 't u wel vragen, maar ik heb er geen _behoefte_ aan."
"Dat komt, omdat je geweten nu vrij is."
"Ik geloof het ook." En dan glimlachend: "Zo'n geweten is een lastig
ding."
"Als het niet lastig was, zou het zijn last niet kunnen volbrengen. Maar
ga jij nu fietsen, en vraag het nooit meer aan je vader, want die is
barbaar genoeg, om op het juiste ogenblik--te zwijgen."
Eva geeft Vader een zoen. Moeder ook. En weg is ze.
V.
Jean Jacques Rousseau schreef eens: "Si les sacrifices que l'on fait au
devoir et à la vertu coûtent à faire, on en est bien payé par les doux
souvenirs qu'ils laissent au fond du coeur."
De man die dit zo mooi schreef, was prachtig in de gelegenheid offers
aan de plicht en de deugd te brengen. "Een verbinding met een zeer
goedhartig, maar op het onnoozele af dom meisje, Thérèse Lavasseur, die
zich door haar familie liet uitbuiten, wordt later ontgoocheling en
drukkende last, die argwaan voedt en geestelijke gemeenschap
buitensluit. Hij legt de uit deze verbintenis gesproten kinderen te
vondeling."[2]
[2] R. Casimir. Bekn. Gesch. der Wijsbegeerte, 1e deel, blz. 327.
Het hele leven van Rousseau was wel een beetje een leven van
zich-laten-gaan. Dit was jammer, want wat zou zulk een wereldberoemd
pedagoog aan de bodem van zijn hart anders een "doux souvenirs" hebben
kunnen bezorgen. Hij had door die verbinding met dat zeer goedhartige
doch domme Treesje zich zo'n kostelike kans verschaft tot het brengen
van offers "au devoir et à la vertu". Men kan toch bezwaarlijk
ontkennen, dat het tot zijn plicht behoorde, aan die vrouw te arbeiden,
juist omdat ze dom was, haar te beschermen tegen de uitbuitende familie.
En enige deugd mag er toch ook wel in gestoken hebben, de kinderen uit
deze verbintenis een opvoeder te schenken als b.v. later Emile werd
toebedacht, zo eentje als er bezig was te ontstaan in het brein van hun
vader.
En zie, wat doet deze man? Hij laat zijn mooie kansen eenvoudig glippen.
Hij schrijft een boek, en nog een boek, en weer een boek, en betovert de
wereld en doet zelfs de ordelike Emanuel Kant zijn dagelikse wandeling
vergeten tot verbazing van diens buren, en schenkt de naam van Thérèse
Lavasseur een plaats in de historie, als waarnaar menig trouwe
huismoeder te vergeefs mag uitkijken.
Les sacrifices waren hem te machtig.
Laten we eens een ogenblik denken, dat deze artiest geen
schrijverstalent had bezeten, maar zijn brood had verdiend met boeren.
Dat hij niettemin dezelfde opvoedingsinzichten had ontwikkeld als hem
tans beroemd hebben gemaakt. Maar dat hij die had toegepast bij zijn
eigen kinderen.
Laten we daarbij onderstellen, dat hij niet zijn "contract social"
had geschreven, maar de idee daarvan in zijn eigen gezinnetje had
uitgeleefd, zodat daar de souvereiniteit berustte bij Thérèse en hem en
niet bij Thérèse's uitbuitende familie.
Dan ware Jean Jacques nooit de wereldberoemde pedagoog geworden. Dan had
hij maar zo simpel weg daarheen geleefd, nauweliks opgemerkt door zijn
omgeving, gelijk er honderden, rustig-braaf, eenvoudig verstandig, hun
dagtaak en hun ouderplicht vervullen. Dan ware hij door overmaat aan
deugd onberoemd gebleven.
Nu is hij "Co de Reformateur" geworden, de grote man uit Starings
puntdicht, die zijn geld en goed in brassende overdaad had verteerd,
zodat het braadspit in zijn keuken door gemis aan werkzaamheid aan 't
roesten trok--en die tans voor de welvaart van het hele volk zal zorgen.
Staring zegt het zo aardig met zijn ondeugende humor en in zijn fijn
gevoel voor tegenstelling werktuig tegenover werktuig plaatsend: Co,
die 't eenvoudige braadspit in zijn eigen keuken niet aan het draaien
kon houden, mag vrij knoeien--aan het ingewikkelde werktuig, dat de
planeten haar banen om de zon doet afleggen. En 't volk vertrouwt hem:
Co smulde tot hij hongren moest.
Zijn keukenreêschap staat en roest.
Dit deert hem niet in 's volks vertrouwen.
Men zweert bij zijn specificum,[3]
En die geen spit aan gang kan houen,
Knoeit vrij aan 't _planetarium_.
[3] Een specificum, n.l. een speciaal en afdoend middel, gelijk de
kwakzalvers er op na houden, ook de politieke, pedagogiese en
theologiese.
* * * * *
Wonderbaarlik, dat zulke begaafde naturen de practijk, die zij zo
schitterend bepleiten, niet liever eenvoudig beoefenen.
En toch niet wonderbaarlik.
Het bezwaar zit in de geeiste offers.
Wie een boek schrijft of een rede houdt over de hervormingen die hem
nodig dunken, geniet van zijn stemmingen, beelden, gedachten, laat zich
gaan in zijn artistieke scheppingsdrang, en na de zelfvoldoening tijdens
het schrijven of spreken volgt de weelde van het succes. Hem worden geen
offers gevraagd.
Maar o, die offers! Pas melden ze zich aan, of er ontstaat een
hinderlike stremming in het opgewekte geestesleven. De gedachten willen
niet komen en het gemoed wordt vervuld met wrevel. In plaats van een
zonnige glans die vrolik de idealen verlichtte, de eigene, de schone,
de met liefde gekoesterde, komt er dofheid. De vurige pleitbezorger
zakt ineen, als hij de zege van zijn pleidooi in eigen levenskring mag
bewerken.
Het zijn de offers, die iemands waarachtigheid toetsen, altijd weer de
offers.
Eigenlik is niet alleen de opvoeding, maar het gehele leven
dood-eenvoudig. We behoeven geen godgeleerde of wijsgerige stelsels
door te werken, om de levenstaak te begrijpen. Die taak ligt voor
ieder klaar. De enige vraag is: Wilt ge uw offers brengen?
Maar die vraag komt neer op deze eis: Verlochen uw eer, uw roem, uw
voordeel, uw zinnestreling, uw gemak.
En dat is wel eenvoudig, maar tevens buitengemeen moeilik.
Dood-eenvoudig betekent niet dood-gemakkelik.
Juist dat dood-eenvoudige vordert vaak àlles van ons. En daardoor is het
zo uiterst moeilik.
Maar wie zijn eigen kinderen te vondeling legt om een papieren Emile op
te voeden, geeft der wereld niet het voorbeeld, hoe zij vooruitgebracht
moet worden. Zoete herinneringen zullen hem nimmer 't harte strelen,
waar de eerste plicht verzuimd en de eerste deugd verkracht werd. Doch
het ergste is: hij voedt de mensheid op tot verwaarlozing ondanks al
zijn mooie taal.
Geen vooruitgang zonder persoonlike offervaardigheid.
* * * * *
Het spreekt wel vanzelf, dat ik in bovenstaande regelen geen beoordeling
van Rousseau geef, noch van zijn leven, noch van zijn denkbeelden. Ik
wil alleen naar aanleiding van de schrille tegenstelling tussen de
prachtige frasen en de lelike daden, de volle nadruk leggen op de tot
ons alles komende eis: Praat er niet over. Doe!
En die eis is dood-eenvoudig.
STRAFFEN.
Weet ge waar veel straffen het bewijs van is?
Dat er veel verkeerdheden in uw gezin of uw klas gebeuren.
En onder wiens leiding staat dat gezin of die klasse?
Gij straft dus de verkeerde gevolgen van uw eigen verkeerde leiding.
Veelvuldig straffen veroordeelt de opvoeder. Met elke straf corrigeert
hij zichzelf. Maar 't is een correctie, die zijn slachtoffer pijnigt.
DURVEN?
Naar aanleiding van mijn "Dood-eenvoudig IV" ontving ik de volgende
brief.
Geachte Heer Ligthart,
U durft.
Dit zeg ik niet, omdat u den moed toondet, in den vorigen
jaargang een paar anonyme briefkaarten te doen afdrukken, waarin
de schrijver zich zeer krenkend uitliet over uw ambt. U is wijs
genoeg, om te weten, dat zulke uitingen zich altijd keeren tegen
den schrijver. Die publicatie acht ik meer een bewijs van uw
menschenkennis dan van uw moed. Zulke bestrijding maakt altijd
de positie van den aangevallene sterker. De schrijver met zijn
tartend "U durft toch?"[4] kende u niet.
[4] De briefschrijver zinspeelt hier op eenige in School en Leven
ingezonden anonyme stukjes aan het adres van den redacteur,
onder 't motto: "U durft toch?"
Maar u durft in de practijk der opvoeding. Daarin durft u
waarlijk verder te gaan, dan ik ooit gezien heb. Dat u aan een
dertienjarige hoogere-burgeres de zelfstandige beslissing laat
over haar arbeid en haar ontspanning, dat is mij inderdaad een
waagstuk, dat ik u niet zou durven nadoen en ik denk hier de
overgroote meerderheid der ouders aan mijn zijde te hebben.
Ik heb ook kinderen van dien leeftijd en toevallig bezoekt er ook
een de H. B. S. Het is een flinke en heusch niet ongehoorzame
jongen, maar ik verzeker u, als ik hem de vrijheid liet, om te
gaan fietsen wanneer hij wilde, dat hij daarvan dan al spoedig
een veel te ruim gebruik zou maken en er weinig van zijn werk
terecht zou komen. Hij is gewoon mij alles te vragen, stoort zich
gelukkig aan mijn weigering of toestemming, al bevalt de eerste
hem niet immer, en bevindt zich daar wel bij. Ik houd er de hand
aan, en ik mag gerust zeggen: met goede gevolgen. Op de lagere
school is hij geregeld overgegaan, en op de middelbare school
gaat alles ook naar wensch: zijn werk is steeds af en zijn
cijfers zijn goed. Maar ik ben er gansch niet zeker van, dat
zulks het geval zou wezen, wanneer ik hem, naar uw advies, maar
gaan liet. Tal van voorbeelden zijn er toch, hoe jongens en
meisjes op H. B. S. en Gymnasium mislukken, doordat de ouders
te veel vrijheid laten. De jongelui gaan naar het sportterrein,
maken fietstochten, zitten in clubs, doen precies wat ze
willen--dat is natuurlijk nooit: lessen leeren--en het
eind draagt den last. Er komen slechte rapporten, er volgt
zittenblijven, ten slotte verwijdering of zakken.
Uw stukje opvoedings-practijk komt mij uiterst gevaarlijk
voor. Het is een loopen over het slappe koord. Slechts een
enkele brengt het kunststuk er heelhuids af, honderden
tuimelen naar beneden. Er zullen ouders zijn, verleid door het
"dood-eenvoudige", die bij allerlei verzoeken hunner kinderen
antwoorden: Dat moet je zelf maar weten. Dan zijn zij er van af.
De methode is waarlijk dood-eenvoudig, en voor de opvoeders zeer
gemakkelik. Maar die ouders zullen bedrogen uitkomen. De kinderen
die het zelf moeten weten, _zijn te jong, om het zelf te weten_.
Ze hebben de kracht niet, om zich tegen de verzoeking staande te
houden. Ze beseffen de noodzakelijkheid niet van hun geregeld en
nauwgezet arbeiden. Ze hebben nog niet een voldoend ontwikkeld
plichtsgevoel. En ze doen, wat ze laten--ze laten, wat ze doen
moesten.
Daarom achtte ik het mijn plicht, tegen uw methode ernstig te
waarschuwen.
Van uw bekende en gewaardeerde gastvrijheid, waarop ik rekenen
durf, maak ik gaarne gebruik, om mijn waarschuwing onder de oogen
uwer lezers te brengen. Als jarenlang trouw lezer weet ik, dat u
aan tegenstanders "het onweersproken woord" laat. Maar ditmaal
zou ik het toch op prijs stellen, wanneer u, mocht u hiertoe
aanleiding en lust hebben, wat dieper op de zaak inging en mij
even onomwonden te woord wilde staan als Dr. A. De kwestie is,
dunkt mij, een ernstig overwegen waard.
Hoogachtend,
Uw dw. lezer
G. de Haan.
Gaarne wil ik op dit schrijven antwoorden, te liever, omdat het zeker
de mening van zeer velen vertolkt. De heer De Haan windt er geen doekjes
om, waar hij mijn metode gevaarlik noemt en vreest dat ze honderden zal
doen tuimelen. Het verheugt mij, dat hij het daarom zijn plicht heeft
geacht, tegen die metode te waarschuwen. Dat hij het in zo krachtige
en besliste bewoordingen heeft gedaan, zonder ook maar een ogenblik
kwetsend te worden, bewijst wel dat men zakelik kan strijden zonder
persoonlik te krenken, een kunst, die bizonderlik in het worstelperk der
opvoeding moet worden beoefend. Laat ik mij aan hem spiegelen, waar ik
beproeven ga mijn zienswijze te verdedigen.
Twee uitingen troffen mij in de brief. Aan het slot spreekt de schrijver
van een gastvrijheid, waarop hij rekenen durft. Dit is een durven op
grond van ervaring. Hij wist wel, dat die gastvrijheid hem niet zou
worden geweigerd. Hij vertrouwde er op met volmaakte zekerheid. Dit
vertrouwen, deze ervaring, deze zekerheid ontnamen aan zijn durven al
het durven.
Wat zou hij ervan zeggen, als mijn durven--of eigenlik het durven van
die vader in mijn schetsje--ook niet de geringste moed vereiste, omdat
het gegrond was op ervaring? Die man maakte toch immers in 't minst niet
de indruk van een waaghals of een held? Hij was heel kalm en volkomen
zeker van zijn zaak. Hij zette zijn opvoedkundig fortuin niet op één
kaart, noch zijn kind op 't slappe koord. Hij ontwikkelde zijn kracht
in een paar simpele vragen en dwong het kind door 't kind zelf. En dit
deed hij met zulk een gemak, dat hij blijkbaar dit instrument meer
bespeeld had.
Deze opmerking brengt me tot de twede uiting. De schr. vreest slechte
gevolgen, wanneer hij de jongen, naar mijn advies, "maar gaan liet".
Doch waar heb ik dat ooit geadviseerd? Een kind maar laten gaan. Dat
is nog erger dan de Rousseausche zorg, om het schaap te vondeling te
leggen. Zo'n vondeling krijgt in het vondelingenhuis altans nog een
soort opvoeding. Maar laten gaan? Wat zijn de mensen toch slechte lezers
of partijdige formuleerders. Nooit heb ik aangeraden: Laat uw kind maar
gaan. Precies omgekeerd heb ik meermalen gezegd: Laat de kinderen tot
u komen en verhinder ze niet. Volg hierin Christus na. Stoot ze niet
van u, trek ze aan, houd de armen voor hen geopend, koester ze met uw
liefde, leid ze met uw wijsheid, vorm ze met uw willen. De kinderen
laten gaan? En dat zou ik geadviseerd hebben? Zie, zo verkeerd vatten
zelfs welwillende lezers iemands uitingen op. Wat moet er dan van de
kwaadwillende verwacht worden? En deze welwillende schrijver komt
gelukkig met zijn bezwaren nog in ons blad, gunt en vraagt me zelfs
nadere toelichting. Maar wat moet het gevolg zijn, wanneer kwaadgezinde
en ergdenkende critiek zich in andere bladen verkneukelt in haar
lasterlike voorstellingen? Dan vormen zich in sommige lezerskringen
totaal valse meningen, tot schade van de zaak waarom het gaat. Het
doet er natuurlik niets toe, of men omtrent een persoon bedriegelik
voorgelicht wordt. Maar het is van ernstige betekenis, met het oog op
het belang der kinderen, wanneer een opvoedingsrichting verkeerd wordt
gekarakteriseerd. En dit geschiedt, wanneer de handelwijze van de vader
in het schetsje wordt gelijk gesteld met de "Laat-maar-gaan"-metode.
De "Laat-maar-gaan"-metode wordt gevolgd, waar niet met de kinderen
wordt meegeleefd, waar men dientengevolge de kinderen niet kent, en
ze, al of niet, met tussentijdse afstraffingen, in vrijheid laat
verwilderen. Die tussentijdse afstraffingen veranderen niets aan de aard
dezer onmetode der zorgeloosheid. Of een vader zo nu en dan al eens
duchtig opspeelt en ranselt, als er eenmaal een kwaad gebeurd is, dat
maakt hem nog niet tot een zorgzaam leider. Die uitbarstingen herstellen
de verwaarlozing niet. Hij laat zijn kinderen gaan, totdat er iets
ernstigs voorvalt, en dan treedt hij op. Dit is natuurlik mis en dit is
nooit door mij aanbevolen. Dit is toch immers ook niet de tactiek van de
vader der hogere-burgeres? Hij kende zijn kind door en door, nog beter
dan de moeder het kende. Hij leefde als 't ware in het kind. Hij begreep
haar daden, zag haar gemoedsbewegingen, koos zijn middelen, voorkwam
haar afdwalingen, bewaarde 't kind voor de zonde, spaarde zichzelf het
straffen, en sterkte het weifelende meisje in willen en doen. Is dit het
kind maar laten gaan? De geachte schrijver weet wel beter.
* * * * *
Er is juist een treffende overeenkomst tussen het optreden van de heer
De Haan en dat van die vader. Namelik: _Dat beiden zich met hun kind
bemoeien_. En hierin staan ze _naast elkaar_ tegenover de
laat-maar-gaan-mensen.
Wat is echter het verschil?
Dat de heer De Haan, gelijk hij het zelf aanschouwelik uitdrukt, er "de
hand aan houdt", terwijl de ander 't zonder hand klaarspeelt. De eerste
bemoeit zich met alle bizondere plichten van het kind, de laatste alleen
met het algemene feit der plichtsvervulling. En dan kiezen beiden nog
verschillende middelen.
"Hij is gewoon mij alles te vragen, stoort zich gelukkig aan mijn
weigering of toestemming, en bevindt zich daar wel bij."