Ik moet dit artikel eindigen, en mij daartoe dwingen, want de verleiding

is groot uit de zeer rijke stof, welke het aangekondigde werk ons biedt,

telkens nieuwe grepen te doen. We willen de uitspraken van dit boek

telkens beamen en tegenspreken, we willen de verkondigde waarheden

verbreiden, de eenzijdigheden en dwalingen aanvullen en bestrijden.

Het zet ons aan den arbeid. Dat bewijst--de macht van het woord in dit

pleidooi voor de daad. Dat bewijst ook--de vrijheidsliefde van onze

geest, die zich niet laat nascheppen door ons vernuft, zelfs niet door

het vernuft van een Fröbel. Maar het bewijst bovendien--de bizondere

betekenis van deze man. Bij het insluimeren van de menselike krachten is

hij een opwekker geweest. Bij het misvormen der waarheden een hervormer.

Dat ook hij niet de weg heeft aangelegd, waarlangs wij voortaan te gaan

hebben, mag hem niet als verwijt worden aangerekend. Veeleer moeten we

ons er door laten waarschuwen, dat ook wij dwalen kunnen, dat wij dwalen

zullen, dat wij zelfs op 't ogenblik dwalen, wanneer we zo precies de

weg wanen te weten. Es irrt der Mensch so lang' er lebt. Dit leert ons

bescheidenheid. Voor moedeloosheid vrezen we daarbij niet. Want in ons

leeft het geloof. En zo gaan we verder,

Als Columbus 't hoofd omhoog gericht,

Op 't gebruis der wentelende baren,

In 't geloof, dat ginds een wereld ligt.

Juli 1910.

IX. DOOD-EENVOUDIG.

I.

Opvoeden is toch zo uiterst eenvoudig.

* * * * *

We waren eens in een zomerpension, waar nog al veel "opvoedkundigen"

hun vacantie doorbrachten, een predikant, twee leraren, een paar

onderwijzers en onderwijzeressen. Aan tafel werd er dientengevolge vaak

gedebatteerd over opvoedkundige kwesties.

Nu was er bij het huis pas een nieuw paviljoen gebouwd. De werklieden

hadden, gelijk dat voorkomt, heel wat rommel laten liggen en zo was het

zand in de onmiddellijke omgeving vol met stukjes glas.

Menig logé had zich daar al aan geërgerd. Je kon niet op de grond gaan

zitten, of liep gevaar op een minder aangename manier met scherpe

glaskantjes in aanraking te komen. Vooral voor de vele kinderen der

logeergasten was dat hinderlik. Wanneer die kleintjes in 't zand

speelden, kregen ze vaak een schram.

"Werklui voelen toch absoluut geen verantwoordelikheid," zei een

mevrouw. "Als zij hun rommel maar kwijt zijn, vragen ze er niet naar of

een ander er last van heeft."

"Alleen werklieden?" vroeg iemand.

De dame hoorde 't niet en ging voort: "Nu wisten die mensen toch, dat

hier kinderen moesten spelen. Zou er nu niet één gedacht hebben: laten

we die glasscherven opruimen, anders krijgen die kinderen nog een

ongeluk?"

"Kun je denken! Als zij hun geld maar hebben, kon de rest hun niets

schelen. Zo zijn ze."

"Alleen _zij_?" vroeg weer dezelfde stem.

Er ontspon zich een gesprek over het aankweken van het

verantwoordelikheidsgevoel. Dat ging tenslotte heel diep. De Bijbel kwam

er bij en ook de kwestie van de vrije wil. Intussen bleef het zand vol

glasscherven en glasschilfers. Die stoorden zich niet aan deze

discussie.

De eigenaar van het pension had natuurlik ook al menige klacht gehoord,

maar hij noch zijn vrouw kon in deze drukke dagen tijd vinden, om dat

zand te zuiveren.

Nu was er een oude heer, die zijn paedagogiese studiën gemaakt had op

een grote houtwerf tussen houtloodsen met stapels vuren en grenen delen:

de man was houtkoper. Hij kon niet aan de discussie deelnemen--deed het

altans niet. Hij zat maar rustig te eten. Ongehuwd en kinderloos,

interesseerde hem het probleem waarschijnlik niet.

Maar na tafel liep hij in zijn eentje naar die zandplek: hij wilde

blijkbaar ook wel eens zien, wat er aan de hand was. Toen ging hij naar

de keuken, vroeg daar een bak, keerde er mee terug naar het zand, zette

de bak in 't zand, zichzelf erbij, en ging aan 't oprapen:

glasscherven.

Het eerst werd hij opgemerkt door de kinderen. Die keken zijn spelletje

aan en volgden het na. Ook zij raapten glasscherven op en wierpen het in

de bak. Ze vonden het leuk. Zonder waarschuwing van hem waren ze uit

zichzelf voorzichtig genoeg, zich niet te snijden.

Toen kwamen de volwassenen, de heren en dames. Die zagen het ook aan,

maar bleven daarbij. Tenminste aanvankelik. "Snij je niet, Marietje!"

riep een moeder. De oude heer lachte in zichzelf en dacht: "Nu snijdt

Marietje zich natuurlik, want Moeder heeft haar rust weggenomen." En 't

kwam ook net zo uit.

Marietje sneed zich.

"Dat had ik wel gedacht," zei de moeder, "'t is ook geen werk voor

kinderen. Kom maar hier, kind!" En Moeder trok met Marietje's bloedende

vinger af naar huis en de wastafel. Die moeder hield er _haar_

paedagogiek op na.

Een twede moeder deed anders. Die raapte een stukje glas op, dat dicht

bij haar lag en bracht het in de bak. En nu ze dat eenmaal gedáán had,

schitterden haar ook de andere scherven in de ogen. Ze bukte zich,

telkens en telkens weer, eindelik ging ze er maar bij zitten en

verzamelde een handvol, om die dan in de grote bak te werpen. Wat

rinkelde dat!

Zij werd "gelijk de kinderkens". Ze dacht niet aan haar positie, niet

aan haar stand, zelfs niet aan haar japon.

Ze dacht ook niet aan het zedelike van dit werk, ook niet aan

persoonlike of algemene verantwoordelikheid, zelfs niet aan de Bijbel en

de vrije wil.

Ze dacht aan niets.

Alleen vond ze het leuk, die blikkerende plekjes uit het zand op te

rapen, te verzamelen, en in de bak te werpen. Ze was een kind. Ze genoot

als een kind--van het dóén. En dan ook van het zien, hoe telkens weer

een plekje gezuiverd was.

Nu volgden geleidelik ook de heren en andere dames. Sommigen met een

excuus jegens zichzelf, dat ze "toch buiten waren", waarmee ze zeggen

wilden, dat ze hier niet zo héél angstvallig hun waardigheid hadden

op te houden. Maar ze volgden toch--onderwijzers, leraren, dominé,

en de vrouwen. En binnen korte tijd lag daar een compleet regiment

straatreinigers, jong en oud, jassen en japonnen. 't Was een prachtig

gezicht, al die kleurige figuren in 't zand, en alle in diverse

zoekhouding, en alle, met gespannen aandacht, verloren in een gewichtig

werk: het zoeken en oprapen van glasscherfjes.

Die namiddag werd het hele terrein gezuiverd.

Twee volle bakken gevaar waren verwijderd.

En allen hadden plezier gehad.

De kinderen vonden 't zelfs jammer, dat 't uit was.

Zó eenvoudig is paedagogiek.

* * * * *

Die oude, ongehuwde, kinderloze houtkoper gaf daar college.

II.

Het huis was omringd door een tuin. Buurmans huis ook. Tussen beide

tuinen liep een aardig, smal paadje, met beukenheggen wederzijds. Dat

was dus net een groen gangetje. En als je er van voren in ging, kwam je

achteraan weer in de tuin. Het was eigenlik een laantje, dat buiten de

voortuin om naar de achtertuin leidde. Een echt laantje voor kinderen,

om er door te hollen.

Kleine Bertha was hier gelogeerd, een meisje van vijf jaar, een lief,

teer, ietwat schuw kindje.

Ze stond voor 't laantje, keek er eens in. 't Zag er toch zo leuk uit.

Toen deed ze een paar stapjes naar voren, als een muisje naar een val,

en waagde zich, heel in haar eentje, tussen de groene wanden. 't Ging

goed. Nu op een drafje. En ze draafde, klein meisje, moedig door 't

laantje, als je dat lichte zweven _draven_ mag noemen, toen opeens over

de heg van buurman een mannenhoofd verscheen, boven op een stuk lijf.

Bertha bestierf het haast van schrik. Ze schokte stil en holde

onmiddellijk daarop terug.

Doodsbleek en met angstige oogjes kwam ze bij Oom en Tante, die in de

voortuin tee dronken.

"Wat scheelt er aan, kindje? Gunst, wat ziet dat kind wit!"

't Kwam er bevende uit. In dat laantje was plotseling een mannenhoofd

verschenen met grote ogen en een zwarte baard.

Oom begon luid te lachen. "Kom, kom, dat is buurman geweest. Ben je

daar bang voor! Maar meid, je hoeft voor buurman niet bang te wezen. Die

zal je niet opeten. Ga jij maar eens met Oom mee." En toen tegen zijn

vrouw, heel wijs, zeker en vriendelik: "'k Zal 't haar meteen afleren.

Ze zal wel aanstonds zien, dat die angst ongemotiveerd is... Geef jij

Oom maar een handje."

't Klonk waarlik aanmoedigend en zacht genoeg, maar Bertha liet Oom

staan en gaf hem geen handje.

"Kom meid, je hoeft heus niet bang te wezen. Buurman houdt heel veel van

kindertjes. Misschien is hij ook al lang weg. En Oom is toch bij je?"

Allemaal waar, maar Bertha was niet te bewegen. Ze kroop dicht bij Tante

en drong zich tegen haar aan.

Nu voelde Oom zich een beetje boos worden. Hij gaf Bertha drie heel

gegronde motieven op, er was wezenlik geen enkele reden voor bangheid,

geen enkele, bovendien was het klaarlichte dag. Er kwam wat kortheid in

zijn stem, toen hij zei: "Hoor eens, Bertha, dat is nu eigenlik maar

onzin. Er _is_ daar niemand. Ga jij nu met Oom mee."

Maar, al probeerde Oom zijn opkomende wrevel heel braaf en liefjes

binnen te houden, Bertha voelde die toch in iets ongeduldigs en

dringends van de stem, en het enige gevolg was, dat het kind nóg dichter

bij Tante aandrong en begon te schreien.

Oom werd nu openlik boos. 't Was dan ook ergerlik, dat niet alleen zijn

redenering, maar zelfs zijn hele beschermende persoonlikheid werd

teruggewezen door de kuren van een vijfjarig kind.

"Wil Tante eens met je meegaan?" vroeg een zachte stem.

Nu begonnen de traantjes ineens rijkelik te vloeien. Die tederheid brak

de huilbui door. En het kleine lijfje schokte van 't snikken.

"Is dat nu niet rechtaf onzinnig?" vroeg Oom aan zijn vrouw.

"Och, laat haar maar."

"Nu, jij moet het weten, maar ik vind het verkeerd. 't Is het kind

toegeven en zo stijf je haar in die ongegronde angst. Ik zou 't haar

maar liever ineens afleren, dan was ze er doorheen."

Tante zei niets meer. Ze wist, dat haar man het voortreffelik meende,

maar ze wist ook, dat een affect niet door redenering wordt overwonnen,

en altans niet als het nog in zijn volle kracht is. Hoe ze dat wist?

Bij zuiver moeder-instinkt. En ze liet het kindje stilletjes kalmeren.

Oom ging zitten, nam zijn boek weer op, en hervatte zijn lektuur: een

studie over...

* * * * *

Een poosje later, toen 't kindje gekalmeerd was, zei Tante zo, als

zonder erg: "Tante schrok ook altijd zo gauw, toen ze nog een klein

meisje was."

Bertha hoorde het, al reageerde ze nog niet door een vraag.

"En eens," ging Tante voort, "schrok ik toch zó erg..."

Even zwijgen.

"Ik liep in de keuken en daar hoorde ik ineens gerommel in de

schoorsteen. Bomderdebom, en er viel een groot ding uit."

"Wat was dat?" vroeg Bertha met grote oogjes.

"Ik liep hard weg, de gang door, de trap op, de kamer in, net met mijn

neus tegen de tafel."

Bertha begon te lachen. Tante zei het ook zo komiek.

"Ja, jij lacht, maar 't was heus erg, mijn neus begon te bloeden, zó..."

en Tante wees met de vingers, hoe de bloedstraaltjes gelopen hadden en

de droppeltjes waren gevallen.

""Kind, wat is er!" zei mijn moeder. "Gauw naar de keuken, om je af te

wassen." En Moeder nam me op den arm, de trap af, de keuken in en wies

me bij de kraan lekker schoon."

"En wat was er nu?" vroeg Bertha.

"Wat meen je?"

"In de schoorsteen."

"O, dat was ik al helemaal vergeten. Maar het was een steen. Die was

boven in de schoorsteen, op het dak, losgeraakt, en naar beneden

getuimeld."

"En lag die toen in de keuken?"

"Ja, die lag heel rustig op de grond. Maar mijn neus begon op te

zwellen, en die werd wel zó dik."

Weer lachte Bertha, maar Tante wees ook véél te groot.

"Jij hebt maar niets geen medelijden met je arme Tante en met haar dikke

neus.--Maar eens schrok ik weer erg. En weet je, wat ik toen deed? Toen

liep ik niet weg. Maar toen ging ik kijken."

"Hoe was dat dan?"

Nu vertelde Tante een geschiedenisje, dat wonderveel leek op wat er

straks met Bertha gebeurd was. Bertha zag in dat verhaaltje een ander

klein meisje in een laantje lopen, hoorde de vriendelike stem van een

andere buurman, en zag plotseling het gezicht van die buurman over de

heg kijken. Zij zag de man lachen, maar ze zag ook, hoe het kleine

meisje verschrikte en hard wegliep. En dat kleine meisje was haar tante,

dezelfde tante die nu bij haar zat.

Maar Tante was nu toch een dapper meisje. Want toen Moeder haar gezegd

had, dat ze niet bang hoefde te wezen, dat het buurman maar was, en dat

buurman haar geen kwaad wou doen, alleen maar vriendelik gedag zeggen,

toen ging het kleine tantetje terug naar het laantje, en zonder

Moeder--hoort kleine Bertha 't wel? _zonder_ Moeder, helemaal in haar

ééntje--en ze stapte het laantje in, en toen buurman over de heg keek,

zei ze: dág buurman!

Bertha luisterde aandachtig, ook naar 't slot van 't verhaal: "En toen

liep ik het hele laantje door, en aan de andere kant weer de tuin in en

zo terug naar Moeder, en toen ik bij Moeder kwam zei ik: Dág Moe! Daar

ben ik weer."

Maar behalve Bertha had er nog iemand geluisterd, iemand die schijnbaar

in een wetenschappelijke studie verdiept was over de invloed van de

psychie op het physiek, en die iemand dacht: nu ben ik toch

nieuwsgierig, of dat helpt. Hij bedoelde: dat vertelseltje.

En jawel, hoor! Na een poosje drentelde Bertha het laantje in. Aan de

ingang bleef ze staan, net als een vogeltje, en ze draaide het kopje

langzaam links en rechts. Toen keek ze naar Tante, of die op haar

lette. Maar Tante was niet zo dom, de oplevende durf te verzwakken met

aanmoedigende woordjes. Ze was wijs genoeg om het groeiproces, dat in

haar onmiddellike nabijheid viel waar te nemen, zich ongestoord te laten

voltrekken. Ze keek niet naar Bertha. Ze schonk _al_ haar aandacht aan

een haakwerk, dat evenwel niet zoveel aandacht vorderde, of een heel

klein beetje kon ongemerkt wel om dat vogeltje zweven.

Daar deed Bertha een stapje vooruit, nog eentje. O, heerlik

zelfvertrouwen! Nu verdween ze achter de heg...

Zou ze?

Oom en Tante keken elkaar aan. Oom glimlachte. Hij liet zijn boek

liggen. Hij dacht zeker: wat kunnen die vrouwen toch in haar eenvoud

wijs en in haar ongeleerdheid verstandig zijn!

Of hoopte hij in stilte, dat de onderneming niet slagen zou? Dat Bertha

tóch weer terug zou krabbelen?

Helaas, zo boosaardig zijn sommige mensen. Niet het welzijn van 't kind,

maar de triomf van hún zienswijze begeren ze. En met leedwezen zien ze

het kind winnen, als hun gewichtigheid het daarbij moet afleggen....

"Dág Tante! Daar ben ik weer!" juichte een fijn stemmetje. En Bertha

vloog Tante om de knieën.

Oom sloot zijn boek, en zei: "Wat is opvoeden toch verduiveld moeilik!"

"Vind-je?"

III.

Waarde Heer Redacteur!

U schijnt tegen een krachtig optreden te zijn. Dat meen ik altans

uit uw beide schetsjes te mogen afleiden. Met een zoet lijntje

kreeg uw houtkoper-pedagoog het hele pension aan 't werk en met

een zoet lijntje kreeg Tante haar nichtje door 't laantje.

Met alle waardering voor uw goede bedoeling vrees ik toch voor

verwekeliking der individuen en van ons hele geslacht, wanneer de

opvoeding in die toon wordt gezet.

Ik zal u ook eens een verhaaltje vertellen en, evenzeer als ik

dat van uw schetsjes vertrouw, zuivere afspiegeling van de

werkelikheid.

Weet dan allereerst, dat ik--als predikant--behoor tot het door

u niet immer hooggeschatte leger der min of meer officiële

pedagogen. Nader wens ik mijn betrekking niet aan te duiden.

Ook ik ben vader.

Welnu, ik heb een jongen van zes jaar. Wanneer ik met hem

alleen wandel, weet hij heel aardig te babbelen, maar nauweliks

ontmoeten we iemand, of het lijkt wel of zijn spraakorganen

bevriezen. Op alle vragen geeft hij eenvoudig geen antwoord,

tenzij een heel gebrekkig. Dan is zijn houding onbeleefd, bij 't

lompe af. Of de mensen hem vriendelik aanspreken of beslist op

een antwoord aandringen, hij blijft zwijgen. Alleen krijgt hij

een hoge kleur en wordt onrustig.

Ik wil u eerlik zeggen, dat deze houding mij meermalen in de

hoogste mate heeft geërgerd. Het kind _kan_ spreken, kan heel

goed zijn woord doen, dan _zal_ hij ook spreken. Zijn zwijgen

beschouw ik gewoon als malle kunsten, die hij af moet leren. En

ik vind het ook niet te pas komen, dat hij mij tegenover vreemden

een gek figuur laat maken door hardnekkig zijn mond te houden.

Nu heb ik hem dat onlangs kort en goed afgeleerd. Hij had me weer

in tegenwoordigheid van derden laten aanpraten tot grote ergernis

niet alleen van mij, maar ook van mijn vrouw. Toen heb ik hem

tuis een flink pak voor zijn broek gegeven. Ik verkoos niet

langer door mijn eigen kind niet gehoorzaamd te worden en achtte

het ook voor hem heilzaam om over die schuwheid of wat het wezen

mag te worden heen gebracht.

Begrijpelikerwijze heb ik dat niet met plezier gedaan.

Maar de beste voldoening was toch het succes bij de jongen.

Sinds de kleine kastijding--natuurlik heb ik het kind niet

afgeranseld--is hij veranderd. Wanneer we nu iemand op de

wandeling ontmoeten, geeft hij behoorlik en fatsoenlik antwoord.

't Gaat wel niet van harte, maar hij doet het toch. Ik eis geen

hele verhalen, maar wel, dat hij beleefd en zakelik antwoordt.

Ik wil u hierbij nog een confidentie doen. Ikzelf ben eigenlik

verlegen, zelfs wat schuw. Daar heb ik in mijn leven veel hinder

van gehad en 'k heb er nóg last van. Nu wil ik mijn jongen de

onaangename moeilikheden van zijn vader besparen.

U zult me verplichten met het opnemen van deze brief en het

daaraan onomwonden toevoegen van uw mening over de opvatting en

handelwijze van

Uw belangstellende lezer,

Dr. A.

* * * * *

U vraagt, waarde Heer, mijn onomwonden mening, welnu, ik zal ze naar uw

verlangen geven.

Laat ik dan allereerst zeggen, dat ik niet tegen een krachtig optreden

ben en daar ook nooit tegen geweest ben. Integendeel: alleen krachten

kunnen krachten bedwingen. Dit is in de physieke, dat is ook in de

zedelike wereld waar.

We moeten echter kracht niet gelijk achten aan hardheid.

Het is u toch niet onbekend, dat liefde, zachtheid, tederheid, geduld,

wijsheid vaak buitengewone kracht ontwikkelen en menig stug, onwillig

gemoed dwingen tot toegeven, tot buigen, dat door hardheid zich zou

hebben geconcentreerd tot één compacte wil van verzet.

Men kan ijs kapot hakken met bijlen. Dan verbrijzelt men de vorm.

Het kan ook smelten onder zonneschijn. Dan verdwijnt het in zijn wezen.

Al zijn zonnestralen niet gewoon en ook niet in staat, op iets los te

beuken--wie zal ontkennen, dat ze enorme kracht doen werken?

Heel de aarde leeft onder de dwang van zonnekracht.

Opvoeding zonder dwang acht ik ondenkbaar.

De vraag is slechts: welke dwang.

De dwang van physieke overmacht?

Die is alleen in staat de verzets_verschijnselen_ te bestrijden. Hij

tast het verzet niet in zijn hart aan. Uiterlik wordt gehoorzaamd met

innerlike onwil.

Deze dwang is mij niet compleet genoeg. Hij laat een groot, het

belangrijkste deel van het te beheersen gebied buiten zijn invloed.

Dan is pas de dwang volkomen, als hij de onwil heeft overwonnen, als hij

de wil heeft omgekeerd. Zo totaal, dat de gedwongene, ook in volmaakte

vrijheid, niet anders kan doen, dan hetgeen de opvoeder tot zijn heil

begeerde.

Wat u wil--vergeef mij, dominé, dat ik u dit zo ronduit zeg--dat is: de

kinderen met de hel grootbrengen. Pijn van vlammen of pijn van klappen,

het is al eender. Het is lichamelike pijn. En vrees voor klappen of

vrees voor vuur, ik zie geen verschil. Het is vrees voor pijn, die

in geen oorzakelik verband staat met het bedreven kwaad. Daar is een

wil--de wil van de goddelike of menselike opvoeder--die een straf

oplegt. Het kind begrijpt er niets van, voelt alleen de pijn, en weet,

d. w. z. verneemt, dat hem die voor zijn gedrag is aangedaan. Maar die

pijn tast zijn verkeerdheid niet in haar wezen aan, zoals b.v. vochtige

lucht ijzer aantast en dit als ijzer doet verdwijnen.

Daarom mag een opvoeder met deze dwang tot uiterlikheden niet voldaan

zijn. Verre van mij, iemand hard te vallen, wanneer hij in nood deze

dwang aanwendt. Doch berusten in een onvolkomenheid is iets anders dan

deze aan te prijzen.

Dan pas mogen we tevreden zijn met onze middelen, wanneer ze zedelike

kracht in de kinderen hebben ontwikkeld. Vreest ge daarbij voor

verwekeliking? Dat is een vrees, die Christus zou loslaten terwille van

Hercules.

* * * * *

Doch nu 't geval zelf.

Het onbeholpen zwijgen van uw kind ergerde u. Waar hij tegenover u best

kon spreken, verkoost ge dat hij het ook tegenover vreemden zou doen.

Vergeef me, maar ik zie hier iets tirannieks en iets doms in.

Vele ouders misbruiken hun oudermacht, door hun kinderen te betrekken in

de manieren der volwassenen. Dan moeten die kinderen iedereen een handje

geven, liefst nog een zoentje erbij--ofschoon dat wegens hygièniese

redenen de laatste tijd verboden en verdwenen is. De kinderen moeten

zeggen: "Dag Meneer! Dag Mevrouw!" Een enkel maal ook: "Hoe vaart u?"

En dan antwoorden op de vragen, die de vreemden met voorgewende

belangstelling tot hen believen te richten.

Men schijnt niet te begrijpen, dat kinderen in een heel andere wereld

leven dan de groten, dat ze zich niets om het welvaren dier groten

bekommeren en ook niet vermoeden, dat ze die groten enige belangstelling

inboezemen.

Ik vind dat dresseren der kleinen tot de beleefdheidsvormen der

volwassenen een overbodige en schadelike plagerij. Overbodig--omdat de

kinderen zolang ze kind zijn niet de rol der volwassenen behoeven te

spelen. En schadelik--omdat de kinderen zo in hun natuurlike uitgroei

worden belemmerd. Laat het kind kind blijven, dan behoeft men volstrekt

niet bevreesd te zijn, dat ze lomp, onbeleefd, ongemanierd zullen

worden. Wanneer de ouderen onder elkaar welwillend, beleefd, en

gemanierd zijn, bootsen de kinderen dat gaandeweg vanzelf na, en als de

tijd daar is, gedragen ze zich even fijn als de ouderen, maar nu met de

natuurlike gratie, die het ongedwongene en onbevangene kenmerkt en zo

bekoorlik maakt. Door vroegtijdige dressuur wordt veel kinderschoonheid

bedorven. Die kunstenmakerij is alleen gemakkelik voor ouders, die zich

minder druk maken over de innerlike cultuur der kleinen en deze maar

gauw met wat schijn maskeren. Overigens is ze een kwelling voor 't jonge

goed.

Hebt u wel eens gezien, op wat leuke manier kinderen met elkaar

kennismaken? Ze geven geen handjes, kijken malkaar even aan, en dan

begeeft de nieuweling zich aanstonds in het spel. Op z'n hoogst vraagt

hij: "Hoe heet je?" (Nooit: Hoe heet _u_.) Maar dat is alles. Ze leren

malkaar kennen in het gemeenschappelik spel, en trekken dan malkaar aan

of stoten malkaar af.

Verbazend aardig is het ook, te zien hoe kleintjes geheel uit zichzelf

naar volwassenen gaan, als ze die nodig hebben. "Meneer, wil u me even

op die schommel zetten?" Nooit heeft het kleine ding Meneer "een handje"

gegeven, maar ze weet hem best te vinden. "Meneer, weet u ook hoe laat

of 't is?" Deze vraag wordt door kinderen dikwijls tot wandelaars

gericht. Dan verzamelt zo'n klein meisje al haar vrijmoedigheid en loopt

regelrecht op de wandelaar af.

De houtkoper-pedagoog, die man van de glasscherven, bemoeide zich haast

nooit uit zichzelf met de kinderen, maar 't was eigenaardig hoe de

kinderen zich vaak tot hem richtten. Eens heb ik met grote oplettendheid

gadegeslagen, hoe een heel verlegen meisje van drie jaar hem opzocht.

Het kind kleurde als je maar uit de verte naar haar wees. Ze meed de

kringen der volwassenen. Maar op een dag ging ze vlak voor 't open

venster van zijn zitkamer staan en keek naar binnen. Dat was nu precies

een vogeltje. Het kopje draaide links en rechts, de heldere oogjes

tuurden. Toen legde ze steentjes op zijn kozijn. Telkens raapte ze

steentjes op en die legde ze daar neer. Het kindje had blijkbaar

opgemerkt, dat de man zich voor steentjes interesseerde--hij beoefende

wat geologie--en bezorgde hem nu materiaal.

Is dit nu niet wonderlik? Buiten de dwang der conventie-beleefdheid

openbaarde dit schuwe kindje een zo fijne en lieftallige belangstelling

voor de liefhebberij van die oude man, dat ze een verborgen opmerker

wel moest ontroeren als iets bizonder moois. En zulke schoonheid wordt

vernield, neen reeds vóór haar ontspruiten bevroren door de ijskoude

strengheid ener vormelike dressuur.

* * * * *

En dient uw jongen dan zijn schuwheid niet af te leren?

Ik wil aannemen, dat dit uw enig doel was en zich in de klappen niet

hoofdzakelik gekrenkte vadertrots lucht gaf. Het komt voor, dat

de houding van onze kinderen en leerlingen ons niet pijn doet om

hunnentwil, maar omdat ze onze ijdelheid kwetst. Doch ik wil u vrij

achten van deze algemene zonde en dan blijft alleen de vraag: Was dit

het middel, om uw doel te bereiken? Dit nu betwijfel ik niet slechts,

maar ik betwist het.

Verspreide Opstellen, I · 第 7 / 14 段