Ook zijn gevoelig, zijn liefdezoekend en liefdegevend hart. Menig kind
ondergaat dezelfde jammeren, maar groeit er onverschillig en vrolik door
heen. De ontgroeningspraktijken worden niet alleen in het studentenleven
spoedig vergeten en straks op nieuwe slachtoffers genadeloos toegepast.
Ook de opvoeders, ook de ouders houden er vaak zo'n door de gewoonte
gewijde, neen, door liefde-arme onnadenkendheid gehandhaafde
ontgroeningskuur op na. En evenals onder de academiese jongelingschap,
het zijn de teergevoeligste harten, die het smartelikst lijden onder die
ruwheid en dwingelandij, maar die straks dan ook het vurigst ijveren
voor verbetering ten bate van wie na hen komen.
Fröbel's opvoedingsprincipe dankte hij aan zijn jeugdervaringen, zeker,
maar toch daarnevens aan iets anders--aan de in hem werkende liefde,
die zocht naar het heil der kinderen. Te Rudolfstadt sprak hij op een
onderwijzersvergadering: "Ik arbeid daarvoor, dat het Christendom
verwezenlijkt worde onder de menschen." Wie dús zijn levensarbeid opvat,
wordt--al bereikt hij natuurlik zijn doel niet--een zegen voor de
mensheid en de kinderwereld. Hij zoekt, en vindt.
* * * * *
Fröbel zocht en vond. En mij dunkt, we doen hem geen onrecht, als we van
hem getuigen, dat hij de _levende_ mens en dus ook het _levende_ kind
weer vond, weer terugvond. Dit klinkt wellicht zonderling. We behoeven
echter onze eigen tijd, onze eigen wereld maar te zien, om te begrijpen,
dat dit niet zo zonderling is.
Als we de opvoeding, of wat daarvoor doorgaat, in menige kring
raadplegen, blijkt het al gauw, dat men in de kinderen en ook in de
mensen geen levende wezens ziet. Ze zijn van klei, poppen van klei, met
een inwendig mechaniek. Die poppen kunnen gekneed worden naar onze zin,
dat mechaniek in werking gesteld naar onze lust. Poppen met een werktuig
er in--een soort automaten dus.
Het is verwonderlik, hoe onnozel vele opvoeders, ook vele onderwijzers
zijn in deze materie. Ze gevoelen in zichzelf, dat ze, ondanks allerlei
dwingende krachten van buiten af, iemand zijn, dat er iets eigens
in hen leeft. Als ze in hun handelen en spreken zich richten, zich
richten moeten naar de heersende machten, handhaven ze in hun denken
toch hun eigen geestelik leven. Ze koesteren een innerlik willen,
en scheppen, waar het gebied der werkelikheid hun ontzegd is, in
hun verbeeldingsleventje een eigen wereldje. Uiterlike slavernij kan
maskeren, maar niet dooden hun innerlik leven. Dat ervaart ieder voor
zichzelf. Maar niettemin, nauweliks treden deze menschen als leiders,
als opvoeders, als machthebbers tegenover anderen op, nog wel in het
belang dier anderen, of ze vergeten, miskennen altans eigen ervaringen
en doen precies, of hun kinderen, hun minderen géén eigen leven
hebben. Ze leggen het zwijgen op, dwingen tot stipte navolging van
voorschriften, noodzaken tot doen (liefst ook tot denken) op bevel,
en willen van de levende naturen gehoorzame werktuigen maken. Een
bedriegelike kwekerij van huichelaars.
Deze algemene, maar toch domme heersersmanie, schijnt voort te vloeien
uit een kortzichtige overschatting van eigen inzichten. Men merkt haar
in 't klein en in 't groot. Bij rechtzinnigen en vrijzinnigen. Bij
behouders en hervormers. Zij is het illiberale bij de liberalen,
zij veroorzaakt de onverdraagzaamheid der vrijdenkers. Ge moog
vrij-denken--op mijn manier. Wanneer ge u vrijwillig houdt aan uw
Bijbel, aan uw Kerk, zijt ge door mij reeds veroordeeld tot een domper.
Ge moet, zo niet mijn leer, dan toch mijn beginselen, mijn methode
onderschrijven. Aldus eist de vrijdenker. Hij zou, hadde hij de
oppermacht, zijn vrijdenkersideaal de wereld--opleggen. Zoals men het
kan bijwonen van anarchisten, die geen regering dulden dan--de hunne!
Weg met hen, die niet vrij willen wezen onder onze dwinglandij! In naam
der vrijheid--naar de guillotine! Elke kop af, die niet vrij kan
denken--als de onze!
Het is een wonderlike wereld. Kerkeliken en niet-kerkeliken geven in de
geschiedenis elkaar niets toe in heerszieke onverdraagzaamheid. En dit
bewijst voor mij de armoede aan geloof. Die geloven, haasten niet. Die
vertrouwen, dwingen niet. Doch men haast naar de macht. En dan dwingt
men tot volgen. Zo doet men in 't groot, en in 't klein. We kunnen
geen andere levensuiting verdragen, dan de onze. Maar--zo dwingen
we het leven naar de dood. Gelukkig geen volslagen dood. Een rijke
plantenwereld mag verharden tot steenkool, in die kool is zonne-energie
geweest, toen de plant nog leefde, en die zonnekracht is er in gebleven,
door alle eeuwen van duisternis of stilstand heen. En eenmaal is gekomen
of komt de mens tot dat versteende leven, roept de slapende krachten
wakker en daar ontstaat een nieuwe wereld uit de schijnbare vergane
oude. Een wonderwereld, stoom en elektriciteit leeft en schittert boven
de verstijfde en donkere koollagen in de diepte der aarde. Nieuw leven,
neen oud leven treedt verjongend op. Maar eerst moet de spade worden in
de grond gestoken, het houweel botsen tegen de zwarte rots.
Fröbel zag het licht in de duisternis, het leven in de verstening,
de zon in de nacht. Hij riep, gelovend in het leven, dat leven te
voorschijn. En naar de wetten van dat leven zou hij nu de ontwikkeling
leiden, de opvoeding inrichten.
* * * * *
Juister en mooier kan het zeker niet. Bestudeer het leven, ontdek de
wetten waarnaar het zich ontwikkelt en volg die. Zo doet men ook met de
onbezielde natuur--en een wondervolle cultuur van planten en dieren, een
sprookjesachtige wereld van werktuigen ontstaat onder ons oog, onder
onze leiding. En zo wil de socioloog ook doen met het samengestelde
organisme, dat maatschappij heet. Ook deze natuurverschijning vormt zich
en groeit uit naar heersende wetten, en wie dus de maatschappij in haar
ontwikkeling wil bevorderen, moet de wetten leren kennen om dan al zijn
maatregelen te nemen in overeenstemming met die wetten. Geen regeling
van natuurleven buiten en dus tegen de daarin werkende wetten om. We
moeten die wetten als 't ware in de hand werken, de natuur niet in haar
eigen leven en streven belemmeren.
De beschouwing schijnt juist en mooi. Er zijn echter enige moeilikheden
aan verbonden. Wie durft beweren, dat--laten we alleen bij Fröbel
blijven--al de tegenstand, de onverschilligheid, de laster, waarmee
hij te kampen had, _niet_ was naar heersende wetten in het leven der
mensheid, dus der natuur? Wanneer honderden en duizenden van Fröbel's
voorgangers en tijdgenoten de kinderen knelden in banden van conventie,
hen dom hielden met een papagaaienopvoeding, hen dwongen naar leugen en
list, was dit dan misschien een wijze van doen, geheel vreemd aan de
menselike natuur en liggende buiten haar wetten? Maar overeenkomstig
welke wetten was dit "verwaarlozen van de wetten der natuur" dan wel?
Men kan toch bezwaarlik spreken van een menselike willekeur buiten
echt-menselike invloeden, dus buiten natuurmachten om. Dat zou zo iets
wezen van een buitenissigheid, een stuk leven buiten het leven, een
stuk natuur buiten de natuur, dus een ondenkbaar ding. We spreken zo
gemakkelik van een opvoeding volgens de wetten der natuur, maar dan
schakelen we in onze beschouwing maar even gauw alle factoren uit, die
niet passen in _de_--ik bedoel _onze_ wetten der natuur, in de door ons
gewenste, door ons slechts geziene en erkende. En heel wetenschappelik
redenerende over _de_ natuurwetten, zitten we midden in ons eigen
willen. We maken een natuur naar onze wensen, werken volgens wetten die
in onze verbeelding een onaantastbare autoriteit hebben. En--we worden
teleurgesteld. Natuurlik. We hadden ons _niet_ aan de natuur gehouden.
Een mens is zo knap in het weggochelen van hetgeen niet in zijn
beschouwing past. Er zijn niet alleen in Zuid-Afrika struisvogels, die
hun kop verbergen om de dreigende gevaren niet te zien. We hebben aan
het onwelkome slechts den rug toe te wenden, en het bestaat niet voor
ons. Maar achter die rug blijft het niettemin leven en werken, ons
eenzijdig streven bestrijden. En nu behoeven we bij deze blindheid
voor het ons niet passende nog geenszins aan bewuste, opzettelike
zelfverblinding te denken. Zelfbedrog zou geen zelfbedrog wezen, als
we ons er van bewust waren. Maar de bekrompenheid van onze aanleg, de
beperktheid van onze geestelike blik, de eenzijdigheid van ons willen
veroorzaakt, dat we niet anders kunnen dan--falen. We hebben slechts
ónze kijk op de dingen en dat is de kijk van iemand, die niet buiten
zichzelf kan treden, die dus in al zijn beschouwingen blijven moet
binnen het enge cirkeltje van zijn eigen persoonlikheid. Daardoor zal
ons zien, ons denken, ons doen, daardoor zal al ons werk onvolkomen
zijn. Daardoor, wanende te slagen in strenge gehoorzaamheid aan de
natuurwetten, mislukken we door eigen kortzichtigheid, door het
verwaarloozen van enige factoren in het natuurgebeuren, die we bij
het opmaken van ons product eenvoudig niet hadden meegerekend.
* * * * *
Het schijnt mij toe, dat Fröbels reactie op de heersende
opvoedingswijze, dat zijn opvoeden door doen, door scheppend doen, niet
vrij was van een eenzijdigheid, die haar geen onbeperkt succes kon
waarborgen. Wanneer onze ontwikkeling alleen beheerst werd door hetgeen
we deden, en dan nog wel door hetgeen we deden met eigen beeldend
vermogen, zou het er met die ontwikkeling treurig uitzien. Fröbel mocht
zich verklaren tegen Pestalozzi's beginsel van aanschouwing, hij kon
toch niet blind zijn voor het feit, dat een overgroot deel van ons
geestelik bezit alleen door aanschouwen wordt verworven. En hij mocht
terecht de alleenheerschappij van het woord bestrijden, hoe zou hij heel
het rijke materiaal van de geschiedenis der mensheid, heel de wijsheid
van het voorgeslacht onder het bereik der leerlingen brengen zonder dat
gesmade woord? Een opvoeding, die met terzijdestelling van woord en
aanschouwing, alleen de scheppende daad als middel aanwendt, moet
noodzakelik tot geestelike armoede leiden, hoezeer dan ook door de
samentrekking der geestelike krachten op beperkt gebied karaktersterkte
mocht worden gewonnen. Woord, aanschouwing en daad moeten samengaan;
aanhoren, zien en nadoen zijn onmisbaar, zal het kind niet, wat het aan
intensiteit van karakter wint, moeten inboeten met een al te beperkte
geestelike horizon. Hiermee is natuurlik de superioriteit van het doen
niet gelochend, slechts zijn alleenheerschappij veroordeeld.
We kennen allen de mooie gelijkenis van "Een zaaier ging uit om te
zaaien". Zonder de woorden van Jezus, zonder het overbrengen dier
woorden door de evangelisten, hadden we haar nooit vernomen. En geen
mens, geen kind blijft buiten haar verlichtende en waarschuwende
invloed, als we navertellen, hoe een deel van het zaad op den weg viel
en door de vogelen des hemels werd opgegeten, hoe een ander deel op de
steenrots viel en daar verdorde, hoe weer een ander deel verstikt werd
door de doornen die er mee opwiesen, maar hoe ook een deel, in goede
aarde gevallen, honderdvoudige vrucht voortbracht. Hoe zouden we, zonder
het woord, ooit deze schone en ernstige gelijkenis hebben genoten en ter
harte kunnen nemen?
Nu is er een plaat, uitgegeven door Callenbach te Nijkerk, waarop de
inhoud van dit verhaal is veraanschouwelikt. In 't midden schrijdt
rustig en met ernstig gelaat een zaaier, zijn zaad uitstrooiend ter
zij van zijn pad, en om die hoofdfiguur heen zien we vier kleinere
voorstellingen, die het succes van zijn arbeid vertonen: links boven
pikken de vogels de korrels op van de weg, rechts boven verdroogt het
zaad op de kale steenen, links beneden zien we slechts hoog opgeschoten
doornen en distelen, rechts beneden slanke halmen met lange en volle
aren, overbuigend van zwaarte. Die plaat was in een kamer, waar les
gegeven werd in Bijbelsche geschiedenis, aan de wand gehecht, en toen
een der leerlingen de vier groepen zag, om de hoofdfiguur geschaard,
riep het kind opeens, spontaan: "Nu zal ik die geschiedenis nooit weer
vergeten, kijk, je _ziet_ het voor je, vogels, stenen, distels en aren,
en de zaaier in 't midden."
Dat is de waarde der aanschouwing. Zij maakt het woord aanstonds
helderder, sprekender. Aanschouwing is een _mededeeling_, niet minder
dan het woord, maar zij spreekt in vormen en in kleuren, in stede
van in klanken. Zij zegt iets tot de ogen, waar het woord zich tot
de oren richt. En waar de mens beide zintuigen heeft, en velen--de
visuelen--gemakkeliker en nauwkeuriger opnemen door het oog dan door
het oor--de auditiven--, zou het een schromelike miskenning van onze
organisatie en een onrechtvaardigheid jegens veler aanleg zijn,
wanneer de aanschouwing buiten opvoeding en onderwijs werd gehouden.
De plotselinge uiting van het kind bij de plaat is een opvoedkundige
les, die tegen heel wat theorieën opweegt: Laat de kinderen _zien_. Een
plaat, een voorwerp bij het woord, en dit woord krijgt aanstonds een
rijker inhoud. 't Neemt gestalte aan, glanst in kleuren, 't licht op uit
zijn nevelwereld.
Echter, hoezeer het kind mocht uitroepen, dat ze het gehoorde verhaal nu
niet meer vergeten zou, daarom was de gelijkenis van de grote Zaaier nu
nog niet tot haar hart en geweten doorgedrongen. Ook al wordt dit mooie
verhaal niet door de beslommeringen des levens, door de zonden des
harten verduisterd of verdreven, daarom is het nog geen waarheid, geen
diepgevoelde en volmondig erkende waarheid geworden. Ons kind zal in het
leven gaan, zal jonge vrouw, zal moeder worden, zal haar kinderen wijze
raad, onmisbare lessen geven, en ze zal _ervaren_, ja _ervaren_, dat
een deel van haar zaad de buit der vogelen wordt of wegteert op harde,
ontoegankelike bodem, verstikt tussen het onkruid. Nu weet ze pas, nu
door smartelike ervaring, wat die gelijkenis betekent, nu ze zelf
gezaaid heeft en zo ontmoedigende gevolgen ziet. Nu begrijpt ze de
droefheid van den Heer, die liefdevol zijn zaad des eeuwigen levens ook
uitstrooide in haar hart en het moest zien, ja hoopvol ontkiemen, maar
daarna spoedig in zijn groen verstikken door de distelen der onreine
begeerten, der lagere lusten. De woorden had ze vroeger gehoord, en ook
wel begrepen; de beelden had ze vroeger gezien, en ook onuitwisbaar in
haar geheugen bewaard; maar toch, eerst het zelf zaaien, het zelf zaaien
met kostbaar zaad, het zelf zaaien in de akkers van haar eigen gronden,
het zelf zaaien in de harten van haar eigen kinderen, haar zo geliefde
kinderen,--deze _daad_ met haar gevolgen deed het zaad van Jezus pas
goed doorschieten in haar eigen hart. Toen pas was de gelijkenis van de
zaaier voor haar leven en volle werkelikheid geworden. Een mens moet
horen, om te vernemen; zien, om beter te onthouden; maar doen, om ten
volle te verstaan.
Wat maken wij, wijze paedagogen, echter onderscheid tussen de leerwijze
van het woord, die der aanschouwing en die der daad, alsof alleen de
eerste op mededelen uit was en de beide andere niet. Is het wellicht
geen mededeling, wanneer de beelden het ons ziende zeggen, of als de
ervaring het ons levende leert? "Het leven zal het hem wel leren," zegt,
ten einde raad, de opvoeder ten opzichte van de weerspannig eigenwijze
pupil. Het leven. Zeker. Dit leert. Dit deelt mede. En in een taal, die
vaak hard is om te horen, maar die gehoord móét worden. 't Is alles
mededeling. God heeft ons iets te zeggen. Wij hebben te luisteren.
* * * * *
Natuurlik wist Fröbel dit ook wel. Zijn strijd tegen woord en
aanschouwing ging niet tegen die beide als zodanig. Hij wist wel, dat de
Natuur aanschouwd, dat de Geschiedenis gehoord moest worden. Maar ach,
zo vaak ontaardt de aanschouwing in een levenloos het oog richten naar
het ding, zo vaak het luisteren in een levenloos opvangen van klanken.
Niet het oog ziet, maar de ziel. En daartoe gebruikt ze het oor. Wat
doet echter de school? Wekt ze het leven der ziel? En laat ze haar
dorstend drinken van de rijke schepping, hongerend eten van de wijsheid?
En de kerk? Wekt ze het leven der ziel, zodat deze met den psalmist
uitroept: "Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzóó
schreeuwt mijne ziel tot u, o God"? School en Kerk, of juister gezegd,
wij mensen die haar al te slecht vertegenwoordigen, wij brengen zo vaak
de dood in plaats van het leven. Niet het woord heeft schuld. Waar dit
drager van leven is, overbrenger van geestelik leven, en dus zelf van
leven trilt, wekt het leven op, deelt het leven mee. Het woord is een
geestelike accumulator. Dat kán immers niet anders. Voortgebracht door
zielekracht, draagt het die de eeuwen en de wereldstreken door. Maar
als wij zulk een geestelike accumulator gans en al omwikkelen met de
niet-geleidende stoffen van gevoelloosheid en onbegrip, van sleur en
onverschilligheid, hoe kan de inwonende electriciteit dan naar buiten
uitslaan? Woorden zijn zaadkorrels, die een levenskiem inhouden. Maar
hoe kunnen de kiemen uitgroeien, als wij ze maar domweg rondstrooien op
ontoebereide grond? En daar zit de fout. Men speelt met zaadkorrels of
het zandkorrels waren. Bijna zou ik zeggen, als het niet al te onmogelik
klonk: men máákt er zandkorrels van en daaronder begraaft men de
geesten. Zoals de graanschepen en pakhuizen gevuld worden met stromen
gele korrels, zo vult men de hoofden der luisterende scharen. Met
scheppen en zakken, de laatste tijd zelfs met elevators en luchtkanalen
wordt het er in gevoerd. Niet om daar te ontkiemen, maar om er bewaard
te worden, en als de tijd daar is, weer even mechanies te worden
uitgevoerd. Niet het woord heeft schuld. Maar wij, die in perioden
van geestelike inzinking en versuffing, aan het zaad zijn bestemming
onthouden en er, als kleine kinderen, winkeltje mee spelen.
Natuurlik wist Fröbel dit alles. Hij, die gezien had hoe in de kinderen
een drift tot doen werkte, hij had natuurlik ook ervaren, hoe in die
kinderen een honger naar horen was. Zij willen voortbrengen, maar ook
luisteren. Nauweliks zet moeder zich neer en begint ze de toverwoorden:
"Er was eens", of de kleinen laten zelfs hun speelgoed, hun eigen
scheppingen liggen, om zich over te geven aan de scheppingen van
anderen. Een verhaaltje! Indien er iets in staat was, om een heele
theorie van uitsluitend "leren door doen" met één slag omver te werpen,
het is het simpele verhaaltje. Moeder de Gans lokt nog altijd de kleine
studenten sterker dan een gediplomeerd Handenarbeider. Maar goed
luisteren _is_ doen, zowel als doen menigmaal niets anders is dan
gedachteloos napraten met de vingers. Er is een actief luisteren en
een passief handelen. Er is een opvoedend aanhoren en een geestdodend
uitvoeren. De vraag is maar, hoe de stand der ziel is ten opzichte
van het gehoorde woord en de verrichte daad. En die stand der ziel
wordt bepaald door aanleg, door omstandigheden, doch ook door de
persoonlikheid van de opvoeder. Helaas, dat menig opvoeder bij de
vervulling van zijn taak te weinig bezield is, om met zijn woorden de
jonge zielen op te wekken, te voeden, te sterken, te prikkelen, te
bezielen, en dat daardoor de woorden de schuld hebben te dragen van een
euvel, dat alleen aan de gebruiker te wijten is. Een euvel, we merkten
het reeds op, dat ook de daad kan aankleven.
* * * * *
Wanneer mijn onderstelling juist is, dat Fröbel in zijn beschouwingen,
als natuurlike reactie, de grote betekenis van het woord wat veel
veronachtzaamd heeft, kan daaraan veler miskenning van zijn streven voor
een deel te wijten zijn. Voor een ander deel moet deze echter gezocht
worden in zijn verplichting, als practies paedagoog, om zijn denkbeelden
te belichamen in een systeem van oefeningen. Hij mocht dan al schrijven:
"Ik wacht het heil niet van _eene Methode_, maar van _eene idee_," hij
mocht onder allerlei anen en anerij de dodelikste afkeer hebben van de
Fröbel_ianen_, hij mocht waarschuwen tegen navolging, de mensheid is nu
eenmaal zo, dat ze ook van navolging leeft, dat niet ieder scheppings-
en organisatiegaven bezit, om een systeem te ontwikkelen, en dat het
inenten met een idee de grote meerderheid nog niet rijp maakt om
daarnaar te handelen. Ja, ja, men geeft u graag de juistheid en de
schoonheid van een idee toe, maar met een idee bakt men geen brood. Hoe
moet ik aan koren komen, hoe dit malen, hoe het meel kneden, hoe het
bakken? Wie tot uitvoeren van de idee geroepen is, staat met de handen
in 't haar, vraagt naar oefeningen, naar leiding, naar een systeem,
zodat hij aanstonds beginnen en geregeld voortgaan kan. De wijsgeer in
zijn studiecel, de schrijver achter zijn bureau, zij kunnen volstaan met
de verkondiging en bewijsvoering der ideeën, maar de man der practijk
moet de handen aan 't werk slaan. En dan is de eerste vraag: Wat moet ik
dóén? Met philosofeeren bereiken we Rome niet. Daartoe moeten we op weg.
Zou Fröbel succes hebben met zijn idee, dan móést hij dit wel in een
systeem verwerkeliken, en daarmee--het in een systeem ketenen.
Het spreekt zo vanzelf, dat al onze pogingen tot systematisering van een
"natuurlike" opvoeding, op iets kunstmatigs uitlopen. Het "natuurlike"
is een zo uiterst gecompliceerde en in zijn diepste wezen voor ons
ontoegankelike werking, dat wij haar niet nabootsen kunnen. Een
lichamelik, verstandelik, zedelik uit- en opgroeiend kind blijft
voor ons een wonder. We blijven onszélven een wonder. We constateren
eigenschappen, werkingen, ontwikkelingen, veranderingen in ons, maar
het wezen van dat alles blijft mysterie. Ondanks de invloed van door
ons aangewende middelen, naar onze mening heilzame middelen, openbaren
zich averechtse gevolgen; tegen alle verwachting in groeien, te midden
van boze invloeden, heerlike zielen uit. We kunnen in een "natuurlik"
systeem de gang der natuur slechts benaderen, maar lopen daarbij
aanhoudend gevaar van haar af te dwalen. En het is begrijpelik, dat de
hoogste wijsheid soms gevonden wordt in de onthouding, in het niets
opzetteliks doen, in het onbelemmerd laten uitgroeien, in volledige
vrijheid. Maar wie dan naar die wijsheid gaat leven, grijpt, zeer
inkonzekwent, toch telkens in. En dit is óók natuurlik.
Hoe vollediger en volmaakter een systeem van oefeningen is, hoe
onvolkomener het wordt. Dit klinkt wonderspreukig. Met de volmaking kan
toch niet van de volmaking worden afgeweken? En toch, het is zo. 't Gaat
er mee als met de denkgebouwen, de wijsgerige stelsels der philosofen.
Ze zitten zo prachtig in elkaar, dat ze geen vezeltje ongewisheid meer
hebben. Alle draden en cellen van het weefsel der schepping vinden er
hun verstandelike bewustwording en belijning in. Ja--zou De Genestet
zeggen--"'t lijkt wel of ge 't weet, net als onz' lieve Heer".
"Maar"--voegt de in geen mazen gevangen dichter er bij--"maar dit doet
juist mijn twijfel rijzen." Hoe vollediger iemand 't weet, hoe meer
hij ons in zijn weten binden wil en ons aldus dwingen, de wondervolle
schepping Gods te verruilen voor zijn denkprodukt. En hoe volmaakter
iemands systeem is, hoe meer hij ons daarnaar kneden wil, wanend dat
hij, hij, de groei van dit organisme met zijn middelen in de hand heeft.
De grootste denkers en organisators zijn, aldus de grootste tyrannen.
En dit is hun gevaar. Ze laten ons te weinig vrij. Ze stichten stelsels
en wereldrijken.--Maar--die weer uiteenvallen. Niet voor de eeuwigheid.
Alle bouwwerken van de mens bestaan slechts voor een tijdje. Voor de
eeuwigheid werkt alleen God. En geen groter gevaar voor onze waarlike
groei, dan wanneer we het eeuwigheidswerk belemmeren door een
onvolmaakte "volmaaktheid" van de tijd te willen handhaven.
Fröbel heeft dit niet gewild, het blijkt duidelik genoeg uit zijn
verzekering, dat hij het heil niet van een _Methode_ maar van een _Idee_
wachtte. Maar niettemin--hij kon zichzelf en zijn arbeid dit lot niet
besparen. Hij móést een systeem bouwen. En dus moest hij de voorwaarden
scheppen voor beide, het leven en het sterven van zijn willen.
* * * * *