Niet alleen zij. Toen de hertog van Sachsen-Meiningen Hilburghausen

zijn waardering toonde met Fröbel's denkbeelden, voelden de

"school-autoriteiten en vakmannen zich zeer gekrenkt. Wie was die

eigenwijze man met zijn revolutionair drijven, die den ouden kalmen

slakkengang wou wraken--die den zoet-vloeienden tredmolendraf in

verdenking zocht te brengen? Zijn grillen inwilligen zou zijn te

erkennen dat het volksonderwijs _niet alleszins voldoende_ was.

Een zeer geacht literator, maar een onverzettelijk conservatief,

die aan het hoofd stond van de zaken van het onderwijs, besloot in

zijn kleingeestigheid het Fröbelsche drijven voor goed den bodem

in te slaan en hij schaamde zich niet de onedelste middelen aan te

grijpen. Plotseling wordt het paedagogisch gezelschap (Fröbel en zijn

medewerkers) door de hatelijkste aanvallen bedreigd en door allerlei

openlijke beleedigingen verguisd. In alle bladen verschenen lange en

kwaadaardige artikelen tegen den avonturier van Kailhau, die het alleen

op de beurzen der lichtgeloovigen toelegde... de nood klom nu zoo hoog,

dat de positie te Kailhau bijna niet meer houdbaar scheen en hij door

de tegenkanting en vijandigheden van de zijde der onderwijzers en

schoolopzieners schier aan zichzelf begon te wanhopen."

Men ziet, van priester en leek kwam de tegenstand. En dat duurde zo

voort bijna de volle zeventig jaren van Fröbel's leven. Eerst op 't

laatst kwam er wat standvastige waardering. Doch toen stierf de man, die

een smartvolle jeugd, en een leven vol strijd en miskenning, gewroken

had met de liefdevolle leus te verkondigen en in praktijk te brengen:

"Laat ons voor de kinderen leven."

II.

Het eerste gedeelte van dit opstel was bijna niet anders dan een reeks

citaten, afgewisseld met uitingen van wrevel en verontwaardiging. De

citaten deden zien, hoezeer Fröbel reeds van zijn kinderjaren af had

geleden onder miskenning en verdachtmaking, en de uitingen van wrevel

waren niet anders dan de spontane reactie's van 't mensenhart bij het

zien van dergelike bejegening. We kúnnen het de mensheid niet vergeven,

dat ze edele, belangeloze naturen, gelijk Fröbel, het leven verbittert

en het streven schier onmogelik maakt. En te minder kunnen we dit,

waar de tegenwerking vaart onder de vlag van de hoogste goederen der

mensheid: godsdienst en geestesbeschaving. Aan deze beide kennen we

een andere roeping toe, dan de duisternis en de dood te dienen, en als

we dan bijwonen, hoe juist die machten licht en leven tegenhouden,

vervult ons dit met ergernis. Er is daarbij echter één troost: niet de

godsdienst, niet de geestesbeschaving verrichten dit droeve werk, maar

haar bekrompen vertegenwoordigers, die, versteend in formalisme, voor

de zoveelste maal de waarheid hebben gekruist en nu waken bij een ledig

graf, terwijl de waarheid, opgestaan, ginds al weer predikend rondgaat,

getuigend van haar onvernietigbaar leven. Voorzeker, mannen als Fröbel

worden niet door godsdienst en geestesbeschaving bestreden, beide

herleven in hen. En als de beeldspraak niet al te stout was, zou men

kunnen zeggen: het is altijd het omhulsel van de pop, dat aan de vlinder

het uitvliegen beletten wil. Maar de vlinder heeft zijn vleugels--én

zijn vruchtbaarheid!--en het leege hulsel blijft liggen als zielloze

stof. Wie kent nu nog de bestrijders, de tegenwerkers en lasteraars van

onze onvermoeide, innig godsdienstige kindervriend? Maar de naam Fröbel

kent heel de wereld.

Of zij die naam goed kent? Ach, 't is hier alweer het oude liedje.

Vlechtmatjes van onberispelike afwerking dreigen Fröbel's geest te

verstikken. Eén op, één neer, twee op, twee neer, steek maar toe en

rijg maar toe. En de oude Fröbel schudt droevig het grijze hoofd.

Priestergewaden en altaren moeten alweer voor godsdienst doorgaan,

belijdenissen voor zieleleven. Steek maar toe, en rijg maar toe, één

op, één neer, twee op, twee neer. De machine, de menselike machine, gaat

haar eentonige gang. We zouden de vlechtende vingertjes kunnen vervangen

door ijzeren staafjes, die zouden het "scheppingswerk" even goed doen,

neen beter. En dan zouden die metalen stangetjes nog niet beven bij hun

arbeid. Maar de kleine vingertjes? Zij kunnen trillen van inspanning,

van blijde verrukking, maar ook van vrees. Een gelukkig makende arbeid

is hun opgedragen. Maar wordt niet vaak de levering van een mooi

werkstuk van het kind geeist? En zwoegen ze dan niet als gehoorzame

slaafjes, opschrikkend bij elke vergissing? Dan is de kindertuin

een fabriek geworden en de opgroeiende zieleplantjes kleine

fabrieks-arbeiders, die maar liefst aan een grote staking zouden

deelnemen, om in een modderplasje te gaan fröbelen op hún manier met

kiezelsteentjes en drijvende plankjes. Fröbel's gedachten, ze zijn

_belichaamd_ in zijn speelgaven, ze worden zo licht, ze worden zo vaak

door zijn speelgaven _vermoord_. Dat is de tragedie van alle geestelik

streven hier op aarde. De geest kan zich slechts openbaren in een stof,

maar diezelfde stof wordt ook zijn graf. _Spricht_ die Seele, dann

spricht auch schon die _Seele_ nicht mehr. Geboorte is stervensbegin.

Het systeem, waarin de gedachten tot uitvoering komen, dreigt die

gedachten te ketenen, te verstrikken, te verstikken, neen, zál ze

ketenen, verstrikken en verstikken. En zo gaat ook de levende en

levenwekkende Fröbel in zijn eigen systeem ten onder.

* * * * *

Herhaaldelik waarschuwt Mevr. van Calcar er tegen, dat men toch niet de

betekenis van Fröbel moet afleiden uit het geestdodend fröbelen, dat men

veelvuldig op Fröbelscholen ziet. Het "werktuigelijk namaken" heeft met

Fröbels geest niets te maken. "Waar de kinderen niet zelf uitvinden en

nieuwe patronen afleiden uit de voorgaande, waar zij niet _zonder

voorbeelden_ vlechten en teekenen, daar wordt Fröbel's methode niet

aangewend, al waren er kasten vol speelgaven--en al stond zijn naam met

reuzenletters boven de deur." En Dr. Gunning, die het boek met een

"Voorrede" inleidt--en warm aanbeveelt!--schrijft: "wat wij van Fröbel

te leeren hebben, dat is niet in de eerste en voornaamste plaats het

zoogenaamde "fröbelen", of wat daarvoor doorgaat, matjesvlechten,

erwtenwerk en dergelijke, integendeel, dit alles moet aan grondige

kritiek worden onderworpen, en dan blijkt er veel bij te zijn, wat geen

stand houdt."

We zien hier, dat bij uitstek deskundigen, wie het waarlik niet aan

verering van Fröbel ontbreekt, _een_ fiasco erkennen. Maar tusschen

beider mening openbaart zich een belangrijk verschil. Mevr. van Calcar

zoekt een mislukken in de practijk uitsluitend bij de onkundige en

oppervlakkige navolging. Wie zich goed inwerkt in het systeem van

oefeningen en zich ernstig laat voorlichten door Fröbel's bedoelingen,

zal zien, "dat de hulpmiddelen van Fröbel _volledig zijn_ en alles

bevatten, wat de kleinkinderschool behoeft. Fröbel's oefeningen leveren,

als ze alle opgenomen en toegepast worden, een voldoende gymnastiek voor

alle leden en voor alle zintuigen." "De Methode ligt dan vóór ons als

een harmonisch geheel, als een volkomen organisme, waarin Fröbel's

grondideeën volkomen in heerschen," zij heeft het dan ook niet erg op

verbeteraars begrepen, "omdat (zij) van de _verbeteringen_ der Methode

nooit iets gezien (heeft), dat der moeite waard of zelfs maar heilzaam

en verkieslijk was." Zij staat "hier dicht aan de zijde van de beroemde

discipelin van Fröbel, Mevrouw von Marenholz, die overal waar zij

kindertuinen aangelegd en onderwijzeressen gevormd heeft, op een

nauwgezette studie en stipte naleving van Fröbels praktische

aanwijzingen heeft aangedrongen." En al "spreekt het ook (bij haar) van

zelf, dat er van geen slaafsche naäperij of werktuigelijke navolging

sprake mag zijn," toch--"bedenke men wel, om Fröbel te verbeteren, moet

men aan hem gelijk, zoo niet grooter zijn dan hij--en hij was zeer groot

in wijsheid en veelomvattende kennis van den mensch en van de gansche

natuur. Zijne Methode is de rijpe vrucht van veeljarige gedachten,

veelzijdige ervaring, vergelijking, proefneming met een groep van een

half dozijn geniale geleerden, die hun beste krachten jaren lang op

hetzelfde doel gericht hebben." En daarom durft zijn bewonderaarster

vragen: "Zoude het dus niet voorzichtiger zijn, ook ter wille van de

eenparigheid van het werk in ons land, dat wij ons nederig aan de

voeten van den menschkundigen leeraar neerzetten, dan wellicht door

een overhaasten misgreep zijn diepe wijsheid in het schoone plan te

verminken?" De vraagster heeft recht tot spreken: niet alleen heeft zij

zich geheel in Fröbel ingewerkt, ze heeft zijn Methode "van de kinderen

en met de kinderen practisch geleerd." Ze heeft alles met volle

toewijding aan de practijk getoetst, aan de practijk ontleend.

Niet aldus instemmend, zij het niet minder bewonderend, betuigt zich

Dr. Gunning. Deze schrijft--maar hierbij mag niet vergeten worden, dat

we intusschen 30 jaar verder zijn--onze Dr. Gunning schrijft dan: "Het

is zoo waar, wat Stanley Hall zegt in zijn artikel The ideal school on

the basis of Child Study: "we moeten elke praktische uitdrukking zijner

(d. i. van Fröbel's) denkbeelden van den grond af weder opbouwen.""

En van de Fröbelschool sprekend, verklaart dezelfde veelziende

schoolopziener: "daar wordt zijn leer althans met den mond beleden."

Uit beide aanhalingen blijkt, dat Dr. G. niet alleen met Mevr. v. C.

een averechtse practijk veroordeelt, maar zijn afkeuring, evenals die

van de Amerikaanse hoogleraar, ook Fröbel's eigen arbeid treft, "elke

practische uitdrukking zijner denkbeelden." Wanneer we deze immers op

nieuw "van den grond af moeten opbouwen", blijft er van het bestaande

zo "schoone en harmonische" gebouw weinig meer over. Maar toch, "wij

mogen geen syllabe van de kostelijke positieve philosophie van Fröbel,

dien diepzinnigsten van alle moderne paedagogische denkers, verloren

laten gaan," erkent Dr. G. met St. H., en een eindje verder belijdt

hij volmondig, "wat wij van Fröbel hebben moeten, dat is zijn geest,

zijn opvattingen, zijn kijk op de kinderen, zijn grondbeginselen van

opvoeding en onderwijs, in één woord: zijn paedagogiek. Wel verre dat

deze zou hebben uitgediend, begint zij eigenlijk pas eerst tot haar

recht te komen, dank zij de moderne Kinderstudie (Paedalogie), die slag

op slag Fröbel's denkbeelden komt bevestigen, maar geenszins Fröbel

overbodig maakt, omdat zij ons te veel laboratoriumproducten levert,

die eerst na duchtige paedagogische bewerking voor de school bruikbaar

gemaakt kunnen worden."

Alzo, in volle waardering van Fröbels opvoedkundige beginselen gaat de

oude wereld met de nieuwe, gaan wetenschap en ervaring, gaan vorsende

mannen en uitvoerende vrouwen hier hand aan hand. En de vragen dringen

naar voren: Welke zijn dan Fröbels beginselen? Hoe zijn die in hem

ontstaan? Waardoor zijn die door Fröbel zelf verkeerdelik toegepast?

En hoe moeten ze dan in practijk gebracht worden?

* * * * *

Al hebben wij, Nederlandse onderwijzers, het boek van Mevr. v. C. in

benepen domheid maar simpelweg genegeerd, vermoeid en versuft als we

waren door het klimmen langs leertrappen en dwalen door leergangen,

door het analyseeren van al maar meer methoden, totdat we van louter

methoderigheid niet meer wisten wat eigenlik methode was en hoe _in_

het kind de beste methode leefde en werkte; al hebben wij, Hollandse

paedagogen, dit vrouwenboek over de Bewaarschoolheilige maar links laten

liggen, verzekerd als we waren, dat we de juiste beginselen volgden

en ons nu slechts op vervolmaking van de theoretiese praktijk hadden

toe te leggen, totdat onze wijsgerige theorie de praktijk geheel had

doortrokken en bedorven; al hebben we dus geen nota genomen van dit boek

over het kind Friedrich Fröbel, dat zijn leven lang kind met de kinderen

is geweest en ook kind tegenover de volwassenen--het verbaast ons niet

dat het buitenland beslag heeft gelegd op dit Nederlandse werk en men

het de eer ener Duitse, ener Italiaanse vertaling waardig keurde.

Mevrouw van Calcar heeft het zich toch niet gemakkelik gemaakt en

de bizonderheden der levensbeschrijving weten te verenigen met de

openbaring en groei der opvoedkundige beginselen. Wie deze laatste weten

wil, hij hoeft ze niet te zoeken. Bijna het gehele boek door dwarrelen

ze om u heen, het heldere, warme, doch ook degelike en zaakrijke boek.

En welke zijn dan die beginselen?

Laten we een ogenblik naar Mevr. v. C. luisteren, dan zitten we er

aanstonds midden in:

"Fröbel's ervaring had hem geleerd, dat het met de opvoeding over

het algemeen nog hoogst gebrekkig gesteld was en dat slechts weinige

onderwijzers de kweekelingen _voor het leven vormden--dat de school

aan het kind den noodwendigen geestelijken teerkost, de noodzakelijke

reispenningen niet wist mee te geven op de levensreis_--ja, dat de

gewone schoolsleur de jonge lieden eer stompzinnig en oppervlakkig,

gedachteloos en werktuigelijk maakte dan de zielsvermogens te

ontwikkelen, de geestkracht te schragen en die klaarheid en zuiverheid

van inzichten en begrippen mede te deelen, die onmisbaar zijn om met

vrucht tot hoogere studiën over te gaan of zich met goed gevolg op eenig

beroep toe te leggen. Hij zag dat de oorzaak van het mislukken van zoo

menige opleiding, het niet slagen van jonge lieden, die oorspronkelijk

een goeden aanleg hadden, dikwijls alleen in de slechte methode van

werken en in het gehalte der hun geboden leerstof moest gezocht worden.

"Wat er dan ook in Fröbel's dagen van verbetering en vooruitgang in het

schoolwezen mocht geroemd worden door de vakmannen, die elkander om

strijd bewierookten, Fröbel bleef er bij, dat men nog altijd _in een

geheel verkeerd spoor was_ en op menig punt geheel averechts te werk

ging en dat men tot geen gewenschte uitkomst voor het volksonderwijs zou

komen, zoo men niet tot eene genetische ontwikkelingsmethode overging,

die met den innerlijken ontwikkelingsgang van het kinderleven gelijken

tred houden en er geheel aan beantwoorden zou. Hij merkte op, dat men

een zeer knap en afgericht en volgepropt scholier kan zijn en toch een

onbruikbaar mensch worden, daar al de geleerde kundigheden het karakter

niet vormen, den wil niet richten, en dat dit doel alleen door en

met _handelen_ te bereiken is. Tot handelen, tot voortbrengend, tot

scheppend handelen geeft de school geen gelegenheid. De leerling is te

passief, de meester te actief; het kind ontvangt, hij neemt op; hij

wordt een magazijn van wetenswaardige dingen, waaronder zijn eigen

_ik_ vaak diep bedolven ligt, met onbegrepen gaven en onontwikkelde

talenten.

"Tot hiertoe had men _scholieren_ gekweekt. Fröbel wilde _menschen_

vormen. _Niet de school_ moest men in de eerste plaats in het oog

houden, maar het _kind_ en zijn _levensbehoefte_.

Daarom antwoordde hij op de vraag: "Wat wilt, wat zoekt gij dan toch

eigenlijk?"

--"Juist het tegenovergestelde van wat tot hiertoe in het opvoedings-

en onderwijsvak geschiedt."

"Hij was overtuigd dat er slechts in den door hem ontdekten weg recht

kon gedaan worden aan de heerlijke gaven, waarmede de menschheid zoo

ruimschoots begiftigd is, maar die te vroeg verdrongen en verstompt en

doodgewerkt worden, onder het gewicht van al het aangeleerde, opgezegde,

nageklapte, dat als onverteerbaar geestesvoedsel is ingestompt."

"Deze zijne overtuiging door daadzaken te bevestigen en door de praktijk

te bekrachtigen, achtte hij zijn duurste plicht aan zijn vaderland en

aan de menschheid. Hij zag duidelijk in dat Pestalozzi, met al het

voortreffelijke van vele zijner denkbeelden in leerwijze en opvoeding,

de alles _herscheppende grondgedachten_ nog niet begreep of zich die

toeëigenen en verwerken kon."

"Hoewel hij hem als de grootste praktische opvoeder van zijn tijd

waardeerde, voelde hij toch dat er nog een zeer groote leemte in zijne

wijze van doen was, daar hij zijne middelen veel te willekeurig en naar

het toeval koos en ze te ruw aangreep, terwijl hij zich niet regelmatig

methodisch door de innerlijke wetten des levens en der ontwikkeling

beheerschen en voorlichten liet."

"De openbaring van alle leven is kracht, is beweging--_is de daad_!

_Van de daad, van het doen_ wilde Fröbel alle verdere menschelijke

ontwikkeling afleiden; _met handelen zag hij elk kind zijn eigen

opvoeding en zelfonderwijs beginnen en voortzetten--op de daadkracht

moeten wij dus ook alles gronden, daardoor alles laten opwassen_, omdat

elke daad oorspronkelijk onderrichtend, sterkend, scheppend,

voortbrengend is in zich zelf."

"Leven--handelen--kennen--moeten voor den mensch eigenlijk altijd een

samenstemmenden drieklank vormen voor zijn bestaan, maar allermeest in

de opvoeding."

* * * * *

Me dunkt, dit is duidelik genoeg. Toch wil ik nog een klein stukje

overschrijven. Men zal er, evenals in het voorgaande, een kritiek op

onze nog huidige kinderbehandeling, een aanwijzing voor een betere

opvoedingswijze in vinden. Het is ook nu nog: kinderen indrukken,

kinderen modelleren, kinderen wringen in een klaargemaakte vorm en

daarmee de oorspronkelikheid, het eigene doden. Maar wat zei Fröbel?

"Elk nieuw geslacht is een groote schat voor de menschheid, elk nieuw

kind een groote schat voor zijne familie. Het nieuwe kind en het nieuwe

geslacht verschijnen niet in ons midden als ledige vaten, die wij zoo

snel mogelijk met ons brouwsel hebben vol te gieten; het kind, elk

geslacht brengt ook een eigen licht mede; het zal veel van ons moeten

ontvangen, maar het heeft ook iets te geven. Het is op zich zelf een

fontein van krachten, die wij niet kennen, maar waarin wij gelooven en

die wij eerbiedigen moeten en plaats gunnen."

"Onderwijzers verwachten dikwijls alles en alles van de school, de

wetgevers en leiders alles en alles van het onderwijs. _Leeren_ is het

wachtwoord der eeuw, leeren en leeren en leeren--ja, mits niet enkel uit

de boeken, mits men bovenal het kind _leere te leven, hem gunne te

leven_."

"Wij leven maar voor zooveel wij _handelen_. Wij leven meer en dieper in

hetgeen wij _kunnen_ dan in hetgeen wij _kennen_--meer bij het _doen_

dan bij het _weten_ en het is de _veelweterij_, die met de _kunst van

te leven_ een fellen kamp heeft ondernomen--zoo zelfs dat aan velen de

heugenis van 's menschen oorspronkelijken rijkdom en aangeboren krachten

begint te ontgaan."

"Dat de mensch iets zou kunnen _maken_, zonder het _na te maken_, iets

zou mogen _zeggen_, zonder het _na te zeggen_, iets _denken_, zonder dat

anderen het hem _voorgedacht_ hebben--dat ligt buiten den gedachtenkring

van zeer vele mannen en vrouwen van het onderwijs, want in waarheid--de

beschaving is bezig _de oorspronkelijkheid uit te wisschen, de

individualiteit te vermoorden_. Wij moeten hooger over de waarde van den

mensch, de waarde van elk mensch leeren denken. Wat maakt den ontdekker

groot? Dat hij iets opgemerkt heeft, wat geen ander had opgemerkt. Wat

maakt den uitvinder beroemd? Dat hij gedacht en gedaan heeft, zooals

geen ander tot hiertoe gedacht en gedaan had. Hij heeft zijn eigen

zinnen durven en kunnen gebruiken, zijn eigen gedachte en vinding laten

werken buiten alle handboeken om. Hij is zich zelf geweest en zijn

innerlijk licht heeft een nieuwen straal op de menschheid geworpen."

"Wij zullen niet zoo zelden een uitvinder, een ontdekker, een geniaal

kunstenaar in ons midden zien opstaan, als wij de kinderen gelegenheid

geven om zich zelf te worden--om zelfstandig te handelen--zelf te

zoeken, zelf te vinden."

"Bedenkt het wel, o onderwijzers en onderwijzeressen, de kunsten en

wetenschappen zijn geboren voordat er scholen en hoogescholen waren. Het

is de mensch, die de school schiep--maar de school kan en mag den mensch

niet onderdrukken. Zij moet den mensch dienen, niet belemmeren--daarom

moet zij natuurlijk naar de levenseischen des kinds zijn ingericht. Is

zij dat? Fröbel voelde diep dat zij het nog lang niet was, dat zij het

echter worden kon en worden moet."

Het gaat bij Fröbel dus om het _doen_. Geen woorden, maar _daden_. Ook

niet kijken, maar _doen_. En dan nog niet eens nadoen, maar _zelf_-doen.

"De aanwezigheid van den heerlijksten tuin zal de oude bewaarschool nog

niet tot den Fröbelschen kindertuin maken. Het verschil daartusschen is

even groot als het verschil was tusschen Pestalozzi en Fröbel, dat is,

tusschen het _aanschouwelijk_ onderwijs en het _werkdadig_--tusschen

het _voordoen_ en het zelf _uitvinden_--_het laten namaken_ en _laten

ontdekken_."

Vooral deze laatste opmerking, dit onderscheid tussen Pestalozzi en

Fröbel, is kenschetsend voor het streven des laatsten. Niet in het zien

en bezien, zelfs niet in het tasten en betasten, ruiken en beruiken

moet de onderwijsmethode geleid worden, maar in het zelfstandig handelen

der kinderen. En hiermee kunnen we, in hoofdzaak, vrede hebben. Gaan we

na, hoe wij, volwassenen, leren, hoe wij geestelik groeien, dan is het

door _leven_, door de verplichting om met allerlei menschen en dingen

_om te gaan_, in allerlei verhoudingen _op te treden_. Ons innigste,

eigenste, zuiverste bezit, we danken het niet aan de woorden van

anderen, ook niet aan de voorbeelden, door anderen opzettelik of

onwillens gegeven, maar aan onze eigen _ervaring_, aan hetgeen we

_ondergaan_ hebben bij het _uitleven_ van onze persoonlikheid. En dit

_uit_leven, het was geen _na_leven, het was een ontplooiing van de

inwonende krachten, een ontspruiten en uitgroeien van de aanwezige

levenskiem. Wat van buiten kwam, was voornamelijk prikkeling tot het

opwekken dier krachten, en voedsel om de plant te doen groeien, maar dit

voedsel had alleen waarde in zooverre het werd aangenomen, opgenomen,

verwerkt. Niet wat aangebracht, zelfs niet wat ingebracht, maar wat

gegrepen en verwerkt werd, had betekenis voor ons. Het andere was maar

belemmering.

In hoofdzaak kunnen we dus met Fröbel meegaan. "Het kind moet _~werken~_

en de onderwijzer _toezien_." Of daarvan echter zulke schitterende

gevolgen verwacht mogen worden in vermeerdering van ontdekkers en

uitvinders, in nieuwe lichten voor de mensheid, zo, dat schier iedere

mens zijn eigen straal verhelderend in de wereld zendt, dit is een

andere vraag.

III.

We behoeven niet ver te zoeken, wanneer we de bron willen opsporen van

Fröbel's hoofdbeginsel in de opvoeding. Daartoe hebben we slechts zijn

jeugdervaringen te raadplegen. We weten het: "Overal afblijven--den boel

niet omhalen," was de leus zijner stiefmoeder. "Stil zijn en nergens

aankomen", haar wachtwoord. En wanneer hij op eigen gelegenheid "zijne

natuur- en werktuigkundige nasporingen voortzette, op al wat hij maar

machtig kon worden, proeven die ongelukkig nog altijd van ontledenden

aard waren", liep hij daarmee "geduchte straffen zijner stiefmoeder en

het ongenoegen van zijn vader" op. Hij had een onbedwingbare lust tot

_doen_, maar werd tot _nietsdoen_ gedoemd, tot _misdoen_ gedreven. De

domme paedagogiek van zijn ouders was oorzaak van een onzalige jeugd,

had oorzaak kunnen zijn van een zedelike mislukking, doch werd de

oorzaak van een heilzaam streven. Uit het kwade werd het goede geboren.

Biecht eens eerlik op, ouders, bij hoe velen uwer is nog, nú nog, de

leus: "overal afblijven--den boel niet omhalen," en hoevelen uwer

straffen hun kinderen nóg voor een noodlottig stukmaken door de naar

werkzaamheid zoekende vingertjes? Beoordeelt en kastijdt ook gij uw

kinderen niet vaak naar de onbedoelde gevolgen, in plaats dat gij ze

schat en zelfs prijst naar hun ernstig en eerlik onderzoekend pogen?

Wat mij, èn bij Fröbel's ouders en bij honderden van hunsgelijken steeds

bevreemdt, is het feit, dat al die volwassenen zo volkomen hun eigen

jeugd vergeten zijn. Of ze hebben 't goed gehad, en moesten in een

blijde jonkheid reden genoeg hebben, om ook hun kinderen te doen

genieten van die eerste levensvreugden. Of ze hebben 't slecht gehad

en moesten in een kommervolle jeugd aanleiding vinden, 't hun kinderen

beter te geven. Hebben zij zich, in 't laatste geval, die ouderlike

onrechtvaardigheden indertijd niet zo sterk aangetrokken, en menen ze

nu achteraf wellicht, dat die strenge bejegening wel heel goed voor

hun vorming was? 't Schijnt wel zo. Anders zouden er geen Fröbels

nodig zijn geweest. Van geslacht tot geslacht zouden de mensen eigen

kinderervaringen hebben omgezet in zuiverder opvoeding, en er zou geen

Friedrich Fröbel uitblinken als begrijpende en liefhebbende kindervriend

te midden van duizenden officiëele en niet-officiëele opvoeders.

Verspreide Opstellen, I · 第 5 / 14 段