Mensen zijn kinderen, net zoo goed als kinderen mensen zijn. We

behandelen de kinderen dikwijls te kinderachtig, vergetende dat er een

zelfstandigheid in hen rijpt, en de volwassenen soms te mensachtig,

vergetende dat er altijd nog een kind in hen is blijven leven. En geen

mens zo voornaam, zo invloedrijk, zo verstandig en zo zedelik, of hij

komt nog wel in omstandigheden, dat hij bij zijn stille wensen of

uitgesproken verzoeken om een extratje heel kinderlik in zijn hart

denkt: Toe, zeg maar ja.

* * * * *

Ik sprak daar over bindende wetten en dacht toen aan het

verenigingsleven en aan centralisatie in gemeentelik-en rijksbewind.

Over beide wil ik nog even doorgaan.

Het moet iedereen wel getroffen hebben, hoe de vakvereniging, ook die

der onderwijzers, de persoonlike vrijheid van haar leden aan banden

legt. Wie zich aan de genomen besluiten niet wenst te houden, wordt als

lid geschrapt. Niet ten onrechte heeft men b.v. de Soc.-dem. arb. partij

een politieke Katholieke kerk genoemd, waarin de leken niets hebben in

te brengen, maar de paus of de pausen de leiding voeren en gehoorzaamd

moeten worden. Daarbij vergat men echter, ten eerste, dat die leiders

_gekozen_ worden en dus de partij door haar leiders zichzelf bestuurt,

en ten twede (als ik mij niet vergis), dat ook de macht in de Kath. kerk

oorspronkelik uit de democratie is voortgekomen, zoals nu b.v. ook

de kerkelike kiesverenigingen in de Protest. kerk, dus verenigingen

van leken, van leden, de ouderlingen, de diakenen, toezieners en ten

slotte door hen ook de predikanten en de synode kiezen. En dan vergeet

men ook dat er niemand lid van een partij of een vereniging of een

kerkgenootschap behoeft te blijven. De dwang in die verenigingen kan

men dus billiken, omdat hij van onder af is opgekomen en niemand langer

binden kan dan deze zelf verkiest. Het is een dwang, waaraan men zich

vrijwillig onderwerpt, indien men al niet zelf heeft meegewerkt om hem

in te voeren.

Anders is het echter gesteld met de Staatsdwang. Men kan niet als lid

van de Staat bedanken, tenzij men lust heeft de wildernis in te trekken.

Op dit gebied moet daarom de dwang zoveel mogelik beperkt worden en die

kans heeft men te minder, naarmate de centralisatie te groter wordt.

Om alleen bij ons lager onderwijs te blijven, in de grote steden zien

we het echte schoolleven, het echte uitleven van opvoedkundige en

onderwijskundige idealen, langzamerhand, steeds meer, onder de druk

komen van het algemene voorschrift. We weten, hoe dat in Frankrijk de

ontwikkeling van de school belemmert. Het is wellicht voor een minister

van onderwijs met zijn heirleger van ambtenaren heel gemakkelik, dat

voor heel Frankrijk hetzelfde leerplan, hetzelfde rooster geldt, waarbij

alle kinderen van een zelfde leerhoogte op hetzelfde uur op dezelfde

wijze aan dezelfde stof bezig zijn, maar voor die leerstof en die

leerwijze en die leerkinderen, _voor het leven en de bloei van het

onderwijs_, is het ten slotte verderfelik, de dood in de pot. En ook in

ons land dreigt het hier en daar die kant op te gaan. De voorvechters

van de republikeinse school mogen het mijnentwege winnen: als de

onderwijzers in 't algemeen zo hoog staan in _alle_ opzichten, dat ze

de dagelikse leiding der schoolhoofden kunnen missen, is dat een _te_

gelukkig verschijnsel, dan dat we er ons niet over zouden verheugen.

Ieder chef moet blij zijn, als hij tengevolge der betrekkelike

volkomenheid zijner ondergeschikten misbaar is geworden. Maar--laten die

voorvechters niet vergeten, dat er nog een veel ellendiger chef is dan

een ambulante bovenmeester: de domme, harteloze, starre, onbewegelike

administratie. Met een bovenmeester--hij is toch ook een mens--is nog te

spreken en ook hij staat onder de invloed van de geest des tijds, maar

wie met de administratie wil strijden, stikt in de duffe papierrommel.

Daartegen hield zelfs een Multatuli het niet uit. En die was taai.

Ik wil dus zeggen: laten we bij het onderwijs ons uiterste best doen,

om de persoonlike vrijheid zo ver mogelik door te zetten, zo hoog

mogelik te houden. En laten de leden van Rijks- en Gemeentetoezicht

ons daarbij helpen. Voor hen, ik voel en begrijp het best, is de

verleiding zo groot, om in de richting der centralisatie te sturen. Al

die verscheidenheid is zo moeilik te overzien en te contrôleren. Maar

toch--uit die verscheidenheid spreekt het leven. En omgekeerd, het

grote leven zelf met zijn eisen dwingt ons wel naar een zekere eenheid.

Doch 't is zo'n groot verschil, of die eenheid gegroeid is en steeds

vergroeien kan, of dat ze in elkaar is gezet als de spaken en velgen van

een wiel en door een ijzeren band onbewegelik bijeengehouden wordt.

Stel u eens voor, dat het leven der huisgezinnen, de inrichting der

maaltijden, de verhouding tussen ouders en kinderen minutieus door de

wet geregeld werd. Dat de bemoeizucht der tirannieke vrijheidsmannen

ook daar het leven tot een poppenkast maakte, waarvan de poppen

mochten dansen naar het trekken der wetsartikelen. Zou het huiselik

en maatschappelik leven niet alle bekoorlikheid voor u verliezen en ge

liever de wildernis intrekken dan in zulk een beschaving te verstenen

tot een stuk gietwerk?

Welnu, liever moet de school groeien in de richting van een ideaal

huisgezin dan in die van een leger.

* * * * *

Het is zo goed, als we onder alle verhoudingen de vrijheid hebben tot

een ja-zeggen. Ik bedoel: dat is in _zedelik_ opzicht zo goed. Wat

blijft er over van onze zedelike groei, wanneer we als machineraadjes

lopen _moeten_ naar het ingrijpen der tanden. Wat verdienste steekt

er in, overeenkomstig artikel zoveel van de wet iemands rechten niet te

krenken. Wettiese braafheid is geen braafheid. Gehoorzaamheid aan de wet

is iets zo geheel anders dan gehoorzaamheid aan een beginsel, dat niets

te eisen heeft dan--een beetje zelfverlochening, een beetje meegevoel,

een beetje welwillendheid; zo geheel anders dan gehoorzaamheid

aan de zedelike eis der liefde. En zullen we niet verstarren in

gereglementeerde braafheid, dan moeten we vrijheid hebben tot toestaan

en weigeren.

Maar--zegt de klasse-onderwijzer--als gij, bovenmeester, zo op die

vrijheid gesteld bent, wilt ge dan ons in wettelike afhankelikheid

houden? Geenszins. Hoe eer de zelfstandigheid der onderwijzers wettelik

geregeld is, hoe liever. Ik ben er geen greintje bang voor, wat zeg ik,

ik zou me er zelf sterker door voelen. Maar ook dán nog zal er veel

geregeld moeten worden bij onderlinge welwillendheid--zie slechts naar

de verhoudingen op de H. B. S. en de Gymnasia. Ook dán zal van het

menselike nog veel meer afhangen dan van het wettelike. En zo lang het

niet zo is....

Nu kom ik wellicht in botsing met sommige collega's-schoolhoofden. Maar

fiat, ik waag het er op.

Geef, zou ik willen zeggen, de onderwijzers een maximum van vrijheid in

hun klasse. Wanneer zij met hart en ziel werken en ze willen iets liever

anders dan gij, zeg dan ja. Het scheelt zo enorm veel, of iemand naar

zijn eigen zin en inzicht iets mag inrichten en uitvoeren. Dan is er

vaak zoveel meer ambitie. En, mijn hemel, denkt ge, dat over dertig jaar

die kinderen nog weten, of ze de vermenigvuldiging zus of zo geleerd

hebben?

Verdenk me niet van gebrek aan ernst, beschuldig me niet van

lichtvaardigheid, wanneer ik over geschillen van methodiek en zo

gemakkelik schijn heen te glippen. Doch, indien mogelik, erken met mij,

dat er in de persoonlike lust en liefde van de klasse-onderwijzer--_die

dan toch het onderwijs moet geven_--een véél belangrijker factor

in 't spel komt. Het hart van die man is ja wat meer waard dan de

voortreffelikste leergang en het nauwkeurigste leerplan. En zulk een

vrijheid van de klasse-onderwijzer sluit volstrekt niet de invloed van

het schoolhoofd buiten. Eer zou ik zeggen: integendeel.

Het spreekt van zelf, waar een ja-zeggen mogelik is, moet ook een

neen-zeggen kunnen voorkomen. De Genestet heeft gelukkig geprezen, wie

_neen_ durft zeggen. En hij had gelijk. Maar juist hij, die de macht en

de moed heeft om _neen_ te zeggen, hij bereikt zo verbazend veel met een

_ja_. Dat is toch niet het ja der slapheid, maar het ja der zelfbewuste

kracht, het ja van 't gelovend vertrouwen, en dit ja kan niet anders dan

sterkend werken.

VII. GROEIEN GAAT LANGZAAM.

En toch willen wij, dat het gauw gaat. En daarom trekken wij met onze

ongeduldige vingers het plantje omhoog, doch rukken daarmee de fijne

wortelvezels los, en 't plantje kwijnt. Of we plaatsen het in een

broeikas, en het wordt wel spoedig groot, doch ongeschikt voor den

kouden grond.

Groeien gaat langzaam. En wie dit niet gelooft, moet maar eens een paar

uur bij een plant gaan kijken. Dan zal hij zien, dat hij niets ziet. En

toch is de plant in die paar uren gegroeid.

Maar hij moet niet per ongeluk bij zijn _kind_ gaan kijken, want dan

wordt hij dadelijk zoo vreeselijk boos, omdat dit arme kind niet zoo

gauw groeien wil. Ik bedoel verstandelijk, en zedelijk. Lichamelijk, dat

is niet zoo erg. Maar verstandelijk!

Vader zit te zieden van drift, en dat simpel omdat zijn zoon die sommen

maar niet begrijpt. "Maar _begrijp_ je dat dan niet, ezel? Wat ben je

toch een stommerik!"

Ja, dat had de meester ook al gezegd, maar hierdoor was de jongen

volstrekt niet ineens een heel eind opgeschoten. Hij was dezelfde

stommerik gebleven, precies trouwens--als de meester en als vader zelf,

die na jaren van ervaring maar niet begrijpen konden, dat groeien

langzaam gaat, en dat dan nog de eene plant niet de ander is. In

kinderkennis zijn deze beide paedagogen nog maar een luttel beetje

gegroeid. En in zelfbeheersching nog minder.

Maar dit laatste is ook een moreel element, en in zedelijkheid groeit

een mensch nòg langzamer dan in verstandelijk inzicht. Het begrijpen

wil nog wel eens komen, langzaam aan, maar het kunnen _leven_ naar dit

juistere begrip, dat valt nog zwaar. Dat eischt dan ook dikwijls een

innerlijke _vernieuwing_ van het oude, een regeneratie. Dan moet er in

ons een nieuw mensch geboren worden.

Echter, al groeit een _mensch_ in zedelijkheid ook héél langzaam, daarom

heeft een _kind_ hiertoe nog niet de vrijheid. Dat zou ook wel schande

zijn. En volkomen gegrond is onze verontwaardiging, dat die deugniet

nòg al niet waarheidlievend is. We hebben het hem toch immers wel

honderdmaal gezegd? In ondeugendheid en vrijpostigheid, o ja, daar

groeit hij wonderlijk snel. Dat heb je van onkruid altijd. Maar in deugd

en zelfbedwang?

Lieve vrinden, laten we nu eens héél eerlijk zijn en zeggen: Hoe gaat

het met óns?

We zijn dertig, veertig, vijftig, zestig jaar geworden. We hebben het

onzen leerlingen, onzen kinderen, onzen vrienden vaak voorgehouden. We

zijn al bolleboozen in 't preeken--tegen anderen. Raadslieden van gezag.

En hoe staat het met óns?

Zijt ge inderdaad beter geworden? Niet wijzer, maar beter? Ge hebt

er uw tijd voor gehad. Kunt ge in uzelf een voorbeeld stellen aan uw

jongeren? Of zijt ge alleen zóó ver, dat ge ernstig het goede wilt, dat

ge met uw diepste hart het goede wáárlijk begeert, en dat ge dageliks

bidt om kracht om te vorderen, althans om staande te blijven?

Dan zijt ge al heel ver. Eigen zwakheid en slechtheid kennen, naar

verbetering oprecht verlangen, en bidden om kracht in den strijd--dat is

al een kostelijke levensvrucht. En hoop maar, dat, langzaam groeiende,

die vrucht ook voor uw kinderen rijpen mag.

Maar denk er aan, voor de levensrust van uzelf en de levensvreugd van uw

kinderen--en minderen--dat groeien, geestelijk groeien vooral, maar

uiterst langzaam gaat.

NAAR TIJD.

Hebt gij ooit graan gemaaid in groene lente?

Uw huis betrokken eer het was gebouwd?

Eischt gij van 't kapitaal de volle rente,

Nog eer gij 't in uw handel hebt betrouwd?

En wilt ge, dat uw _kind_ zich braaf, ervaren,

En wijs zal toonen? Hoed u voor den schijn:

Ook zeedlijkheid moet groeien met de jaren,

Laat hem den tijd, om vroolijk dwaas te zijn.

VIII. FREDERIK FRÖBEL.

I.

Hoe hij opvoeder werd en wat de kinderwereld hem openbaarde,

door Elise van Calcar, 2e druk. Met een voorrede van Dr. J. H.

Gunning Wzn., Districts-schoolopziener.--Amsterdam, H. Wierts

van Coehoorn. 1910.

Het is gewoonweg een schande, dat zulk een boek, dertig jaar geleden

geschreven en nog wel aan het Ned. Ond. Genootschap opgedragen, nu

pas herdrukt is. Nu pas. Ach, als het maar een handboek voor een of

ander examen was geweest! Dan hadden de lui het móeten kopen, lezen,

bestuderen--d. w. z. uit hun hoofd leren--en dan konden we nu al de 15e

druk aankondigen. Dan waren de denkbeelden, er in ontwikkeld, wel niet

dieper en vaster in de practijk doorgedrongen, want, gelijk men weet,

hebben examen en practijk weinig of niets met elkaar te maken, maar

dan was het boek toch in leven gebleven, had men het in onze tijd van

opvoedkundige belangstelling niet behoeven op te diepen, en had het

menig inderdaad belangstellende, die het nu niet kende, vaak gesterkt en

verkwikt. Het is een mooi boek. Het is een rijk boek. En men moest een

niet-officiëele opvoedkundige als Elise van Calcar zijn, om zulk een

boek te kunnen schrijven. Dit boek is niet voor de studie gemaakt. Dit

boek is uit het hart opgeweld, uit een hart vol liefde en bewondering,

en dat samenging met een hoofd vol kennis en inzicht.

Roerend zijn de eerste hoofdstukken. Fröbel als kind. Wist ge, dat hij

zo'n bitter droevige jeugd heeft gehad? Verwaarloosd en miskend door

zijn twede moeder, terzij geschoven door zijn vader. Een brave vader,

die echter, als predikant, zo zeer in de zorgen voor zijn gemeente en

van zijn studie opging, dat hij voor zijn kleine Frederik geen tijd had.

Men ziet dit meer. Maar het blijft een groot vergrijp jegens het kind.

President Roosevelt had wel gelijk, toen hij in zijn redevoeringen er op

aandrong, dat men zijn naastliggende plicht niet mocht verwaarlozen om

zich aan uitgebreider kring te wijden. Eerst kind en vrouw, dan stad en

staat. Maar gaat het zo?

Fröbel's vader had geen tijd voor zijn kind, zijn stiefmoeder begreep

het niet, en zo had de kleine Frederik een troosteloos droevige jeugd.

Gelukkig--voor het nageslacht. In een reine en edele ziel wordt uit

smart nooit verbittering, maar verbetering geboren. Zij zoekt anderen de

smart te besparen, waaronder ze zelf geleden heeft. En zo geloof ik, dat

heel wat kindervreugde in de latere "Kindergärten"--is opgebloeid uit de

donkere bodem van Fröbels kindersmart.

De bladzijden over Fr.'s kinderjaren kan men echter niet lezen zonder

een gevoel van wrevel jegens de ouders. Dat waren nu ontwikkelde, brave,

fatsoenlike, godsdienstige mensen, maar die niettemin hun kleine jongen

schandelik onrecht deden. Zulke ouders zijn er vele, ook nu nog. Daarom

is het zo goed, als ze eens op een afstand en bij een ander zien, hoe

schandelik onrechtvaardig en hard ze tegen hun kind zijn.

Toen Fr. een stiefbroertje had gekregen, "nam de nieuwgeborene de

aandacht en de zorgen der ouders zoo geheel in, dat zij in het eerst

den teruggang in Frederik's ontwikkeling niet ontwaarden--en toen die

zich zoo onmiskenbaar vertoonde, dat zij elk in het oog viel, werd

de schuwheid en droefgeestigheid van het teruggestooten kind, hem als

een schuld aangerekend. "Wat kon de oorzaak anders zijn van zijne

lusteloosheid en afgetrokkenheid dan jaloezie?"--Zoo redeneerde de

stiefmoeder--"hij gunde haar kind niets--de wangunst verteerde hem--dat

was een zeer leelike karaktertrek--zijn vader moest het niet door de

vingers zien--en hem bij zijn thuiskomst dat pruilen en droomen eens

met een goed pak slaag afleeren." De ondeugendste bedoelingen werden

aan zijne eenvoudigste daden toegedicht en dat met zulk een schijn

van waarheid, dat het bij den vader geen den minsten twijfel over de

strafbaarheid van het kind overliet. De thuiskomst des vaders werd van

nu aan de nadering van het gericht en den scherprechter, in plaats van

de vreugde des kinds. Harde woorden en zware straffen vervingen den

zonneschijn, die voorlang door dreigende wolken was verduisterd."

Is dit niet bedroevend en tegelijk ergerlik? Wat baatte die

ontwikkeling, die braafheid, dat fatsoen en die godsdienst, ja vooral,

wat baatte die godsdienst hier? Het arme kind merkte er niet veel van.

't Ware toch zo nodig geweest, dat de Luthersche theologant en zijn

vrome vrouw bij hun godsdienst wat meer--liefde, wijsheid, begrip van 't

kind, wat meer tedere zorg, wat meer toewijding, in één woord, wat meer

vruchten van _echte_ godsdienst hadden betoond.

"Met een diep geroerd gemoed nam Frederik zich gedurig voor recht vroom

en braaf te zullen worden, maar ondanks deze oprechte godsvruchtige

gemoedsaandoening contrastreerde zijn gedrag vaak zeer met zijn

voornemens. Viel hij weder in eenig kinderlijk vergrijp dan liet zijn

teeder geweten hem geen rust; hij kon geen oog sluiten van angst voor de

straffen der hel, die ongetwijfeld zijn deel moesten worden."

"Wat hem het meest deed struikelen was zijne rustelooze zucht tot

bezigheid en onderzoek--zijne begeerte om de dingen te leeren kennen.

En daar zijne moeder geen begrip had van de levenseischen van zijn

leeftijd, verzuimde zij hem van die voorwerpen te voorzien, die hem

gepaste bezigheid en oefening zouden verschaft hebben. Hij mocht nergens

aankomen. "Overal afblijven--den boel niet omhalen," was hare leuze."

"Stil zijn en nergens aankomen." Dit was echter even goed als hem alles

tot de begeerlijke verboden vrucht te maken. De lust om alle voorwerpen,

die hem omringden, van nabij te bezien en te betasten, werd zoo

ontzettend geprikkeld door dien gestadigen strijd van alles afnemen en

weer opbergen, zonder iets anders te verschaffen, dat hem bezigheid

geven kon, dat onze rustelooze natuurvorscher dagelijks voor de

verzoeking bezweek. Deze geheel onbestuurde lust om alles te leeren

kennen, open te maken en van zijne plaats te halen, stortte hem in alle

mogelijke kinderrampen en deed hem alles bederven, wat onder zijn bereik

kwam. "Geene straffen, geene bedreiging hoe zwaar ook, waren in staat

zijn ondoofbare aandrift tot werkdadig onderzoek te beteugelen. Wel

verre van te verstaan wat de eischen van dit werkzaam karakter en de

eischen van dezen leeftijd waren, zagen zijne ouders in deze

onweerstaanbare aandrift niets anders dan moedwil en boosheid."

Nu vraag ik nog eens: Wat baatte hier die godsdienst? Godsdienst moet

dan toch de naaste, dus ook het kind, leren liefhebben, leren begrijpen,

leren helpen. Men mag zeggen: die ouders wisten niet beter. Maar dat is

voor godsdienstige mensen geen excuus. Ze hadden beter móéten weten.

Hun liefde had hen moeten doen doordringen in het kind, had hen die

stille smart moeten doen meegevoelen, verstaan en wegnemen. Ik kan

het niet helpen, maar ik kan in al dat godsdienstig gedoe met zúlke

opvoedingspraktijken geen godsdienst zien. "Aan hun vruchten zult ge ze

kennen." En nu weet ik zeer wel, dat onze godsdienst, ons geloof vaak

niet sterk genoeg is, om de liefde en de wijsheid in volle kracht te

doen stralen, dat ook de godsdienstigste mensen nog zondigende stumperds

zijn, struikelend iederen dag, maar--hier was de _richting_ zo absoluut

verkeerd. Hier werd het kind meer afgestoten, teruggewezen, dan

aangetrokken, dan gezocht. Hier werd niets gevoeld van "Laat de kinderen

tot mij komen". Hier het lam in de woestijn niet gezocht, maar gezonden.

O, hoe heerlik is het, een kind te zien uitgroeien, zich te zien

ontplooien, en hoe weldadig werkt de zon der moederliefde dan op dat

in bewaakte vrijheid uitgroeiende wezentje. Dáár kan godsdienst zijn,

ook al worden er geen onbegrepen gebedjes gepreveld, geen onverstane

Bijbelteksten gelezen. Daar kan in Vader en Moeder de christelike liefde

werken, daar kan Christus' geest zegenend heersen, daar--ook al wordt

Zijn naam niet genoemd--kan Christus tegenwoordig zijn: "waar liefde

woont, daar woont Hij zelf." Maar in menige christelijke kring is

Christus ver te zoeken. Hier bij Fröbel ten minste...

"hoe weldadig de schooluren in Frederik's toestand inwerkten, zij gaven

hem toch de treurige ervaring, dat het elders beter was dan thuis. De

tegenstelling van zijn geluk in de school en van zijne aanhoudende

vervolging in huis, kwam tot een smartvol bewustzijn, en hij begon

heimelijk zijne broeders gelukkig te prijzen, die op eene andere plaats

werden opgevoed."

In die school had Frederik het goed. "Daar zij echter geenszins zijn

werk- en weetlust bevredigde of zijne ontwakende geesteskrachten,

voldoende inspanning gaf," zette hij op eigen gelegenheid steeds

zijne natuur- en werktuigkundige nasporingen voort, op al wat hij

maar machtig worden kon, proeven die ongelukkig nog altijd van een

ontledenden aard waren, en hem de geduchte straffen zijner stiefmoeder

en het ongenoegen van zijn vader op den hals haalden. De maatstaf, die

bij deze straffen werd gebruikt, was eene gewone, maar zeer verkeerde.

Zijne daden werden beoordeeld naar hare toevallige gevolgen, niet naar

hare gewisse beginselen. Zulke straffen zijn allernadeeligst voor het

kind, dat al het onrecht weegt, hem hierdoor aangedaan, en bij iedere

straf dus meer eerbied en vertrouwen verliest, meer wrok vergadert.

Konden echter de zwaarste straffen de behoefte aan werkzaamheid niet

in zijn hart dooven, zij misten haar noodlottig uitwerksel niet--"zij

leerden hem het geweld te ontduiken door de list--door achterhoudendheid

en eindelijk door onwaarheid." En zo bewerkte deze christelike

opvoeding, althans deze opvoeding van christelike mensen, van christelik

hetende mensen, dat ons oorspronkelik waarheidzoekend kind, opgeleid

werd tot de duivelskunsten van list en leugen. Voorwaar, aan de vruchten

zult ge ze kennen, ook de christelikheid der opvoeding.

Fröbel heeft zijn leven lang veel van "godsdienstige" mensen te lijden

gehad. Geen wonder. Voor hem was, van zijn schooljaren af, "het schoone

woord van Christus: _Tracht eerst naar het Koninkrijk van God en zijne

gerechtigheid, en alle dingen zullen u worden toegeworpen_, het

richtsnoer en het heil (zijns) levens," en er is zoo buitengewoon veel

"godsdienstigheid", die met dit woord geen ernst maakt, dat een man als

Fröbel voor zulke lippenbelijders wel een steen des aanstoots moest

zijn. Het beste middel, om hem te bestrijden, was dan maar hem te

belasteren, hem van goddeloosheid te beschuldigen. "De geestelijken (we

zijn nu onder de katholieken in Zwitserland) hadden nauwelijks de lucht

van het openen eener school of zij ruiden het domme landvolk op"--"de

geestelijkheid werkte de uitbreiding der zaak door alle denkbare en

ondenkbare praktijken tegen." En zo deden niet alleen de katholieken. En

zulke tegenstand kwam ook niet alleen van "gelovigen". Ook van andere

zijde. Maar dat maakt altijd een zoveel treuriger indruk, als in de

naam van den Heiland, van den Heiland ook der kinderen, met onheilige

middelen een edele zaak wordt bestreden, als de Heiland misbruikt

wordt, om het onheil der kinderen te handhaven. "Het is lichter"--riep

Fröbel menigmaal geërgerd uit--"dat een kemel ga door het oog van een

naald--dan dat de opvoeders ingaan in het Koninkrijk van God, want

niemand schendt de goddelijke wetten aanhoudender, koelbloediger en

vermeteler dan de opvoeder, die met het kind doet al wat hem goed dunkt,

zonder acht te slaan op de eischen van het nieuwe, jonge leven." Juist,

zo is het. En dit is een schande. Een schande voor allen. Maar de

grootste schande voor hen, die in de gevel van hun schoolgebouw zetten:

"Laat de kinderen tot Mij komen", en straks binnen dat schoolgebouw door

hun onkinderlik en liefdeloos drijven de kinderen tot list en leugen

brengen. De godsdienst heeft de hoogste aanspraken, maar daarom dragen

de godsdienstigen dan ook de hoogste verantwoordelikheid. Tegenover

Friedrich Fröbel hebben zij iets goed te maken.

Verspreide Opstellen, I · 第 4 / 14 段