geweldige bons en 't arme kind schreeuwt het uit van de pijn. Moeder
vangt haar kermend ventje in de armen, kust zijn tranen weg, troost hem
met zoete woorden, smeert wat zalf op het gezwollen voorhoofd en haalt
wat lekkernijen uit de kast, om haar lieveling na die pijnlike botsing
wat strelende afleiding te bezorgen. Dit is alles van Moeder natuurlik,
verklaarbaar en goed. Geen moeder behoeft anders te doen. Maar--nu gaat
ze met haar jongen naar de tafel en zegt: "Stoute tafel! Geef de tafel
maar een klap." En dit is schromelik verkeerd. Al zal de tafel van die
klap niet bederven, zoveel te erger haar eigen kind, dat nu al vroeg
in de valse waan wordt gebracht, dat de oorzaken van zijn pijnlike
ervaringen buiten hem liggen, terwijl ze _in_ hem zitten. Een waan, die
menig mensenleven bederft, waar hij alle zedelike loutering onmogelik
maakt.
VI. ZEG MAAR JA.
I.
"Meester, daar is iemand om u te spreken."
De meester gaat naar de schoolgang en ziet daar een man staan met een
jongen van een jaar of tien. Die jongen is een van zijn leerlingen en
die man is zeker de vader.
"Wat blieft u?" vraagt de meester met een nog al vriendelik gezicht.
"Meester, ik wou u vragen, of Piet eens een dag vrij mocht hebben, om
met me te gaan vissen."
Nu betrekt het gelaat van de meester.
"Een dag vrij? Om te gaan vissen? Neen, dat kan ik onmogelik toestaan."
Doch nu betrekt er ook een ander gelaat. Piet staat naast zijn vader,
netjes met zijn petje in de hand en de ogen blij verwachtend naar de
meester opgericht. Nu de meester echter spreekt van onmogelik toestaan,
beginnen zijn lipjes wat te trillen en komt er iets zenuwachtigs in zijn
ogen.
"Want ziet u," gaat de meester voort, "als hij een dag wegblijft, mist
hij weer zoveel, dat de andere kinderen dan natuurlik hebben, en als hij
dan terugkomt, begrijpt hij niet, wat we dán weer behandelen."
"Maar Meester, hij blijft nooit thuis."
"Ja, dat is ook maar goed ook, want hij is toch al niet van de vlugste,
en als hij thuis bleef zou hij zeker nog meer achter raken en niet
verhoogd worden."
De vader zwijgt een ogenblik. Hij is een bescheiden man en de meester
heeft natuurlik gelijk. Als Piet een dag niet op school komt, leert hij
die dag niet, en dan leren de andere kinderen wel, en dan raakt Piet dus
achter. Daar is niets tegen in te brengen. Die goeie man denkt, dat
leren hetzelfde is als b.v. aardappelen poten: als je ze in den grond
steekt, zitten ze en blijven ze zitten. Hij heeft er helemaal geen idee
van, dat de leeraardappeltjes, die wij poten, weer net zo vrolik _uit_
de grond springen als wij ze er in hebben gestopt, en dat je ze er wel
tienmaal in moet stoppen, eer ze eindelik voor goed blijven zitten. En
hij kan de meester dus onmogelik tegenspreken.
Toch--hij voelt het warme handje van zijn jongen, die naast hem staat,
in zijn hand--toch kan hij 't verzoek nog niet opgeven. Hij had thuis
tegen Piet gezegd, dat hij net zo lang vragen zou, tot de meester ja
zei, en in die zekerheid was Piet blij met hem naar school gegaan. En
dan, hij had er zelf ook zo'n plezier in. Hij had maar zo zelden een
dag vrij, en 't kon nu dus net zo mooi. Als de meester maar een beetje
toeschietelik wou zijn.
"Kom, Meester, zou hij dan dat werk niet kunnen inhalen? Misschien kan
ik hem thuis een beetje helpen. Ik weet wel niet veel, maar..."
Doch eer de man uitgesproken had, zegt Meester: "Neen, beste man, dat
gaat niet. En bovendien, waar zou dat naar toe moeten, vandaag de een
verlof en morgen de ander, want natuurlik, als ik het de een toesta,
kan ik het de ander niet weigeren. En er gaat toch al zoveel van het
onderwijs verloren. Je moest eigenlik zelf wijzer wezen en die dingen
niet vragen. De kinderen hebben maar één jeugd, en één schooltijd, en
die mogen ze wel goed gebruiken. Als ze eenmaal van school af zijn, is
't uit met hun leren. Laat ze dus nu hun tijd maar nuttig besteden. Voor
uitgangen hebben ze de vacanties."
"Ja Meester, u hebt wel gelijk, maar in de vacantie ben ik daarom niet
vrij."
"Ja, dat is nu wel jammer, maar daar kan ik niets aan doen. School is
school, en uitgaan is uitgaan. Dat zijn twee afzonderlike dingen."
Deze laatste woorden zegt de anders niet onvriendelike meester wat
korzelig, zodat vader en zoon begrijpen, dat alle verder aandringen
vruchteloos zou zijn en maar tot onaangenaamheden leiden. Ze keren zich
dus langzaam om. "Als het dan niet kan, in vredesnaam, dan kan het
niet," zegt de man, en dan tot zijn jongen: "Dan moet je morgen maar
gewoon naar school gaan."
"Zeker," zegt de meester, met goedmoedige stem, "dat is heus het beste
voor hem."
En vader en zoon gaan weg, zwijgend, met lome schreden, en vooral de
kleine met een geheel terneergeslagen gezicht.
* * * * *
O, die braafheid! En die degelikheid! En die paedagogiese
beginselvastheid! Ik wou, dat ze die meester met zijn dierbare zorg
voor de geestelike ontwikkeling van die arme jongen een vol jaar in de
"Paedagogische Bibliotheek" opsloten. Dan kon hij zijn hart ophalen aan
opvoedkundige ernst.
Een dag met je vader uit vissen! Maar wist die paedagoog nu niet, hoe
dat voor een jongen een zaligheid is, waarbij zo goed als niets haalt?
Een dag, een vólle dag, en dan een schooldag, uit vissen--met je vader!
't Is zo uit de duffe, stoffige, roezemoesige stad- en schoolwereld
verplaatst worden in de frisse, zuivere, rustige natuur, en daar vrij
rondzwerven--met je vader!
Ik herinner me nog zo goed, wat zo'n dag voor mij was. 's Avonds te
voren hadden we de hengels al in orde gemaakt en de snoeren nagekeken
met de simmen en de haken. En dan hadden we voor vijf centen wormen
gekocht en die verdeeld over eenige wormenbakjes, met wat aarde er in.
En dan had Moeder een grote hoeveelheid boterhammen gesneden met "wat
er op", en die had ze tegen 't uitdrogen tussen borden en onder stenen
deksels geborgen. En dan hadden we alles netjes en ordelik bij elkaar
gelegd, om het de volgende morgen gereed te vinden, en waren vroeg gaan
slapen. Slapen vóór 't donker was, dat ging moeilik, en we woelden dan
ook nog al wat heen en weer. Maar eindelik kwam de slaap toch en sliepen
we vast door, totdat Moeder ons, omstreeks half vier, met zachte stem
wakker riep. Ze had ons eigenlik wel willen laten slapen, we sliepen zo
lekker, en ze gunde ons die rust zo graag. Maar ze gunde ons ook 't
genot, en dus: "Toe jongen, vader is al klaar." En dan sprongen we er
uit, kleedden en wiesen ons slaapdronken, aten onze boterham, dronken
een glas melk, pakten ons boeltje bijeen, gaven Moeder een zoen en
stapten met Vader de deur uit, waarna Moeder ons nog nakeek totdat we
groetende de hoek omsloegen.
Wij mochten de hengels dragen. En nu ging het in de kille morgenlucht,
straat in straat uit, door het in ochtendschemer nog rustende Amsterdam,
naar de Willemspoort. Even daarbuiten was de Haarlemmerweg langs de
Haarlemmervaart, en hier lag de trekschuit klaar. We sprongen er op,
als oude bekenden, legden onze hele bagage van hengels, wormenbakken,
visnetten en proviandzakken op 't dek, en liepen dan eens naar beneden,
of het in de kajuit nog al gezellig was. Nee hoor, 't was boven 't
leukste, en we bleven dan ook boven, al mocht straks, onder 't varen,
het morgenwindje wat koel om de oren blazen.
Hoe heerlik, de zon te zien opgaan, zo'n grote gouden schijf, oprijzend
uit de nevelen over de vochtig groene weiden. En al die boerderijen,
telkens weer een andere. En de boerenwagens, rijdende naar de stad.
En dan weer eens aanleggen, om goederen of mensen te laden. En dan dat
lekkere frisse gekabbel en geklots van het water. En het wuiven van het
slanke riet, langs de kanten. Hier en daar zag je er een hengel uit
steken, en als je er dan voorbij voer, zag je een opening in 't riet
en daar in 't gras zat een visser, helemaal in z'n eentje. "Morgen!"
riepen wij hem toe. "Geeft het wat?"--"Niks gedaan, hoor! Ze bijten
vandaag niet."--Maar wij gingen verder. Van die drukke trekvaart moesten
we niets hebben. We gingen naar Halfweg, en daar had je uitgestrekte
plassen. Dat was ons viswater. Daar zaten ze. Mooie baars en snoek. En
die zouen wel bijten.
Door Sloterdijk heen en dan nog eens zo'n vaart, een nog langere.
Hè, wat was de zon al warm. Lekker zo in de koele morgen. Wil je wel
geloven, dat ze langzamerhand al begon te steken? Maar je kon 't best
uithouden. En naar beneden ging je in geen geval. Daar was niets te
zien. En hier--wat ruim en hoog en mooi!
Eindelik waren we in Halfweg. In een klein herbergje gebruikten we een
kop warme thee, zo'n klein, gezellig herbergje, met biezen stoelen om
oude, verveloze tafeltjes, en waarvan de boerin als een oude kennis
met je sprak. En dan naar buiten, naar 't water. Snoeren afgewonden,
vastgebonden, hengelstukken in elkaar gedraaid, aas aangeslagen, en gauw
eens even ingelegd, om te zien, of de sim verschoven moest worden. Dan
een rustig schilderachtig hoekje opgezocht, en je daar een poosje
verstopt tussen 't riet.
O, hoe heerlik is 't hier. Zacht golft het riet. Vóór je glinstert de
watervlakte in levende rimpeltjes. En daarop danst of eigenlik trilt de
dobber, het gladde, rode kopje met de doorgestoken pen. Die stijve pen
heeft zo iets eigenwijzigs, iets eigengerechtigs, iets pedants. Een
ietsje maar. Maar toch genoeg, om een komiese indruk te maken te midden
van deze harmonie van ruisend riet en rimpelend water.
Wanneer je op de grond zit, met je oog dicht bij het water, wat is
dan die glinsterende vlakte groot. Telkens verdwijnt de dobber uit je
gezicht, niet doordat hij er niet meer wezen zou, o neen, dat pedante
pennetje blijft aldoor even eigenwijzig boven het rode kopje uitsteken,
of die hele goud-glinsterende kabbeling voor zijn plezier zoo schittert
en trilt. Maar, wegdoezelend onder het zachte suizen en ruisen,
raak je gauw in dromen verloren, en dan zie je niets meer dan een
dooreenmengeling van groen en donker met gouden tipjes, waarin het
pedante pennetje volkomen verdwijnt.
"Jongen, je hebt beet!" roept daar plotseling een stem achter je. Je
trekt snel op, en boven 't donkere water schittert een zilveren vis,
spartelend door de lucht. Hè, je hart klopt in je keel. 't Ging ook zo
onverwacht. "Je moet niet zitten suffen," zegt de goedmoedige visser
nog. "Anders vang je niet."
Je moet niet zitten suffen. En toch, na een poosje, daar is het weer.
Is het de buitenlucht, die je zo soezerig maakt? Of dat stralende
hemelblauw? Of ben je misschien te vroeg opgestaan voor zo'n kleine
jongen? Langzamerhand komt het weer over je. Alles om je heen zingt
met zachte, suizende stem. En boven dat stille natuurzingen uit hoor
je telkens heldere klanken van vogels, van rietvinken. En dan strooien
de leeuweriken, hoog uit het hemelblauw, naar alle kanten hun smeltend
getierelier, hun zangerige serpentines, die de lucht vervullen als
hoorbare zonneschijn. Daar komt het weer. Je drijft weer weg in
vergetelheid. Het pennetje, het stijve, pedante pennetje, schiet naar
beneden, als een eigengerechtige paedagoog, die door meester Duivel
plotseling in de hel wordt getrokken. Maar je ziet het niet, je bent
weggezonken in de vrede van een heerlike harmonie, totdat een ruk aan
je hengel je wakker schrikt uit je dromerijen en je snel ophaalt met al
weer een goud-gevinde vis aan het eind van je snoer.
Vader is intussen aan 't rondvissen van de plas. Echte vissers zitten
nooit. Die lopen aanhoudend verder. Ze wachten de vis niet af, maar
zoeken ze op, telkens hun verleidelik aas trillend inleggend in al weer
een nieuw plekje krozig water. En zo is Vader een heel eind van ons
af geraakt. Dat geeft ons een gevoel van eenzaamheid, dat ten laatste
wat neerdrukkend werkt. Daarom staan we op, winden het snoer om de
hengelroe, en gaan op stap, vijf, tien, vijftien minuten ver, totdat we
weer bij Vader zijn en daarmee een behagelik gevoel van veiligheid en
stille gezelligheid herkrijgen.
De ganse dag gaat het zo door, totdat de namiddagzon naar huis wenkt.
Eerst wordt hier buiten, op een vlotje, de gevangen vis schoongemaakt,
van schubben en ingewanden en vinnen ontdaan, daarna in een netje met
gras gepakt, en nu, naar de schuit, jongens! Daar heb je het jagertje,
vooruit! Op het dek liggen we uit te rusten van de vermoeiende dag,
slapende komen we in Amsterdam. Daar maakt Vader ons zachtjes wakker,
en aan zijn hand slepen we ons door het eindeloze stratennet voort.
Thuis de vis in een emmer fris water uitspoelen. Morgen zal Moeder ze
bakken. Of misschien vanavond nog? Eer de pan op 't vuur staat, liggen
wij al onder de wol en soezen te midden van buitenlucht en zonneschijn
en ruisend riet en glinsterend water. Uit een diepe slaap worden we de
volgende morgen verkwikt wakker en gaan naar school, om de verloren
schade in te halen.
* * * * *
Hebt ge wel opgemerkt, waarde lezer, dat ik in die herinnering aan een
dag uit vissen vanzelf uit de verleden tijd in de tegenwoordige tijd ben
overgegaan? Daar zou mijn vroegere taalmeester zeker een dikke blauwe
streep doorheen gehaald hebben. Dat mochten we niet doen. Als we in de
verleden tijd begonnen waren, moesten wij daar ook in blijven, al dwong
de levendigheid van het gebeurde ons ook nog zo tot een voorstelling in
het heden. Maar de artikelen voor Sch. en L. gaan niet eerst door de
handen van een blauwgepotlode taalmeester en zo verschijnen ze onder uw
ogen met al de ongerechtigheden van de onverbeterde en onverbeterbare
schrijver.
Eén ding wil ik echter wel zeggen, dat ik n.l. nooit die sprong uit de
voorbijgegane tijd naar de huidige zou hebben gemaakt, als ik nu nog een
dag uit mijn vroeger _schoolleven_ had moeten beschrijven, in zoverre,
dat leven een _leerleven_ was onder de leiding van de meester, want--ik
zou eenvoudig niet in de verleden tijd begonnen zijn, ik zou _helemaal_
niet begonnen zijn, om de afdoende reden, dat ik me uit dat leerleven
niets meer herinneren kan. Wel weet ik nog van de streken en
ondeugendheden, die we in en om de school uithaalden, maar--is het niet
leerzaam?--van het echte leerleven, waarom we dan toch jaren achtereen
dag aan dag naar school gingen, weet ik zo goed als niets meer af. Ik
zou geen schooldag kunnen beschrijven.
En wel een dag uit vissen? En dat, hoewel die slechts bij hoge
uitzondering voorkwam, terwijl de schooldagen regel waren?
Zo is het. En hieruit ziet men, hoe dat leerleven buiten het hart der
kinderen omgaat. Die kleine jeugdmensjes leiden dan ook eigenlik twee
leventjes: één echt kinderleven, en een ander schijn leerleven; het
eerste natuurlik, het twede kunstmatig; het eerste van binnen uit
gegroeid en beheerst, het andere van buiten af opgedrongen en bedwongen;
het eerste met hun volle hart, het andere met hun verplichte
gehoorzaamheid. Is het wonder, dat ze zich in later jaren weinig of
niets meer van dat laatste herinneren, terwijl het eerste tot in hoge
grijsheid toe levendig voor den geest staat? Waar er geen innerlik
contact is tussen het nodig geoordeelde leerleven--óók, o geliefde
broeders van de christelike en katholieke scholen, tussen het nodig
geoordeelde godsdienstige leerleven--en het waarachtige leven des
harten, het groeiende gevoelsleven, daar dragen de kinderen het eerste
als een kleed, dat ze straks uittrekken en vergeten. Neen, nog minder.
Daar is het leerleven hun een stuk pakpapier, waarin ze een deel van hun
gevoels- en geluksleven moesten inwikkelen en dat ze straks achteloos
laten vallen en wegwaaien, wanneer dat gevoels- en geluksleven
onbelemmerd mag uitgroeien. Dan zwerven de oude schooldagen als
verfrommelde krantenpapieren over de straat, terwijl de oude
geluks-uurtjes als kostbare schatten der jonkheid worden meegedragen met
dankbare liefde.
Daarom, paedagogen, als een jongen een dag uit vissen wil gaan met zijn
vader, zet dan geen gewichtig paedagogen-gezicht en weiger het die
jongen en zijn vader niet, maar zeg ja, en zeg dat met je volle hart,
innig overtuigd, dat die jongen daar voor zijn leven meer aan heeft, dan
aan het onmisbare stukje leerstof, dat hij nu uit uw methodiese gang
moet derven. Vrees niet, dat hij achter zal raken. Het leren gaat zo
ontzettend langzaam, dat de andere kinderen in die éne dag onmogelik
zo ver vooruit komen, dat hij 't niet zou kunnen inhalen. Gun het kind
zijn dag van vreugde, ook wanneer hij een ondeugende bengel is, die
't eigenlik niet verdiend heeft. Ja, sta het hem dan vooral toe. Een
weigering verbetert hem _nooit_. Een inwilliging misschien. Laat genade
voor recht gelden en ge zult eens zien, wat heerlike uitwerking dat vaak
heeft.
En wanneer ge het vissen een onedel en wreed vermaak vindt, dat ge zelf
niet meer zoudt kunnen smaken, zeg dan toch ja. En dat nog wel zonder
door een preek het genot van de jongen voor die dag te bederven.
Met een preek bekeert ge de jongen en zijn vader niet. En een dag
natuurgenot, zij het vissende, is ook een preek van overtuigende
welsprekendheid. Dat weet ik uit mijn jeugd, waaruit ik tal van andere
preken glad vergeten ben. Vooral een dag natuurgenot--met je Vader.
II.
Waarom heb ik die geschiedenis van het vissen zo in den brede verteld?
Kan ik dan niet volstaan met eenvoudig te zeggen, dat en waarom het zo
goed is, de jongens eens een dag vrij te geven? Zeker, maar ik moest
doen uitkomen, doen vóélen, wat zo'n vrije dag voor een jongen betekent,
opdat de onderwijzers, voor zo ver ze 't nodig hadden, tot instemming
werden gebracht. Er zijn er nog zo veel, die bij de almacht der
school zweren. En nu is het wel goed, dat we geloof hebben in de
noodzakelikheid van onze arbeid, in de onmisbaarheid van onze taak,
maar dat mag niet gaan leiden tot overschatting. Wie hiervan genezen
wil worden, moet zich eens heel krachtig zijn eigen vroeger schoolleven
indenken. Dan zal hem blijken, hoe dat als een grote eenvormigheid in de
verte ligt, waaruit best een dagje en wel een weekje gemist kon worden.
Vooral onze bij millimeters ineengelegde methoden voeren ons tot de
overschatting van het détail, alsof met het overslaan van één schakel
het hele verband ineens verbroken was. Neen, het verstand der kinderen
groeit niet door onze methodiese kleinigheden. De kinderen verkeren
korter of langer tijd in een stuk nieuwe leerstof, gaandeweg wordt
dat hun eigendom, en soms, ineens, wordt het hun bewust. Dan breekt
de nieuwe kennis door. Leren gaat langzaam, veel langzamer dan wij
gewoonlik denken. Wilt ge eens echt ervaren, hóé langzaam? Herinner u
dan maar even, dat het rechte inzicht in vermenigvuldigen u pas duidelik
werd, toen ge deze kunst zelf aan 't onderwijzen was. Hebt ge zo iets
nooit ondervonden? Toch meende uw onderwijzer vroeger heel zeker, dat ge
de zaak volkomen begreept. Dat komt: hij zat toen in zijn eigen denken
verdiept in plaats van in dat van zijn leerlingen. En dat zal met ons
nu ook wel eens het geval wezen. Wanneer we de hersenwerkzaamheid onzer
leerlingen konden meemaken, wie weet, met wat een geduld we aanstonds
onze tred vertraagden, en hoe gans onbekommerd we de jongens een dag uit
vissen stuurden, zo niet een week.
Maar nu heb ik nog iets anders. Bij voorbaat moeten de onderwijzers--ik
bedoel de niet-schoolhoofden--me echter beloven, dat ze niet kwaad
zullen worden. Want wat ik zeggen ga, is geheel in hun voordeel. Maar,
sommigen zijn zo gauw op hun zelfstandige teentjes getrapt, dat een
bovenmeester--zo heet de verguisde nog hier in de residentie--uiterst
voorzichtig moet wezen, dat hij zelfs in zijn goedaardige vlagen de
vrienden niet beledigt en tegen zich in 't harnas jaagt.
Weet ge, wat ik zeggen wou? Dat ook die bovenmeesters maar ja moeten
zeggen, wanneer een onderwijzer eens een dagje uit vissen wil gaan, nu
wel niet met zijn vader, maar met zijn jongen. Uit vissen, of op een
andere wijze uit genieten. Want voor een onderwijzer kan het toch ook
zo'n verrukkelik ding wezen, eens een dag buiten te dwalen, terwijl
de hele wereld school heeft. Ik weet natuurlik niet, of anderen net
zulke boosaardige égoisten zijn, als ik, maar ik geniet het meest van
een vrije dag, als anderen lekker in school zitten. Dan is het geen
officiëele vacantie, en toch ben je vrij. Dan ziet de wereld er heel
anders uit. Dan kijk je al in de stad de straten en mensen, ook vooral
de straatventers en de winkels, met heel andere ogen aan dan gewoonlik.
Dan smul je zo gemeen in het geroezemoes, wanneer je toevallig een
school voorbijkomt, waarin de kinderen hardop leren of de meester luid
aan 't oreren is. Dan heb je net een gevoel van een vogel. Je bent vrij
te midden van een gebonden wereld. En als je dan naar buiten gaat, o
naar _buiten_, naar dat voor een stadsmens zo zalige buiten, dan geniet
je dubbel, neen honderdvoud. Dan drink je het groen van de weiden in,
of je zo ineens met een naar stilte en schoonheid dorstende ziel uit de
dufheid der methodiek verplaatst bent naar de frisheid der natuur. Dan
geniet je op één dag voor een jaar. Maar 't moet een weekse dag zijn,
geen zondag, en geen algemeen vrije dag. Een extratje, zoals wij
menschen malkaar te weinig gunnen en bezorgen.
Heb ik nu de zelfstandige onderwijzers kwaad gemaakt? Of zijn ze zo
zelfstandig nog niet, dat ze nog wel zo'n dagje uit bovenmeesterlike
hand willen ontvangen?
* * * * *
Wat is de wereld toch hatelik. Daar sist iemand me onder 't schrijven
toe, dat ik niet zo kinderachtig moet zijn. Grote mensen zijn veel
te degelik, vooral volwassen opvoeders, om op die wijze behandeld en
besproken te worden. En verbeeldt zo'n bovenmeester zich soms, dat hij
iets meer is, een halve godheid bij voorbeeld, die de arme, sjofele
klasse-onderwijzer met een vrij dagje genadiglik verblijden kan?
Neen, hatelike sisser, dat verbeeldt zo'n bovenmeester zich niet.
Daarvoor is de man nog zelf veel te blij, als hij er zo eens tussen
uit mag trekken. Als hij zo eens alle zorgen zijner ambulante
nietsdoenerigheid van zijn schouders mag laten glijden en één dagje
rentenier zijn in de wije, vrije wereld. Maar waarom moest gij nu mijn
goedmoedige stemming eensklaps verstoren met uw kwaadstokende sisserij?
Eén ding is gelukkig. Die stem kwam niet van buiten af, maar van binnen
uit. En daardoor kan ik hem aanstonds in zijn ware aard onderscheiden.
Hij is de stem van mijn eigen verleden.
Er was een tijd, dat ik inderdaad met een hooghartig veroordelend
"kinderachtig" tal van gewoon menselike gevoelens en verhoudingen
smalend verwierp. Wanneer toen een onderwijzer mij een dagje vrij vroeg,
gingen we samen aan 't redeneren, aan 't onderzoeken, of de aangegeven
reden wel een dag verlof wettigde, en dan analyseerde ik 't geval net
zo fijn, dat hij tot de erkenning gedwongen werd (altans naar mijn
mening), dat hier geen reden tot verlof bestond, maar.... dan was er
voor hem de aardigheid ook al lang af. Zo'n redeneerziekte maakt
iedereen in zijn leven door, als je zo tussen de twintig en dertig bent.
Dan meen je, dat alles verstandelik te regelen is, doch loopt intussen
groot gevaar alle gevoelens des harten te vermoorden en in jezelf een
koude, verstandelike eigengerechtigheid te ontwikkelen, waarmee je ten
slotte de omgeving verkilt.
Ouder geworden, begin je te begrijpen, dat er in de mens nog andere
factoren werken dan logiese krachten, en dat een plichtsbetrachting
overeenkomstig de voorschriften der principes wel eens inferieur
kan wezen aan een gewoon plichtsleven, dat met blijde en ijverige
opgewektheid zijn dagtaak verricht, doch óók wel eens voor een keer van
die dagelikse plichten ontslagen wil zijn, zij het ook dat gestrenge,
beginselvaste braafheid hier een steekje aan los vindt. Alles is niet
te beredeneren. Er zijn onberedeneerbare dwaasheden, (dwaas in het oog
ónzer wijsheid), die op slot van rekening rijker en vruchtbaarder zijn
in levensvreugd en ook in levensdeugd, dan scherpzinnig beredeneerde
verstandelikheden.
In onze tijd van strijd, ook van strijd in de onderwijswereld tussen
klasse-onderwijzers en schoolhoofden, lopen we zo groot gevaar, die
andere factoren uit het oog te verliezen, het persoonlike en echt
menselike in de verhouding te doden, en ons te beknellen in de banden
van reglements-artikelen, véél meer dan nodig is. Zeker, ik zie de
gevaren niet voorbij van een eenhoofdig bewind, dat zo licht tot
misbruik van macht kan leiden, maar laten we toch ook de ogen wijd open
houden voor het kwaad, dat ons bedreigt van een reglementen-regering,
die in uniformiteit haar heil vindt en in een contrôle van vormelikheden
haar sterkte. Daarmee zijn we ten slotte allemaal achterop. Niets toch
zo onrechtvaardig als een wet, die met geen individuele verschillen
rekening houdt; niets zo genadeloos als een reglement, dat geen hart
heeft; niets zo vrijheid dodend als een regeling, die in naam der
algemene vrijheid, elke persoonlike vrijheid aan banden legt.