Dit is de goede manier, om kinderen te leren volhouden. Zodra de lust of

de kracht dreigen te gaan falen, speel je, werk je een poosje mee. Dan

zwellen de slappe zeilen weer aanstonds en vaart het scheepje lustig

verder. Kleine kinderen, en ook grotere, hebben wel eens een gangmaker

nodig. En zijn het alleen kinderen, die zo nu en dan wat hulp van

buitenaf behoeven?

Je ziet dus, dat je niet bezorgd hoeft te wezen over het gemis aan

nabootsings- en nabouwingslust bij je jongen, mits hij in zijn vrije

bouwerijen maar volharding betoont. En mocht hem hierbij die volharding

ontbreken, dan weet je, hoe jij hem daarin te oefenen hebt. Niet door

standjes en verwijten, zelfs niet door preken en zedelessen, maar door

hem _aan jouw hand_ te leren volharden. Ik voel er altijd heel veel

voor, dat de meerdere braafheid en wijsheid en kracht der ouderen

verbeterend, verlichtend, versterkend werken op de jongeren, door

_mede_strijden, _mede_zoeken, _mede_werken, in één woord, door

mede_leven_. En die algemene regel zou ik ook in dit geval toegepast

willen zien.

Niet, dat ik daarvan alle heil verwacht en afdoende verbetering.

_Afdoende_ verbetering zien we niet zo dikwijls in ons leven, zelfs niet

bij de bestrijding van onze _eigen_ euvelen. Maar indien er door

opzettelike opvoeding, door ingrijpen van volwassenen iets zal worden

bereikt, dan is het m. i. nodig, dat die volwassenen zich één voelen,

één maken met de jongeren en ze zo meevoeren.

Aan Moeders hand. En ook aan Vaders hand.

Ik vind er altijd zo iets aandoenliks in, wanneer ik op Zondagnamiddag

vaders en moeders met hun kinderen van de wandeling zie thuis komen, en

de kleinen hangen half aan vaders of moeders hand. Toen het gezinnetje

uitging, waren de kinderen nog fris, liepen ze los en speelden onderweg.

Maar nu de wandeling achter de rug is, zijn de kleintjes moe. Ze

beginnen te drentelen, lopen steeds langzamer, slepen zich voort. Ze

mogen echter niet achterblijven, ze moeten mee, ook zij moeten naar

huis. Nu neemt Vader zo'n klein, warm handje in zijn grote hand, en zie,

het kind loopt aanstonds gemakkeliker. Desnoods draagt hij het moede

kind zelfs een eindje. Maar dan zet hij het weer neer, houdt het bij

de hand, en verlicht zo de laatste loodjes, die 't zwaarst wegen. Aan

Vaders hand komt het kind over de moeilikheden heen en veilig thuis.

Waarom zou die hand echter alleen mogen aangeboden worden bij

lichamelike vermoeidheid? Er is toch ook vaak een tekort aan geestelike

en aan zedelike kracht? Ook hier kan Vaders en Moeders hand worden

uitgestoken. En aangegrepen.

Je kent de plaat, waarop een drenkeling een rots (de rots der eeuwen)

heeft beklommen en nu de hand reddend uitsteekt naar een andere

drenkeling, die nog worstelt in de schuimende golven. "Helpt elkaar!"

staat er onder. 't Is de plicht van de geredde christen, op de rots der

eeuwen gered uit de branding van de zee der wereld, om nu ook andere

strijders te helpen. Helpt elkaar!

Wanneer deze plicht geldt voor volwassenen onder elkander, hoeveel te

meer geldt hij dan in de verhouding van opvoeder tot kind. Helpt elkaar.

Maar helpt dan ook, helpt dan toch in de eerste plaats het kind. Niet,

als 't _niet_ nodig is. Ook niet, _meer_ dan nodig is. Maar toch wel,

_zoveel_ als nodig is.

Hoe menigeen is op de weg bezweken, die, als hij een poosje aan Vaders

hand had mogen gaan, wellicht veilig was thuisgekomen.

Nooit is de invloed van de opvoeder groter, dan wanneer hij zich met

zijn volle persoonlikheid aan de jongeren en de zwakkeren geeft.

Denk hier eens aan, ook bij de simpele kwestie, of je jongen zijn

gebouwen afmaakt of in de steek laat. En lees dan eens Romeinen 15 vers

1.

II.

En nu heb je nog een twede klacht, een klacht van geheel andere aard. Je

kleine vent heeft er plezier in, "vieze woordjes" te zeggen. Dit vind je

nu wel niet zo _verschrikkelik_ erg, maar het hindert je toch. Jij en

je man hebt beide een natuurlike afkeer van al wat in woord of daad een

beetje onvoegzaam is, en daar komt je enige jongen nu en zegt woorden,

die jullie nooit gebruikt, en zegt ze met opzet, met plezier, wetende

dat hij daarmee iets onbehoorliks doet. Hoe komt het kind er aan!

Op die laatste verzuchting ligt het antwoord gereed. Natuurlik heeft hij

't van andere kinderen geleerd. Hoe zou hij er anders aan komen? Al ben

je nog zo kieskeurig op de speelkameraadjes, voor de kennismaking met

dit kwaad bewaar je je kinderen niet. Het komt voor onder de jeugd van

alle standen, volstrekt niet uitsluitend en misschien zelfs niet in de

ergste mate bij het plebs, het komt voor onder de bevolking van wel

iedere school, onder jongens en meisjes, en je zoudt je kinderen een

goeverneur moeten geven, nooit ze uit spelen of logeren laten gaan,

wilde je ze voor de aanraking met dit kwaad behoeden. En dus is er niets

aan te doen?

Dat beweer ik niet. Al hebben de ouders hier niet rechtstreeks schuld

in zoverre ze hun kinderen niet met een plezier-hebben in onbehoorlike

taal zijn voorgegaan--wat ook voorkomt--toch hebben ze schuld. Zij

hadden het kwaad kunnen voorkomen. Niet de kennismaking, maar de

besmetting er mee. En dat hadden ze kunnen doen, door hun kinderen

tijdig ongevoelig, immuun te maken voor dit euvel. Dit was, naar mijn

innige overtuiging mogelik, en dus was dit plicht geweest.

En hoe dan?

Zie eens, je jongen heeft _plezier_ in 't zeggen van die verboden

woordjes. Dit plezier is onnatuurlik, en toch ook natuurlik.

Onnatuurlik--want wat voor heerlikheid is er aan? Dat een kind graag

lekkere dingen lust, dat het graag fijne geuren ruikt, dat het graag

mooie dingen ziet, dat het graag allerlei aangename, strelende zinnelike

ervaringen opdoet, dit alles is natuurlik. Niemand zal uit bloot

zinnelike neiging walgelike spijzen eten, vieze stanken opsnuiven,

vuile dingen bekijken. Alle gezonde, normale individuen hebben een

instinctmatige afkeer van hetgeen in een of ander opzicht walgelik is.

Zo is er ook een natuurlike afkeer van het zeggen van vuiligheden.

En toch is dat plezier van je jongen ook natuurlik. Hij weet, dat hij

die dingen niet zeggen mag. Hij weet, dat het verboden waar is. Hij

weet, dat de fatsoenlike wereld voor zekere terreinen gordijntjes hangt.

En nu is het zijn plezier, die gordijntjes even weg te schuiven en er

achter te kijken, even het verbodene in contact te brengen met het

geoorloofde. En dit genot is heel nátuurlik.

Zeg eens tegen een kind, en zelfs tegen een mens, dat hij ergens niet

naar moet kijken. Honderd tegen een, dat hij dan juist wél kijkt. Niet

uit lust tot ongehoorzaamheid, maar als een noodwendige reactie op uw

zeggen. Door dat verbod is in sterke mate zijn belangstelling, zijn

nieuwsgierigheid opgewekt, en, eer hij 't zelf weet, kijkt hij. Huygens

zegt in Hofwyck, in dit ook opvoedkundig zo rijke gedicht:

Verbiet het quaed te doen, 't is daerom dat men 't doet,

En dreigen werdt bevell.

Kan het krachtiger en kernachtiger gezegd? Dreigen wordt bevelen. Ze

móéten, omdat ze niet mogen. Doch nu maakt men zich er te gemakkelik

af, als men dit bloot aan een zondige zucht tot ongehoorzaamheid

toeschrijft. Hier werkt ook de waarheid, en geen zondige waarheid, dat

de belangstelling door het verborgene en dus ook door het verbodene

wordt opgewekt. Heel het wetenschappelik streven vloeit hieruit voort.

Leg alles open en bloot, er viel niet te onderzoeken, er zouden geen

Noordpoolontdekkers wezen. Het onbekende, het ongedane prikkelt tot

onderzoek, tot beproeven, en in die gevoeligheid voor zulke prikkeling

werkt de springader van onze ontwikkeling. Ontsluieren is onze lust,

sterker nog, ontsluieren is onze taak. We moeten zien het ongeziene,

maken het ongemaakte. En zo is dit wegschuiven van gordijntjes, dit

zeggen van verboden dingen, dit overtreden van getrokken grenzen,

dit gaan op gesloten terrein volstrekt niet enkel een uiting van

ongehoorzaamheid. Trek naar het verbodene wordt gewekt door de

aantrekkelikheid van het afgeslotene. En deze aantrekkelikheid is

op zichzelf geen verkeerd verschijnsel.

* * * * *

Ik wil hier nog even op doorgaan.

Niet alle _over_treding is over_treding_.

Overtraden we nooit de totnogtoe gevoelde en geëerbiedigde grenzen,

dan kwamen we nooit verder. Maar zulk een overtreding moet in de goede

richting zijn. Een overtreding is een deugd, als ze ons, over een hogere

breedtecirkel heen, een graad verder voert naar de pool der waarheid.

Een overtreding is een kwaad, als ze ons, over de zedelike verbodslinie

heen, een stap dichter voert naar de poel der zonde. Niet in het

overtreden zit het kwaad, maar in het overtreden van de _te recht_

gestelde grenzen. En nu is de fout in menige opvoeding, dat men _ten

onrechte_ grenzen stelt en daardoor overtredingen uitlokt, die zonde

zijn. Ja, het komt voor, dat men het kind tot overtredingen noodzaakt

door het opleggen van onredelike en onzedelike geboden. Men moet

God meer gehoorzamen dan de mensen. Ook het kind. Waar het ouderlik

gebod in strijd komt met Gods bevelen--denk eens aan moeders, die

haar dochter de verkeerde weg op drijven--daar móét een kind, dat zijn

verantwoordelikheid gevoelt, het eerste overtreden. Er zijn ook verboden

geboden.

Het gaat dus niet aan, de overtreding van een gebod zo maar zonder meer

een misstap te noemen en de lust tot overtreden uitsluitend aan een

ingeboren neiging tot ongehoorzaamheid toe te schrijven. Willen we in

deze bij de opvoeding onzer kinderen zoveel mogelik klaarheid hebben,

dan moeten we niet alleen zorgen, dat onze geboden redelik zijn, maar

ook, dat de kinderen, indien enigszins mogelik, er de redelikheid

van voelen. Door een erkende redelikheid hebben de geboden zedelike

autoriteit. En hierin bezitten ze een waarlik bedwingende kracht,

waartegen elk verzet ongehoorzaamheid mag en moet heten. De _lust_ tot

_verkeerde_ overtreding bestrijden we echter het best, door een afkeer

te wekken van de zaak, waarvan we 't kind weerhouden willen. Dan wordt

het kind niet door het verbod, maar door het verbodene zelf tegen

gehouden. We moeten het verbodene afkeerwekkend en daardoor in zichzelf

verbodskrachtig maken.

Dit laatste wordt door vele ouders gevoeld en in de practijk

herhaaldelik toegepast. Wil de moeder, dat het kind van iets afblijft,

dan zegt ze: "Niet aankomen, 't is vies." Door deze waarschuwing,

hetzij ze leugen of waarheid bevat, laat een kind zich weerhouden om 't

verbodene aan te raken. Niet het verbod van de moeder, maar de viesheid

van het verbodene houdt het kind binnen de grenzen. Zo boezemen sommige

moeders hun kleintjes vrees voor dit of dat voorwerp in, door te zeggen,

dat "het bijt".

Ik wil deze leugens niet in bescherming nemen, maar in het principe zit

iets goeds. Maak het kind afkerig van het verbodene en het zal niet tot

overtreden worden uitgelokt, het zal er juist van terug gehouden worden.

Inzicht in de zedelikheid van een verbod is op zichzelf niet voldoende.

Op een verstandelike overtuiging valt nooit zo te rekenen als op een

diepgevoelde afkeer. Verstandskrachten zijn sterker in 't redeneren dan

in 't leven. Zuiver redenerende gaat menigeen ten verderve, omdat de

gevoelskrachten hem in de steek laten. Maar zuiver gevoelende blijft

menigeen, ondanks een zwakke logica, op 't rechte pad. 't Hart heeft

zijn levende logica.

We moeten dus:

ten eerste geen verbodsbepalingen stellen, waar dit onnodig of zelfs

verkeerd is; hierdoor toch zouden we het kind tot overtreden kunnen

verleiden of dwingen en dus de ongehoorzaamheid zelf hebben veroorzaakt;

en

ten andere moeten we een overtreding, waar deze verkeerd is en voorkomen

moet worden, bestrijden--minder door het simpele verbod en zelfs het

gemotiveerde verbod, als wel door een afkeer van het verbodene. De kunst

der opvoeding bestaat dan in het wekken van zin en tegenzin, van liefde

en afkeer. Waar deze gevoelens zuiver werken, kan de opvoeder zijn kind

loslaten.

Natuurlik brengt niemand het zo ver, niet eens bij zichzelf. We moeten

in ons zelf nog voortdurend de rechte zin ontwikkelen. Maar dat

verplicht ons te meer, 't bij onze kinderen toch vooral daarin te

zoeken. We moeten zorgen, dat het verbod als een levende haat in hen

werkt en niet als een ongemotiveerde dwang hen prikkelt tot overtreding.

En nooit, nooit mogen we ons ouderlik gezag misbruiken--en 't komt meer

voor dan men denkt--tot het opleggen van onredelike en onzedelike

plichten, want ook de kinderen hebben een geweten, een heilig geweten,

en ook voor hen geldt het woord, dat we andermaal aan Huygens ontlenen:

"Maar 't Wereldsche gesagh en gaet niet aen de wortel

Van 't heilighe Gewiss,"

ook niet als het "Wereldsche gesagh" het ouderlik gezag is.

* * * * *

En wat heeft dit alles nu te maken met je jongen en zijn vermaak in

"vieze woordjes"?

Dit, dat hij nooit zulk een vermaak zou hebben, als hij daarbij niet

over gestelde grenzen ging, die in hun rechtmatigheid door hem _niet_

worden erkend; dat hij in géén geval zo'n vermaak zou hebben, als hij

waarlik afkeer voelde van het verboden gebied. En dat de schuld dus bij

zijn ouders ligt, die hem in dit opzicht verkeerd hebben opgevoed.

Nu hoef je onder deze beschuldiging niet zó diep gebukt te gaan. Je zegt

zelf, dat je het kwaad niet zo verschrikkelik vindt. En daar heb je

m. i. gelijk aan. Eigenlik is het geen kwaad, maar een onhebbelikheid.

Ik voel er geen zedelike fout in, maar iets onsmakeliks, onkies,

onopgevoeds. Als er iets kwaads in schuilt, dan zit dit eer in de

ongehoorzaamheid jegens de ouders, dan in het zeggen der onbehoorlike

dingen zelf. Heel wat volwassenen gaan in deze onsmakelike liefhebberij

zelfs hun kinderen voor, zonder dat die mensen dáárom onzedelik zouden

zijn of mogen heten. 't Is een kwestie van smaak.

Huygens--je ziet wel, dat ik de laatste tijd weer veel met hem

omga--deze waarlik vrome en wijze, deze zeer kundige, ontwikkelde en

fijne man, geeft ons honderden staaltjes, dat in zijn tijd oorbare

scherts was, 't geen we nu vuile en hoogst ongepast aardigheden noemen.

De zin- en woordspelingen op 't gebied van 't physieke leven zijn bij

hem legio. Wanneer niemand minder dan Tesselschade zijn gast is,

beklaagt hij zich, dat dit mooie weeuwtje ... doch ik wil zijn _tans_

onvoegzame woorden hier niet herhalen. Voldoende zij de verzekering,

dat ze naar onze huidige smaak alle perken te buiten gaan, maar dat

niettemin Tesselschade er in rijm op antwoordde, en niet alleen

Tesselschade, ook menige andere dame werd vergast op dergelike

aardigheden, en daaronder dames van de hoogste stand. In hoffelike taal

drong de dichter door op voor ons zeer stellig verboden gebied. En dit

zou Huygens zeker niet zo openlik gedaan hebben, als hij gemeend had

hiermee iets onzedeliks te bedrijven. Of hij hiermee Bijbels was? Paulus

zegt in Ephese 4 vers 29: "Geen vuile rede ga uit uwen mond, maar zoo er

eenige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien,

die ze hooren." Doch wellicht noemde Huygens dit geen vuile rede. Op

dezelfde dag, dat hij zulke verzen schreef, stortte hij zijn ziel uit in

de godsdienstigste gedichten ter verheerliking Gods.

Hoe het zij, er is een essentieel verschil tussen het debiteren van

sommige schuine aardigheden en het bedrijven van onzedelikheid. Maar--op

dit verschil mogen wij ons niet beroepen, wanneer door onze nalatigheid

onze kinderen zich woorden veroorloven, die wij _op die wijze gebruikt_,

beslist veroordelen. Het is onze plicht, zulk een gebruik te voorkomen,

en onze schuld, als wij hiervoor niet hebben gezorgd. En hoe hadden we

dit gebruik dan moeten voorkomen? Door de kinderen van jongs af juist

die woorden _in volkomen reinheid en onbevangenheid_ te laten gebruiken.

Die _woorden_ zijn niet slecht, 't _gebruik_ ervan evenmin, maar de

_wijze_ waarop ze gebruikt worden, die is in dergelike gevallen slecht.

En zulk een _slechte wijze_ voorkomt men het best, door een _goed

gebruik_ reeds van te voren aan te wennen.

Bij een goede verhouding tussen moeder en kind is er zo'n echte, zo'n

onbeperkte, zo'n volkomen intimiteit. De kleintjes geven zich met hun

naakte lichaampjes zo geheel aan moeder, en al de functies van hun

groeiend lijfje, moeder kent ze, moeder is van niets vies, moeder regelt

ze zelfs. Zou er ook maar één kind zijn, dat zich voor moeder schaamt,

dat in de physieke uitingen van zijn lichaam iets onbehoorliks vindt,

of dat uit zich zelf zou lachen om woorden, die hij op de meest gewone

manier dageliks van moeder gehoord had, gedurende zijn kinderjaren? Al

wat bij 't physieke leven behoort, 't is een kind absoluut niet vreemd

of onvoegzaam, van zijn geboorte af is hij er aan gewend, en dus kan de

taal van dit physieke leven hem evenmin vreemd of onvoegzaam zijn, en ze

behoeft dit ook nooit te worden.

Echter, wat bij moeder en vader heel gewoon is, en gepast, behoeft

daarom nog niet in de buitenwereld te worden gebracht. Vreemden hebben

daarmee niets te maken. En langzamerhand leert het kind in woord en daad

tegenover vreemden en in tegenwoordigheid van vreemden een reserve in

acht nemen, die in de kleine familiekring nog niet nodig is. Moeder

leert hem, dat dit een eis van kiesheid is. De lichaamsdelen en hun

functies zijn op zichzelf volstrekt niet onbetamelik. God heeft de mens

aldus geschapen, en zoals God hem gemaakt heeft, is het goed. Maar om

velerlei redenen, die een moeder haar kinderen best kan uitleggen, is

het raadzaam over sommige lichaamsdelen en lichaamswerkingen niet met

vreemden te spreken. 't Is ook absoluut niet nodig. En--dit kunnen we

er gerust bijvoegen--een aldus opgevoed kind zal er uit zich zelf ook

nooit toe komen. Het denkt er niet aan. Het denkt aan zijn spelen, zijn

uitgangen, zijn lekkernijen, later aan zijn lessen, maar niet aan de

physieke functies van zijn lichaam, zo min als het b.v. aan de nagel

van zijn grote teen denkt en hierover gaat spreken, tenzij die nagel

toevallig pijn mocht doen.

Hoe gewoner een kind dit terrein heeft leren beschouwen en bespreken,

hoe onvatbaarder het zal wezen voor het vermaak-scheppen in vieze

woordjes. Wanneer andere kinderen hem daarmee aan boord komen, begrijpt

hij eenvoudig de aardigheid er niet van. Wat is er voor aardigs aan, die

dingen te zeggen? Hij mág ze zeggen. Maar hij vindt er niets plezierigs

in. Ook niets onplezierigs. Je lacht toch ook niet, als je over je ogen

of je oren spreekt, of over je eten en drinken?

Op deze wijze wordt een kind bewaard voor de besmetting met dit kwaad.

De natuurlike en reine opvoeding heeft er hem immuun voor gemaakt. En

mocht het er mee in aanraking komen, dan zal het--tenzij 't hem al te

onverschillig laat--zijn moeder de gehoorde praatjes wel meedelen. En

dan heeft deze alle gelegenheid, haar eigen afkeer van zulk soort

aardigheden in de kinderen over te brengen. Voor de aantrekkelikheid

ervan behoeft ze niet te vrezen, die bestaat voor haar kinderen niet.

Maar 't is ook goed, dat deze voelen, hoe min het is, woorden, die men

uit kiesheid voor vreemden verzwijgt, te gaan zeggen uit plezier.

* * * * *

Doch nu vraag je, hoe je je jongen dit kwaad weer moet afleren. Niet met

klappen, niet met standjes, zelfs niet met ernstige onderhouding, maar

allereerst door de door hem met verboden bijbedoeling gebruikte woorden

openlik zelf te gebruiken, doch dan natuurlik als de zaak er aanleiding

toe geeft. Zodra vader en moeder gewoonweg, zakelik over de dingen

spreken, welke de kleine vent alleen stilletjes durft zeggen, is er van

dit stilletjes zeggen al gauw alle aardigheid af. Met het wegvallen der

grenzen verdwijnt het plezier om er over heen te sluipen. En een

nuchter-zakelike bespreking is de dood voor alle verdachte

interessantheid.

Ten slotte wil ik je nog iets zeggen. Ik ken kinderen, die van jongsaf

_alle_ uitingen van het physieke leven als iets volkomen normaals in

reine zin hebben leren kennen, en bij deze kinderen heb ik nooit een

spoor van het genoemde kwaad opgemerkt. Hun nuchterheid in dezen sloot

volstrekt geen idealisme uit, maar bevroor als een kille vorst alle

verdachte grappen. Geen verontwaardiging, maar gevoelloosheid verlamde

het plezier van schoolkameraadjes in ongepaste woordjes. Zulk een

gevoelloosheid is reinheid. Wapen daar je jongen mee.

IV. OVER STRAFFEN.

Ik geloof niet in de opvoedende kracht van door menschen opgelegde

straffen. Tegen de Natuur, tegen het Lot, tegen God, kunnen we niet

zeggen: "Blijf van mijn lijf af, bemoei je met je eigen zaken," want we

_zijn_ hun zaken. We zijn "producten der Natuur", "speelballen van 't

Lot", "kinderen Gods", al naar we 't opvatten, en zeker niemand meent

in ernst, dat hij de baas is over de in- en omstandigheden, die zijn

leven beheerschen. We onderwerpen ons aan de Oppermacht van den eenig

Machtige, en willen zelfs aannemen, dat Zijn handelen rechtvaardig is,

ook al kunnen we deze rechtvaardigheid niet altijd _zien_.

Maar tegen de ons straffende _menschen_ verzetten we ons altijd, 't zij

feitelijk, 't zij, waar moed en kracht falen, alleen innerlijk. Met

onwil en wrevel en toorn worden we jegens hen vervuld en een "fiat

voluntas" kan ons nooit met volkomen overgave jegens de straffenden

mensch over de lippen, misschien wel mede omdat we gevoelen, hoe hij,

niet bekend met _al_ de motieven onzer daden, onmogelijk rechtvaardig

kan zijn. Raadpleeg ik mijn eigen leven--en daarin hebben we meestal ons

beste paedagogiekboek--dan hebben de straffen mij _nooit_ gebracht tot

afkeer van het kwaad, maar wel tot kortstondigen en soms zelfs

langdurigen afkeer van den straffer.

Toch kunnen we de straffen niet missen, maar dan dienen ze een anderen

naam te dragen, in overeenstemming met hun dienst. In elke kleinere of

grootere samenleving heb je de ongebonden naturen, die zich niet naar de

eischen van het geheel of de rechten van hun gelijken willen schikken,

en tegenover hun aanmatiging moeten we ons zelf en de maatschappij

beschermen door _dwangmaatregelen_. Wil je niet, dan zal ik je dwingen.

Deze dwangmaatregelen hebben echter geen opvoedend, wel een regelend,

een formeerend, een fatsoeneerend, een dresseerend karakter. Het

individu wordt er door gekneed tot een bepaalden vorm, gedresseerd tot

een bepaald handelen, en daardoor wordt hij wel bruikbaarder en dus

practisch beter, maar niet moreel beter. Zoo min als we de moraliteit

kunnen prijzen van een machinerad, dat precies in de tanden van een

ander rad grijpt en zoo medewerkt tot een onberispelijk loopen van de

heele machine, zoo min kunnen we zedelijkheid eeren in de onder pressie

van dwangmaatregelen geproduceerde braafheid.

Er is geen zedelijkheid zonder vrijheid.

Wie dus zijn kinderen--of menschen!--wil opvoeden, d. i. wil

doen ontwikkelen tot zedelijke karakters, gunne hun een zoo groot

mogelijke vrijheid en onthoude zich zoo veel mogelijk van straffen.

De kracht, waarmee hij hen leidt, ga uit van zijn eigen reine en rijpe

persoonlijkheid, en van de ook in den kinderleeftijd reeds tot wijsheid

voerende Ervaring.

Het klinkt mij als een idiootheid, wanneer ik hoor: "Je hebt de bessen

van het boompje geplukt, nu mag je voor je straf een week niet in den

tuin." Het had zin, wanneer men zei: "Je _kunt_ dus blijkbaar nog niet

_zonder toezicht_ in den tuin." In zoo heel veel gevallen kan men aan

kinderen (en volwassenen!) zelf de keuze laten, of ze zekere vrijheid

voor hun verantwoording durven nemen, ja of neen. En in plaats van hun

allerlei vrijheden te ontzeggen, moedige men hen juist aan, vrijheden,

_en daarmede verplichtingen_, voor hun rekening te nemen.

EEN ONBEVOEGDE.

"Ik kan 't niet vinden met dat kind,"

Zegt hij, "en 'k laat het dus maar staan."

Wat zoudt ge zeggen, waarde vrind,

Als zoo met u eens werd gedaan?

Zoo streng straft gij der kindren schuld,

En ge eischt nog zelf zooveel geduld.

V. VAN BUITEN? OF VAN BINNEN?

Verspreide Opstellen, I · 第 2 / 14 段