't Klinkt sommigen misschien ongerijmd, maar voor mij is de

Produced by the Online Distributed Proofreading Team at

http://www.pgdp.net

{~--- UTF-8 BOM ---~} +---------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |

| hernummerd en verplaatst naar het eind van de alinea met de |

| verwijzing. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: |

| met of zonder accent, trema of koppelteken. |

| |

| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |

| _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |

| ~uitgespatieerd~. |

| |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

| Het tweede deel van 'Verspreide Opstellen' is als e-boek |

| no. 38397 beschikbaar is via Project Gutenberg: |

| https://www.gutenberg.org/ebooks/38397 |

| |

+---------------------------------------------------------------+

VERSPREIDE OPSTELLEN.

I.

VERSPREIDE OPSTELLEN

VAN

JAN LIGTHART.

I.

TWEEDE DRUK.

UITGEGEVEN VOOR HET LIGTHART-COMITÉ DOOR

J. B. WOLTERS' U.M.--GRONINGEN, DEN HAAG, 1917.

In deze serie zijn verschenen:

JAN LIGTHART, Verspreide Opstellen, I _2e dr._ f 0,70

JAN LIGTHART, Verspreide Opstellen, II - 0,70

JAN LIGTHART, In Zweden _2e dr._ - 0,95

en zullen in den loop van 1918 of 1919 verschijnen:

JAN LIGTHART, Over Opvoeding, I.

JAN LIGTHART, Over Opvoeding, II.

JAN LIGTHART, Jeugdherinneringen.

TER INLEIDING.

Op verzoek van den uitgever J. B. Wolters belastte Jan Ligthart zich in

het jaar 1899 met de redactie van een nieuw opvoedkundig weekblad. Dat

blad noemde hij School en Leven.

Dat was niet een toevallige titel, noch minder een mooie leuze. Voor

leuzen, mooie woorden, die niet staan voor een inhoud, een zaak, was

Ligthart zoo bang, zoo bang, en aan het toeval liet hij niet graag iets

over bij zijn werk. Wat hij deed, deed hij goed, tot in de uiterste

puntjes verzorgd. Een titel of een opschrift vond hij niet iets, dat

zijn aandacht onwaardig was.

Die naam drukte een beginsel uit. Ook dat is nog onvolkomen gezegd. Een

beginsel is een algemeene grondstelling, van waaruit gevolgtrekkingen

worden gemaakt, die dan gelden of gelden moeten voor een bijzonder

geval. En juist die manier van handelen had in Ligtharts oogen zoo

groote gevaren. Hij vreesde, dat het levende, het persoonlijke, het

eigen-aard-ige, d.i. dat, wat zijn eigen aard en natuur heeft in zijn

aard en natuur miskend zou worden door het te brengen onder algemeene

regels.

Die naam School en Leven was een openbaring van zijn wezen. Ik zeg niet

van zijn opvoedkundig denken. Want opvoedkunde was voor Ligthart niet

alleen product van denken: opvoeden was voor hem liefhebben, begrijpen,

meevoelen. Het was zich zelf opvoeden en zich zelf verloochenen, het

was géven. Geven in blijmoedigheid, in dankbare overgave.

Zoo vloeide al zijn opvoedkunde voort uit zijn opvoeden. Hij begon niet

te redeneeren, hij zette vooraf geen zwaarwichtige theorieën op. Hij

ving niet aan met een stelsel te ontwerpen, dat hij opgebouwd had op

grond van beschouwingen en overwegingen.

Neen, hij vond een taak voor zich, kinderen, die hij moest opvoeden, die

hij kennis moest bijbrengen, die hij moest helpen, hun slechte neigingen

te overwinnen. Hij begon maar met die taak, want opvoeden kan immers

geen uitstel lijden. Hij begon door zich aan het kind te geven. En al

werkende, leerde hij het kind in 't algemeen, het kind in het bizonder

kennen. Wat men zoo innig liefheeft, leert men spoedig kennen, verstaat

men dus. En zoo deelde hij, uit de schatten van zijn ervaring, lessen

uit, zoo trachtte hij ons het kind te leeren zien, als zijn eigen, snel

indringende blik het ontdekt had. Omdat hij zich gaf, was zijn opvoeden

zooals zijn leven, en zijn opvoedkunde was zooals zijn opvoeden, omdat

hij zoo door en door echt was en de klove tusschen zijn en uiting niet

kon verdragen.--Zoo werd de naam School en Leven een openbaring van

_Ligtharts_ wezen.

_De school._ Ligthart was met geheel zijn hart schoolmeester. Hij leefde

in en voor de school.

Wie hem bezocht, werd aldra uit zijn tuin meegenomen naar het

schoolgebouw, dat er naast lag. En hij toonde hem den schooltuin, de

schoolplaten, de nieuwe leermiddelen, de nieuwe modellen, die de

kinderen hadden gemaakt.

Hij heeft nooit iets anders willen zijn en worden, dan schoolmeester.

Voor hem zijn er--zoo werd na zijn dood opgemerkt--schoolmeesters

geweest, die ook beroemd werden en tot de verstandelijk oppersten van

ons land gerekend werden. Maar dan waren zij schoolmeester af geworden,

en werden dan bekend als staatsman, geleerde, of iets anders. Doch

Ligthart verstond het voor het eerst, tot het keurkorps onzer leidende

geesten gerekend te worden als _schoolmeester_.

Voor de school werkte hij. Hij begreep dat de menschelijke kracht klein,

de tijd van leven en arbeiden kort is, en dat men dus, om iets tot stand

te brengen, zijn krachten niet over een te groot gebied moest verdeelen,

maar op beperkte ruimte samentrekken. Toen hij mij na den derden

jaargang opnam in de redactie van School en Leven schreef hij mij: zoo

zullen we samen probeeren iets aan de opvoeding en in de school te

verbeteren, aan Hooger Macht overlatende de geheele maatschappij te

vervormen.

Ten opzichte der opvoeding en van het onderwijs stelde hij den

schoolman als allereerste eisch, dat die zorgen moest, dat de kinderen

in de school met opgewektheid in een vredige, vriendelijke atmosfeer

rustig en degelijk leerden werken.--Zeker, de onderwijzer mocht zijn

belangstelling wijder uitstrekken, zijn bemoeiingen uitbreiden, in de

breedte en de diepte, maar zijn eerste werk lag in de school!

_Het leven._ Daar zal Ligthart allereerst mee bedoeld hebben het

practische leven. Hij wilde een innig verband tusschen de school en

het leven. Welke taak heeft het leven voor ons? Die vraag moeten wij

beantwoorden, als wij gaan onderwijzen. Welke kennis, welke vaardigheden

zullen later van een kind geëischt worden? Geef het die in de school,

op de kortst mogelijke, op de duidelijkste wijze.

Raadpleeg dus de levenspractijk. Voer het kind de wereld in, en breng de

wereld bij het kind. Hoe rijk is onze omgeving aan stof voor onderwijs,

voor nadenken.[1]

[1] Zie omtrent de bijzondere wijze, waarop Ligthart dat heeft gedaan,

het tweede deel dezer uitgave: "In Zweden".

Hij wil geen schijnwetten, noch boekengeleerdheid. Hij wil kennis, die

een deel geworden is van ons zelf. Ons voedsel wordt omgezet in spier en

been en zenuw en bloed; zoo ook moet het geestelijk voedsel opgenomen

worden, een deel van ons zelf, dat wij er mee kunnen denken, voelen en

handelen.

* * * * *

Toch denkt Ligthart nog aan iets diepers en meer omvattends, wanneer hij

van leven spreekt. Men kan er geene nauwkeurige bepaling van geven. In

het woord sterft de werkelijkheid. Onze verstandelijke begrippen zijn al

ontoereikend, om het inwendige, onmiddellijk ons zelf bewuste zijn, te

omlijnen. En het woord, dat die begrippen dan aanduidt, wordt vaag en

hard tegelijk, het is nòch nauwkeurig, nòch wisselend met het leven mee.

Léven--dat is voor Ligthart beweging, wisseling en stage verglijding,

maar tevens kracht, werking. Het levende staat geen oogenblik stil: het

is elk volgend oogenblik iets anders, dan het was in het voorafgaand

moment. Het oefent invloed uit, doet iets van zich uitgaan, om op zijn

beurt ook wijzigenden invloed te ondergaan van wat het omringt. Leven is

een geheel: het is met ontelbare draden doorweven, die de verschillende

levensuitingen samenhouden, die ons voeren van de eene openbaring tot de

andere. Zet het mes in dat leven, om er een stuk uit te halen, teneinde

dit als afzonderlijk geheel te beschouwen, dan snijdt ge de vezels door,

waarmee dat deel vastzat aan het andere en krijgt ge iets, dat anders

is.

Het levende is het schoone, het boeiende, het bekoorlijke. Want het

heeft zijn frischheid en doelmatigheid, die niet alleen een lust voor de

stille beschouwing zijn, maar ook onze aandacht tot zich trekken, onze

sympathie wakker maken.

Tegenover dit leven staat de dood, die niet meer werkt, die geen hooger

ontwikkeling meer toelaat. Overal speurt Ligthart die tegenstelling.

Is een geloof niet dood, als het zich niet uit in daden van geloovende

en vertrouwende menschenliefde? Is het anders met den oudernaam, dien

gij U toeëigent, maar die U niet toekomt, wanneer er vaderzorg noch

moederliefde is? Welke winst weet uw paedagogiek U op te leveren, als

zij u alleen regels geeft, die ge werktuigelijk kunt toepassen, maar die

onrecht doen aan het kind, waarop ge uw regel toepast. Dood is uw naam,

dood uw paedagogiek.

Dood en leven, altijd blijvende tegenstelling. Het leven is er, om voor

het leven te strijden. Elk oogenblik dreigt ons het leven te ontzinken,

drijven we naar de stilstaande wateren des doods, waar rotting is en

afsterving.

Prediker en verkondiger van het leven is Ligthart geweest. Hij kon dat

zijn, omdat hij het zoo innig liefhad. De kleine levensvreugden zelfs

versmaadde hij niet, maar wist hij dankbaar te genieten: een gesprek met

een vriend, bij de warme kachel onder een kopje thee was hem een genot.

De natuur wist hem groot en gelukkig te stemmen De wijde heide, het

breede water, het ruischende bosch, het golvende korenveld; de hemel,

waar blauw brak door lichte wolk of een goud-rand een donkere wolk

omzoomde, dat alles kon hij genieten met een intense vreugde. Het spel

der golven, glijdend en wisselend, van tint veranderend, een bewogen

oneindigheid, boeide oog en mijmerenden geest. Het vlugge spel der nest

bouwende en voedsel zoekende vogels volgde hij, ook in zieke dagen, met

gespannen aandacht. Had de kunst niet eveneens diepe ontroeringen voor

hem? Hij leefde in een zin- en zangrijke uitdrukking, hij laafde zich,

als hij dorstig was naar verkwikking, aan Vondel en Huyghens, aan

Staring en Van Eeden. De menschenwereld, om wier zonde en slechtheid, om

wier leed en ellende zijn teere ziel schreide, beurtelings met felle

smart en neergebogen leed, had toch nog zooveel aantrekkelijks voor

hem. Hij genoot van kinderlach en kinderspel en kinderarbeid: kortom

kinderleven, dat is kindergroei. Hij kon ontroerd zijn over de weldadige

hulpvaardigheid van een arme hofjes-bewoonster, en dankbaar voor de

edele daad van een goed man. Het was een vreugd in zijn leven, als hij

vertellen kon van een onderwijzer, die zich aan zijn klas, een moeder,

die zich aan haar gezin, een predikant, die zich aan zijn gemeente

wijdde. Hij wist verborgen krachten, voor hem vreugden en schoonheden,

in anderen te ontdekken, en hij verblijdde zich, wanneer hij die zag

ontluiken en groeien, zich nauwelijks of niet bewust, dat ze ontloken

onder en door zijn lichtende liefde. Zijn tintelende geest, vol van

vonken-spattende humor, vonken, die lichtten, maar niet kwetsten--wist

ook overal het guitige te ontdekken, en anderen aan te wijzen.

Zoo had hij het leven, het volle leven in zijn verscheiden eenheid lief

met een groote, machtige liefde.

En toch was het leven hem niet gemakkelijk geweest. Het gaf hem mee een

zwak gestel, dat hem kwelde, van zijn jonge kinderjaren tot het uur van

zijn sterven. Een zwak hart, met al de benauwdheden en kwellingen, die

er mee kunnen samengaan, was zijn deel. Hij had een wonderbaar fijn

besnaard gemoed, zoodat hij onrecht, anderen aangedaan, als zijn eigen

leed voelde. Zijn hart bloedde van deernis met al de arme kinderen, die

onder dwaasheid, onverschilligheid en booze harteloosheid leden. Heel

zijn sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel kwam in opstand tegen het

onrecht, dat Frankrijk pleegde in zijn Dreyfuszaak, Engeland beging met

zijn concentratiekampen en dat Duitschland met België's behandeling

op zijn geweten laadde.--De dood ontnam hem een zijner liefsten: zijn

eenigst zoontje stierf, toen het kind negen jaar was. Ook spaarden de

menschen hem niet. Hij moest ervaren, dat zijn woorden verdraaid en zijn

edelste bedoelingen verdacht werden gemaakt. De vale nijd zat uit te

kijken, of hij niet iets vinden kon, dat hem aangetijgd kon worden, of

waarmee zijn werk beklad kon worden. In zich zelf eerlijke bekrompenheid

riep hem voor haar rechterstoel, woog hem en vond hem te licht. Maar de

grootste moeilijkheid gaf het leven Ligthart in zijn altoos doorgaande

worsteling om God. Hij had het absolute, het eenig vaste willen grijpen,

in deze voorbijgaande en zondige wereld. Boven de vergankelijke

vluchtigheid en de zich zelfzoekende eigenbaat der menschen, voelde

hij den Eeuwige, in zijn onveranderlijke trouw en Heiligheid. Hij

wilde Hem kennen, niet door een stelsel, een geloofs_leer_, maar door

geloofs_leven_. Hij wilde God in zijn leven ervaren en openbaren.

Hem ervaren en openbaren dan vooral, als "onspoeds felle slagen" hem

deerden. Dan wilde hij zijn lijden opvatten als een zegenende, wijl

louterende gerechtigheid. God moest voor hem zijn hoogste leven, het

Leven zelf zijn, waarin hij eigen leven veilig geborgen wist. De

aardsche openbaring van dat Leven wilde hij in Christus' gestalte

zien, wiens rood-gouden liefde hem alle aardsche liefde kleurloos

liet schijnen. Tegenover deze zielsneiging streed dan weer het scherpe

ontledend verstand, dat dit geloof redelijk wilde begrijpen, botste ook

de lichaamszwakte en de benauwdheid, die soms bijna tot smartelijke

vertwijfeling werd.

Neen waarlijk, aan moeite, aan levensleed ontbrak het Ligthart niet.

Toch was hij de bezielde profeet van het leven, omdat hij het liefhad

met een innige liefde, omdat hij er meer en meer in leerde zien, Gods

taak en Gods geschenk, ons opgelegd en toebedeeld.

* * * * *

_School en Leven._ Ligthart zou het zelf niet zoo uitgelegd hebben,

als men hem vroeg, waarom het zoo heette. Hij was een intuïtief, een

spontaan man, een aan de kunstenaars verwant gemoed. Niet uit het

beredeneerde overleg, maar uit de diepere onbewustheid ontsprongen zijn

gedachten, zijn opmerkingen. Zoo werden zijn woordspelingen plotseling

geboren als lichtflitsen. Zoo ontdekte hij ineens een beeld, een

gelijkenis, bracht een boekweitveld hem op een paedagogische gedachte,

kon een bezoek aan een ringoven hem een opvoedkundig artikel in de pen

geven. Een voorval dat hij beleefde, zette hem aan 't denken en zette

zich om tot een studie. Het leven treft hem en hij reageert er op met

zijn geheele zijn, met al zijn weten, ervaren en voelen,--hij antwoordt

op het leven met zijn leven.

* * * * *

Zoo zijn in de woorden, School en Leven, de grondtrekken gegeven van

Ligtharts paedagogiek.

Het blad had een ondertitel. Het was een blad _voor opvoeding en

onderwijs in school en huisgezin_. Ook in dezen titel kwam Ligtharts

neiging tot geheelen weer uit. Hij zag met vreugde de samenwerking van

school en huisgezin. Hij wilde geen scheiding. Maar het gezin moest

ook onderwijzen. Het kind moest dit niet alleen van de school, maar

ook in het huisgezin leeren. De moeder kan, onopzettelijk, de kinderen

rondleiden in de natuur, inleiden in de boeken, plaatjes met de kinderen

bezien, aldus de ontwakende belangstelling der kinderen bevredigend

en tegelijk hun weetlust opwekkend. En herhaaldelijk heeft Ligthart

voorbeelden, practische voorbeelden gegeven, hoe men in huis kan

onderwijzen. En de school is niet alleen een leerinstelling: zij

moet ook opvoeden, zij moet de karaktervorming van het kind niet

verwaarloozen. Trouwens, onderwijst men goed, dan voedt men ook op; wie

de krachten van het kind in het werk stelt, zóó, dat het met vreugde

arbeidt, onderwerpt de booze neigingen.

* * * * *

Ligthart heeft School en Leven geredigeerd tot zijn dood, al moest hij

de redactie ook overlaten, als uitlandigheid of ziekte hier toe noopten.

Maar dan werd het zooveel mogelijk in zijn geest en naar zijn

opvattingen geleid.

Hij was in dit blad de beminnelijke gastheer, nooit de starre betweter.

Wie lust had, kon het uitspreken, als hij 't goed meende--ook al

verschilde hij van den redacteur.

En hij zelf gaf zich ook in zijn blad, geheel en onvoorwaardelijk. Hij

was er als in een familiekring, zei hij zelf.

* * * * *

Hij wilde steeds zoo schrijven, dat de menschen hem lazen. Hij kwam tot

de lezers. Hij stelde zich voor, dat ze, moe van hun dagtaak, afgetobd

door werk, verzonken in zorg, gekweld door leed dikwijls, hun krant

openden. Dan moesten ze als 't ware aan 't lezen gebracht worden. Ze

moesten door den vorm geboeid, door den inhoud gelokt worden, om zoo,

ontheven aan zich zelf, in eens op te gaan in denken over 't kind.

Ligthart ging tot de lezers, om ze mee te nemen naar zijn eigen, lichte

hoogten; niet, om bij hen te blijven.

Omdat hij zoo sprak tot de lezers, zette hij ze aan 't werk. Hij

prikkelde hun denken, daarmee ook hun tegenspraak. En (als dat geen

vervelend betweterig geschrijf was, alleen een genoegen voor den man,

die het gaf, maar een last voor den redacteur en een ergernis voor den

lezer), dan gunde hij graag ruimte aan die tegenspraak, verduidelijkte

zijn meening, verklaarde zich nader en eindigde dikwijls met het

gemeenschappelijke in de overtuiging der verschillende auteurs aan te

wijzen.

Sommige zijner opstellen in School en Leven zijn bijeengebracht in de

twee bundels, Over Opvoeding, die nu reeds in vierden druk verschenen

zijn.

Maar nog altijd rustten in de verschillende jaargangen van School en

Leven stukken, die bewaard moesten blijven.

Van die stukken verschijnt hier thans een eerste bundel. Hij is, met

eenige zeer geringe medewerking van mijn zijde, bijeengelezen door

Mevrouw Ligthart, die er hier en daar een enkele noot aan heeft

toegevoegd. Voor het overige is de bundel, in afwisseling en

opeenvolging der stukken, zoo samengesteld als Mevrouw Ligthart

vermoedde, dat de auteur het zelf zou hebben gedaan.

Ligthart schreef in het laatst van zijn leven vereenvoudigde spelling.

De artikelen, in die spelling geschreven, hebben wij niet gewijzigd: al

moest daardoor deze bundel ook in twee spellingen verschijnen. Maar wij

wenschten niet te kort te doen aan de overtuiging van den auteur, die

welbewust de vereenvoudigde was gaan gebruiken, toen de regeering dwong,

deze spelling uit de school verwijderd te houden.

* * * * *

Deze uitgave, die niet veel minder copie bevat dan de bundels Over

Opvoeding, die f 2.50 kosten, is veel goedkooper. Mevrouw Ligthart

heeft gaarne de copie voor deze uitgave afgestaan, de uitgever heeft

alleen zijn oorspronkelijke kosten, geenerlei winst berekend, en deze

berekening, ondanks de sterk verhoogde papierprijzen, gestand gedaan.

Ten slotte had het Ligthart-comité de gelegenheid, om deze uitgave

geldelijk te steunen.

* * * * *

Deze bundel is de eerste, die met hulp van dat comité verschijnt. Het

werd spoedig na Ligtharts dood in Februari, opgericht, op aanstichting

der heeren De Jong en Eigenhuis, schoolhoofden te 's-Gravenhage. Tal van

mannen en vrouwen--uit de meest verscheidene kringen der gemeenschap

en van onderscheidene levensrichting--vereenigden zich, om gelden te

verzamelen, teneinde een goedkoope uitgave zijner geschriften mogelijk

te maken. Steun ondervond dit comité in ruime mate. Zoo kon deze bundel

verschijnen, die weldra gevolgd zal worden door het boeiende reisverhaal

In Zweden. Wij kunnen daarna nog doorgaan, al zou het ook een poos

moeten duren, voor wij ook de Jeugdherinneringen goedkooper verkrijgbaar

kunnen stellen.

Het ligt in de bedoeling, dat bij elk deel een korte inleiding van mijn

hand komt, om het in zijn aard te karakteriseeren, en één zijde van

Ligtharts rijke persoonlijkheid te belichten. Zij, die reeds nu meer en

vollediger omtrent den mensch ingelicht wenschen te worden, zullen hun

weetlust kunnen voldoen door de lezing van het gedenkboek: Jan Ligthart

herdacht, dat in October 1916 bij Ploegsma is verschenen. De uitgever

heeft het comité een aantal exemplaren afgestaan, en zoo is het in

verschillende leeszalen zeker te krijgen.

* * * * *

En zoo moge dan deze bundel de wereld ingaan en licht en zegen

verspreiden. De zon is onder voor onze oogen, maar nog is haar glans en

warmte op de aarde.

R. CASIMIR.

I. VROEGE TUCHT.

Een kind is Godlik van natuur. Aan 't eeuw'ge

Ontstegen brengt het in zijn ziele kennis

Van 't Godlike en ook herkennen mee.

Het Hoogste, Heerlikste is hem nabij.

Zich bang, bedrukt en klein te voelen, daarvoor

Is gelegenheid en tijd op aarde!

Eèr het al vroeg! Behoud het als een engel!

Vertrapt het ene van z'n schone bloemen--

Bestraf het--als men kindren straft--om moord;

Liet het zijn rozenstruik achtloos verdorsten,

De arme moeder van veel arme kindren,--

Weiger dan hem zijn koele waterdronk;

Heeft het vernield een nest van jonge vogels--

Laat op de harde vloer hem hongrig slapen,

Van Moeder, Vader, broertjes, zusjes ver--

Menigeen zal deze dichtregelen uit Schefer's "Laienbrevier", zo

innig-ernstig door Buist vertaald, met bizondere instemming gelezen

hebben. "Een kind is Godlik van natuur. Eér het al vroeg! Behoud

het als een engel!"--dat wil er bij velen graag in. Er zijn heel

wat volwassenen, die dwepen met de onschuld der kinderen. Tegenover

de onreinheid en ongerechtigheid der volwassenen stellen ze dan de

ongereptheid der jeugd. Volwassenen zijn berekenend, huichelachtig,

schijnheilig, en wat niet meer! De wereld heeft ze bedorven. Als

kinderen waren ze naïef, oprecht, openhartig, mededeelzaam, welwillend,

rein, zonder naijver, wangunst, zelfzucht. Maar de wereld, o die wereld.

Die heeft de zuivere vruchten aangestoken, die heeft ze met allerlei

leliks besmet. En nu is er weinig of niets meer van het oorspronkelik

reine over.

Deze beschouwing kan ik niet delen. Wanneer kinderen rein schijnen,

zonder de vele ondeugden, welke de volwassenen in zichzelf en hun

medemensen veroordelen, het is niet door wezenlike reinheid, maar door

onrijpheid. Hun reinheid moet nog blijken in de strijd des levens.

Bezaten ze wezenlik de deugden, welke kortzichtige dweperij hun

toeschrijft, en misten ze inderdaad de ondeugden, welke men niet in hen

ziet, dan zouden ze, al ontwikkelend, die deugden ook in steeds rijker

mate moeten tonen, aan die ondeugden bij voortduring vreemd blijven.

Maar het goede en het kwade is bij hen evenzeer aanwezig als bij de

ouderen, anders zou het nooit te voorschijn kunnen komen. In kiem is

het er voorhanden. En nu gaat het niet aan van een reiner natuur te

spreken, omdat de onreinheid nog niet is kunnen uitgroeien. Eerst als

het leven met al zijn verleidingen tot zinnelikheid, hebzucht, eerzucht,

heerszucht, wangunst, de ziel onaantastbaar heeft bevonden, eerst dan

kan men spreken van wezenlike onschuld en reinheid. Maar hoe velen zijn

er, die deze proef des levens doorstaan? Prijs niemand gelukkig vóór

zijn dood, zei de wijze Solon. Evenzeer kan men zeggen: Noem niemand

rein, eer hij het leven heeft doorgemaakt.

Het leven is enerzijds een toetssteen, die 't zuivere goud in zijn

volle zuiverheid doet uitkomen. Maar anderzijds, en nog véél meer, kan

men het een smeltkroes noemen, waarin het goud van al zijn onzuivere

bijmengselen bevrijd wordt. Door levensstrijd, door levensleed worden

we gelouterd. Hierbij blijkt, hoe weinig echts en reins en goddeliks in

ons is, ondanks de schone waan uit onze jongelingsjaren. We boeten heel

wat zelfwaardering--altemaal zelfoverschatting--in, wanneer we in de

omgang met de wereld ervaren, niet hoe slecht de wereld, maar hoe slecht

_wij zelf_ zijn. En gelukkig, als we tot dat inzicht komen. Dan is er

altans enige hoop, dat we door de ervaring, toenemend in zelfkennis,

gaandeweg verbeteren, en de wereld een weinigje beter verlaten dan we

er ingetreden zijn.

't Klinkt sommigen misschien ongerijmd, maar voor mij is de grijsheid

licht onschuldiger dan de jonkheid, onschuldiger in de zin van reiner.

De jeugd is onwetend, onwetend ook van haar eigen kwaad, maar ze moet

nog een heel reinigingsproces doormaken, aleer ze ook onschuldig mag

heten. Dan pas mag ze rein worden genoemd, als ze bestand is tegen de

verzoeking, als ze door zedelike zuiverheid onvatbaar is voor 't kwade,

hoewel haar menselike natuur zich in volle kracht ontplooid heeft. Maar

zijn er zo velen? Neen, niet de wereld _maakt_ ons slecht, maar de

wereld doet uitkomen, hoeveel slechts er in ons _aanwezig_ is. Door een

kind buiten de wereld te houden, bewaren we het niet in reinheid, maar

in onrijpheid. Geen zedelike grootheid zonder strijd. En daarom mag het

niet wezen: "_Behoud_ het als een engel!", maar moet het veeleer luiden:

"Indien mogelijk, _maak_ het tot een engel."

* * * * *

Ik zou deze waan van kinderlike onschuld niet met zoveel nadruk

bestrijden, als hij niet zo veelvuldig werd aangetroffen en tot zoveel

misvatting en ontgocheling leidde. Daardoor toch zijn vele ouders

onnadenkend, zelfs onvoorzichtig en roekeloos in de opvoeding van hun

hele kleintjes, die lieve onschuldige wezentjes, terwijl ze onbillik

zijn tegenover de ouderen. Ze menen heus, dat die lieve onschuldige

wezentjes lief en onschuldig _zijn_ en dat ze ook heel best zo kunnen

blijven. En wanneer dan die liefheid en onschuld verdwijnen en de

kinderen ondeugend en nog erger worden, nemen ze dat die kinderen

kwalijk. Dan trekken ze gauw aan 't werk, om de verloren liefheid en

onschuld in hun kroost te herwinnen--met straf.

Zo wil ook de dichter van "Vroege Tucht":

Vertrapt het ene van z'n schone bloemen,

Bestraf het--als men kindren straft--om moord;

Liet het zijn rozenstruik achtloos verdorsten,

De arme moeder van veel arme kindren,

Weiger dan hem zijn koele waterdronk;

Heeft het vernield een nest van jonge vogels,

Laat op de harde vloer hem hongrig slapen,

Van Moeder, Vader, broertjes, zusjes, ver...

Zie nu toch eens aan. Eerst hebben we de kortzichtigheid begaan,

het kind een engel te achten, en nu het ons hierin teleurstelt, nu

er gewoon-menselike fouten voor den dag komen--onnadenkendheid,

onmeedogendheid, hardheid--nu moet het kind op dezelfde wijze behandeld

worden als waarop hij anderen behandeld heeft, opdat toch maar vooral

de engel in hem gehandhaafd blijve, met andere woorden, opdat de

volwassenen om hem heen in hun engelenwaan kunnen blijven voortdromen.

Wat heb ik het dikwijls gezien, dat ouders, ontnuchterd in hun dom

gedroom, boos werden op de gevallen engeltjes en hun teleurstelling met

straffen wreekten op de kleine, onwetende schavuiten. Dan werden die

onnozele zondaars voor hun vergrijpen bij de arm gegrepen, door elkaar

geschud, geslagen, de kamer uitgestuurd, van voorrechten beroofd of op

andere wijze gekastijd, alleen omdat ze geen engeltjes hadden kunnen

blijven, wat ze in de wieg zo plechtig beloofd hadden. Vroeger--zo

heette het dan--waren ze toch zo lief. En nu--

De drift der ouders was onbillik, maar begrijpelik. De mensen hadden

zichzelf niet tot volmaaktheid kunnen brengen, nu wilden ze tenminste

hun kinderen, die zo lief volmaakt _waren_, ook volmaakt _houden_. En

laten we aannemen, dat ze zulks niet wilden uit eigen gemakzucht, maar

uitsluitend in het belang der kinderen. Maar dom was het, en jegens de

kinderen schandelik onbillik, dat is niet tegen te spreken. Ze hadden

de fouten moeten voorzien, ze hadden de overtredingen moeten voorkomen,

ze hadden, wetende wat er te wachten was, daarop hun opvoeding

moeten inrichten. Ze hadden door nu en dan een enkel woord, door een

doeltreffend verhaaltje, maar bovenal door hun voorbeeld, door hun

omgang met de kleintjes, de gebreken reeds moeten bestrijden, aleer

deze zich openbaarden, de deugden moeten aankweken, die in de omgang

met mensen, dieren, planten en dingen, zo gauw gevaar lopen in de zeer

zelfzuchtige kinderhartjes, zelfzuchtig n'en déplaise die engelennatuur.

Ze hadden de invloed van hun rijper zedelikheid moeten doen gelden

en inwerken bij die onschuldige, ach neen onrijpe en dus onzedelike

beginnertjes in 't mensbestaan. En dat hadden ze al vroeg moeten doen,

al heel vroeg, zoodat de kindertjes _geleerd_ hadden--versta me wel:

_geleerd_--bloemen te ontzien, dorstige rozenstruiken te begieten en

vogelnestjes te sparen, en liever alles te verzorgen dan te vernielen.

Dan waren die harde straffen onnodig geweest.

* * * * *

Nu--worden de kinderen gestraft voor de achteloosheid en domheid der

ouders. En, dit maakt de zaak nog erger, met die straffen begaan de

ouders een twede fout. Als ze, straffende, de kinderen nog maar in 't

rechte spoor brachten. Maar ze brengen hen nog verder van 't pad. 't

Kind heeft gezondigd jegens bloemen, struiken, vogels. Nu begaan de

ouders dezelfde zonde jegens de kinderen. Jij hebt die bloem vertrapt,

nu zal ik 't jou doen. Jij hebt die struik dorst laten lijden, nu zal ik

jou naar water laten smachten. Jij hebt de jonge vogels hun slaaphoekje

verstoord, nu zal ik jou op de harde grond laten overnachten. Dan zul je

wel voelen, wat voor ellende je die arme wezentjes hebt aangedaan, en

voortaan zachter gestemd zijn en teerder handelen.

Dat lijkt er veel op, of men de duivelen wil verdrijven door Beëlzebub,

de overste der duivelen. Dat is het kwaad met het kwaad bestrijden. Ik

weet wel, dat het niet hetzelfde is, daar het kind hard was uit lust

of gevoelloosheid, terwijl de opvoeders hard waren uit plicht en juist

uit zorg voor hun kroost, dat er alzo een groot onderscheid was in de

bedoeling der daden en daardoor ook in de geest dier daden, maar het

feit is toch, dat men het kind hetzelfde _aandoet_, wat men in hem

veroordeelt.

De opvoedkundige redenering, waarop deze houding gegrond is, heeft

een kern van waarheid. Door ervaring moet een kind leren, hoe pijnlik

sommige dingen zijn, opdat hij er zich voor wachte jegens anderen. Maar

er is verschil tussen ervaring en ervaring. Het wezenlike kenmerk van

ervaring is het onontkoombare, het leven doet het u aan en niemand kan

er u dan voor behoeden. Ervaring brengt de gevolgen van uw daden. Gij

gaat door 't leven, en wat ge al gaande opdoet, dat is uw ervaring. 't

Is uw reactie op 't leven, 't is de reactie van 't leven op u. Maar de

gedragingen van zulke straffende opvoeders hebben niet het noodlottige

en daarmee de donkere ernst van de levenskastijding. Ze hebben iets

zeer opzetteliks, iets kunstmatigs en dus onnatuurliks en vaak zeer

onrechtvaardigs. De ervaring, die ze 't kind doen ondergaan, staat tot

wezenlike ervaring, als een kunstplant tegenover de natuur. En dit voelt

het kind ook wel, al maakt het zich dit onderscheid niet bewust. Het

voelt wel, dat het van al deze bestraffingen zeer wel verschoond had

kunnen blijven, als vader of moeder ze zich niet tot een paedagogiese

plicht hadden gerekend. Juist het opzettelike, gewilde, plichtmatige

ontneemt aan deze komedie-ervaring haar opvoedend karakter. Vaak ziet

men dan ook, dat het kind zijn oude zonden voortzet, doch er goed op

past, dat de ouders er niets van merken. Het vreest de straffende hand

en ontvlucht die. Dat kan het de echte ervaring nooit. Die ontvlucht

niemand, ook het kind niet. Een kind, dat zich eenmaal aan de

brandnetels geprikt heeft, is voortaan wel voorzichtiger. Maar hoe

dikwijls wordt een kunstmatige straf ontdoken of zelfs getrotseerd?

Daar komt nog iets bij. Niet ieder wordt door harde ervaring vertederd.

Ervaring kan een opwekking van meegevoel worden, maar 't kan ook

omgekeerd uitlopen. Door de ervaring kan men verhard worden. En door de

ervaring kan men ook tot de overtuiging komen, dat een toestand lang zo

treurig en meelijwaardig niet is, als wij eerst hadden gedacht. Een

teergevoelig, rijk kind, dat met medelijdend hartje naar sommige arme

kinderen ziet, zou misschien dat medelijden gans verliezen, als het

eens volkomen met die arme kinderen meeleefde. Wellicht zou het dan die

armoede nog niet zo'n erge ellende vinden, ja, de onbekommerdheid van

een woonwagenbestaan aantrekkeliker achten dan de weeldebekommernissen

van het paleisleven.

Zodat ik maar zeggen wil: dat we in de opvoeding wel ervaringswijsheid

moeten helpen aanbrengen, maar dat we ons wachten moeten voor een

averechtse toepassing van dit goede beginsel. En zulk een averechtse

toepassing acht ik aanwezig in de voorbeelden van onze dichter en

overal, waar men daarnaar handelt.

* * * * *

In het onderhavige geval haperde het bij 't kind aan tederheid. Welnu,

wat ligt dan meer voor de hand, dan dat men het kind tot tederheid

opvoedt, dat men tedere stemmingen en gezindheden in hem wekt, dat men

hem het goeddoende en koesterende van de tederheid bij ervaring lere

kennen. Hem daartoe met dorstlijden, harde slaapvloeren en andere

kwellingen een denkbeeld te geven van tederheid in 't algemeen en

bizonderlijk van de tederheid zijner opvoeders, dit lijkt mij wel wat

zonderlinge manier. De opvoeders moeten tonen te bezitten, wat ze hun

kinderen willen aanbrengen, zij moeten in rijke mate hebben, wat ze bij

hun kroost uit zwakke kiemen wensen te ontwikkelen. En daartoe moeten ze

hier een voorbeeld geven van tederheid, zowel in de behandeling van hun

kroost als in de zorg voor alle andere levende wezens, die hen omringen.

En ik mag er wel bijvoegen: ook in de zorg voor alle voorwerpen. Want

wie met stoelen kan smijten en boeken kan verwaarloozen, mist een

sentiment van zorg, dat zich straks ook kan doen gevoelen in de omgang

met natuurgenoten.

Bij sommige kinderen is de tederheid zo groot, dat ze eer getemperd dan

gesterkt moet worden. Maar daar gaat het nu niet om. 't Gaat om de

minder gevoelige natuurtjes. En nu is de vraag: hoe zullen we in deze

de tederheid wekken of versterken. Naar mijn mening, door tederheid te

geven, tederheid, niet als een slappe, sentimentele, ziekelike

overgevoeligheid, maar als een zachte, zorgende, verkwikkende, sterkende

kracht.

Deze laatste onderscheiding mag nog wel even in 't licht worden gesteld.

Er zijn mensen, die bij al zulke woorden als tederheid, zachtheid,

liefde, denken aan iets zwaks, iets zoeteliks, iets kwijnends, iets

ziekeliks. Maar ze denken glad mis. Wie de juiste betekenis van deze

woorden wil leren kennen, moet zien, hoe b.v. de zusters van 't Roode

Kruis het slagveld rondgaan, de gewonden opnemen, verdragen, laven,

wassen, verbinden, hoe ze met troostende stem, met sterkende blik, met

zalvende hand even vaardig als voorzichtig hun reddingswerk verrichten

te midden van een afgrijselike ellende, waarin de sentimentaliteit

zou flauw vallen. Wie tederheid, zachtheid, liefde wil zien, moet de

middernachtzendelingen volgen in hun gevaarvolle toewijding, waar ze

zich te midden der ruwste zedeloosheid wagen, om door een enkel zacht

waarschuwend woord, een enkele liefdevolle aanraking, de verdoolden

voor een dreigend en reeds dicht naderend bezwijken te behoeden. Wie

tederheid, zachtheid, liefde wil zien, moet op Zaterdagavond met

een vrouwelike heilsoldaat, de kroegen ingaan, om bij jeneverdamp

tabaksrook, onder gevloek en gezwets, een Strijdkreet te verkoopen, een

Heilskreet te slaken. Wat is het toch, dat sommige mensen zo schamper

over tederheid en liefde doet spreken? Willen ze misschien zelf niet,

wanneer ze in ellende zitten, met zulk een tederheid en liefde bejegend

worden? 't Is voor hen te hopen, dat ze er nooit smekend naar uit hoeven

te zien. Maar indien 't zover mocht komen, dan zullen ze tot hun

blijdschap ervaren, dat die gesmade tederheid een _kracht_ is, een

heilbrengende, een heilwerkende kracht, die vaak meer inspanning en

zelfverlochening vergt, dan die zo hooggeroemde hardheid, waar deze

eigenlik liefdeloze genadeloosheid is.

Nu, zulk een tederheid wordt alleen aangekweekt _door_ tederheid. Ouders

en opvoeders behoeven niet bang te zijn, dat er in de opvoeding van hun

kroost geen hardheid zal werken. Ik beloof u, voor die hardheid zullen

vrienden en vreemden wel zorgen. Daar zijn de mensen, ook de heel jonge,

gul genoeg mee. Maar een vertedering des harten, die dit hart rijp

maakt voor _kracht_volle toewijding, kan alleen bewerkt worden door de

tederheid als een heilrijke kracht te doen ervaren. Waag het daar veilig

op. Dit is ook vroege tucht, maar tucht in de heerlike betekenis van

_op_trekking.

GEDULD.

Door nobele drift tot het goede gedrongen,

Van edelen ijver voor 't ware vervuld

Wordt toch slechts de lofzang der zege gezongen,

Wanneer ge u omgordt met geloof en geduld.

II. IN BLARICUM.

We wandelden langs een bloeiend boekweitveld en zeiden: "Wat geeft dat

gewas toch een mooien akker!"

De glanzende purperen stengels waren zoo duidelijk zichtbaar, en daar

tusschen in het heldere zand. Geen enkel onkruidje. Geen enkel.

En wat was dat gemakkelijk voor den boer. Hij had geen omkijken naar

zijn land. De boekweit hield zeker zelf alle indringers buiten zijn

gebied. En nu golfde het zachte groen met de geurende witte bloesems

heel rustigjes heen en weer, overzoemd en doorgonsd door tal van

zwevende bijtjes.

We zetten ons op een heirand vlak bij 't boekweitveld neer en genoten

van al die fijnheid en reinheid. We keken door het woud van stengels

heen en namen ons voor, later, later, later, als we ons zoo stil buiten

konden vestigen, in zoo'n heiige streek, een stukje van ons landbezit

met boekweit te beplanten. Dat gaf geur en kleur, gegons en gezoem,

eindelijk misschien nog een voedzamen disch. En alles zoo gemakkelijk.

Je zaait de boekweit maar, en--hebt er geen omkijken meer aan.

Doch zie, we wandelden een eind verder, en wat zagen we daar? Ook

een boekweitveld, maar tusschen de ranke stengels door kroop overal

een grassoort--'t leek tenminste wel gras--die hier en daar zelfs de

boekweit verdrongen had, zoodat er midden tusschen 't waaiend gehalm

open plekken lagen, zelfs gróóte open plekken, bedekt met platliggend

gras. "Kweek" noemden ze het.

Was het boekweitveld dan tóch toegankelijk voor onkruid? Lag het

niet alleen open voor indringers, maar liet het er zich zelfs door

_ver_dringen? En daarginds dan?

Och, 't geheim werd spoedig ontsluierd. Daar op die eerste akker was in

't voorjaar onafgebroken en voorzichtig gewied. Ook dáár had het "kweek"

zich willen vestigen, maar 't was door een rustig volhardende hand dag

aan dag teruggedrongen, uitgetrokken en verwijderd. 't Geheim van het

zuivere veld zat enkel in 't wieden, in het tijdig, voorzichtig en

volhardend wieden.

Ik ken een huisgezin, waar de kinderen zoo heel gewoon gehoorzaam en

ordelijk en vriendelijk zijn. De menschen zeggen, dat die kinderen zoo'n

lieven aanleg mee ter wereld hebben gebracht. 't Kan waar zijn, maar zou

het ook een klein beetje kunnen komen, doordat een rustige hand tijdig

in die hartjes gewied had?

III. EEN PAAR KLACHTEN.

I.

Maar beste Marie, nu moet ik toch zeggen, dat je je ongerust maakt voor

niets. Je klaagt me, dat je jongen, je vijfjarige, absoluut geen plezier

heeft om met zijn bouwdoos te spelen, als hij de monumenten van de

bouwplaten moet optrekken, en dat hij altijd maar vrij bouwen wil, naar

zijn eigen idee.

Dat vind je niet goed. Die bouwdozen zijn juist zo paedagogies

ingericht. Bij het volgen der modellen leert een kind die modellen

begrijpen, het krijgt gevoel voor constructie, het vindt bij de grotere

bouwwerken veel van de kleinere op nieuw gebruikt, en bovenal--het kind

leert gehoorzamen, leert een taak afmaken, leert zich concentreren.

Je hebt vaak gehoord, hoe goed het is, dat een kind zich oefent in

aandachts-concentratie, en hier heeft het een kostelike oefening. Maar

daar wil nu ongelukkig jouw jongen niets van weten.

Ik kan begrijpen, dat je een beetje hierover aan het tobben bent.

Jonge moeders, die haar taak ernstig opvatten, zijn meestal zeer

beginselvast in haar opvoedingspractijk. En daarbij volgen ze

vooral graag de paedagogiese principes, die met heel gewichtige,

degelike, bindende wetenschappelikheid haar worden voorgehouden.

Aandachts-concentratie--juist, daar moet het dartele, speelzieke,

verandergrage kind toe gebracht worden. En dat moet geschieden door

een spel, nu ja, maar door een _opvoedkundig_ spel, een spel, dat door

ernstige paedagogen is uitgedacht, beginseltrouw in elkaar gezet, en

volgens die beginselen door fabrikanten aan de markt gebracht. En daar

ga je nu je jongen met bouwdozen aan 't bepaedagogen. Maar hij bedankt

ervoor.

Dat is voor een ernstig willende moeder geen prettige ervaring. Doch--je

maakt je ongerust voor niets. Ik wil van die bouwdozen geen kwaad

zeggen. En wanneer kinderen die platen kunnen leren verstaan en naar

die platen werken, is dat voor die kinderen zeker een aanbeveling. Hun

belangstelling, hun nauwkeurigheid, hun volharding zijn prijzenswaarde

deugden. Het rustig waarnemen en navolgen kan in hen een zin voor

wetenschappelikheid ontwikkelen. Dat is alles waar. Doch hierom is 't

nog niet waar, dat jouw jongen, die van dat nabouwen niets weten wil,

daarom minderwaardig zou zijn of daardoor in zijn ontwikkeling

achterblijven.

Er was eens een kleine jongen--ik heb hem heel goed gekend--die ook

geen plezier had in het opzetten naar de voorgetekende modellen. Maar

diezelfde jongen kon tijden lang met domineersteenen spelen, die

niet voor hem gemaakt waren. Dan zette hij ze achter elkaar in een

slingerende rij en probeerde, hoe groot de slingers wel konden zijn,

wanneer toch alle stenen moesten omvallen als de achterste een tikje

had gekregen. Dat was een voortdurend proberen, een telkens uitmeten en

weer verschuiven en weer beproeven. En daarbij was het kind bezig met

een belangstelling, een nauwgezetheid, een volharding, die niet

onderdeden voor die van echte bouwers naar model.

En dan kon diezelfde kleine jongen ook zo leuk van Vaders dominésteenen

torens bouwen, torens met de stenen twee aan twee op elkaar, of drie

aan drie, of vier aan vier, of vijf aan vijf, en dan probeerde hij, bij

welke toren hij de meeste stenen uit het verband kon wegnemen, zonder

dat de toren instortte. Opmerkenswaard was de belangstelling, waarmee

hij telkens weer de proeven herhaalde en op steeds andere en kleiner

bizonderheden lette.

Soms maakte de "bouwmeester-naar-eigen-lust" ook torens, die niet

evenwijdig naar boven gingen, maar piramidaal, en dan was zijn opgave:

de toren zoo in te richten, dat de inwendige ruimte boven met één

deksteen gesloten kon worden. Maar dan moest de toren een put

verbeelden. En een ander keer maakte hij vestingen, dorpen, en wat niet

al meer.

Al deze bouwwerken waren niet zo mooi als die der reusachtige bouwdozen,

doch waren ze er minder om? En hadden ze minder vormende waarde voor de

kleine bouwer? En getuigden ze bij dit ventje van geringer verstandelike

en zedelike gaven?

* * * * *

Je moet je niet zo gauw bezorgd maken, wanneer een kind in zulke

gevallen liever zijn eigen zin volgt dan te gehoorzamen aan het

voorschrift. In de school _moeten_ we hem een bepaalde leerstof en

bepaalde vaardigheden aanbrengen, daar _moeten_ we hem dus leiden of

dwingen. Maar dat is toch niet het geval bij zijn spel in de huiskamer?

Daar heeft geen wet of maatschappelike eis iets in te brengen. Daar kan

men uitsluitend met het belang van het kind rekening houden. En dit

belang wordt in den regel het best behartigd, als men het kind laat

leven in zijn eigen wereldje, naar zijn eigen lusten, naar zijn eigen

phantasieën. Daar gaat hij met zijn hele hart in op, en daar heb je dus

de beste voorwaarde tot een krachtige ontwikkeling van al zijn gaven.

Natuurlik wordt hiermee niet bepleit, dat een kind maar liefst ieder

ogenblik wat anders moet doen, dat hij de moeilikheden, ook die van zijn

spel, maar mag laten liggen. Doch juist worden die moeilikheden het

krachtigst aangegrepen, wanneer het kind er met zijn volle lust op

lostrekt. En die volle lust is het eerst te verwachten, waar het spel

een schepping van het kind zelf is.

Er is verschil tussen kinderen en kinderen, net zo goed als tussen

mensen en mensen. Om nu maar eens bij ons vak te blijven--jij bent toch

ook onderwijzeres geweest--je hebt onderwijzers, die een bizondere

aanleg hebben voor methodenstudie. Let wel, ik zeg niet studie van

metho_de_, maar van metho_den_. Studie van metho_de_ maakt ieder ernstig

werker. Ook die kleine dominé-speler op zijn eigen houtje zocht naar

methode, volgde methode bij zijn spel. Maar studie van metho_den_,

tien, twintig, dertig methoden, maaksels van anderer brein, te

ontleden, te vergelijken, voor zulk een arbeid moet je geschapen zijn.

Alsook voor het punctueel na-methoden van hetgeen een ander ons heeft

voorgemethodet. Is er in de schoolwereld niet heel veel bouwen naar

model? De methode geeft steentje voor steentje, met de aanwijzing hoe ze

gelegd moeten worden, en de bouwer pakt ze aan en legt ze neer, dikwijls

zonder dat hij het hele gebouw in zijn hoofdlijnen en zijn constructieve

samenhang overziet.

Dit bouwen naar model is volstrekt niet afkeurenswaardig. Integendeel,

beter te werken naar een goed model, dan naar een grillige lust. Maar de

onderwijzers, die liever wat vrij zijn in hun bewegingen, zijn daarom

evenmin te veroordelen. Ze hebben in zich een scheppingsdrang, ze zien

en maken nieuwe paden, ze leven niet in het model, maar de stof leeft

in hen, en vormt zich daar tot nieuwe gestalten, ze geven het aanzijn

aan een eigen methode, en ook die volgen ze niet slaafs, jaar in jaar

uit, maar daar brengen ze telkens weer wat verandering in naar de

opgedane ervaringen, naar de verhelderde inzichten, en zo genieten ze

onafgebroken en telkens opnieuw van het telkens herhaalde, omdat dit

telkens weer nieuw voor hen wordt. Nu stel ik me voor, dat jouw jongen,

als hij onderwijzer mocht worden, tot de laatste soort zou behoren. Zou

hij daar ongelukkiger om zijn? Of ondegeliker?

Neen, klaag niet, dat je jongen de modellen van zijn bouwdoos stil laat

liggen. Dat behoeft nog volstrekt geen kwaad teken te zijn. Maar klaag,

als hij bij zijn eigen bouwerij niet volhardt, als hij zich door de

minste tegenspoed laat terneerslaan, als hij van het een naar het

ander gaat en zich nooit in zijn spel verliest, als hij even snel zich

losmaakt als hij zich hechtte, als hij zich eigenlik helemaal niet

hecht, als hij--maar 't beeld is onjuist--gelijk een vlinder van bloem

tot bloem zweeft--ik zeg, 't beeld is onjuist, want een vlinder volhardt

in 't honingzoeken en móét dus van bloem tot bloem zweven, ja, klaag

niet, als hij de vrijheid van eigen wil, maar als hij de vrijheid van

eigen niet-willen begeert. Klaag dan, of, nog liever, klaag dan niet,

maar _leer_ je jongen zich te bepalen, bij zijn spel, zich te verliezen

in zijn genot. Léér hem volharden. Of dit mogelik is?

* * * * *

Hoe weinig wordt dit echter op de juiste manier geprobeerd. 't Gaat

meestal met kommando's, standjes, verwijten. Men maakt zijn jongen dan

't volharden tot een onaangename plicht, en vergeet, dat men 't kind

juist het noodzakelike en het vreugdevolle van de volharding moet leren

kennen. Men laat dan het kind vol tegenzin tobben aan een voor hem

moeilike, te moeilike taak, en vergeet alweer, dat een klein beetje hulp

te gelijk de moeilikheid en de tegenzin overwint.

Het is over 't algemeen niet goed, dat we ons te veel met het spel of

het werk der kinderen bemoeien. Als ze met hun volle hart bezig zijn,

laat ze dan maar scharrelen. Doch heel iets anders is het, als we hen

moeten _leren_, bezig te zijn. Dan moet de volwassene, wanneer de

kleine zijn moed of lust dreigt te verliezen, op het juiste ogenblik

ingrijpen en met zijn meerdere kracht en zelfbeheersing de zwakke

beginner wat zekerheid en stabiliteit geven. Daardoor helpt hij hem over

het dode punt heen, voorkomt het opgeven, het wegzinken, bevordert het

voortgaan en opklimmen.

Sommige moeders hebben er zo verbazend aardig de slag van, om midden in

hun bezigheden hun werkende kleinen een handje te helpen. Je hebt ook

onderwijzers, die dat zo leuk kunnen. 't Lijkt, of ze met de kinderen

meeleven, of ze in hun hartjes kunnen lezen. Ze voelen als instinctief,

waar en wanneer een steuntje nodig is, en brengen dat op 't goede

moment aan. En zodra ze dan de kleine zoekers en worstelaars over de

moeilikheden hebben heengebracht, laten ze hen weer met frisse moed

verder gaan.

Verspreide Opstellen, I · 第 1 / 14 段