430, was in zijne jeugd de leerling en een van de trouwste
aanhangers van Socrates, ook kreeg hij van Prodicus onderwijs in de
welsprekendheid. Na den peloponnesischen oorlog noodigde zijn vriend
Proxenus hem uit, om met hem deel te nemen aan den tocht van den
jongen Cyrus. X. gaf gaarne, hoewel niet geheel met goedvinden van
Socrates, aan die uitnoodiging gehoor, maakte den tocht van Cyrus
tegen Artaxerxes mede en streed mede in den slag bij Cunaxa. Toen op
de terugreis de veldheeren der Grieken verraderlijk door Tissaphernes
gevangen genomen waren, was X. de eerste die het leger moed insprak
en tot volharding aanspoorde. Hij werd dan ook met vier anderen
verkozen om de Grieken op hun terugtocht te leiden en verwierf zich
den grootsten roem door den moed, het beleid, de zelfverloochening en
volharding, waarmede hij deze taak vervulde. In weerwil van de groote
moeielijkheden, hem door Perzen e. a. barbaarsche volken in den weg
gelegd, zonder hulpmiddelen tegen de natuurlijke hindernissen, die zich
op dien langen tocht voordeden, bracht hij het leger in vier maanden
van het binnenste van Azië naar Trapezus, van daar naar Byzantium,
waar zij bij Seuthes in dienst traden en eindelijk vereenigden
zij zich met het spartaansche leger, dat toen onder Thibron tegen
Tissaphernes en Pharnabazus oorlog voerde. Bij dit leger bleef X.,
ook onder Dercylidas en Agesilaus, met wien hij zeer bevriend werd en
in wien hij het ideaal van een vorst en veldheer zag. Toen Agesilaus
naar Europa teruggeroepen werd, ging X. met hem mede en in den slag
bij Coronea streed hij onder zijn bevel tegen de Atheners en Thebanen
(394). Uit Athene verbannen--misschien wel juist om zijn deelnemen
aan dien slag--ging hij naar Sparta, en kreeg hij van de Spartanen
een landgoed bij Scillus, waar hij nu vele jaren rustig leefde,
zich bezighoudende met jacht en landbouw, en waar hij ook bijna
al zijne werken schreef. Na de nederlaag van Sparta bij Leuctra,
werd hij als vriend der Spartanen door de Eleërs uit zijne woning
verdreven. Toen later Athene en Sparta zich tegen Thebe vereenigden,
werd X. uit zijne ballingschap teruggeroepen (369), of hij toen naar
Athene teruggekeerd is, is niet zeker, hij stierf te Corinthe (354,
v. a. reeds vijf of zes jaren vroeger). Als schrijver munt X. uit
door duidelijkheid en eenvoud, ofschoon deze laatste eigenschap in
zijne geschiedkundige werken soms wel wat overdreven wordt; de ouden
prezen hem zeer hoog, men gaf hem den naam van Attike melissa en zeide
dat de godin der overreding op zijne lippen zetelde. Ten gevolge van
zijn lang verblijf buiten Athene is zijn taal niet vrij van onattische
uitdrukkingen en vormen. Zijne voornaamste werken zijn: Kyrou Anabasis,
eene uitvoerige geschiedenis van den tocht van Cyrus en den terugtocht
der 10000 Grieken, een werk, dat wegens de groote bescheidenheid,
waarmede de schrijver van zichzelf spreekt, door sommigen ten onrechte
aan een ander toegeschreven is (z. Themistogenes); Hellenika, een
geschiedenis van Griekenland, begonnen als vervolg op Thucydides en
voortgezet tot den dood van Epaminondas, een werk van groot belang
voor de geschiedenis van dien tijd, hoewel geschreven met duidelijk
merkbare voorliefde voor spartaansche politiek en instellingen
en vooral voor zijn held, Agesilaus; Kyrou paideia, een meer
wijsgeerig dan geschiedkundig werk, waarin de oude Cyrus als het
ideaal van een volmaakt vorst naar socratische zienswijze voorgesteld
wordt; Apomnemoneumata Sokratous, herinneringen aan Socrates, eene
verzameling gesprekken van den meester, bijeengebracht met het doel
om zijne nagedachtenis te verdedigen tegen den sophist Polycrates
(z. a. no. 2); Symposion, een tafelgesprek, waarbij vooral Socrates het
woord voert. Verscheiden kleinere werken, die den naam van X. dragen,
zijn deels van minder belang, deels waarschijnlijk onecht.--2) zoon
van Euripides, een van de aanvoerders der Atheners bij het beleg van
Potidaea (429).--3) van Cos, geneesheer van keizer Claudius, dien
hij ter wille van Agrippina vergiftigde.--4) van Ephesus, schrijver
van een griekschen roman onder den titel Ephesiaka, ta kata Anthian
kai Abrokomen; hij leefde waarschijnlijk in de 3de eeuw na C.
Xenos, vreemdeling, gast, gastvriend, huurling. Het gastrecht werd
door de Grieken hoog in eere gehouden; niet alleen dat men zijne gasten
zoo goed mogelijk ontving, hun geschenken gaf, enz., maar tusschen een
gastheer en zijn gast bleef eene betrekking van vriendschap bestaan,
die soms gedurende verscheiden geslachten aangehouden werd. Tegenover
aanzienlijke vreemdelingen, gezanten e. dgl. trad soms de staat als
gastheer op.--Zij, die zich in een vreemden staat vestigden, wat te
Sparta e. e. niet geoorloofd was (z. xenelasia), werden metoikoi,
(z. a.) genoemd.
Xerxes, Xerxes, 1) zoon van Darius Hystaspis en Atossa, werd door zijn
vader als troonopvolger aangewezen, hoewel hij een ouderen broeder had,
daar deze geboren was, voordat Darius aan de regeering gekomen was. Na
den dood van zijn vader (485) bedwong hij een opstand van Aegypte,
daarna rustte hij zich toe tot een veldtocht tegen Griekenland, van
verschillende kanten, vooral door Mardonius, daartoe aangedreven. Nadat
hij den Hellespont had laten overbruggen en den berg Athos had laten
doorgraven, ondernam hij in het voorjaar van 480 met eene ontelbare
legermacht en vloot den tocht. Hij ging door Macedonië en Thessalië,
drong in weerwil van den tegenstand van Leonidas door de Thermopylae
en trok al plunderend tot Athene voort, dat in brand gestoken werd,
terwijl zijn vloot de haven van Phalerum binnenliep. Doch na de
verpletterende nederlaag bij Salamis, die hij van een op het strand
opgerichten troonzetel aanzag, vluchtte hij haastig naar Azië terug,
en toen in het volgende jaar Mardonius bij Plataeae en zijn vloot bij
Mycale verslagen waren, zag hij van de verovering van Griekenland
voor goed af. Naar Susa teruggekeerd, gaf hij zich aan allerlei
wreedheden en uitspattingen over, totdat hij door Artabanus vermoord
werd (465).--2) X. II, zoon van Artaxerxes I, volgde zijn vader in de
regeering op (425), doch werd na weinige weken door zijn halfbroeder
Sogdianus vermoord.
Xois, Xois, oude aegyptische stad in de Delta tusschen den Bolbitischen
en den Sebennytischen Nijlarm, zetel der 14de dynastie.
Xuthus, Xouthos, zoon van Hellen en de nimf Orseis, werd door zijne
broeders uit Thessalië verdreven en vluchtte naar Attica, waar hij met
Creusa, de dochter van Erechtheus, huwde, bij wie hij twee zonen kreeg,
Achaeus en Ion, de stamvaders der Achaeërs en Ioniërs. Toen hij na den
dood van Erechtheus als scheidsrechter over de troonopvolging moest
beslissen en de regeering aan Cecrops toewees, werd hij ook uit Attica
door zijne zwagers verjaagd, waarop hij zich in Aegialea vestigde.
Xynia, Xynia, stad in het Z.W. van het thessalische landschap
Phthiotis, aan het meer van gelijken naam.
Xystus, -tum, xystos, -ton, in de grieksche gymnasia een overdekte
zuilengang, waar de athleten zich des winters oefenden, ook een
beplante wandelplaats voor de zuilengalerij der rom. landhuizen.
Z.
Zabatus, Zabatos, ook Lycus geheeten, rivier in Assyria, zijtak van
den Tigris, ontspringt in de bergen van Armenia.
Zacynthus, Zakynthos, thans Zante, een der Ionische eilanden, in
de Ionische zee tegenover Elis gelegen, vruchtbaar en boschrijk
(thans niet meer). Het behoorde tot het gebied van Ulysses. Het
eiland leverde aardpek. De hoofdstad, ook Zacynthus geheeten, was
eene belangrijke plaats.
Zadracarta (plur.), ta Zadrakarta, hoofdstad van het perzische gewest
Hyrcania.
Zagreus, Zagreus, bijnaam van Dionysus, waaronder hij in de
orphische mysteriën vereerd werd. Hij wordt de zoon van Zeus en
Demeter of Persephone genoemd en was door Zeus tot beheerscher van
het heelal bestemd, doch Hera zette de Titanen tegen hem op, die hem
verscheurden en verslonden. Alleen zijn hart werd door Athena gered en
aan Zeus gebracht, die het verslond en daarna Dionysus voortbracht,
vlg. Sabazius. De schuldige Titanen werden door den bliksem tot
asch verteerd, en uit deze asch, vermengd met het bloed van Zagreus,
waren de menschen ontstaan.
Zagrus, Zagros, gebergte tusschen Media ten O. en Susiana en Assyria
ten W. Het noordelijk gedeelte wordt ook Choathras genoemd.
Zakoros = neokoros.
Zaleucus, Zaleukos, wetgever der epizephyrische Locriërs, leefde
waarschijnlijk in het midden der 7de eeuw. Zijne wetten waren, naar men
verhaalde, de eerste die op schrift gebracht werden en hadden evenzeer
betrekking op het bizonder leven der burgers als op de staatsregeling.
Zama, bijgenaamd Regia, vesting in de provincie Africa, in het N. van
Byzacene, op de grenzen van Zeugitana, 4 of 5 dagreizen ten Z.W. van
Carthago. In den omtrek werd in den herfst van 202 de beslissende
slag tusschen Scipio en Hannibal geleverd.
Zamolxis, Zamolxis, Zalmoxis, een Gete of Thraciër, wiens geschiedenis
met vele verdichtsels doorweven is. Hij was slaaf geweest bij
Pythagoras, doch werd door dezen vrijgelaten, reisde door Griekenland,
en keerde als een wijs en rijk man naar zijn vaderland terug, waar
hij den grondslag legde van godsdienst en hoogere beschaving. Na zijn
dood werd hij als daemon vereerd.
Zancle, Zankle, oude naam van de stad Messana op Sicilia. Zie Messana.
Zarangae, Zarangai, bewoners van Drangiane (z. a.).
Zariaspa (gen. -ae), ta Zariaspa, zie Bactra.
Zea, Zea, een van de oorlogshavens van den Piraeus, aan de Oostzijde
gelegen.
Zeilas, Zeilas, Zelas, oudste zoon van Nicomedes I. Daar zijn vader
een jongeren broeder als troonopvolger had aangewezen, ging hij
naar Armenië, van waar hij na zijn vaders dood terugkwam en zich met
geweld van de regeering meester maakte. Hij werd omstreeks 236 bij
een feestmaal door gallische soldaten vermoord.
Zela, ta Zela, sterkte in het binnenland van Pontus, ten Z. van
Amasea, met verschillende tempels. Hier behaalde Mithradates in 67 de
overwinning op Lucullus' legaat Triarius en Caesar in 47 op Pharnaces.
Zelia of -ea, Zeleia, oude stad in Noord-Phrygia, aan den Aesepus. Hier
trok Darius III zijn eerste leger tegen Alexander d. Gr. bijeen.
Zeno, Zenon, 1) zoon van Polemo no. 4, door de Armeniërs tot koning
verkozen en door Germanicus als zoodanig bevestigd.--2) van Elea,
geb. omstreeks 490, leerling en vriend van Parmenides, met wien
hij naar Athene reisde. V. s. had hij een aanslag tegen een tyran,
Nearchus of Diomedon, met den marteldood moeten boeten. Hij verdedigde
in verscheiden geschriften, die alle verloren zijn, de eleatische leer
door de indirecte bewijsvoering uit het ongerijmde.--3) van Citium,
zoon van Mnaseas, geb. 336, v. a. 362. Zijn vader, die koopman was,
had ook hem voor den handel bestemd, ofschoon hij reeds vroeg de
wijsgeerige geschriften van Xenophon en Plato ijverig bestudeerd
had. Toen hij nu op den leeftijd van 22 jaar ten gevolge van een
schipbreuk te Athene gekomen was, besloot hij daar te blijven en
zich geheel aan de studie der wijsbegeerte te wijden. Hij sloot zich
eerst bij Crates, den cynicus, aan, van wiens invloed de oudere werken
van Z. talrijke blijken moeten gegeven hebben, wendde zich later tot
Stilpo, Xenocrates en Polemo, en trad omstreeks 310 met een eigen leer
op, die naar de poikile stoa, de plaats waar hij zijne voordrachten
hield, de stoische genoemd wordt. Hij stond te Athene in hoog aanzien,
vormde vele leerlingen, en werd van staatswege met een gouden krans,
en toen hij in 264 (v. s. door zelfmoord) gestorven was, met een
metalen grafteeken en een standbeeld vereerd. Van zijn werken zijn
slechts weinige fragmenten tot ons gekomen.--De bron van alle kennis
is volgens Z. zinnelijke waarneming; alleen wat zóó waar te nemen is
bestaat, terwijl eerst herhaalde waarnemingen ons in staat stellen
van het bizondere tot het algemeene te besluiten. Alles bestaat uit
twee elementen, die onafscheidelijk met elkander verbonden zijn:
stof en kracht. De kracht, die zich in het heelal werkzaam toont,
is de godheid. De stof bestaat oorspronkelijk als een zeer fijn
vuur, waaruit door verdichting lucht, water en aarde ontstaan,
en waarin eens de geheele wereld weder moet opgaan (ekpyrosis), om
later opnieuw er uit voort te komen. De ziel is aan het vuur verwant
en niet onsterfelijk, hoewel zij langer leeft dan het lichaam. Het
hoogste goed is de deugd, die men niet bereikt door bespiegeling,
maar door te leven in overeenstemming met de natuur of den goddelijken
wil. Deugd alleen is goed in den volsten zin van het woord, evenals
de ondeugd slecht is, alle andere dingen zijn onverschillig, hoewel
niet alle in gelijke mate. Genot is niet het doel van het leven,
maar is van nature met deugdzaam handelen verbonden. De ware wijze
is het volmaakste van alle wezens, hij kan zich door deugd zelfs tot
de hoogte van Zeus verheffen, hij alleen is vrij, is heer en koning,
en kan naar verkiezing ook over zijn leven beschikken.--Vooral onder
de Rom., die in 155 door Diogenes den Babyloniër met de stoische leer
kennis maakten, vond zij in de laatste tijden der republiek en onder
de keizers vele aanhangers.--4) van Tarsus, leerling van Chrysippus
en na diens dood hoofd der stoicijnsche school.--5) van Sidon, geb. ±
150, hoofd der epicureïsche school, wiens voordrachten Cicero en
Atticus gaarne hoorden.--6) van Rhodus, schrijver eener rhodische
geschiedenis, omstreeks 200.
Zenobia, Zenobia, 1) echtgenoote van Odenathus (z. a.), nam na diens
dood in 267 na C. zelve het bewind over Palmyra in handen als regentes
voor hunne twee onmondige zoons. Te midden der verwarring in het
rom. rijk, breidde zij haar gebied uit over Syrië, Aegypte, Vóór-Azië,
totdat zij in 272 door keizer Aurelianus werd gestuit. Bij Emesa werd
de beslissende slag geleverd. Zenobia moest naar Palmyra vluchten,
dat belegerd en ingenomen werd (272), zij moest den zegetocht van
Aurelianus te Rome opluisteren, doch kreeg vervolgens een landgoed bij
Tibur, waar zij met hare kinderen hare verdere dagen sleet. Zij was
eene vrouw van zeldzame schoonheid en buitengewone gaven, zij sprak
verscheiden talen, o. a. Latijn, Grieksch, Syrisch, Aegyptisch. Zij
was een stoute paardrijdster, maar trok ook meermalen mijlen ver te
voet aan het hoofd harer troepen op. Vermoedelijk behoorde zij tot het
israëlietische geloof.--2) armenische koningsdochter, gehuwd met haar
neef Rhadamistus, die den troon van Armenië overweldigd had. Toen in 54
na C. de Parthen onder Vologeses I en Tiridates Armenia veroverden en
Rhadamistus moest vluchten, smeekte zij haar echtgenoot haar te dooden,
opdat zij niet in handen der Parthen zou vallen. Rhadamistus bracht
haar met zijn zwaard eene wond toe en wierp haar in den Araxes. Zij
werd echter door herders gered en viel nu toch in handen van Tiridates,
die haar echter met grooten eerbied behandelde.
Zenobius, Zenobios, grieksch sophist omstreeks 200 na C.; hij schreef
eene verzameling spreekwoorden en vertaalde de geschiedenis van
Sallustius in het grieksch.
Zenodotus, Zenodotos, van Ephesus, leermeester der zonen van Ptolemaeus
Lagi en onder Ptolemaeus Philadelphus hoofd der bibliotheek van
Alexandrië, was een geleerd taalkundige en criticus, die vooral aan
Homerus veel studie wijdde.--Nog twee personen van denzelfden naam
komen voor als schrijvers van werken over Homerus en zijne gedichten.
Zephyrium, Zephyrion, Westkaap, naam van onderscheidene voorgebergten,
o. a. 1) een der kapen aan de Z.O. punt van Italië, waarnaar de stad
Locri Epizephyrii, die ten N. daarvan ligt, haar naam draagt.--2)
aan de Z.W. kust van Cyprus, bij Paphus.--3) in Cilicia bij Soli.--4)
in Cyrenaica.--5) in Aegypte.
Zephyrus, Zephyros, de Westenwind, zie Windstreken.
Zerynthus, Zerynthos, stad op de Zuidkust van Thracia, bij Aenus,
met een Apollo-tempel en een grot van Hecate in de nabijheid. De stad
behoorde tot het vastelandsgebied van Samothrace.
Zetes, Zetes, z. Calais.
Zetetai, te Athene buitengewone commissarissen, die benoemd werden,
wanneer er vermoeden bestond dat een misdaad gepleegd was, zonder
dat iemand als aanklager optrad; zij moesten de zaak onderzoeken en
haar, wanneer zij daartoe grond vonden, voor den bevoegden rechter
brengen. Vooral geschiedde dit, wanneer men vermoedde dat gelden van
den staat verduisterd waren.
Zethus, Zethos, tweelingbroeder van Amphion (z. a.). Geheel
verschillend van dezen, was hij ruw van aard en hield hij zich bij
voorkeur als jager in de bergen op. Hij was gehuwd met Aedon (z. a.).
Zeugitai, atheensche burgers der derde klasse volgens de indeeling
van Solon, zij die jaarlijks van hunne goederen 200-300 medimnen of
metreten oogstten. Tot 458 konden zij alleen lagere ambten bekleeden,
eerst toen werd ook het archontaat voor hen toegankelijk.
Zeugitana, Zeugitane, het noordelijk gedeelte der rom. provincie
Africa propria.
Zeugma, Zeugma, stad in het Syrische distrikt Cyrrhestica, aan den
Euphraat tegenover Apamea. Alexander de Gr. had op dit punt eene
schipbrug over den stroom geslagen, waardoor Thapsacus (z. a.) als
punt van overgang minder gebruikt werd. Aan de syrische zijde dezer
brug stichtte Seleucus Nicator de stad Zeugma.
Zeus, Zeus, Jupiter, zoon van Cronus en Rhea (Kronides, Kronion,
Saturnius), de hoogste god der Grieken, beheerscher van het heelal. Van
zijne oorspronkelijke beteekenis als natuurgod getuigden in lateren
tijd nog de wijze, waarop hij te Dodona, op Creta, in Arcadië
e. e. vereerd werd. Te Dodona bestond sedert zeer oude tijden een
heiligdom van Zeus (Dodonaios, Pelasgikos), met een orakel, dat
later wel door het delphische overvleugeld werd, maar toch steeds
in hoog aanzien bleef; de god verkondigde daar zijn wil door het
ruischen der bladeren van den heiligen eik, dat door zijne priesters,
de Selli (z. a.), verklaard werd; zijn dienst was nauw verbonden met
dien van Gaea, terwijl Dione (z. a.) zijne gemalin genoemd werd. Op
Creta was de jonge Zeus volgens het verhaal geboren, voor zijn vader
verborgen gehouden en door nimfen opgevoed, ook toonde men er zijn
graf; ieder jaar werd daar zijn dood en opstanding, zinnebeelden van
het jaarlijksche sterven en herleven der natuur, op orgiastische
wijze gevierd, waarbij de Cureten wapendansen uitvoerden (z. Rhea
Cybele). Hier, evenals in Arcadië, Boeotië en Thessalië werden hem in
de oudste tijden menschenoffers gebracht. Maar sedert hij de regeering
aan Cronus (z. a.) ontnomen en de Titanen (z. a.) overwonnen heeft,
is hij de god, die de orde in natuur en maatschappij in stand
houdt, hij troont op den top van den Olympus, die zich tot in de
wolken verheft en beheerscht van daar de natuurverschijnselen;
als hij de aegis zwaait (aigiochos), verwekt hij storm en onweder
(nephelegereta, kelainephes, hypsibremetes, erigdoupos), de bliksem
is zijn vreeselijk wapen (terpikeraunos, asteropetes), maar aan den
anderen kant jaagt hij ook de wolken uiteen en geeft hij helder weder
en gunstigen wind (aithrios, ourios), de Horen zijn zijne dochters en
dienaressen. Onder de menschen staat alles wat voor de heerschappij
van orde, wet en recht bevorderlijk kan zijn, onder zijne hoede; hij
beschermt het huisgezin (herkeios, ephestios), het huwelijk (gamelios,
teleios, zygios), den gast (xenios) en den hulpbehoevenden vreemdeling
(hikesios), evenals de geheele burgerij (polieus, phratrios), en de
vergaderingen, waarin zij over hare belangen beraadslaagt (agoraios,
boulaios), hij straft ongerechtigheid (alastor), waakt tegen het
schenden van den eed (horkios), kortom, hij is het die alle kwaad
van den mensch afweert (soter, alexikakos); zelfs vergunt hij hem
een blik in de toekomst te slaan en verkondigt hij hem zijn wil door
orakels, natuurverschijnsels en wonderteekens (panomphaios). Zijne
macht is grooter dan die van alle andere goden, en wanneer sommige
van hen, zooals vooral zijne zuster en gemalin Hera, zich tegen hem
trachten te verzetten, boeten zij dit met zware straffen. Alleen aan
de beschikking der Moera is ook hij onderworpen, waar deze hem niet
in den weg staat, is hij almachtig. Meer dan van eenig ander god is
zijn dienst door geheel Griekenland verbreid (Hellenios, Panellenios),
en het groote nationale feest te Olympia wordt ter eere van hem gevierd
(Olympios, enagonios), bijna ieder deel van Griekenland had als heros
een zoon van Zeus, vandaar de verhalen van zijne talrijke minnerijen
met sterfelijke vrouwen (Semele, Io, Danaë, Leda, e. a.), en van de
vele kinderen bij haar verwekt (Dionysus, Heracles, Perseus, Castor
en Pollux, enz.). Bij Hera is hij vader van Ares, Hephaestus en Hebe,
bij andere godinnen van Apollo, Artemis, Hermes, Persephone, Aphrodite,
de Muzen, de Charites, de Horen en de Moeren; Pallas Athena is door
hem alleen voortgebracht. De arend, de eik en de toppen der bergen
zijn hem gewijd. Hij werd afgebeeld als eene krachtige, majestueuze
gestalte, met vriendelijke trekken, vollen baard, dicht hoofdhaar,
gewelfd voorhoofd en groote oogen. Bovenal beroemd was het door Phidias
(z. a.) vervaardigde, tallooze malen nagevolgde, maar nooit geëvenaarde
beeld van Zeus te Olympia.
Zeuxidamus, Zeuxidamos, 1) kleinzoon en opvolger van den spartaanschen
koning Theopompus (720).--2) vader van Archidamus II.
Zeuxippus, Zeuxippos, Boeotiër, streed onder de Rom. tegen Philippus
III van Macedonië. Hij werd uit zijn vaderland verbannen en in weerwil
van de bemoeiingen der Rom. niet teruggeroepen.
Zeuxis, Zeuxis, 1) veldheer van Antiochus d. G., na den oorlog tegen
de Rom. als gezant naar Rome gezonden.--2) van Heraclea in Italië,
een van de beroemdste grieksche schilders, leerling van Apollodorus
(± 400). Hij muntte vooral uit in het schilderen van vrouwenbeelden,
bovenal beroemd waren onder zijne werken eene Penelope en eene Helena,
die in den tempel van Hera Lacinia opgehangen werd. Z. Parrhasius.
Zipoetes, Zipoites, 1) bithynisch vorst (326-281), die ten tijde van
Alexander den Gr. zijn gebied door de onderwerping van verscheiden
grieksche koloniën uitbreidde, zich ook tegen Lysimachus en Seleucus
staande hield en eindelijk (297) den titel van koning van Bithynië
aannam.--2) zoon van den vorigen, trachtte de regeering aan zijn
broeder, Nicomedes I, te ontrukken, maar werd overwonnen en gedood
(277).
Zoilus, Zoilos, grieksch rhetor van Amphipolis, in de vierde
eeuw. Wegens zijne kleingeestige vitterijen op Homerus kreeg hij den
bijnaam Homeromastix.
Zone, Zone, kaap en stad op de Zuidkust van Thracia in het gebied
der Cicones.
Zopyrus, Zopyros, 1) zoon van Megabyzus, een voornaam Pers, diende in
het leger van Darius Hystaspis, toen deze Babylon belegerde. Daar de
stad niet genomen konde worden, verminkte Z. zich op gruwelijke wijze,
liep toen, onder voorwendsel dat hij door Darius zoo mishandeld was,
tot de Babyloniërs over, en nadat hij hierdoor het vertrouwen der
inwoners gewonnen had en aan het hoofd van de troepen gesteld was,
gaf hij de stad verraderlijk over. Darius beloonde hem door hem
levenslang satraap van Babylon te maken, hij werd echter later
bij een opstand gedood.--2) kleinzoon van den vorigen, nam deel
aan de samenzwering van zijn vader Megabyzus (no. 2) en vluchtte
naar Athene.--3) gelaatkundige, die beweerde dat volgens zijne
wetenschap Socrates met verscheiden ondeugden behept moest zijn,
wat deze volstrekt niet tegensprak.
Zoroaster, Zoroastres, stichtte in zeer oude tijden den perzischen
Ormuzdienst. Sedert de Grieken met zijne leer bekend werden, gold hij
dikwijls als de eerste sterrenkundige, sterrenwichelaar en toovenaar.
Zosimus, Zosimos, grieksch geschiedschrijver in de 2de helft der
5de eeuw n. C., schreef eene geschiedenis van den rom. keizertijd,
die niet zonder verdiensten is, maar ontsierd wordt door zijne
partijdigheid tegen het Christendom en christelijk gezinde keizers.
Zoster, Zoster = gordelkaap, op de Westkust van Attica, een uitlooper
van den Hymettus, met altaren van Athena, Leto, Apollo, en Artemis.
Zygia, bijnaam van Hera als godin van het huwelijk.
MEEST VOORKOMENDE VERKORTINGEN.
VOORNAMEN.
A. Aulus.
Ap. of App. Appius.
C. Caius of Gaius.
Cn. Cnaeus of Gnaeus.
D. Decimus.
K. Kaeso.
L. Lucius.
M. Marcus.
M'. Manius.
N. of Num. Numerius.
P. Publius.
Q. Quintus.
S. of Sex. Sextus.
Ser. Servius.
Sp. Spurius.
T. Titus.
Ti. of Tib. Tiberius.
Voor enkele andere, verouderde en buiten gebruik geraakte voornamen,
als Agrippa, Postumus, Proculus, Opiter, Vopiscus, zijn geene
afkortingen bekend.
TITELS.
Aed. Aedilis.
Cen. Censor.
Cos. Consul.
Cos. Des. Consul designatus.
Cos. II, III. Iterum, tertium consul.
D. Divus.
Dict. Dictator.
Eq. Rom. Eques Romanus.
Fl. D. Flamen Dialis.
Fl. M. Flamen Martialis.
Fl. Q. Flamen Quirinalis.
Imp. Imperator.
M. Eq. Magister equitum.
P. C. Patres conscripti.
Pr. Praetor.
Praef. Praefectus.
Proc. Proconsul.
P. M. of Pont. Max. Pontifex maximus.
Q. Quaestor.
Tr. pl. Tribunus plebis.
IN FORMULIEREN EN OPSCHRIFTEN.