jurist, een vriend van den redenaar Crassus (Licinii no. 12).--2)
C. Visellius Varro, een neef van Cicero, een talentvol redenaar, die
zijn best deed om Cicero uit de ballingschap te doen terugroepen.--3)
C. Visellius Varro, was in 21 na C. legaat in Germania in den oorlog
tegen Sacrovir.--4) L. Visellius Varro, zoon van no. 3, consul in 24
na C.
Vistula, grensrivier tusschen Germania en Sarmatia, thans Weichsel.
Visurgis, riv. in Germania, thans Weser.
Vitellia, oude stad in Latium, lid van den ouden Albaanschen bond,
ten N.O. van het Albaansch gebergte.
Vitellii. 1) P. Vitellius was onder Germanicus legaat, eerst in
Germania, later in het Oosten. Na Germanicus' dood trad hij op als
aanklager van Piso. Na den val van Seianus werd hij aangeklaagd,
opende zich de aderen, maar liet ze weer toebinden, en stierf in de
gevangenis.--2) L. Vitellius was reeds onder Tiberius stadhouder
van Syria en hield de Parthen onder streng bedwang. Hij stond ook
in gunst bij Caligula en Claudius, doch was al te gedienstig jegens
Messalina en later jegens Agrippina. Hij bekleedde samen met keizer
Claudius de censuur in 47 na C. en volgende jaren.--3) A. Vitellius,
rom. keizer, zoon van no. 2; zie Vitellius.--4) L. Vitellius, ook een
zoon van no. 2, was nog slechter dan zijn broeder de keizer. Bij de
inneming van Rome door de troepen van Vespasianus werd hij op last
van diens veldheer M. Antonius Primus (zie Antonii no. 15) gedood.
Vitellius (A.), rom. keizer, in 69 n. C. door de legioenen aan den Rijn
als zoodanig uitgeroepen. Hij had bij Tiberius, Claudius, Caligula
en Nero in groote gunst gestaan. Door Galba naar den Rijn gezonden,
bracht hij door te groote toegevendheid de soldaten op zijne hand en
werd den 2 Jan. 69 te Keulen tot keizer uitgeroepen, 13 dagen voordat
Galba door Otho werd onttroond. Zijne troepen (zie Caecinae no. 5)
wonnen den slag bij Bedriacum op Otho's leger, waarop Otho zich van
kant maakte. Vitellius liet het bestuur over aan onwaardige hovelingen
en leefde alleen voor zijne zinnelijke lusten, waaronder onmatigheid
en zwelgerij de hoofdrol vervulden. De praetoriaansche garde werd
door hem ontbonden en een nieuwe van 20000 man gevormd. Intusschen
bleven de soldaten zonder soldij. Op eens kwam te Rome het bericht
der verheffing van Vespasianus. Vitellius scheen het gevaar gering
te achten, hoewel generaals en troepen van hem afvielen en hij
den slag bij Cremona (einde Oct. 69) verloor. Eindelijk gegrepen,
werd hij door de soldaten van Antonius Primus (zie Antonii no. 15)
met een strop om den hals door de straten gesleurd en werd zijn lijk
in den Tiber geworpen (21 Dec. 69).
Vitruvius Pollio (M.), architect te Rome, tijdgenoot van Caesar en
Augustus, de eenige rom. schrijver over bouwkunst, die ons een werk
de architectura in 10 boeken heeft nagelaten, opgedragen aan Augustus.
Vivarium, bewaarplaats van levende dieren, ook tot aanfokking daarvan,
zooals voor vogels en hoenders (vivarium avium of aviarium), voor hazen
(leporarium), voor veldmuizen (glirarium), slakken (cochlearium),
oesters (vivarium ostrearum), vijvers voor visschen (vivarium piscium
of piscina), enz.
Vocates, volk in Aquitania niet ver van de spaansche grenzen.
Vocetius mons, boschrijk gebergte, oostelijk gedeelte van den Jura.
Voconia (lex) van den volkstribuun Q. Voconius Saxa in 169, tot
beperking van het erfrecht van vrouwen. Zij bepaalde o. a. dat iemand,
die op 100000 as gecenseerd was, geen vrouw tot heres kon benoemen;
wel kon hij haar een legaat vermaken, doch de som der legaten mocht
het aandeel van den heres of de heredes niet te boven gaan. Het doel
was, te voorkomen dat groote fortuinen in handen van vrouwen kwamen;
toch was de wet gemakkelijk te ontduiken, b.v. door een testamentum
per aes et libram.
Voconii, een plebejisch geslacht, waartoe behooren een volkstribuun in
169 (zie lex Voconia), een legaat van Lucullus in den mithradatischen
oorlog, een rechter in het proces van Cluentius in 66.
Vocontii, machtige keltische volksstam in Gallia Narbonensis,
met de Rom. verbonden, doch volgens eigen wetten levende, in het
tegenw. Provence en Dauphiné.
Vogesus mons = Vosegus.
Volaterrae, Oualaterrai, machtige etrurische zeestaat met de beide
havens Luna en Populonia. Zij was een der 12 bondssteden, en lag op
eene steile rots, waarvan de kruin slechts langs één moeielijken weg
te genaken was. De hooge en zware muren zijn nog aanwezig. In den
burgeroorlog hield de stad, die met meer andere etrurische steden
sterk mariaansch gezind was, het beleg van Sulla's troepen tot 79
uit. Sulla zond er eene kol. van veteranen heen. Van dien tijd af
verviel de stad. De stad zelve lag een eind landwaarts in; de kust
was moerassig en gedekt door wadden, zie Vada.
Volcae, aanzienlijke keltische volksstam in Gallia Narbonensis
tusschen de Pyrenaeën en den Rhodanus (Rhône), oudtijds zelfs over
deze rivier. Er waren twee hoofdstammen, de Arecomici ten O. met de
hoofdstad Nemausus (Nîmes) en de Tectosages met Tolosa (Toulouse)
ten W. Tectosages vond men ook in het aziatische Galatia (z. a.).
Volcanal, Volcanalia, zie Vulcanus.
Volcanus, betere, doch minder algemeene schrijfwijze voor Vulcanus
(z. a.).
Volcatii. 1) een vriend van Verres.--2) Volcatius Sedigitus
(zesvingerige), ± 130, schrijver van een dichterlijken canon.--3)
L. Volcatius Tullus, consul in 66, weigerde Catilina als candidaat naar
het consulaat aan te nemen en verijdelde diens eerste samenzwering. Een
naamgenoot, misschien zijn zoon, was consul in 33.--4) C. Volcatius
Tullus, diende in 53 onder Caesar in Gallia, en in 48 bij Dyrrhachium.
Volcei, Oulkoi, stad in Lucania, zie Volcentes.
Volcentes, bewoners van het gebied der stad Volci, Volcei of Vulci
in het binnenland van Lucania, nabij de rivier Silarus.
Volci, Vulci, 1) stad in Etruria ten N.W. van Tarquinii met
uitgestrekte grafgewelven. Bij Volci heeft men een groot aantal vazen
en andere voorwerpen van grieksche kunst in den grond gevonden. De
stad werd in 280 door de Romeinen onderworpen, en op haar gebied Cosa
(z. a.) gesticht.--2) stad der Volcentes (z. a.) in Lucania.
Volero, familienaam in de gens Publilia.
Vologeses of Volagaeses, naam van een vijftal parthische koningen uit
den tijd van Parthië's verval.--1) Arsaces XXIII (XXIV) Vol. I, 51-78
na C., veroverde Armenia voor zijn broeder Tiridates (z. a.), doch
deze moest de kroon uit de hand van keizer Nero aannemen en daarvoor
naar Rome komen. Onder de regeering van Vol. I had Parthië veel te
lijden van invallen der Alanen, zoodat hij zich zelfs tot Vespasianus
om hulp wendde, die echter niet verleend werd. Commagene werd tijdens
zijn bestuur door de Rom. ingelijfd (72 n. C.).--2) Ars. XXVI (XXVII)
Vol. II, 130-148, van wien geene oorlogen bekend zijn.--3) Ars. XXVII
(XXVIII) Vol. III, 148-190, viel in 161 in Armenia en versloeg eerst de
uit Cappadocia te hulp gesnelde Rom., doch werd ten slotte in 163 door
L. Verus in de engte gedreven; Seleucia en Ctesiphon werden ingenomen
en Mesopotamia was veroverd, toen op eens een vreeselijke pest uitbrak,
die een eind aan den oorlog maakte (166). Zie Verus.--4) Ars. XXVIII
(XXIX) Vol. IV, 190-209, leed zware verliezen tegen Septimius Severus,
die Ctesiphon innam en plunderde, de mannelijke bevolking afmaakte en
vrouwen en kinderen wegvoerde (198). Wederom kwam ziekte den Parthen te
hulp.--5) Ars. XXIX (XXX) Vol. V, regeerde met zijn broeder Artabanus
IV van 209 tot 226, hoewel Vol. waarschijnlijk niets te zeggen had. Zij
waren de laatste Arsaciden in Parthië.
Volscens, veldheer in het leger van Turnus, die door dapperheid
uitmuntte, maar door Nisus gedood werd.
Volsci, oud volk in Latium, aan beide oevers van den Liris, verbitterde
vijanden der Rom., tusschen de zee en de grenzen van Samnium. Na
ruim anderhalve eeuw van telkens hernieuwden strijd moesten zij
eindelijk in 329 zich onderwerpen aan de Rom., waarna de naam der
Volscen verdwijnt. Suessa Pometia was hunne hoofdstad. Zie ook Latium.
Volsinii, welvarende bondsstad van Etruria, op een steilen berg
gelegen. In 265 werd de stad door de Rom. verwoest, waarna de
inwoners eene nieuwe stad moesten bouwen aan den Lacus Volsiniensis
(Lago di Bolsena). Ook deze nieuwe stad werd rijk en bloeiend. In de
middeleeuwen is de oude plaats weer opgebouwd, tgw. Orvieto.
Voltacilius Pitholaus (L.), leermeester van Pompeius, onderwijzer
in de rhetorica, de eerste vrijgelatene, die als geschiedschrijver
opgetreden is. Zijn biographieën van Pompeius en diens vader zijn
verloren gegaan. Z. ook Pitholeon.
Voltumna, godin van den etrurischen statenbond, bij wier tempel
de bondsvergaderingen gehouden werden, waarmede offers, feesten en
jaarmarkten verbonden waren. De tempel lag tusschen Ameria, Volsinii
en Falerii. Deze godin is verwant met Vertumnus (z.a.).
Voltur (mons), aan de grenzen van Samnium en Apulia en nabij die
van Lucania.
Volturcius (T.), deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, die
gevangen werd genomen en onder belofte van vergiffenis alles bekende.
Volturnalia, zie Volturnus.
Volturnum, 1) oude naam van Capua.--2) stad aan den mond van den
Volturnus, in 194 door de Rom. aangelegd op het gebied van Capua.
Volturnus, thans Volturno, hoofdriv. van Campania, ontspringt diep
in Samnium en stroomt langs Casilinum naar de Tyrrheensche zee. De
vlakte ten N. heet ager Falernus, die ten Z. ager Campanus, het
grondgebied van Capua.--Volturnus is oorspronkelijk de naam van
een riviergod, die een afzonderlijken flamen had, en wiens feest,
de Volturnalia, op 27 Augustus gevierd werd. Het woord is afgeleid
van volvere, het wentelen der golven. Men verwarre dezen god niet
met Vertumnus.--Volturnus is ook de naam voor den Zuid-Oosten wind
(Eurus, tgw. Sirocco, zie Windstreken), die in Mei en Juni in Apulië
zeer heftig optreedt, en den Romeinen volgens Livius in den slag bij
Cannae veel stof in het gezicht woei. De Volturnus brengt soms regen.
Volumnii. 1) Volumnia, echtgenoote van Coriolanus; zie Marcii
no. 3.--2) P. Volumnius Amintinus Gallus, consul in 461.--3)
L. Volumnius Flamma Violens, consul in 307 en 296, beide malen
met App. Claudius Caecus, streed (296) zeer voorspoedig tegen de
Samnieten.--4) P. Volumnius Eutrapelus, aanhanger van Antonius, van
wiens bemiddeling Cicero poogde gebruik te maken.--5) P. Volumnius,
geschiedschrijver en boezemvriend van M. Brutus.
Volusianus (C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus), rom. medekeizer
251-253 na C.; zie Gallus.
Volusii. 1) Q. Volusius, een van Cicero's beambten in Cilicia.--2)
L. Volusius Saturninus, een man van groote rijkdommen en groot aanzien,
was consul in 12 en oefende later de censoria potestas uit. Zijn zoon
en naamgenoot hield het erfgoed zijns vaders goed bijeen en stierf
in 56 na C. als praefectus urbi.--3) Volusius Proculus kreeg van
Nero de opdracht, diens moeder Agrippina uit den weg te ruimen. Tot
belooning werd hij admiraal van de vloot der Tyrrheensche zee.--4)
L. Volusius Maecianus, goed jurist onder Antoninus Pius, leermeester
van M. Aurelius.--5) Door Catullus wordt een dichter Volusius uit
Noord-Italië bespot wegens zijn boersche Annales. Door sommigen
wordt deze Volusius geïdentificeerd met Tanusius Geminus (z. a.),
waarschijnlijk ten onrechte.
Vonones, parthische koningsnaam. 1) Arsaces XVIII Von. I, 6-16 na C.,
was als gijzelaar te Rome opgevoed. Na den dood van Orodes II werd
V. tot den troon geroepen, doch door zijne rom. zeden verbeurde
hij de achting van zijn volk en moest naar Armenië en later naar
Syrië vluchten, terwijl Artabanus III koning der Parthen werd.--2)
Vonones, die met zijn zoon Meherdates te Rome leefde als gijzelaar,
totdat Meh. in 50 na C. onder den naam Arsaces XXII vruchteloos de
kroon van Parthië trachtte meester te worden.--3) Ars. XXII (XXIII)
Von. II, 51 n. C., regeerde slechts weinige maanden.
Vopiscus (Flavius) van Syracusae, een van de schrijvers der Historia
Augusta, omstreeks 300 na C. Hij beschreef de levens van een aantal
keizers, van Aurelianus tot Carinus.
Vortumnus = Vertumnus.
Vosegus, beter dan Vogesus, gebergte in Gallia, de tegenw. Vogezen
(les Vosges).
Votivi (ludi), zie Ludi.
Vulcaniae insulae = Aeoliae insulae.
Vulcanal (Volcanal), zie Vulcanus.
Vulcani insula = Hiera no. 1.
Vulcanus, Volc., rom. god van het vuur. Daar hij een god is, die brand
veroorzaakt, maar ook afweert (Mulciber = de verzachter), trachtte
men, door zekere formulieren op de muren der huizen te schrijven, zich
tegen zijn verderfelijken invloed te vrijwaren en zich van zijn hulp te
verzekeren. Om dezelfde reden bouwde men zijne tempels liefst buiten de
stad, doch in Rome zelf was hem het Volcanal gewijd, eene verhevenheid
bij het Comitium, die evenals de tempel van Vesta als het zinnebeeld
der eendracht van den staat beschouwd werd. Vandaar sprak, volgens de
traditie, de koning de volksvergadering op het comitium toe. Overigens
werd hij geheel en al met Hephaestus vereenzelvigd. Op zijn feestdag,
Vulcanalia (23 Augustus), werden in den keizertijd spelen in den
Circus Flaminius gehouden. Zie ook Maia no. 2 en Stata mater.
Vulcatii = Volcatii.
Vulci = Volci.
Vulgivaga, Volg., bijnaam van Venus, = Pandemos.
Vulsinii = Volsinii.
Vultur = Voltur.
Vulturcius = Volturcius.
Vulturnum = Volturnum.
Vulturnus = Volturnus.
W.
Windstreken. Oorspronkelijk had men slechts voor de vier hoofdwinden
bepaalde namen. 1) Boreas, Boreas, was de Noordenwind, koud maar gezond
voor de landen ten N. der Middellandsche zee, voor Afrika dikwijls
regen aanbrengend. De Boreas was vooral geducht in het Noorden van
de Adriatische zee, tgw. de bekende Bora.--2) Tegenover Boreas staat
Notus, Notos, ook Auster geheeten, de Zuidenwind, die aan Griekenland
dikwijls nevel en regen aanbracht en stormen verwekte.--3) Eurus,
Euros, ook Volturnus, was de Oostenwind, dikwijls stormachtig.--4)
tegenover Eurus stond Zephyrus, Zephyros, de Westenwind die uit de
streek der duisternis (zophos) waait, waar de zon ondergaat, en die
vooral in het voorjaar heerschte en na de winterkoude zachter weder,
maar ook vochtigheid aanbracht. Bij Hesiodus heet hij Argestes. De
Rom. noemden hem ook Favonius.--Homerus kent slechts deze vier
winden. Later echter had er eene verschuiving der vier windstreken
plaats, en kreeg men acht hoofdwinden, n.l. 1) Septentrio, Aparktias,
die rechtstreeks uit de hemelstreek der Triones of der arktos woei, dus
als Noordenwind gold.--2) Boreas of Aquilo, die een Noordoostenwind was
geworden.--3) Apeliotes, Apeliotes (van de zon, d. i. van het Oosten,
komende), de oostenwind, ook Solanus of Subsolanus geheeten.--4)
Eurus of Volturnus, die een Zuidoostenwind geworden was.--5) Notus
of Auster, die Zuidenwind bleef. In Apulia wordt de Zuidenwind
Atabulus genoemd.--6) Africus, de Zuidwestenwind.--7) Zephyrus,
Westenwind.--8) Argestes, Iapyx, Noordwestenwind, waarop de naam
Favonius overging.--Dichters evenwel bezigden nog zeer dikwijls de
namen in de oorspronkelijke beteekenis. Van acht winden klom men
tot twaalf op, door tusschen 2 en 3, 4 en 5, 5 en 6, 8 en 1 nog vier
winden in te schuiven, waardoor, met verdeeling van den horizon in
twaalf gelijke deelen, de hiervóór geplaatste windroos ontstond.
Septentrio, Aparktias.
|
Circius, Corus of |
Caurus, Thraskias. | Boreas, Aquilo, Borras.
|
Favonius, Iapyx, Argestes, Iapyx. | Caecias, Kaikias.
|
Zephyrus, Zephyros. ---------------+----------- Apeliotes, Apeliotes.
|
Africus, Lips. | Eurus, Volturnus, Euros.
|
Libonotos, Libophoinix. | Albus Notus, Leukonotos,
| Phoinikias.
|
Notus, Auster, Notos.
Atabulus.
De Libonotus wordt ook wel Libophoinix genoemd, de Albus Notus
Phoinikias, terwijl Aquilo ook wel voor den Noordenwind wordt gebruikt.
X.
Xanthippe, Xanthippe, vrouw van Socrates, wien zij, naar men zegt,
door knorren en kijven dikwijls het leven verbitterde.
Xanthippus, Xanthippos, 1) Athener, die met en na Clisthenes
als staatsman optrad, was een van de aanklagers van Miltiades,
volgde Themistocles op als bevelhebber van de vloot, en behaalde
met Leotychides de roemrijke overwinning bij Mycale. Hij was de
vader van Pericles.--2) Lacedaemoniër, die in den eersten punischen
oorlog aan het hoofd van een troep huurlingen naar Carthago kwam en
wegens zijne bekwaamheden het opperbevel over het leger kreeg. Hij
bracht aan de Rom. eene groote nederlaag toe, maar keerde spoedig
naar zijn vaderland terug, toen hij zag dat zijn geluk de afgunst
der Carthagers opwekte. Men zeide, dat hij op de terugreis door de
carthaagsche schippers gedood was.
Xanthus, Xanthos, 1) z. Balius.--2) koning van Thebe, door Melanthus
(z. a.) in een tweegevecht gedood.--3) van Sardes, tijdgenoot van
Artaxerxes I, schrijver eener lydische geschiedenis (Lydiaka).
Xanthus, Xanthos, 1) riv. bij Troje, dezelfde als de Scamander.--2)
riv. in Epirus, door Helenus aldus genoemd.--3) hoofdrivier van
Lycia. Acht uren gaans boven den mond lag de stad Xanthus, met
beroemde tempels van Apollo, Leto en Sarpedon. Cyrus liet haar door
zijn veldheer Harpagus belegeren; de inwoners, geene kans op redding
ziende, brachten hunne tilbare have, vrouwen en kinderen op den burg,
staken dezen in brand en sneuvelden zelven tot den laatsten man tegen
de Perzen. Later is de stad steeds zetel van de bondsregeering, zie
Lycia. In 42 veroverden Brutus en Cassius de stad; doch de inwoners
staken ze in brand en brachten zichzelven om het leven.
Xenarchus, Xenarchos, 1) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot
van Demosthenes, van wiens werken nog eenige smaakvolle fragmenten
bestaan.--2) zoon van Sophron, en evenals zijn vader mimendichter. Hij
leefde onder den ouden Dionysius.--3) van Seleucia, peripatetisch
wijsgeer, die omstreeks het einde der 1e eeuw te Alexandrië, Athene en
Rome onderwijs gaf. Tot zijne leerlingen behoorde de geograaf Strabo.
Xenelasia, eene wet, waarbij een staat aan vreemdelingen verbiedt,
zich binnen zijn grondgebied te vestigen. Zulk eene wet bestond
o. a. te Sparta.
Xeniades, Xeniades, 1) van Corinthe, een sophist, die dikwijls onder
de sceptici genoemd wordt, daar hij het bedriegelijke der zinnelijke
waarneming en de onmogelijkheid om tot de kennis der waarheid te
geraken betoogd had.--2) z. Diogenes no. 2.
Xenias graphe, aanklacht tegen iemand, die wederrechtelijk zijn naam
in de lijsten der burgers had doen opnemen. De zaak kwam voor de
nautodikai, later voor de thesmotheten.
Xenios, bijnaam van Zeus, als beschermer van het gastrecht.
Xeno, Xenon, 1) thebaansch legeraanvoerder in den peloponnesischen
oorlog (413).--2) tyran van Hermione, die zich door Aratus liet
overreden de heerschappij neer te leggen en tot het achaeïsch verbond
toe te treden.--3) een van de Achaeërs, die in 166 als gijzelaars
naar Rome gezonden werden.--Een andere X. deed te Rome moeite om de
vrijlating van die gijzelaars te bewerken.--4) Athener, epicureïsch
wijsgeer uit Cicero's tijd, door hem met lof vermeld.
Xenoclea, Xenokleia, priesteres van Apollo te Delphi, die weigerde
aan Heracles een orakel te geven, omdat hij niet gereinigd was van
den moord van Iphitus. Heracles roofde echter haar drievoet en dwong
haar daardoor hem te antwoorden.
Xenocles, Xenokles, 1) zoon van Carcinus, door de blijspeldichters
van zijn tijd bespot om zijne slechte treurspelen, ofschoon hij
eens tegen Euripides den prijs won.--2) aanvoerder der ruiterij bij
het leger van Agesilaus in Azië.--3) van Adramyttium, een redenaar,
met wien Cicero tijdens zijn verblijf in Azië veel omging.
Xenocrates, Xenokrates, 1) broeder van Theron van Agrigentum,
overwinnaar in de pythische en isthmische spelen, vriend van
Pindarus.--2) van Chalcedon, geb. 396, leerling en vriend van
Plato, dien hij op de reis naar Sicilië vergezelde. Na Plato's
dood verliet hij Athene, hij keerde echter spoedig terug, volgde
Speusippus als hoofd der academie op (339), en bleef dit tot zijn
dood (314). Hij ontwikkelde de leer van Plato op eigenaardige wijze,
zoodat sommigen hem een vervalscher van die leer noemden, daar hij
stellingen van Pythagoras er in opnam en in onderwijsmethode zeer van
Plato afweek; hij was de eerste die een streng onderscheid maakte
tusschen waarnemen, meenen en weten en tusschen logica, physica en
ethica. Bij voorkeur houdt hij zich bezig met de studie der daemonen,
die volgens hem zielen van afgestorvenen zijn: zijne meer mystieke dan
wijsgeerige leerstellingen op dit gebied schijnen van grooten invloed
op lateren geweest te zijn. Hoewel hij in uiterlijk en manieren
iets terugstootends had, werd hij algemeen geacht als een streng
rechtschapen man, ook werd hij meermalen, hoewel hij een vreemdeling
was, als gezant naar Philippus en Antipater gezonden. Van zijne
talrijke werken is bijna niets over.--3) van Aphrodisias, grieksch
geneesheer en schrijver over geneeskunde in de 1ste eeuw na Chr.
Xenoetas, Xenoitas, Achaeër, veldheer van Antiochus d. G., werd
door dezen met een leger tegen den afgevallen stadhouder van Medië
uitgezonden, maar werd door de vijanden overvallen en met het grootste
gedeelte van zijn leger gedood (221).
Xenophanes, Xenophanes, van Colophon, geb. omstreeks 579, verliet
vroeg zijne geboortestad en zwierf door Griekenland, Sicilië en Italië,
het meest schijnt hij zich echter te Elea opgehouden te hebben. Zijn
lang leven--hij werd meer dan 92 jaar oud--wijdde hij geheel aan het
bestrijden van het volksgeloof en de algemeen aangenomen mythologie;
in zijne met innige overtuiging geschreven en door hemzelf op de wijze
der rhapsoden voorgedragen gedichten ontkende hij ten sterkste het
bestaan van goden, zooals die in de gedichten van Homerus en Hesiodus
voorkomen, die in hun handelen en streven, en ook in hun ondeugden,
geheel op menschen gelijken; ook paarden en koeien, zeide hij, zouden,
indien het hun mogelijk was godenbeelden te vervaardigen, deze maken
naar hun evenbeeld. Tegenover deze voorstellingen plaatst X. zijn
eigen leer, de eleatische, waarvan niet veel meer bekend is, dan dat
zij de eenheid, ondeelbaarheid en onvergankelijkheid van heelal en
godheid verkondigde, en die door Parmenides (z. a.) verder ontwikkeld
is. Van zijne gedichten is het een en ander bewaard gebleven.
Xenophantus, Xenophantos, 1) Athener, vader van den dithyrambendichter
Hieronymus.--2) van Thasus, beeldgieter, die voor de Atheners een
beeld van Hadrianus maakte.
Xenophilus, Xenophilos, bevelhebber van den burcht van Susa, die zich
na eene langdurige verdediging aan Seleucus overgaf en zich bij hem
aansloot (316).