Vettii. 1) T. Vettius, romeinsch ridder, veroorzaakte in 104 in

Campania een slavenopstand.--2) P. Vettius Scato (Cato), een van

de aanvoerders der bondgenooten in den marsischen oorlog, die

den Rom. eenige nederlagen toebracht (90), doch op den duur het

onderspit moest delven. Toen de bondgenooten zich langzamerhand aan

de Rom. onderwierpen, kon Vettius er niet toe besluiten de wapens

neer te leggen, en toen zijne eigene soldaten hem aan den rom. consul

Cn. Pompeius Strabo wilden uitleveren, liet hij zich door een slaaf

dooden.--3) L. Vettius, rom. ridder, behoorde tot de Catilinarii,

maar verried daarna zijne medeplichtigen (63). Later liet hij zich door

Caesar gebruiken, om eene samenzwering tegen Pompeius te verdichten en

o. a. Scribonius Curio en diens zoon (Scribonii no. 5 en 6) en anderen

er van te beschuldigen (59). De volkstribuun P. Vatinius kwam hierop

met een wetsvoorstel voor den dag om tegen de door Vettius genoemde

personen een gerechtelijk onderzoek in te stellen. Intusschen, zóó ver

kwam het niet. Vettius was in zijne verklaringen zoo met zichzelf in

strijd, dat hij zelf in de gevangenis werd geworpen. Daar vond men

hem op zekeren dag dood, waaraan Caesar of Vatinius verdacht wordt

niet vreemd te zijn geweest.--4) Vettius Valens, beroemd geneesheer

onder Claudius.--5) Vettius Polanus, diende onder Domitius Corbulo

in Armenia, werd door Vitellius als stadhouder naar Brittannia en

door Vespasianus naar Asia gezonden.

Vettona, klein plaatsje in Umbria, aan den bovenloop van den Tiber,

ten Z. van Perusia, tgw. Bettona.

Vettones, Ouettones en Ouettones, aanzienlijk volk in Lusitania

tusschen den Durius (Duero) en den Tagus (Taag). Hoofdstad:

Salmantica (Salamanca). Van hen wordt verhaald, dat zij in het eerst

de rom. officieren, die zij zagen wandelen, met geweld naar het kamp

terugbrachten, omdat zij meenden dat men krankzinnig moest wezen,

om zich noodeloos zoo te vermoeien.

Vetulonia, Ouetoulonion, eene der 12 etrurische bondssteden, niet

ver van de kust, ten N. van Rusellae. De stad is vroeg vervallen;

ze lag in de beruchte koortsstreek der Maremmen. In de nabijheid

waren warme bronnen, aquae Vetuloniae. Volgens het verhaal zouden

de Rom. de fasces, sella curulis, toga praetexta en tuba aan de

Vetuloniërs ontleend hebben.

Veturii. 1) Veturius Mamurius, beroemd wapensmid, zie ancile.--2)

P. Veturius Geminus Cicurinus, consul in 499, overwon de

Fidenaten, en zijn broeder T., consul in 494 de Aequers.--3)

T. Vetur. Gem. Cicurinus, consul in 462, hield een ovatio (z. a.) over

Aequers en Volscers.--4) C. Vetur. Cicur., consul in 455, overwon

ook de Aequers.--5) onder de decemviri en consulairtribunen komt

een vijftal Veturii Crassi Cicurini voor.--6) T. Veturius Calvinus

was een der consuls, die in 321 bij Caudium door de Samnieten werden

ingesloten. Hij en zijn ambtgenoot Sp. Postumius Albinus (Postumii

no. 7) werden door den senaat, die het gesloten verdrag verwierp,

aan de vijanden uitgeleverd, doch de Samnieten zonden hen naar

Rome terug. In 334 waren beiden ook te zamen consul geweest.--7)

L. Veturius Philo was consul in 220. In 217 tot dictator comitiorum

habendorum causa benoemd, moest hij als vitio creatus aftreden. In 210

was hij censor, maar stierf tijdens de censuur.--8) L. Veturius Philo,

misschien een zoon van no. 7, onderscheidde zich in 207 als legaat

in den slag bij den Metaurus, in 206 was hij consul en onderwierp

Lucania weder. In 202 diende hij onder Scipio in den slag bij Zama,

en bracht daarna het bericht van de overwinning naar Rome over.--9)

Veturia, moeder van Coriolanus, zie Marcii no. 3.

Vexillum, zie signum no. 2.

Viadus, rivier in Germania, thans Oder.

Viatores, staatsboden in dienst van sommige rom. overheden, als:

consuls, praetoren, censoren, volkstribunen, aedielen e. a. Zij werden

gebruikt om boodschappen over te brengen, oproepingen te doen, iemand

in hechtenis te nemen. Zie verder apparitores.

Vibii, rom. gesl. van samnietischen oorsprong. 1) C. Vibius Pansa

Caetronianus, eerst uit Rome om zijne mariaanschgezindheid verbannen,

sloot zich na zijn terugkeer bij Caesar aan, onder wien hij ook in

Gallia diende. In 51 werd hij volkstribuun, in 47 en 46 stadhouder

van Bithynia, in 45 van Gallia Cisalpina. Na Pompeius' dood was

hij voor een aantal personen bij Caesar voorspraak. Na Caesars dood

was hij in 43 consul met A. Hirtius (z. a.). In den mutinensischen

oorlog tegen M. Antonius sneuvelden Pansa en Hirtius beiden in de

nabijheid van Mutina.--2) Vibius Gallus, rom. rhetor onder Augustus,

oefende zich zoolang in het nabootsen van krankzinnigen, tot hij zelf

krankzinnig werd.--3) C. Vibius Postumus streed met goed gevolg 9

na C. tegen de opstandelingen in Dalmatia.--4) C. Vibius Marsus was

legaat van Germanicus in het O. en bracht na diens dood Agrippina

naar Rome. Onder Claudius was hij stadhouder van Syria.--5) Vibius

Serenus was in 16 n. C. één van de aanklagers van Scribonius Libo

(Scribonii no. 9); hij werd in 24 door zijn eigen zoon bij Tiberius

aangeklaagd van hoogverraad, doch door den keizer begenadigd.--6)

Q. Vibius Crispus, redenaar ten tijde van Domitianus.--7) C. Vibius

Trebonianus Gallus, uit Perusia, rom. keizer 251-253 na C. Zie

Gallus.--8) C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus Volusianus,

gewoonlijk Volusianus genoemd, zoon van no. 7 en door zijn vader tot

Caesar aangenomen; zie Gallus.--9) Vibius Sequester, schrijver van een

saai werkje de fluminibus, fontibus, lacubus, nemoribus, paludibus,

montibus, gentibus, quorum apud poëtas mentio fit, leefde in de 4de

of 5de eeuw na C.

Vibisci, zie Bituriges.

Vibo, zie Valentia no. 4 en Hippo no. 4.

Vibullius Rufus (L.), aanhanger van Pompeius, eerst door dezen als

onderhandelaar met Caesar gebruikt, werd in den burgeroorlog tweemaal

door Caesar gevangen genomen doch weder vrijgelaten en de tweede maal

met vredesvoorstellen tot Pompeius gezonden.

Vica Pota, v. s. een andere naam voor Victoria, de rom. godin der

overwinning; anderen leiden haar naam af van victus en potus, zoodat

ze op eten en drinken betrekking zou hebben. Zij had een heiligdom

aan de Velia.

Vicarius heette de slaaf van een slaaf. Wanneer toch aan een slaaf

door zijn meester het genot van eenig vermogen was toegestaan, b.v. een

deel van zijne verdiensten (zie peculium), hetgeen meermalen het geval

was met slaven, die een ambacht beoefenden en op zichzelf woonden,

dan kon zulk een slaaf op zijne beurt ook soms weder een slaaf koopen

en in zijn dienst gebruiken.--Onder Constantijn den Gr. was vicarius

de titel van een stadhouder over eene der dioecesen, waarin elke

praefectuur verdeeld was. Zie praefectura.

Vice(n)tia, thans Vicenza, stad der Veneters tusschen Patavium (Padua)

en Verona.

Victor, Victrix, bijnaam van Jupiter, Mars, Hercules, Venus en

Minerva. Ook sommige rom. legioenen kregen den bijnaam Victrix.

Victor. 1) C. Iulius Victor, schrijver van een klein werkje,

ars rhetorica Hermagorae etc. Hij leefde in de 4de eeuw n. C.--2)

S. Aurelius Victor, zie Aurelii no. 12.

Victoria, Victorina, zie Victorinus.

Victoriati, z. Bigati.

Victorinus (M. Piavonius), een Galliër, die onder de regeering van

Gallienus, in het zoogen. tijdperk der 30 tyrannen, in het begin van

268 n. C. door Postumus (z. a.) tot mederegent werd aangenomen, maar

in 269 of 270 te Colonia Agrippina (Keulen) met zijn zoon vermoord

werd. Een grooten invloed had tijdens zijn regeering en daarna

zijne moeder Victorina (Victoria), die eerst M. Aurelius Marius tot

keizer liet uitroepen, en toen deze door zijne soldaten vermoord was,

Tetricus (z. a.). De berichten omtrent dezen tijd zijn echter zeer

verward en onzeker.

Victumalae, plaatsje ten W. van den Ticinus, waar in 218 P. Cornelius

Scipio (Cornelii no. 11) door Hannibal verslagen werd.

Vicus. 1) onderafdeeling eener tribus urbana (zie tribus), dus eene

wijk. Aan het hoofd daarvan stond een magister vici. De bewoners eener

wijk hadden gemeenschappelijke godsdienstige feesten, compitalia

(z. a.), en gemeenschappelijke lares compitales.--2) naam van

sommige straten te Rome, als: vicus Tuscus, vicus Iugarius, vicus

Longus e. a.--3) buiten de stad beteekent het woord een dorp of een

vlek. Deze vici droegen den naam van fora en conciliabula, als het

markt- en gerechtsplaatsen en centra voor de lichting waren. Zij

hadden niet de rechten van een municipium; waren zij versterkt,

dan heetten zij castra of castella.

Viduus, een god, door wien de ziel van den mensch bij zijn dood van

het lichaam gescheiden wordt. Hij had een tempel buiten Rome.

Vienna, thans Vienne, hoofdstad der Allobroges aan den Rhodanus

(Rhône), ten Z. van Lugdunum (Lyon).

Vigintisexviri, gemeenschappelijke naam van eenige magistraten van

lageren rang: Xviri stlitibus iudicandis, IVviri iuri dicundo of

praefecti Capuam Cumas, IIIviri monetales, IVviri viis in urbe et

IIviri viis extra urbem purgandis, IIIviri capitales. Nadat Augustus

de IVviri iuri dicundo en de IIviri viis extra urbem purgandis had

afgeschaft, werden de overigen gezamenlijk vigintiviri genoemd.

Vigintiviri, zie vigintisexviri.

Villa. Uit den aard der zaak waren er groote en kleine

buitenverblijven. Over het algemeen waren zij minder gebouwd met

het oog op regelmaat, dan wel op gemak en zooveel mogelijk er op

ingericht om in verschillende jaargetijden aan verschillende zijden

bewoond te worden. Men onderscheidde de villa urbana of het heerenhuis

en de villa rustica of boerderij. Het buitenverblijf van een rijken

Romein vereenigde alle gemakken in zich. Behalve woon-, slaap-, eet-,

studeer- en ontvangvertrekken had men er de onmisbare badkamers,

sphaeristeria of zalen voor het balspel, gesloten en open gaanderijen

om met alle weer beweging te kunnen nemen (zie ook cryptoporticus),

soms een of meer torens om een ruim uitzicht te genieten, verder een

wandelpark met boschjes, vijvers, volières, meermalen eene diergaarde

enz. De groote buitenplaatsen aan zee hadden dikwijls vijvers voor

zeevisch, die met eene sluis waren afgesloten. Ook gebeurde het

wel, dat er van de kust uit dammen in zee werden aangelegd om op de

daartusschen aangeplempte ruimte het heerenhuis te kunnen bouwen

met een onbelemmerd uitzicht.--De boerderij bestond in den regel

uit een of meer binnenpleinen, waaromheen de woning, de stallen

en schuren stonden. In het midden dezer binnenplaatsen (cohortes,

cortes) waren waterbekkens. In het hoofdgebouw was de woning van

den opzichter of meier (villicus), in de bijgebouwen de vertrekken

voor de slaven (zie cella), de wijn- en oliepersen (torcularia), de

wijn- en oliekelders (cella vinaria, olearia) enz. Dan behoorde er

een hoenderhof bij met allerlei soorten van hoenders, ook fazanten

en pauwen, en een duiventil. Op de boerderij was ook het ergastulum

of de slavengevangenis, een groot vertrek, niet geheel onder, maar

toch in den grond gebouwd, dat zijn licht ontving door getraliede

vensteropeningen boven in den muur.--Villa publica is de naam van

het ambtslokaal der censoren op het Campus Martius.

Villia (lex) annalis, van den volkstribuun L. Villius in 180, waarnaar

de familie den bijnaam van Annalis kreeg. Zij bevatte bepalingen

omtrent den leeftijd, waarop men naar eenig ambt mocht dingen en de

volgorde, waarin de ambten bekleed moesten worden. Uit het voorbeeld

van Tib. Gracchus, die reeds vóór zijn 17de jaar in dienst ging en

op zijn 27ste jaar quaestor werd, en dat van Cicero, die drie jaar

in Griekenland doorbracht en op zijn 31ste jaar quaestor was, en uit

enkele andere gegevens, mag men vermoedelijk het volgende opmaken. In

den regel ging men na zijn 17den verjaardag in dienst en moest men

10 dienstjaren hebben. Had men die jaren nu achtereen uitgediend,

dan kon men reeds op zijn 27ste jaar naar de quaestuur dingen, anders

eerst later. Zes jaar na de quaestuur kon men de aediliteit of het

volkstribunaat bekleeden, drie jaar daarna de praetuur en nog drie

jaar later het consulaat. Cicero was quaestor op zijn 31ste, aediel

op zijn 37ste, praetor op zijn 40ste, consul op zijn 43ste jaar. De

genoemde ambten moesten in deze volgorde worden doorloopen. Aediliteit

en volkstribunaat schijnen op ééne lijn te hebben gestaan, zoodat

men kiezen kon, naar welk van beide men wilde dingen.

Villicus, de opzichter der boerderij, meestal een vrijgelatene. Zie

villa.

Villii, een plebejisch geslacht. 1) P. Villius Tappulus, consul in

199, kreeg het opperbevel in den macedonischen oorlog, doch kon niet

veel uitvoeren. Hij werd opgevolgd door T. Quinctius Flamininus. In

192 volbracht hij eene zending bij koning Antiochus van Syria, bij

welke gelegenheid hij Hannibal te Ephesus ontmoette.--2) L. Villius,

volkstribuun in 180; zie Villia lex.--3) C. Villius, deelgenoot der

plannen van Ti. Gracchus, verloor met dezen het leven.--4) L. Villius

Annalis, in 43 door de driemannen vogelvrij verklaard, werd verraden

door zijn eigen zoon, die tot belooning quaestor werd, doch later

zelf werd omgebracht door de soldaten die zijn vader hadden gedood.

Viminacium, vesting aan den Donau, en hoofdstad van Moesia Superior.

Viminalis (collis) = biezenheuvel, een der bergen, waarop Rome gebouwd

was, gelegen tusschen den Collis Quirinalis en den Mons Cispius.

Vinalia, wijnfeesten.--1) V. priora, een feest, den 23sten April te

Rome gevierd, waarbij men aan Jupiter offerde en bij den tempel van

Venus jongen wijn uitgoot. Het werd later beschouwd als een herinnering

aan eene gelofte van Aeneas (z. Mezentius).--2) V. rustica, een feest,

dat den 19den Augustus in de wijnbergen gevierd werd, en waarbij de

flamen Dialis aan Jupiter een lam offerde.

Vindelicia, Ouindelikia, sedert 15 rom. Donauprov., ten N. door den

Donau begrensd, en zich van den Aenus (Inn) in westelijke richting

uitstrekkende tot aan het land der Helvetii (de lacus Brigantinus,

meer van Konstanz of Bodensee, lag nog in Vindelicia). Ten Z. grensde

het gewest aan Raetia, waarmede het ééne provincie uitmaakte. In

later tijd maakte V. de provincie Raetia II uit. De Vindelici waren

Kelten. Hoofdstad: Augusta Vindelicorum, thans Augsburg, aan den Licus

(Lech). Aan de samenvloeiing van Donau en Inn lag Batava Castra,

thans Passau.

Vindex (C. Iulius), een Galliër, uit een vorstelijk aquitanisch

geslacht gesproten, generaal in rom. dienst, werd door Nero

als propraetor over Gallia Narbonensis aangesteld. Over Nero's

onwaardigheid en dwingelandij verbitterd, kwam hij in 68 n. C. tegen

hem in opstand, doch niet met de bedoeling zichzelf te verheffen. Hij

droeg den Galliërs zelfs op, hem te dooden, zoo hij naar de

heerschappij streefde. Hij omhelsde de zaak van Galba. Met Verginius

Rufus, stadhouder van Germania Superior (zie Verginii no. 8), sloot

hij eene overeenkomst, doch door een misverstand geraakten beider

troepen bij Vesontio (Besançon) slaags; Vindex werd overrompeld en

benam zichzelf het leven.

Vindex, qui vim dicit, die met geweld dreigt, n.l. in goeden zin,

als men iemand wil aanranden, dus: handhaver van het recht, wreker,

beschermer, verdediger. In rechten is vindex degene, die bij eene

in ius vocatio zich in plaats van den gedaagde stelt en bij de manus

iniectio door zijne tusschenkomst de inhechtenisneming verhindert en

de zaak van den gegrepene tot de zijne maakt, dus: bevrijder, redder,

borg. Vandaar komt vindex ook in de beteekenis van plaatsvervanger

voor. Overdrachtelijk ook: iemand die den knoop doorhakt.

Vindicare, vindicatio. Vindicatio is oorspronkelijk de handhaving

van zijn recht (vgl. vindex), een zinnebeeldige handeling bij strijd

over eigendomsrecht. Beide partijen betraden b.v. den betwisten grond

in tegenwoordigheid van den praetor en van getuigen (superstites);

later bracht men slechts eene kluit aarde mede, die men van den

grond in kwestie had medegenomen en die vindiciae genoemd werd,

omdat zij gevindiceerd werd. Elke der partijen raakte de kluit met

het zinnebeeldige roedje, vindicta of festuca (eigl. een grashalm, op

de betwiste plaats geplukt) aan en verklaarde deze voor zijn eigendom

(vindicatio en revindicatio). In ruimeren zin is vindicatio de actie

over eigendomsrecht in het algemeen. Zij had ook plaats bij geschillen

over eigendomsrecht, alsmede in processen over vrijheid of onvrijheid,

causae liberales (zie assertor, vgl. ook manumissio). Vandaar

de uitdrukking aliquem in libertatem vindicare, iemands vrijheid

eischen, iemand bevrijden. Ook komt vindicare in de beteekenis voor

van straffen, wreken (aliquid, in aliquem); in het latere Latijn ook:

se vindicare ab aliquo, zich op iemand wreken.

Vindicius, een slaaf te Rome, die de samenzwering ten gunste van

den verdreven koning Tarquinius Superbus aan het licht bracht en met

vrijheid en burgerrecht werd beloond; zie Valeriae leges no. 2.

Vindicta = festuca, zie vindicare.

Vindili = Vandali.

Vindius mons, gebergte langs de Noordkust van Hispania, het

tegenw. Cantabrisch gebergte.--2) Ouindion oros, gebergte in India

dat Noord-Indië van Dekhan scheidt, tgw. Vindhja.

Vindobona, keltische stad, rom. municipium in Pannonia, ligplaats

der Donauvloot; thans Weenen. Keizer Marcus Aurelius overleed hier,

180 na C.

Vindonissa, stad der Helvetii, aan den Arurius (Aar), thans Windisch,

met belangrijke overblijfsels, o. a. van eene waterleiding en een

amphitheater.

Vineae, schutdaken, als het ware kramen, van een stevig dak voorzien en

die aan de zijden naar verkiezing konden geopend en gesloten worden. In

den regel waren zij bij de 5 meter lang. Door een aantal zulke vineae

aan elkander te schuiven, vormden de belegeraars een overdekten gang,

waarin zij schotvrij waren en waar de stormram (zie aries) werken

kon. Van boven werden zij gedekt met gelooide of ongelooide huiden,

om te voorkomen dat zij vuur zouden vatten door de brandbare stoffen,

die de belegerden er op wierpen.

Vinicii. 1) P. en L. Vinicius, twee broeders, van wie de eerste een

middelmatig, de tweede een goed redenaar was, vooral bedreven in

het spreken voor de vuist. De laatste was in 51 volkstribuun, in 33

consul.--2) M. Vinicius, consul in 19, diende onder de regeering van

Augustus in Germania en Pannonia.--3) L. Vinicius, zoon van L. Vinicius

no. 1, een edel jongeling, gunsteling van Augustus.--4) M. Vinicius,

wiens vrouw eene zuster van Caligula was, hoopte te vergeefs dezen

op te volgen. Later werd hij door Messalina, wier verleiding hij

afwees, vergiftigd (46 n. C.). Velleius Paterculus droeg aan hem zijn

geschiedwerk op.

Vinii. 1) T. Vinius werd van de proscripties der driemannen gered

door zijne vrouw en door de trouw van een vrijgelatene, T. Vinius

Philopoemen, die later door de gunst van Augustus rom. ridder werd.--2)

C. Vinius Fronto Asella, buurman van Horatius.--3) T. Vinius Rufinus,

legaat en medeconsul van keizer Galba (68 na C.), gehaat om zijne

laagheden en hebzucht, werd met Galba vermoord.--4) Vinia Crispina,

dochter van no. 3, bij haars vaders leven verloofd met Otho (keizer

in 69), kocht voor hoogen prijs het hoofd haars vaders van diens

moordenaars.

Vipsanii. 1) M. Vipsanius Agrippa werd in 63 uit een onaanzienlijk

geslacht geboren. Door gemeenschappelijke studiën in nauwere

aanraking met Octavianus gekomen, werd hij diens boezemvriend en

intieme raadsman. Eerst onderscheidde hij zich in den perusijnschen

oorlog (zie Antonii no. 6), waarna hij praetor werd. Vervolgens

bedwong hij een opstand in Gallia, drong ook over den Rijn en werd

in 37 consul. Hij legde vervolgens een oorlogshaven bij Baiae aan

(zie Avernus lacus) en bouwde een nieuwe vloot voor de Tyrrheensche

zee. In 36 bracht hij aan Sex. Pompeius gevoelige nederlagen ter zee

toe op de sicilische kust bij Mylae en Naulochus. Met Octavianus

streed hij nog voorspoedig in Illyria en Dalmatia, en werd in 33

aediel. Aan de overwinning bij Actium in 31 (zie Antonii no. 4) had

Agrippa als admiraal het grootste aandeel; ook de nieuwe indeeling

van Italia in het jaar 30 was zijn werk. Nog tweemaal bekleedde hij

het consulaat, terwijl hij nog verschillende veldtochten ondernam en

opstanden dempte, o. a. andermaal in Gallia, in Hispania, in Pannonia,

totdat hij in 12 overleed. Augustus liet zijne uitvaart op prachtige

wijze vieren. Agrippa is driemaal gehuwd geweest, eerst met Pomponia,

de dochter van Atticus: uit dit huwelijk is no. 5 geboren; daarna met

Marcella, zijne nicht (zie Claudii no. 38), wier broeder M. Claudius

Marcellus (Claudii no. 37) door Augustus tot zoon was aangenomen en

met diens dochter Iulia was gehuwd. Hij scheidde echter van Marcella

en huwde na den dood van Marcellus diens weduwe, waardoor hij nu de

schoonzoon van Augustus werd (22). Zijne beide zoontjes uit dit laatste

huwelijk, Gaius en Lucius, werden door Aug. aangenomen; een derde zoon

werd na 's vaders dood geboren en daarom Agrippa Postumus genoemd. Zie

de genealogie aan het einde van het art. Iulii. Agrippa was ook een

uitstekend schrijver en zeer bedreven in de aardrijkskunde. Hij liet

eene groote kaart vervaardigen van alle heerbanen en kusten in het

rom. gebied, waarvan talrijke copieën gemaakt werden (vgl. no. 4). Rome

had voor zijne verfraaiing veel aan hem te danken door den aanleg van

waterleidingen, baden, zuilengangen, tuinen, zijne grootste schepping

echter is het Pantheon (z. a.) met zijn ontzaggelijk koepeldak. Het

tegenwoordig Pantheon is echter niet van hem. Ook in de provinciën

legde hij heerwegen en bouwwerken aan, o. a. te Lugdunum (Lyon) en te

Nemausus (Nîmes).--2) Agrippa Postumus, derde zoon van no. 1, werd door

Augustus naar het eil. Planasia verbannen en later na 's keizers dood

op last van Tiberius omgebracht, 14 na C.--3) L. Vipsanius, oudere

broeder van no. 1, door Caesar in den burgeroorlog gevangengenomen,

had aan de voorspraak van Augustus zijne vrijheid te danken.--4) Polla

Vipsania, zuster van no. 1 en 3, legde den grondslag tot de grootsche

galerij, waarin haars broeders kaart op den muur was afgebeeld.--5)

Vipsania Agrippina, dochter van no. 1 uit zijn eerste huwelijk, was

gehuwd met Tiberius; op bevel echter van Augustus moest haar huwelijk

na haars vaders dood verbroken worden, opdat Tiberius (tegen zijn zin)

met Iulia zou kunnen huwen. Zij hertrouwde met C. Asinius Gallus. Zij

stierf in 20 na C.

Vipstani. 1) C. Vipstanus Apronianus was consul in 59 na C. en in

69 stadhouder van Africa.--2) Vipstanus Messala, in den aan Tacitus

toegeschreven dialogus de oratoribus voorkomende, diende in den oorlog

van Vespasianus tegen Vitellius en onderscheidde zich door dapperheid,

onpartijdigheid en welsprekendheid. Hij beschreef ook de geschiedenis

van zijn tijd.

Virbius, z. Hippolytus. Bij Egeria had hij een zoon, die eveneens

V. heette en onder Turnus tegen Aeneas streed. Oorspronkelijk is het

een mannelijke godheid, die met Egeria hulp verleende bij geboorte.

Virdumaras = Viridomarus.

Virgilii = Vergilii.

Virginalis, Virgo, bijnaam van Juno, Fortuna, Minerva, Diana, Vesta

en Victoria.

Virginii = Verginii.

Virgo, Parthenos, het sterrenbeeld de Maagd, z. Astraea.

Viriathas, een lusitanisch herder, een ware heldennatuur, was een

der weinigen, die aan het verraderlijke bloedbad van 150 ontsnapten

(zie Sulpicii no. 11). Hij werd nu eerst rooverhoofdman; door zijn

lichaamskracht en zijn beleid kreeg hij zulk een aanhang, dat hij

spoedig aan het hoofd der geheele lusitanische krijgsmacht stond en

jaren lang aan de rom. legers het hoofd bood, totdat in 141 de consul

Q. Fabius Maximus Servilianus hem eene nederlaag toebracht en in 140

vrede met hem sloot. Doch Fabius' broeder en opvolger Q. Servilius

Caepio (consul in 140) verbrak verraderlijk den vrede en wist onder de

vrienden van V. eenigen om te koopen om dezen te vermoorden (139). Met

zijn dood was de kracht der Lusitaniërs gebroken.

Viridomarus, aanvoerder van de door de insubrische Galliërs te hulp

geroepen Gaesaten, in 222 door den rom. consul M. Claudius Marcellus

eigenhandig in den strijd doorstoken.

Viriplaca, misschien een bijnaam van Venus, eene godin, die vrede

sticht tusschen twistende echtgenooten.

Viromandui, gallisch volk in het tegenw. Vermandois. Hoofdstad:

Augusta Viromanduorum (St. Quentin, ten N.N.O. van Parijs).

Visceratio, uitdeeling van vleesch, later ook van geld onder het volk

bij de begrafenis van aanzienlijke Romeinen. Soms gaf men bij zulk

eene gelegenheid openbare maaltijden, ook wel gladiatorenspelen.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 147 / 150 段