van de groenteteelt, onder griekschen invloed geheel vereenzelvigd
met Aphrodite en dus geworden tot eene godin van schoonheid en
liefde. Haar dienst was afkomstig uit Ardea. Oorspronkelijk had
zij te Rome twee tempels, één in den lucus van Libitina (z. a.),
één bij het Circus maximus, en de stichtingsdag van den laatsten
is de 19de Augustus, de feestdag der holitores (groenteboeren),
die Venus speciaal vereeren. In den tweeden punischen oorlog werd,
volgens voorschrift van de Sibyllijnsche boeken, de geheel grieksche
eeredienst van V. Erycina (Erucina) uit Sicilië naar Rome overgebracht;
men offerde haar den 23sten April; een eeuw later werd de dienst
ingesteld van V. Verticordia (feestdag 1 April). Sulla vereerde haar
onder den naam V. Felix (dit is de V. Pompeiana, de stadsgodin van
Pompeii), Pompeius als V. Victrix, maar haar dienst kwam vooral in
hoog aanzien en het aantal aan haar gewijde tempels nam aanmerkelijk
toe, sedert zij als de moeder van Aeneas en dus als de stammoeder van
het rom. volk beschouwd werd, en nog meer toen Caesar en Augustus,
en naar hun voorbeeld ook latere keizers, haar als de moeder van de
gens Iulia vereerden. Omtrent V. Cloacina en V. Murcia, zie Cloacina
en Murcia. Zie verder Aphrodite.
Venusia, schilderachtig gelegen stad van Apulia, dicht aan de
lucanische grenzen nabij de rivier Aufidus en den mons Vultur gelegen,
geboorteplaats van Horatius. Oorspronkelijk was V. eene stad der
Samnieten geweest. Sedert 291 lat. col.
Ver sacrum. Bij italiaansche volken, vooral bij de Sabijnen, gebeurde
het meermalen, dat in tijden van pest, misgewas en andere rampen al
wat in de eerstvolgende lente zou geboren worden, aan de goden werd
gewijd. De dieren, die in zulk eene gewijde lente geboren werden,
werden geofferd, de menschen echter, als zij volwassen waren, over de
grenzen gezonden om zich elders als volksplanters neer te zetten. Als
de romeinsche senaat tot een ver sacrum besloot, moest dit besluit
door het volk bekrachtigd worden.
Veragri, raetisch of ligurisch volk aan de poeninische Alpen in
Helvetia, in het tegenw. kanton Wallis. Hoofdplaats Octodurus
(Martigny).
Veranii. 1) Veranius, een vriend van Catullus, die zijn geluk
vruchteloos in Hispania ging beproeven.--2) Q. Veranius, legaat van
Germanicus, klaagde Cn. Piso (Calpurnii no. 7) aan.--3) Q. Veranius,
consul in 49 na C. en in 58 stadhouder van Britannia, waar hij stierf.
Verbanus lacus, Ouerbanos limne, thans lago Maggiore, waardoor de
Ticinus stroomt, in Gallia Transpadana.
Verbena = herbena, heilige kruiden, op het Capitool gegroeid, ook
sagmina geheeten. Ook takken van heilige boomen, als myrten, olijf-
en laurierboomen, geplukt tot eenig heilig gebruik, werden verbena
geheeten. Smeekelingen, gezanten en vooral de fetiaal-priesters
omkransten zich het hoofd met zulke heilige kruiden of gewassen;
ook bezigde men ze tot het versieren van altaren, godenbeelden,
offerdieren, enz.
Verbigenus pagus, zie Helvetii.
Vercellae, thans Vercelli, hoofdstad der Lebecii in Gallia Transpadana,
sedert 89 met het ius Latii, sedert 49 rom. municipium. Op de
nabijgelegen Campi Raudii vernietigde C. Marius in 101 de Cimbren.
Vercingetorix, een aanzienlijk Galliër uit de Arverni, het hoofd
van den grooten gallischen opstand tegen Caesar in 52. Hij versloeg
Caesar bij Gergovia, maar daarna sloot Caesar hem met zijn leger
op in Alesia. Hij moest zich overgeven en werd te Rome na Caesar's
triumphus in 46 ter dood gebracht.
Veretum, Ouereton, stadje in Calabria, nabij het promunturium
Salentinum.
Vergelius of Vergellus, een beek, die door het slagveld van Cannae
stroomde.
Vergiliae, z. Pleiades.
Vergilii. 1) M. Vergilius, volkstribuun in 87.--2) C. Vergilius,
61-58 propraetor van Sicilia, een groot vriend van Cicero. Later
(47) verdedigde hij Thapsus tegen Caesar.--3) P. Vergilius Maro, de
beroemde dichter der Aeneis, was in 70 op een landgoed zijns vaders,
te Andes bij Mantua geboren. Eerst ging hij in het naburige Cremona
school, later als jongeling volgde hij lessen te Mediolanium (Milaan),
vervolgens ging hij in 53 naar Rome, waar hij met Alfenus Varus
(zie Alfenus) het onderricht genoot van den epicureïschen wijsgeer
Siro. Daarna keerde hij naar zijn vaderlijk landgoed terug en dichtte
hij enkele zijner Eclogae of herderszangen. Toen echter Octavianus
na den slag bij Philippi (42) de veteranen door eene toewijzing van
landerijen beloonen wilde en daartoe ook de omstreken van Cremona en
Mantua had uitgekozen, zag ook Vergilius zijn goed door een vreemde in
bezit nemen (41). Door bemiddeling echter van C. Asinius Pollio, die
met 7 legioenen in het gebied der Veneti stond en de landverdeeling
bestuurde, had deze inbezitneming geen verder gevolg en beloofde
Octavianus aan Vergilius, dat zijn landgoed ongemoeid zou blijven. Doch
op Asinius Pollio volgden Alfenus Varus en Antonius Musa, en opnieuw
zag V. zich in zijn bezit bedreigd. Hij beloofde Varus te zullen
bezingen, als deze zijn grondbezit spaarde. Uit de omstandigheid, dat
de 6de Ecloga aan Varus is gericht en dat V. toch van zijn landgoed
werd beroofd, mag men misschien het besluit trekken, dat Varus zelf
het hem wel liet behouden, maar niet verhinderde dat een ander het
hem ontnam. Het gedicht van Verg. getuigt dan ook niet van groote
geestdrift. Hij ging naar Rome, doch Octavianus was elders. Door
tusschenkomst van aanzienlijke vrienden (misschien bij Varus) werd
hem de teruggaaf van zijn goed beloofd, doch toen hij er heen was
gegaan, zou hij door den nieuwen bezitter, zekeren centurio Arrius,
doodgestoken zijn, ware hij niet ijlings in den Mincius gesprongen
(40). Eenige maanden bleef hij te Rome en in den omtrek, tot hij
eindelijk, vermoedelijk door tusschenkomst van Maecenas, zijne goederen
terug kreeg. Het is ook niet onwaarschijnlijk, dat Varus hem nu ten
slotte het rustig bezit waarborgde en daarvoor met een gedicht door den
dichter werd beloond. Na door zijne Eclogae of Bucolica naam gemaakt
te hebben, begon V. te Rome zijne Georgica in 4 boeken, een leerdicht
over akkerbouw, boomkweekerij, vee- en bijenteelt, dat eigenlijk zijn
meesterwerk is, waaraan hij 7 jaar werkte, 37-30. Hij voltooide het
te Napels, een geliefkoosd verblijf voor hem, uit hoofde zijner zwakke
gezondheid. Intusschen of onmiddellijk daarna begon hij aan zijn epos
Aeneis, waarvan hij in 23 het 2de, 4de en 6de boek voor Augustus en
diens omgeving voordroeg. Voor zijne gezondheid en tot ontspanning
ondernam hij in 19 eene reis naar Griekenland, ontmoette daar Augustus
en keerde met dezen naar Italië terug. Te Brundisium aangekomen, was
hij zóó ziek, dat hij daar moest blijven en er binnen weinige weken
overleed. Volgens zijn verlangen werd zijn lijk naar Napels vervoerd
en is hij aan den weg naar Puteoli begraven. Hij had eerst gelast,
dat zijn onvoltooid epos (zie over den inhoud het art. Aeneas)
verbrand moest worden, doch liet zich verbidden om de uitgaaf aan
zijne vrienden Plotius Tucca en Varius Rufus toe te vertrouwen,
onder voorwaarde dat zij het geheel onveranderd zouden laten, opdat
ieder zou kunnen zien, dat de dood hem belet had er de laatste hand
aan te leggen. Menige plaats komt er in voor, die de dichter, zoo de
tijd hem gegeven ware, aangevuld of gewijzigd zou hebben. V. bleef
bij zijn volk steeds in hooge eer; in de middeleeuwen hield men hem
voor een toovenaar en, voor zoover dit voor een heiden mogelijk was,
voor een heilige. Aan het gewaande graf van V. werden zelfs wonderen
vastgeknoopt. De groote verdienste der Aeneis is deze, dat daarin met
onmiskenbaar talent van vorm en uitdrukking een nationaal-rom. epos op
homerische leest is geschoeid. Bovendien diende het tot verheerlijking
van Augustus en zijne familie. Het werd dan ook met vooringenomenheid
op de rom. scholen gelezen en verklaard. Op de Bucolica en Georgica
schreef Valerius Probus (1e eeuw na C.) een commentaar, terwijl wij
ook den rijken commentaar op Vergilius van Servius Maurus Honoratus
(4de eeuw na C.) (z. Servius no. 3) bezitten. Zie ook Donatus (Tiberius
Claudius). Enkele kleinere gedichten op naam van Vergilius (Culex,
Moretum e. a.) worden door sommigen niet aan hem toegeschreven.
Verginii, een deels patricisch, deels plebejisch geslacht. 1)
Opiter Verginius Tricostus, consul in 502, streed tegen de Latijnen
en sneuvelde in 487 tegen de Volscen.--2) T. Verginius Tricostus
Caeliomontanus, consul in 496, nam deel aan den slag bij het meer
Regillus.--3) Proculus Verginius Tricostus Rutilus, consul in 486,
was een tegenstander der akkerwet van zijn ambtgenoot Sp. Cassius
Viscellinus (zie Cassii no. 1).--4) verder komen er tot 435 nog
een achttal Verginii Tricosti onder de consuls voor met de toenamen
Rutilus, Esquilinus, Caeliomontanus, waarbij ook de vóórnamen Opiter
en Proculus nog eenmaal terugkomen. Ook vindt men er twee onder de
consulairtribunen.--5) A. Verginius bewerkte in 457, dat het getal
volkstribunen op 10 werd gebracht. Hij zelf bekleedde dit ambt 5
jaar achtereen.--6) L. Verginius doodde volgens de overlevering in
449 zijne dochter Verginia, opdat zij niet in handen van den tienman
App. Claudius zou vallen, en gaf hiermede het sein tot de tweede
secessio plebis. Daarop werd hij tot volkstribuun verkozen.--7)
A. Verginius, rom. rechtsgeleerde, omstreeks 100.--8) L. Verginius
Rufus, legatus pro praetore van Germania Superior onder Nero en Otho,
wees na den dood van Vindex (z. a.) en in 69 na C. na den dood van
Otho het aanbod zijner troepen van de hand, hem tot keizer uit te
roepen. In zijn sterfjaar, 97, was hij met keizer Nerva consul. Tacitus
hield eene lijkrede op hem. Hij was een vaderlijke vriend voor den
jongeren Plinius. Hij maakte ook gedichten.
Verna of vernaculus is een slaaf, die in zijns meesters huis geboren
is. Uit den aard der zaak waren zij in den regel vrijpostiger dan
gekochte slaven.--Vernaculae legiones zijn troepen, bestaande uit
personen, die bij de werving nog geen Romeinsche burgers waren,
maar dit recht verkregen, zoodra zij ingelijfd waren; dus = milites
libertini.
Verolamium, hoofdstad der Catuvellauni, ten N.W. van Londinium
(Londen), thans Old-Verulam, rom. municipium.
Veromandui, zie Viromandui, welke schrijfwijze beter is.
Verona, stad in Gallia Transpadana aan den Athesis, eerst aan de
Euganei, later aan de Cenomani toebehoorende, sedert 89 met het
ins Latii, sedert 49 een bloeiend rom. municipium, geboorteplaats
van Catullus en Vitruvius. Verona, thans nog aldus geheeten, was
de schoonste stad van Cisalpina. Het marmeren amphitheater, onder
Diocletianus gebouwd, dat 22000 toeschouwers bevatten kon, is nog
vrij goed bewaard gebleven.
Verres (C.) was in 82 quaestor van den consul Cn. Papirius Carbo
in Cisalpina, doch liep tot de partij van Sulla over, de kas
medenemende. Toch kreeg Sulla van het geld niet veel te zien, daar
Verres beweerde dit te Ariminum (Rimini) te hebben achtergelaten,
waar het bij de verwoesting der stad verloren zou zijn gegaan. Zijne
verantwoording was merkwaardig. "Ontvangst HS 2235417; uitgaaf
aan soldij, koren enz. HS 1635417; saldo te Ar. achtergelaten HS
600000." In 80 ging Verres als legaat van Cn. Cornelius Dolabella naar
Cilicia, waar hij weldra na den dood van den quaestor C. Malleolus
proquaestor werd. Zijn reis daarheen was een rooftocht. In Griekenland
en Azië liet hij, zelfs bij dag, de tempels openbreken en beelden en
kostbaarheden er uit wegvoeren. Toen Dolabella later van afpersingen
was aangeklaagd, had V. de onbeschaamdheid als getuige tegen hem
op te treden. Met een deel van den geroofden buit wist hij zich
tegen 74 tot praetor te doen verkiezen. Zijne praetuur (de praetura
urbana) was, zooals men denken kan, eene bespotting van het recht,
eene onafgebroken reeks van rechtsverkrachtingen. In 73 werd hij
propraetor van Sicilia, waar hij drie jaar bleef. In die drie jaar
mergelde hij de provincie uit. Behalve dat hij den landbouwers
hun koren afperste en hun dan het graan, dat zij moesten leveren,
uit hun eigen voorraad duur verkocht, om ten slotte nog het geld,
dat de senaat hem tot aankoop van koren toezond, in zijn eigen zak
te steken, waren ook geen kunstwerken of kostbaarheden voor hem
veilig. Hij hield er spionnen op na om na te speuren, wie iets in
bezit had, wat van zijne gading kon zijn. Op verzoek der Siciliërs
trad Cicero in 70 als aanklager op en beschuldigde Verres voor 40
millioen sestertiën op Sicilië gestolen en afgeperst te hebben. Ten
spijt van alle kuiperijen van Verres en diens machtige vrienden
(zie Tullii no. 5), handelde Cicero met zooveel voortvarendheid en
doortastendheid en overstelpte hij Verres met zooveel onwederlegbare
bewijzen, dat diens verdediger Hortensius het pleit opgaf en Verres
zich in ballingschap naar Massilia (Marseille) begaf.
Verrius Flaccus (M.), rom. taalgeleerde onder Augustus en Tiberius,
leermeester van de kleinzonen van Augustus, schrijver van een groot
alphabetisch geordend werk de verborum significatu (zie Festus
no. 2), ook geciteerd als libri rerum memoria dignarum, en van de
Fasti Praenestini, waarvan nog fragmenten over zijn.
Verticordia, bijnaam aan Venus (z. a.) gegeven, wegens haar invloed op
het menschelijk hart. In 114 werd haar een tempel gewijd met de bede,
dat zij de vrouwen van onkuischheid zou afhouden.
Vertumnus of Vortumnus, god van verandering of afwisseling, in het
bijzonder van de afwisseling der jaargetijden, die de vruchten doet
rijpen, maar verder ook van de veranderingen in de gezindheid der
menschen, van ruilhandel, enz. Hij zelf bezat het vermogen allerlei
gedaanten aan te nemen en maakte daarvan gebruik, toen hij de liefde
van Pomona trachtte te winnen, wat hem eerst gelukte, nadat hij, als
oude vrouw vermomd, gehoor bij haar had gekregen. Hij had een beeld
in den vicus Tuscus, waarom hij voor een oorspronkelijk etrurisch god
gehouden werd, en een tempel aan den voet van den Aventinus; deze
tempel was door M. Fulvius Flaccus na zijn verovering van Volsinii
gesticht. Vortumnus was waarschijnlijk de hoofdgod van Volsinii; zie
ook Voltumna. Men bracht hem offers op den 13 Augustus. Men verwarre
dezen god niet met Volturnus (z. a.).
Verulae, hooggelegen stad der Hernici in Latium.
Verulamium = Verolamium.
Verus (L. Aurelius), zoon van L. Aelius Verus (zie Annii no. 6),
jongere broeder en mederegent van keizer Marcus Aurelius en indertijd
met dezen door Antoninus Pius tot zoon aangenomen. Vóór zijn adoptio
heette hij L. Ceionius Commodus, en hij wordt nog vaak door de
schrijvers Commodus genoemd. Hij was te veel overgegeven aan een
weelderig en gemakkelijk leven om iets te beteekenen. Zijne regeering
(als zij dezen naam verdient) duurde van 161 na C. tot 169, toen
hij stierf. In 162 trok hij naar het Oosten, om tegen de Parthen te
strijden, die in het rijk gevallen waren. Hij bleef echter in Antiochia
achter, en liet den oorlog, die van 161-166 duurde, door zijne legaten
voeren. Door de verovering van Artaxata (163) werd Armenia tot een
rom. vazalstaat. Ten gevolge van de veldtochten van Avidius Cassius
(zie Cassii no. 18) werd in 166 de vrede met Vologeses gesloten,
kwam Osroene onder rom. invloed en werd Carrhae rom. kolonie. Daarna
trok Verus met M. Aurelius tegen de Marcomannen, maar stierf in 169
te Altinum.
Vesbius, Vesevus = Vesuvius.
Vescelia, stad der Oretani in Hispania Tarraconensis, in het gebied
van den Anas (Guadiana).
Vescia, verdwenen stad der Aurunci of Ausones in Latium in eene
liefelijke streek, ager Vescinus, die tusschen den Liris en den mons
Massicus lag.
Veseris, een vlek of een riviertje (dit is onzeker) in Campania aan
den Vesuvius.
Vesevus = Vesuvius.
Vesontio, thans Besançon, hoofdstad der Sequani in Gallia aan den
Dubis (Doubs), die zoo de stad omspoelde, dat hij haar bijna geheel
insloot, terwijl het openliggende gedeelte afgesloten werd door een
berg, waarop de burcht lag. Er zijn tal van overblijfsels uit den
rom. tijd aanwezig.
Vespasianus (T. Flavius), romeinsch keizer 70-79 na C., in 9 na
C. te Reate in het sabijnsche land geboren, was de zoon van Flavius
Sabinus en Vespasia Polla. Hij ging reeds vroeg in krijgsdienst, was
krijgstribuun in Thracia, quaestor van Creta en Cyrenaica, daarna te
Rome aediel en vervolgens praetor, en werd door Claudius als legatus
legionis naar Germania en in 43 naar Britannia gezonden. In 51 was
hij consul, trok zich toen uit vrees voor Agrippina een tijd lang
uit het openbare leven terug, totdat in 59 Nero hem als proconsul
naar Africa zond. In 66 werd hem door Nero opgedragen, den opstand
in Judaea te dempen, en deze taak was nog niet volbracht, toen hij
in den zomer van 69 door zijn leger tot keizer uitgeroepen en door
het geheele Oosten erkend werd. Na de overwinning bij Cremona en den
dood van Vitellius kwam V. in 70 onder groot gejuich van het volk te
Rome. Hij regeerde zacht en gematigd, wat het inwendig bestuur betreft,
doch krachtig, wat de bescherming der grenzen en de tucht in de legers
aangaat. De Parthen ontzagen hem en lieten hem met rust, zijn zoon
Titus voltooide de onderwerping der Joden en zijn veldheer Petillius
Cerealis dempte den gevaarlijken opstand der Batavieren. Door eene
naar den zin der Rom. te groote zuinigheid (zie mimus) stijfde hij de
uitgeputte schatkist. Hij heeft veel gebouwd, zie o.a. Amphitheatrum
aan het einde. Na den terugkeer van Titus hield V. met dezen een
luisterrijken zegetocht over de Joden. Door hem werd in 76 of 77
Agricola naar Britannia gezonden. In 79 stierf V. op de badplaats Aquae
Cutiliae. Zijn zoon Titus volgde hem op.--V. had twee broeders. Omtrent
Flavius Sabinus, zie Sabinus no. 3. De andere broeder, Flavius Clemens,
huwde met zijne nicht Domitilla, eene dochter van Vespasianus en van
de vrijgelatene Flavia Domitia. Domitianus liet hem later ombrengen,
evenals den zoon van Sabinus.
Vesperna, avondeten in den ouden tijd, z. coena.
Vesta, godin van den huiselijken haard en het haardvuur, in
beteekenis gelijk aan de grieksche Hestia, maar door de Rom. hooger
in eere gehouden dan deze door de Grieken. Zij werd in ieder huis
gemeenschappelijk met de Laren en Penaten vereerd, maar had bovendien
een zeer heiligen tempel bij de regia, waar op haar altaar een
eeuwig vuur brandde, dat als het haardvuur van den geheelen staat
beschouwd werd, en waarheen de rom. vrouwen jaarlijks den 9den Juni
(Vestalia) in processie trokken. Deze Vestalia werden echter niet
alleen door de rom. vrouwen gevierd, maar het was ook de feestdag
der bakkers en molenaars. Het heilige vuur werd jaarlijks den 1sten
Maart met bijzondere plechtigheid vernieuwd, ging het bij ongeluk
eens uit, dan werd dit als een zeer slecht voorteeken beschouwd,
en moest het door het wrijven van hout opnieuw ontstoken worden. In
het binnenste van den tempel van Vesta, de penus Vestae geheeten,
werden behalve den door de Vestaalsche maagden bereiden offervoorraad
(zie hieromtrent onder Vestales), ook volgens de overlevering het
Palladium en de Penaten van den staat bewaard, die door Aeneas van
Troje naar Lavinium gebracht waren; ook in deze stad had zij een zeer
oud heiligdom, waar de hoogere rom. magistraten kort na de aanvaarding
van hun ambt gingen offeren. Te Rome werd de dienst van Vesta met
groote nauwgezetheid waargenomen door zes maagdelijke priesteressen,
die aan zeer strenge tucht onderworpen waren, maar daarentegen in
hoog aanzien stonden en buitengewone voorrechten genoten (z. Vestales).
Vestales, ook virgines Vestae geheeten, vestaalsche maagden. In
den Vesta-tempel, de heilige haardstede van den rom. staat, werd de
dienst door zes priesteressen waargenomen. De voornaamste taak der
dienstdoende Vestalin was te zorgen dat het vuur in den tempel niet
uitging; doch bovendien hadden de priesteressen nog andere plichten te
vervullen, o. a. het bereiden van het gezouten offermeel (mola salsa),
waarmede de offerdieren bestrooid werden, het bewaren van bloed en asch
van sommige offers, die later als reinigingsmiddelen dienst moesten
doen, het opzenden van gebeden voor volk en staat, later ook voor den
keizer en diens gezin, enz. Ging het vuur uit, dan werd de nalatige
priesteres door den opperpontifex gegeeseld. Slechts éénmaal 's jaars,
den 1en Maart, den dag waarop oudtijds het jaar begon, moest het
vuur uitgaan, om dan vernieuwd te worden. Nooit mocht het van buiten
ingebracht worden, het moest in den tempel zelf door wrijving van
hout ontstoken worden. Evenals het vuur een zinnebeeld van reinheid
is, moesten ook Vesta's priesteressen hare maagdelijke kuischheid
bewaren; anders werden zij levend in een graf ingemetseld, terwijl
ook haar verleider met den dood gestraft werd. Volgens de lex Papia
(z. a.) koos de pontifex maximus, wanneer er een plaats als Vestalin te
vervullen viel, naar goedvinden 20 meisjes uit, niet jonger dan zes en
niet ouder dan tien jaar; deze moesten vrij van lichaamsgebreken zijn,
hare ouders, vader en moeder, nog in leven zijn en per confarreationem
gehuwd zijn. Uit deze 20 werd door het lot ééne aangewezen en door
den pontifex maximus als vestaalsche maagd aangenomen (virginem
capere). Hoewel er enkele redenen tot vrijstelling waren, b.v. wanneer
reeds eene zuster in Vesta's dienst was of wanneer het kind reeds
aan een pontifex verloofd was of wanneer de vader tot de flamines,
augurs, XV viri sacris faciundis of septemviri epulones behoorde,
kon men zich zonder zulk een reden niet aan de keus onttrekken. Ook
konden ouders hunne dochters aanbieden. Tien jaar lang bleef de
Vestalin leerlinge in den dienst, daarna moest zij tien jaar dienst
verrichten, vervolgens tien jaar als leermeesteres der nieuwelingen
werkzaam zijn. Na die 30 jaren mocht zij huwen, hetgeen echter ongaarne
gezien werd. De virgines Vestales genoten groote eer. Zij waren sui
iuris, zij alleen mochten te Rome op een wagen rijden, bij openbare
feesten en spelen hadden zij de eereplaats. Op straat werden zij
voorafgegaan door een lictor, zelfs de consul week voor haar uit,
terwijl zijne lictoren hunne roedenbundels naar den grond gericht
hielden (fasces submittere). Wanneer zij een veroordeelde ontmoetten,
was deze vrij. Zie ook Claudii no. 12. De vestaalsche maagden droegen
over het gewone vrouwengewaad een soort van linnen jakje, verder het
suffibulum en de infula. Aan haar hoofd stond de virgo maxima.
Vestibulum, een voorplein voor een aanzienlijk rom. huis, aan drie
zijden door muren ingesloten. In de teekening op bl. 241 is wel eene
kleine inspringende ruimte als vestibulum aangegeven, doch men vergete
niet, dat daar slechts een woning van zeer matigen omvang in eene
landstad is voorgesteld, die niet te vergelijken is met de paleizen
der rijken te Rome.
Vestini, rom. geslacht uit den keizerstijd. 1) L. Vestinus, uit Vienna
(Vienne) aan den Rhodanus (Rhône) in Gallia, bij keizer Claudius
zeer gezien.--2) M. Vestinus Atticus, zoon van no. 1, eerst een
vriend van Nero, later van hem afkeerig. Hij bespotte en beleedigde
zelfs den keizer, die hem eerst vruchteloos in de samenzwering van
Piso zocht te betrekken, en hem ten slotte, omdat hij met Statilia
Messalina getrouwd was, in zijn eigen huis liet overvallen en om het
leven brengen (65 na C.).--3) L. Vestinus, ook een zoon van no. 1,
herbouwde voor Vespasianus het afgebrande Capitool.
Vestini, Ouestinoi, kleine sabellische volksstam aan de Adriatische
zee, gewoonlijk in éénen adem genoemd met de verwante Marsi, Marrucini
en Paeligni, met wie zij verbonden waren. Zij werden in 301 onderworpen
door de Rom. en namen in 90 deel aan den opstand der bondgenooten.
Vestricius Spurinna, z. Spurinae no. 2.
Vesulus mons, thans Monte Viso, in de Cottische Alpen, een der weinige
Alpentoppen, waarvan een rom. naam bekend is. Op dezen berg ontspringt
de Padus (Po).
Vesuvius, Vesevus, Vesbius, Ouessouios, Besbios, thans nog Vesuvius,
de bekende vulkaan bij Napels. Gedurende den geheelen tijd van
Rome's bestaan schijnt de berg in rust te hebben verkeerd tot aan de
vreeselijke en geheel onverwachte uitbarsting van 79 n. C., waardoor
o. a. Herculaneum en Pompeii bedolven werden. Door deze en latere
uitbarstingen is het uiterlijk van den berg geheel veranderd.
Vetera, voluit Castra Vetera, rom. sterkte, in de geschiedenis van
den bataafschen opstand bekend, zeer nabij het tegenw. Xanten aan
den Rijn. Zie verder onder Castra.