aanmerking.--35) Q. Valerius Soranus, uit Sora in Latium, redenaar en,
naar het schijnt, een dichter van naam, door Cicero echter om zijne
uitspraak van het Latijn berispt. Hij werd door Pompeius in 82, toen
hij volkstribuun was, terechtgesteld.--36) Valerius Antias, uit Antium
in Latium, leefde ten tijde van Sulla en schreef zeer onbetrouwbare
annales van Rome's stichting af tot op diens tijd. Livius heeft er
veel uit geput.--37) Valerius Cato, uit Gallia Cisalpina, had in den
sullaanschen burgeroorlog zijn vermogen verloren en moest, om in zijn
onderhoud te voorzien, les geven in taal- en dichtkunde. Hij is met
C. Licinius Macer Calvus (Licinii no. 6) de aanvoerder van de nieuwe
richting in de poëzie, de neoterici, waartoe ook Catullus behoorde. Of
de gedichten Dirae en Lydia, die op zijn naam staan, van hem zijn,
is niet uit te maken.--38) Q. Valerius Catullus, rom. dichter, werd
ongeveer in 84 te Verona geboren uit eene vermogende familie. Van
zijn leven is weinig bekend. Hij leefde op vriendschappelijken voet
met Cicero, Hortensius, Cornelius Nepos e. a. In 57 vergezelde hij
den praetor C. Memmius Gemellus naar Bithynia en bezocht op deze reis
in Troas het graf van zijn diep door hem betreurden broeder. Hij bezat
eene villa bij Tibur en eene te Sirmio bij Verona aan den lacus Benacus
(Garda-meer). Onder den naam Lesbia bezingt hij Clodia, de zuster van
den tribuun P. Clodius Pulcher en echtgenoote van Q. Metellus Celer
(zie Claudii no. 18), die hij hartstochtelijk beminde totdat haar
wangedrag hem afstiet. Hij stierf waarschijnlijk in 54. Wij hebben van
hem nog 116 grootere en kleinere lyrische gedichten en epigrammen. Het
meest munt hij uit in erotische poëzie. Zijn verzen, soms wat
ouderwetsch getint, zijn rijk aan gevoel en liefelijke gedachten,
eenvoudig doch keurig van taal. Hij was de eerste rom. lierdichter,
die grieksche versmaten bezigde.--39) Valerius Maximus, niet tot
de patricische gens Valeria behoorende, verkeerde in behoeftige
omstandigheden, totdat Sex. Pompeius (consul 14 n. C.) zich zijn lot
aantrok. Tusschen 26 en 32 na C. schreef hij zijn eenig werk Factorum
et dictorum memorabilium libri IX, een werk zonder letterkundige waarde
wat den stijl betreft, waarin daden en gezegden onder verschillende
rubrieken gesorteerd zijn. Zie Cornelius Nepos (Cornelii no. 58). Toch
is het werkje in verschillende tijden veel gelezen en hebben anderen
er uit geput en er weder uittreksels van gemaakt.--40) M. Valerius
Probus, zie Probus no. 2.--41) C. Valerius Flaccus (Setinus Balbus),
episch dichter uit den tijd van Vespasianus. Hij heeft 8 boeken
Argonautica gedicht, bewerkt naar het gedicht van Apollonius Rhodius
(z. a. no. 1). Hij is gestorven, kort voor 92 na C.--42) M. Valerius
Mutines z. Mut(t)ines.
Valgii 1) A. Valgius streed in Hispania onder Caesar, doch liep tot de
pompejaansche partij over.--2) C. Valgius Rufus, een vertrouwd vriend
van Horatius, een geleerd en veelzijdig ontwikkeld man, ook schrijver
en elegieëndichter. Uit zijne werken de tralatione (van rhetorischen
aard), de rebus per epistulam quaesitis (taalkundige onderzoekingen)
hebben Plinius, Gellius e. a. veel geput en aangehaald. Ook schreef
hij een onvoltooid leerdicht de herbarum viribus, dat door Plinius
met lof vermeld wordt. Horatius ontried hem het dichten van elegieën
en, ofschoon Tibullus vleiend van hem zegt: aeterno propior non alter
Homero schijnen de ouden hem toch slechts eene zeer bescheiden plaats
onder de dichters te hebben aangewezen.
Vallis Poenina, de Zuidkant van het meer van Genève en het
Boven-Rhône-dal (tgw. Wallis, Valais). De streek vormde een onderdeel
van de kleine provincie Alpes Graiae et Poeninae, die later tot Raetia
behoorde. Hier woonden vier, waarschijnlijk ligurische of raetische
stammen: Nantuates, Veragri, Seduni en Viberi of Uberi.
Vallum Antonini, grenswal in Schotland tegen de invallen der
noordelijke volkeren aangelegd door keizer Antoninus Pius in 142
n. C., tusschen de Firth of Clyde en de Firth of Forth, zie Bodotria
en Britannia.
Vallum Hadriani, grenswal in Noord-Engeland tegen de invallen der
Caledoniërs aangelegd door keizer Hadrianus in 122 n. C., tusschen
den Solway Firth en den mond van de Tyne. Z. Britannia.
Vandali of Vandili, Ouandaloi, een germaansch volk, dat een tijd
lang aan het tegenw. Reuzengebergte woonde, dat dan ook wel Vandalici
montes wordt genoemd. Vervolgens trokken zij naar Dacia en ten tijde
der groote volksverhuizing naar Hispania, waar zij nog hun naam in
(W)andalusië hebben achtergelaten. In 429 n. C. staken zij (zie
Valentinianus III) naar Africa over onder hun koning Geiserik en
stichtten er een vandaalsch rijk met Carthago tot hoofdstad. Geiserik
schiep eene vandaalsche zeemacht, die de schrik werd der Middellandsche
zee, veroverde Sardinia, Corsica en Sicilia en deed in 455 eene
landing in Italië, zie Maximus (Petronius). Bij deze gelegenheid werd
Rome vreeselijk geplunderd; wat waarde had, werd meegesleept, doch de
schepen met Rome's kunstschatten beladen, vergingen door storm voor zij
Carthago hadden bereikt. Na Geiseriks dood in 477 verzwakte de macht
der Vandalen voortdurend, totdat hun rijk onder den laatsten koning,
Gelimer, in 534 door Iustinianus' veldheer Belisarius vernietigd werd.
Vangiones, germaansch volk op den linker Rijnoever in
Belgica. Hoofdstad: Borbetomagus, thans Worms.
Vannius. Na de verdrijving van Maroboduus (zie Marcomanni), werden
aan een gedeelte van zijn volk in de streek tusschen Marus (March)
en Cusus (Waag) woonplaatsen aangewezen, onder een koning uit het
volk der Quaden, genaamd Vannius (18 n. C.). Deze breidde zijn
rijk voortdurend uit, tot hij in 50 door Vibilius, den koning der
Hermunduren en door Vangio en Sido, de zonen zijner zuster, verdreven
werd, en een toevlucht vond in het Romeinsche rijk. Het Rijk van
Vannius bleef echter bestaan, en kwam nu aan de bovengenoemde neven,
die aan het Rom. rijk trouw bleven. De onderdanen worden gewoonlijk
Suevi genoemd, hetgeen de algemeene stamnaam is.
Varagri = Veragri.
Vardaei, z. Bardiaei.
Vargunteii. 1) L. Vargunteius, rom. senator, handlanger van Catilina,
belastte zich met de taak, Cicero te vermoorden.--2) Vargunteius,
legaat van Crassus, sneuvelde in den parthischen oorlog.
Varia, schilderachtig gelegen vlek aan de via Valeria ten N.O. van
Tibur, op een heuvel aan den Anio. Tot de buurtschap behoorde het
landgoed van Horatius.
Varia (lex) de maiestate van den volkstribuun Q. Varius Hybrida, dat
een gerechtelijk onderzoek moest worden ingesteld, wie de italische
bondgenooten tot het opvatten der wapenen hadden opgeruid (91). Dit
was olie in het vuur, en hierop ontbrandde dan ook de marsische oorlog.
Varii. 1) Q. Varius Sucronensis, uit Sucro in Hispania, meer
bekend onder den bijnaam Hybrida, dien het volk hem gaf, omdat zijn
burgerrecht door sommigen werd betwijfeld, stelde als volkstribuun
in 91 de heillooze lex Varia de maiestate voor, waardoor de italische
bondgenooten, die zich reeds gewapend hadden om Rome het burgerrecht af
te dwingen en die op enkele plaatsen reeds tot oproer waren gekomen,
zóó verwoed werden, dat zij Rome den ondergang zwoeren. Hij was
een goed redenaar. Hij was, naar men zeide, medeplichtig aan den
moord van zijn ambtgenoot M. Livius Drusus en werd ook beschuldigd
van vergiftiging van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii
no. 13). Later werd hij krachtens zijn eigen wet veroordeeld,
ging in ballingschap en werd op wreedaardige wijze vermoord; hoe,
is niet bekend.--2) Varius Cotyla (= wijnvat) was een deelgenoot
der drinkgelagen van Antonius, die hem echter eens aan een maaltijd
door zijne slaven liet geeselen. Later komt hij als bevelhebber eener
legerafdeeling in den mutinensischen oorlog voor.--3) L. Varius Rufus,
rom. dichter uit den kring van Maecenas, een vriend van Catullus
en Vergilius en ook van Augustus. Aan hem en Plotius Tucca droeg
Vergilius op zijn sterfbed de uitgaaf zijner Aeneis op. Varius
was ook werkzaam voor de toelating van Horatius in den kring van
Maecenas. Als treurspeldichter stond hij hoog aangeschreven; zijn
Thyestes werd opgevoerd bij de spelen ter viering van de overwinning
bij Actium en door Octavianus met een geschenk van een millioen
sestertiën beloond. Hij was vooral beoefenaar der epische poëzie,
Maeonii carminis ales, zooals Horatius hem noemt. O. a. schreef hij
een gedicht de morte en een Panegyricus Augusti. Nagenoeg alles van
hem is verloren gegaan.--4) Varius Avitus Bassianus = Heliogabalus.
Varini, volk in Germania aan de kust der Oostzee, in het
tegenw. Mecklenburg, behoorende tot die volkeren, die de godin
Nerthus vereerden.
Varinii, een onberoemd geslacht.
Varisti, zie Naristi.
Varro, familienaam in de gens Terentia en de gens Visellia.
Varus (= krombeen), familienaam in verschillende gentes. Zie
Alfen(i)us, Attii (no. 4), Quinctilii.
Varus, thans Var of Varo, tusschen Nicaea (Nizza, Nice) ten O. en
Antipolis (Antibes) ten W., grensrivier tusschen Gallia Narbonensis
en Italia (Liguria).
Vas, hij die borg blijft, dat een gedaagde ter terechtzitting zal
verschijnen; zie vadimonium. Een borg voor het nakomen eener aangegane
verbintenis wordt praes genoemd.
Vasarium, eigenlijk gereedschapsgeld, de som, die aan den stadhouder
eener provincie werd uitgekeerd voor zijne uitrusting.
Vascones, volksstam tusschen den Iberus (Ebro) en de Pyrenaeën, in de
tegenw. baskische gewesten (Biscaye, Guipuscoa, Navarre). Hoofdstad:
Pompelo (Pampeluna). Als eene bijzonderheid vindt men opgeteekend,
dat zij blootshoofds ten strijde togen. Ook in Aquitania woonden
stamgenooten, ofschoon onder andere namen. Hun naam leeft nog voort
in de namen Basken en Gascogne. Het W. deel der Pyrenaeën heette naar
hen Vasconum saltus.
Vaticanus (mons), een berg aan de rechterzijde van den Tiber, doch
nooit in den kring van het oude Rome opgenomen. De wijn, die er
groeide, was bekend als slecht.
Vatiniae (leges) van den volkstribuun P. Vatinius in 59. 1) de imperio
C. Caesaris, waarbij aan Caesar bij plebisciet Illyricum en Gallia
Cisalpina als provinciën toegewezen werden. Deze wet werd doorgedreven
niettegenstaande heftig verzet van den consul M. Calpurnius Bibulus,
wiens ambtgenoot Caesar zelf was. De senaat voegde er nog Transalpina
bij, uit vrees, dat ook deze provincie (die destijds nog alleen uit
Narbonensis bestond) anders ook nog door het volk aan Caesar ten deel
zou vallen.--2) de alternis consiliis reiciendis, waarbij vermoedelijk
aan den aanklager en den beklaagde nog eene tweede wraking van
rechters werd toegestaan, wanneer de eerstgewraakte reeds door andere
vervangen waren (zie iudex).--3) omtrent de uitzending eener kolonie
door Caesar naar Comum, als voorpost tegen de Alpenbewoners.--4)
rogatio de L. Vettii iudicio; deze ging niet door, zie Vettii no. 3.
Vatinii. 1) P. Vatinius uit Reate beweerde in 168 van de Dioscuren de
gevangenneming van koning Perseus vernomen te hebben.--2) P. Vatinius,
afstammeling van no. 1, een der fortuinzoekers uit Caesars tijd, had
in 63 de quaestuur op niet zeer eervolle wijze bekleed en was in 59
volkstribuun. Als zoodanig diende hij Caesar (zie Vatiniae leges),
met wien hij in 58 naar Gallia ging. Later te Rome wegens knevelarij
aangeklaagd, die hij als quaestor had bedreven, wist hij met behulp
van Clodius de rechters door geweld schrik in te boezemen. In 56 trad
hij in de zaak van P. Sestius tegen dezen en diens verdediger Cicero
op, doch werd onmiddellijk daarna door Cicero in eene opzettelijke
redevoering ontmaskerd. In 55 werd hij praetor; in 54, wel niet
ten onrechte, van omkooping hiertoe beschuldigd, werd hij ter wille
van Caesar door Cicero verdedigd. Ook in het vervolg bleef Vatinius
Caesar trouw. In den burgeroorlog versloeg hij in het begin van 47
de Pompeiani bij het eiland Tauris, en verjoeg ze uit de Adriatische
zee. In 45 ging hij als proconsul naar Illyria, maar na Caesar's dood
gaf hij de provincie over aan Brutus.
Vecta of Vectis, eiland op de Zuidkust van Britannia, thans Wight.
Vectigal. Onder vectigalia verstaat men de indirecte belastingen
en wat men betaalt voor het gebruik van staatseigendommen. Hiertoe
behoorden o. a. 1) portorium, haven-, brug- en weggelden en in- en
uitvoerrechten.--2) scriptura, het weidegeld dat bij het inscharen
van vee op de weidegronden van het staatsdomein (pascua publica)
werd betaald.--3) verpachtingen van het vischrecht en van houtkap
in de bosschen van den staat, van concessies voor ontginning en
exploitatie van mijnwerken, krijt-, zout- en steengroeven.--4)
vicesima manumissionum, 5% van de getaxeerde waarde, bij vrijlating
van slaven te betalen. Deze belasting was ingevoerd door de lex
Manlia van 357.--5) sinds den keizerstijd, vicesima hereditatum,
een successierecht van 5% bij erfenis, wel te verstaan van erfenissen
ex iure Quiritium; daarom gaf Caracalla in 212 na C. aan alle vrije
inwoners het burgerrecht, om over het geheele rijk dit recht te kunnen
heffen.--6) de pacht voor het gebruik van ager publicus en in de
provinciën de decumae van tiendplichtige landerijen.--7) centesima
rerum venalium, een verkooprecht op alles wat binnen Italië werd
verkocht, eene instelling van Augustus.--8) accijns op eetwaren,
door Caligula ingesteld.--9) quinguagesima mancipiorum venalium,
een overgangsrecht bij verkoop van slaven, van 2%, door Augustus
ingevoerd, door Claudius verdubbeld.--10) een entreegeld voor de
publieke privaten, onder den naam vectigal foricarum et urinae,
ingevoerd door Vespasianus.--11) eene belasting op de nijverheid,
patentbelasting, van Alexander Severus.--12) vectigal ex aquaeductibus
voor het uit de waterleidingen naar de huizen afgevoerde water;
cloacarium voor het recht van waterloozing in de openbare riolen,
enz.--Voorzoover zij er toe geschikt waren, werden de vectigalia
door de censoren verpacht summis pretiis. Ominis causa werd een begin
gemaakt met de oesterbanken in den lacus Lucrinus. Neemt men vectigalia
in den meer algemeenen zin van staatsinkomsten, dan kan hiertoe ook
de rechtstreeksche belasting, stipendium (z. a.), uit de provinciën
worden gebracht. In de provinciën Sicilia en Africa was het stipendium
geheel vervangen door tienden. Italia was van grondbelasting geheel
vrij (zie ook ius italicum). Over het tributum der rom. burgers, dat
niet tot de eigenlijke belastingen kan gerekend worden, zie tributum.
Vectones = Vettones.
Vedius Pollio, vrijgelatene, rom. ridder, een nietswaardig
mensch, ontzaggelijk rijk, verkwistend en meedoogenloos. Bij zekere
gelegenheid, dat Augustus bij hem te gast was, werd diens bescherming
ingeroepen door een slaaf van Vedius, die wegens het breken van
een voorwerp van murrha (z. a.) door zijn meester veroordeeld was
om in den vischvijver geworpen te worden en tot spijs voor de alen
te dienen. Augustus gelastte toen aan zijne lictoren, alle murrha
in het huis stuk te slaan. Vedius Pollio stierf in 15, na Augustus
tot erfgenaam van het grootste gedeelte zijner bezittingen benoemd
te hebben, o. a. van zijne prachtige villa Pausilypum (Zonderzorg,
Sans-Souci) tusschen Neapolis en Puteoli.
Vegetius Renatus (Flavius) schreef aan het einde van de 4de eeuw na
C. een epitome rei militaris, eigenlijk eene compilatie, zooals de
schrijver zelf erkent, van verspreide berichten en mededeelingen,
die hij bij verschillende oudere schrijvers heeft aangetroffen,
aangevuld met hetgeen hij aan de keizerlijke verordeningen heeft
ontleend. Ofschoon dikwijls oud en nieuw zijn dooreengeward, heeft
het werk, bij gebrek aan andere en betere krijgskundige geschriften,
voor ons eene niet geringe waarde. Waarschijnlijk moet een werk over
veeartsenijkunde van een zekeren P. Vegetius Renatus, uit denzelfden
tijd, ook aan hem worden toegeschreven.
Veiento (A. Fabricius), werd onder Nero in 62 n. C. verbannen, omdat
hij in schotschriften senatoren en priesters beschimpt had. Onder
Domitianus was hij als delator berucht. Hij was consularis.
Veii, Oueioi, oude en machtige etruscische stad op eene hoogte
aan de rivier de Cremera, met flinke muren, waarvan nog sporen
aanwezig zijn. Het uitgebreide gebied werd ager Veiens of Veientanus
genoemd. Daar Veii en Rome slechts ruim drie uren van elkander lagen,
moest Rome's opkomst spoedig eene botsing uitlokken. Reeds onder de
regeering van Romulus wordt een oorlog met Veii vermeld. Ten laatste
werd het in 396, volgens de overlevering, na een tienjarig beleg,
door M. Furius Camillus ingenomen, geplunderd en verwoest. Het gebied
der stad werd ager publicus, maar reeds in 387 werden hier 4 nieuwe
tribus ingericht, n.m. de tribus Stellatina, Tromentina, Sabatina en
Arniensis. Veii had een beroemden Juno-tempel.
Veiovis, Vediovis, Vedius, een rom. god, wiens naam door de ouden
verklaard wordt als jonge Jupiter of verdervende Jupiter. Hij had
sedert 192 een heiligdom tusschen het Capitolium en den burcht, op de
plaats van het oude asyl van Romulus, en, sedert 194, een op de insula
Tiberina. In eerstgenoemden tempel stond zijn beeld van cypressenhout,
jeugdig van gestalte, met een bundel pijlen in de hand en een geit
naast zich. Den 7den Maart werd hem een geit geofferd. Wegens de
pijlen, die tot zijne attributen behooren, werd hij soms met Apollo
geïdentificeerd; in werkelijkheid behoorde hij tot den kring der
onderaardsche godheden.
Velabrum, straat of buurt in Rome van den mons Palatinus in de
richting naar den Tiber, door den vicus Tuscus met het forum Romanum
verbonden. Op het Velabrum waren winkels van fijne gerechten of
lekkernijen, waar men ook koks kon huren.
Velauni of Vellani = Vellavi.
Veleda, profetes uit den stam der Bructeren ten tijde van
Vespasianus. Bij hare landslieden en de omringende stammen werd zij
vereerd als een hooger wezen. In den opstand van Civilis oefende zij
een grooten invloed uit. Later werd zij door de Rom. gevangen genomen
en naar Rome gevoerd.
Velia, Ouelia, ook Helia en Elea, bij Herodotus Hyele genoemd, op de
kust van Lucania. Zie Elea.
Velia, buurt van Rome, eigenlijk een rug, die den mons Palatinus met
den mons Esquilinus verbond. Van de Velia daalde de Sacra via af naar
het forum Romanum. De Velia maakte een deel uit van Roma quadrata
(zie Palatinus (mons)).
Velinus (lacus), meertje in het Sabijnsche land, tgw. Lago di
Piedilugo, gevormd door den Avens (z. a.).
Velinus (portus), de haven van Velia of Elea.
Velites, lichtgewapenden in het rom. leger, zie centuria. Zij werden
uit de arme burgers gelicht, hadden harnas noch helm, maar slechts
een mantel en een vilten muts, en waren gewapend met een klein rond
ruiterschild (parma), een zwaard en een aantal (soms zeven) lichte
werpschichten (hastae velitares, veruta) met dunne, scherpe stalen
punt. Zij deden dienst als tirailleurs en namen ook de plaats en de
wapenen der gesneuvelden over. In het legerkamp waren zij des nachts
onder den blooten hemel langs den binnenkant van den wal en vóór de
poorten gelegerd. Sedert Marius ook de capite censi in de gelederen
der geregelde troepen opnam, hing het van lichamelijke geschiktheid
af, of men bij deze of bij de velites werd ingedeeld, hoewel uit den
aard der zaak deze toch uit de geringeren werden genomen.
Velitrae, thans Velletri, latijnsche stad ten Z. van het albaansch
gebergte, langen tijd in handen der Volsci, sedert 393 of 338
municipium sine suffragio. Het is de stamplaats der Octavii.
Vellaunodunum, stad der Senones in het midden van Gallia, tusschen
Genabum (Orléans) en Agedincum (Sens).
Vellavi, volksstam in de bergstreek der Cevennes.
Velleda = Veleda.
Velleii. 1) C. Velleius, rom. senator, door Cicero in zijn werk de
natura deorum als vertegenwoordiger der epicureïsche wijsbegeerte
ingevoerd.--2) C. Velleius Paterculus, een vriend van Pompeius, benam
zich het leven, in 41, toen Octavianus tegen zijne woonplaats Neapolis
(Napels) optrok.--3) C. Velleius Paterculus, rom. geschiedschrijver,
kleinzoon van no. 2, uit een rij van aanzienlijke voorouders gesproten,
diende onder C. Caesar en onder Tiberius in verschillende veldtochten,
werd in 6 na C. quaestor en in 15 praetor. Hij schreef eene beknopte
rom. geschiedenis in 2 boeken (ad M. Vinicium consulem) in 30 na C.,
van Rome's stichting tot op dat jaar. Dat dit werk niet anders dan
hoogst oppervlakkig zijn kan, spreekt van zelf. De tekst berust op
slechts één enkel handschrift, dat na de verschijning der eerste
uitgaaf weder is zoek geraakt. Van het tweede boek is ook slechts
een gedeelte over.
Vell(i)ocasses, gallisch volk aan den mond der Sequana
(Seine). Havenstad: Rotomagus (Rouaan).
Venafrum, stad in Samnium ten O. van Casinum (in Zuid-Latium) gelegen,
wordt sedert Augustus tot Campania gerekend. De stad lag op eene
hoogte, 5 kilometer van den Vulturnus, te midden van olijfbosschen. De
olijfolie van Venafrum was om hare fijnheid beroemd.
Venatio. Onder de geliefkoosde schouwspelen der Rom. behoorden de
dierengevechten in het amphitheater. Met ontzaggelijke kosten werden
hiertoe uit verschillende gewesten wilde dieren aangevoerd, als:
leeuwen, tijgers, olifanten, rhinocerossen, enz., die men tegen
elkander liet vechten. Zoo bracht Pompeius bij één feest o.a. 600
leeuwen in de arena. Ook liet men menschen tegen dieren vechten, zulke
menschen werden bestiarii genoemd en waren soms voor loon gehuurd,
auctorati, soms veroordeelden, ad bestias damnati. Gehuurde vechters
waren natuurlijk gewapend, veroordeelden nu en dan. Gedurende de
christenvervolgingen werden gewoonlijk de veroordeelden bij hoopen
weerloos in het strijdperk gedreven, soms wel aan palen vastgebonden,
en werden vervolgens de wilde dieren op hen losgelaten, om hen voor
de oogen der duizenden van toeschouwers te verscheuren.
Venedae, -di, Ouenedai, aanzienlijk sarmatisch volk ten O. der Vistula
(Weichsel) aan den sinus Venedicus, Ouenedikos kolpos (golf van
Riga). Nog in de middeleeuwen komt dit volk in Polen en Oostpruisen
en ook westelijker voor onder den naam van Wenden.
Venelli, volksstam in Gallia aan het Kanaal op het tegenw. schiereiland
Cotentin.
Veneti, Ouenetoi, 1) gallisch volk op de kust van het tegenw. Bretagne,
met de stad Dariorigum of Venetae (Vannes), en op de kust de insulae
Veneticae (Ré, Oléron enz.). Zij waren een zeevarend en handeldrijvend
volk en onderhielden een levendig verkeer met Britannia.--2) een
volk in het N.O. van Italië, ook Enetoi genoemd, waarvan de afkomst
den ouden onbekend was. Men meende in hen het verdwenen paphlagonisch
volk der Heneti (z. a.) terug te vinden. Waarschijnlijk waren zij van
illyrischen stam. Hun land, o. a. met de steden Patavium (Padua),
Altinum en Aquileia, was buitengewoon welvarend door nijverheid en
handel. Zij waren niet krijgszuchtig en onderwierpen zich reeds vroeg
(215) aan de Rom., om bij hen steun te vinden tegen hunne gallische
naburen. Hun gebied, Venetia, komt in het algemeen, wat de ligging
betreft, overeen met dat der latere republiek Venetië. De invallen
van Gothen en Hunnen waren voor hen een groote ramp, zie hieromtrent
Altinum.
Venetus lacus = Brigantinus lacus.
Venilia, moeder van Turnus, zuster van Amata, gemalin van Neptunus
of Faunus.
Vennones, een woest Alpenvolk in Raetia aan de bronnen van den Athesis.
Vennonius, geschiedschrijver ten tijde der Gracchen.
Venta, naam van enkele steden in Britannia. 1) V. Belgarum, in het Z.,
thans Winchester, nabij Clausentum (Southampton).--2) V. Icenorum,
in het O., nabij het tegenw. Norwich.--3) V. Silurum, in Wales,
ongeveer tegenover het tegenw. Bristol.
Ventidius Bassus (P.), een man van geringe afkomst, doch van groote
bekwaamheid. In den marsischen oorlog waren zijne ouders onder de
gevangenen uit Picenum, die in 89 den triumftocht van den consul
Cn. Pompeius Strabo moesten opluisteren. Zijn vader werd vervolgens
ter dood gebracht. Toen Bassus een man was geworden, voorzag hij
eerst in zijn onderhoud door aan overheden, die naar de provinciën
gingen, paarden, muildieren en wagens te leveren. Caesar, die hem
had leeren kennen, hief hem uit zijn stand op en bracht hem in den
senaat. Hij diende onder Caesar in Gallia en in den burgeroorlog,
koos na Caesars dood de zijde van Antonius, drong bij Cicero aan dat
deze zich tijdig uit de voeten zou maken, en wierf in Picenum een
leger om Antonius te steunen. Na het sluiten van het driemanschap
in 43 werd hij consul (als suffectus voor Q. Pedius). In 39 ging hij
als legaat van Antonius naar Syria en bracht in dit en het volgende
jaar den Parthen drie gevoelige nederlagen toe, waarbij de parthische
prins Pacorus, zoon van Orodes I, sneuvelde. Hij genoot daarvoor de
eer van een zegetocht. Z. ook Labieni no. 2.