Vacuna, sabijnsche godin van den landbouw. Men bracht haar offers,

wanneer men in het begin van den winter van den arbeid op het veld

of uit den oorlog huiswaarts keerde, daardoor kreeg zij de beteekenis

van eene godin van rust en verpoozing van den arbeid (litare Vacunae

= vacuum esse). Soms wordt zij geïdentificeerd met Ceres, Minerva,

Venus, Diana of Bellona, soms ook met Victoria. Zij werd vooral te

Reate en Tibur vereerd.

Vada, 1) gen. -ae, sterkte der Batavieren, die op zeer verschillende

plaatsen wordt gezocht, aan de Waal bij Wamel of Druten, of bij

Wadenoijen in den Tielerwaard. Wageningen is het stellig niet

(zooals men weleens gemeend heeft), daar geen Rom. plaatsen ten

N. van den Rijn gevonden worden.--2) gen. -orum = wadden, naam van

enkele kustplaatsjes, als: Vada Volaterrana op de etruscische kust

in het gebied der stad Volaterrae aan de door het riviertje Caecina

gevormde moerassen,--Vada Sabatia, op de kust van Liguria, haven of

reede der stad Sabata of Savo (Savona).

Vadimonis lacus, een klein rond meer in Etruria nabij den Tiber,

een eind boven Horta. Het water was zwavelig en droeg kleine

drijvende eilandjes. Het was eene heilige plek, die den Etruscers

tot vergaderplaats diende. Bij dit meer werden zij in 309 door den

dictator L. Papirius Cursor (Papirii no. 6) en in 283 door den consul

P. Cornelius Dolabella Maximus (Cornelii no. 35) verslagen.

Vadimonium, borgstelling, de belofte om op den bepaalden dag voor

den praetor of den rechter te verschijnen, waarbij oorspronkelijk,

ten einde preventieve hechtenis te ontgaan, het stellen van een

borg werd gevorderd, die bij wegblijven voor een zekere som gelds

aansprakelijk bleef. De grootte der borgstelling hing af van den aard

van het geding, doch mocht het bedrag van 100000 as niet te boven

gaan. Hieraan zijn verschillende uitdrukkingen ontleend: vadimonium

sistere, zijn borgtocht gestand doen, verschijnen; vad. deserere, den

borgtocht in den steek laten, wegblijven; vad. imponere, borgstelling

eischen; vad. concipere, de borgstelling formuleeren; vad. differre,

de vervulling der belofte op de lange baan schuiven.

Vaga = Vacca.

Vagienni of Bagienni, ligurisch volk ten Z. der Taurini, met de

hoofdstad Augusta Vagiennorum (Bagiennorum).

Vahalis, de tegenw. rivier de Waal.

Valens (Flavius), rom. keizer in het O., 364-378 na C. Na den dood

van Iovianus in 364 werd Flavius Valentinianus I, zoon van zekeren

Gratianus, een Pannoniër, tot keizer uitgeroepen. Hij nam zijn jongeren

broeder, den bovengenoemden Valens, tot medekeizer aan en vertrouwde

hem het O. deel des rijks toe. Valens had met vele moeielijkheden te

kampen; aan de eene zijde bedreigden de Perzen zijn gebied, aan den

anderen kant de Gothen, terwijl een bloedverwant van den vroegeren

keizer Iulianus, met name Procopius, die waarschijnlijk zelf op den

troon had gehoopt, in opstand kwam, en tot overmaat van ramp eene

hevige aardbeving in 365 groote streken van zijn rijk teisterde. De

opstand werd in 366 onderdrukt, Procopius werd onthoofd en de Gothen

in 369 tot vrede gedwongen. Met Perzië bleven de grensgeschillen

slepende. Valens zelf was vrij goedhartig, doch zijn schoonvader

Petronius maakte zich zeer gehaat en de ontevredenheid hierover

uitte zich in samenzweringen tegen den keizer. In 375 verzochten de

Westgothen, door de Hunnen opgejaagd, om eene wijkplaats ten Z. van den

Donau. Onder Fritigern en Alavisus trokken 200000 strijdbare mannen met

hunne gezinnen de rivier over en kregen woonplaatsen in Thracia. Eene

schaar Oostgothen onder Alatheus en Saprax volgde hen. De hebzucht

en trouweloosheid van den rom. stadhouder Lupicinus, die de Gothen

aan den bittersten hongersnood prijs gaf en hunne aanvoerders op een

maaltijd te Marcianopolis poogde om te brengen, hadden een opstand

ten gevolge. Valens snelde van Antiochië naar Constantinopel om zich

in persoon aan het hoofd van het leger te stellen; hij werd echter bij

Hadrianopolis geheel verslagen en moest gewond de vlucht nemen in eene

boerenhut, die door de Gothen in brand werd gestoken, zoodat de gewonde

keizer in de vlammen omkwam (378). Zijn eenig zoontje Valentinianus

was reeds in 372 overleden. Zijn opvolger was Theodosius de Groote.

Valentia, 1) stad der Edetani in Hispania aan de Middellandsche zee,

door D. Brutus in 138 gesticht, door Pompeius in den oorlog tegen

Sertorius verwoest, later herbouwd, thans Valentia.--2) stad der

Cavari in Gallia Narbonensis, rom. kol., aan den Rhodanus (Rhône),

thans Valence.--3) stadje in Calabria ten Z.Z.O. van Brundisium,

ook Valentium, Valetium of Balesium geheeten.--4) Vibo Valentia,

lat. kol. op de kust van het land der Bruttii, het oude Hippo

of Hipponium, onder Augustus met uitgebreide werven en tuighuizen

voorzien.--5) het zuidelijk gedeelte van Britannia barbara of Caledonia

(Schotland), waarschijnlijk de streek tusschen de twee wallen (zie

Britannia), door Theodosius den Gr. (379-395 na C.) voor korten tijd

tot rom. prov. gemaakt.

Valentinianus, naam van drie rom. keizers. 1) Val. I (L. Flavius), zoon

van Gratianus, een Pannoniër, werd in 364 na den dood van Iovianus

keizer en nam zijn broeder Valens tot mederegent voor het O. aan,

terwijl hij zelf het W. bleef besturen. Hij had tot nog toe meest

in lagere officiersrangen gediend, o. a. in Gallia, onder Julianus;

hij was een man van een indrukwekkend uiterlijk, een rechtschapen

mensch, een wakker krijgsman, in weerwil zijner gestrengheid bij

het leger zeer gezien. In 367 benoemde hij zijn zoon Gratianus

tot medekeizer voor het W. Hij had veel te doen met de grenzen te

beschermen en de invallen der Alemannen, Quaden, Sarmaten, Saksers,

Picten en Scoten af te slaan. Hij versterkte inzonderheid door eene

linie van verschansingen de open ruimte tusschen Rijn en Donau. In 375

overleed hij aan eene beroerte te Brigetio in Pannonia. Hij was een

begunstiger der wetenschappen en stichtte scholen.--2) Val. II, zoon

van no. 1, geb. in 371, werd bij zijns vaders dood door de hovelingen

tot keizer uitgeroepen onder den invloed zijner moeder Iustina,

en door zijn halfbroeder, den edelen Gratianus, bereidwillig als

medekeizer erkend. In 383 werd Gratianus door Maximus (Magnus Clemens)

omgebracht, die hem opvolgde onder voorwaarde, dat Italië en Africa

aan den twaalfjarigen Val. zouden blijven. Toen Maximus echter ook

dezen bedreigde, zond Theodosius de Gr. een leger te hulp onder den

Frank Arbogastes, die Maximus versloeg en ter dood liet brengen. In

392 evenwel bracht Arbogastes ook Valentinianus om, te Vienna (Vienne

aan den Rhône), toen de jonge keizer aan de willekeurige handelingen

van den heerschzuchtigen Frank paal en perk wilde stellen. Arbogastes

plaatste daarop Eugenius op den troon, die echter in 394 bij Aquileia

door Theodosius werd verslagen, gevangen genomen en ter dood gebracht,

terwijl Arbogastes de hand aan zichzelven sloeg.--3) Val. III (Flavius

Placidus), rom. keizer 425-455 na C., zoon van Constantius III en van

Placidia, de zuster van keizer Honorius. Constantius had zich in 420

door Honorius tot medekeizer laten aannemen, doch was reeds in 421

gestorven, waarna Placidia en haar zoon door Honorius verbannen werden

en naar Constantinopel trokken. Toen Honorius in 423 stierf, maakte een

der hooge ambtenaren, Johannes, zich van den troon meester. Ardacurius

echter en Aspar, generaals van den oost-rom. keizer Theodosius III,

brachten den vierjarigen Val. met diens moeder naar Rome en plaatsten

hem op den troon. Placidia werd regentes. De voornaamste steunpilaar

harer regeering was de veldheer Aëtius, die het wankelende rijk

tegen Westgothen en Vandalen verdedigde. Sedert 427 leefde Aëtius

in hevigen twist met een ander generaal, Bonifacius, stadhouder van

Africa. Het gelukte Aëtius zijn mededinger den voet te lichten, die

in 429, door wraakzucht gedreven, de Vandalen onder Geiserik naar

Africa riep, waarop aldaar het vandaalsche rijk ontstond. De keizer

zelf zag zijn leven lang met onverschilligheid het rijk afbrokkelen

en leefde slechts voor zijne uitspattingen. Gallia, Hispania en

Britannia waren reeds onder zijn vader verloren gegaan. In 450, na den

dood zijner moeder, werd het west-rom. rijk door de Hunnen bedreigd,

doch het gelukte Aëtius, met behulp der Westgothen en Franken Attila

bij Châlons-sur-Marne in 451 te verslaan. Aëtius werd uit wantrouwen

in 454 op last van Val. omgebracht, doch reeds in 455 onderging de

keizer hetzelfde lot door de hand van Petronius Maximus (z. a.),

wiens vrouw hij onteerd had.

Valentinus (Tullius of Iulius), zie Tullius Valentinus.

Valeria, 1) stad der Celtiberi in Hispania, aan den Sucro.--2) =

Varia (z. a.).--3) sedert keizer Galerius de oostelijke strook van

Pannonia langs den Donau, welk stuk als eene afzonderlijke provincie

Valeria van Pannonië gescheiden werd.

Valeria (lex) de provocatione van den consul M. Valerius Corvus

(Valerii no. 13) in 300, zie Valeriae (leges) de provocatione.

Valeria (lex) van den volkstribuun Valerius Tappo, (188), waarbij aan

de steden Formiae, Fundi en Arpinum, die de civitus sine suffragio

hadden, het volle burgerrecht verleend werd; de inwoners van Formiae

en Fundi werden in de tribus Aemilia, die van Arpinum in de tribus

Cornelia opgenomen. Langzamerhand werd dit voorrecht ook aan de andere

municipia (z. a.) verleend.

Valeria (lex) de aere alieno, van den consul L. Valerius Flaccus

(Valerii no. 24) in 86, waarbij de schuldenaars hunne schulden konden

afdoen door betaling van 1/4 der hoofdsom.

Valeria (lex) de Sulla dictatore, van den interrex L. Valerius

Flaccus (Valerii no. 22) in 82, om Sulla tot dictator voor zijn

leven te benoemen. Hierbij werden alle handelingen van Sulla als

consul en proconsul, en wat hij in het Oosten had vastgesteld,

goedgekeurd, tevens de proscriptiones, bonorum sectiones, en

agrorum assignationes. Hem werd alle macht over leven en goed

zijner medeburgers verleend, en de macht om wetten te maken en het

staatsbestuur te regelen, onder den titel dictator legibus scribundis

et reipublicae constituendae.

Valeria (via), van Rome over Tibur (welk eerste gedeelte via Tiburtina

heette), Carseoli, Alba Fucentia naar het gebied der Paeligni, en

verder langs den Aternus tot aan de Adriatische zee.

Valeriae (leges) van den consul P. Valerius Poplicola in 509 na de

verdrijving der koningen. 1) de provocatione: ne quis magistratus civem

Romanum adversus provocationem, necaret neve verberaret.--2) dat aan

den slaaf Vindicius, die de samenzwering ten gunste van Tarquinius

ontdekt had, vrijheid en burgerrecht zouden geschonken worden.--3)

de perduellione, waarbij het streven naar alleenheerschappij met

doodstraf werd bedreigd. Deze wetten zijn verzonnen, daar P. Valerius

Poplicola, zoo hij al bestaan heeft, toen geen consul geweest is. Zie

Valerii no. 1.

Valeriae (leges) de provocatione. Het verdient opmerking, dat er drie

wetten hierover bestaan van drie verschillende Valerii. De eerste

(509) stelde wel het ius provocationis ad populum in, doch bevatte

geen voldoende strafbepaling tegen schending daarvan. De tweede (lex

Horatia Valeria, 449) verbood voor het vervolg ooit weder eenig nieuw

ambt zonder provocatio in het leven te roepen. De derde (300) van

den consul M. Valerius Corvus onderwierp misschien den dictator aan

de provocatio. De eerste wet is apocryph, daar er toen geen Valerius

consul geweest is, maar ze heeft bestaan vóór de lex Aternia Tarpeia

van 454. V. s. bestond de provocatio reeds in den koningstijd, en

benoemde daarom de koning, om zich niet aan de vernedering bloot te

stellen, dat zijn uitspraak door het volk werd vernietigd, voor elke

kapitaalzaak afzonderlijk twee mannen, qui de perduellione iudicarent

(II viri perduellionis). V. a. is de provocatio eerst ingesteld door

de wet van Valerius Corvus, en zijn beide vorige wetten, evenals de

lex Aternia Tarpeia, verzonnen.

Valeriae Horatiae (leges), zie Horatiae Valeriae (leges).

Valerianus. 1) P. Licinius Valerianus, rom. keizer 253-259 na C.,

had zich onder Alexander Severus en diens opvolgers in den oorlog

onderscheiden en was stadhouder van Raetia, toen hij in 253 door zijne

soldaten tot keizer werd uitgeroepen. In de laatste 18 jaren, na de

vermoording van Alex. Severus door C. Julius Verus Maximinus, had het

rijk niet minder dan 11 keizers en tegenkeizers gekend: Maximinus,

Gordianus I en II, Pupienus Maximus, Caelius Balbinus, Gordianus

III, Philippus Arabs, Decius, Trebonianus Gallus, Hostilianus,

Aemilianus. Het was ook Valerianus niet gegeven, orde te brengen in

den toestand van verwarring. In 259 werd hij bij een onderhoud met den

perzischen veldheer verraderlijk gevangen genomen en tot zijn dood toe

(268) gehouden. Het verhaal luidt, dat hij den perzischen koning tot

voetbank moest dienen, wanneer deze te paard steeg.--2) Valerianus,

jongere zoon van no. 1, werd met zijn halfbroeder Gallienus in 268

voor Milaan vermoord.--3) P. Licinius Cornelius Valerianus, zoon

van Gallienus, werd door het krijgsvolk te Colonia Agrippina aan den

tegenkeizer Postumus in handen geleverd en op last van dezen omgebracht

(259).

Valerii, een patricisch geslacht van sabijnschen oorsprong; onder

Romulus en Titus Tatius zou een zekere Volusus Valerius naar Rome

gekomen zijn. 1) P. Valerius Poplicola, waarschijnlijk eene geheel

legendaire figuur, waarvan zeer jonge berichten het volgende vertellen:

hij was een der mannen, die het koningshuis hielpen verdrijven. Reeds

in het eerste jaar (509) der republiek nam hij als consul de plaats

in van L. Tarquinius Collatinus en bekleedde dezelfde waardigheid

nogmaals in 508, 507 en 504. Zijn bijnaam had hij te danken aan

zijn eerbied voor de rechten en de souvereiniteit des volks, die

hij o. a. betoonde door de instelling der provocatio ad populum

en het weglaten der bijlen uit de fasces binnen het pomerium. Hij

streed roemrijk tegen de Etruscers, Vejenten en Sabijnen en stierf in

503. Zie Valeriae (leges) de provocatione.--2) M. Valerius Volusus,

broeder van no. 1, nam ook deel aan de oorlogen tegen Porsena, de

Sabijnen en de Latijnen, was in 505 consul en in 494 dictator, in

welke hoedanigheid hij alles aanwendde om eene schikking tusschen de

patriciërs en de uitgeweken plebs tot stand te brengen. Dit geheele

verhaal is verzonnen, zie secessio plebis, tribuni plebis, Menenii

no. 1.--3) P. en M. Valerius, zoons van no. 1, onderscheidden zich

in den slag bij het meer Regillus in 496.--4) L. Valerius Volusus

Potitus, verzette zich tegen de lex Cassia agraria in 486, zie

Agrariae leges en Cassii no. 1. Hij was consul in 483 en 470.--5)

P. Valerius Poplicola, consul in 475, zegepraalde over de Vejenten

en Sabijnen. In 460 sneuvelde hij in zijn tweede consulaat bij de

herovering van het Capitool, dat door den Sabijn Herdonius des nachts

door overrompeling ingenomen was.--6) L. Valerius Poplicola Potitus,

zoon van no. 5, legde in 449 met zijn ambtgenoot M. Horatius Barbatus

de geschillen bij, die door de willekeur der tienmannen ontstaan

waren en zegepraalde over de Aequers.--7) C. Valerius Potitus

Volusus, consulairtribuun in 415, 407 en 404, en consul in 410.--8)

L. Valerius Potitus, zoon van no. 6, consulairtribuun in 414, 406,

403, 401 en 398, streed bij herhaling overwinnend tegen Vejenten,

Volscen en Faliscers.--9) L. Valerius Potitus, nog jong, in 392

tot consul gekozen, overwon de Aequers bij den berg Algidus.--10)

L. Valerius Poplicola, consulairtribuun in 394, 389, 387, 383 en

380.--11) P. Valerius Potitus Poplicola, consulairtribuun in 386,

384, 380, 377, 370 en 367.--12) M. Valerius Poplicola, consul in 355

en 353, streed tegen de Tiburtijnen en Volscen.--13) M. Valerius

Corvus verkreeg zijn bijnaam door een tweegevecht in 349 met een

reusachtigen Galliër, dien hij overwon doordat zich op diens helm een

raaf nederzette en hem in het gezicht met vleugels en snavel sloeg

en pikte. In 348 was hij consul, schoon eerst 23 jaar oud, en later

nog in 346, 343, 335, 300, en als suffectus voor de zesde maal in

299, terwijl hij tweemaal dictator was, in 342 en 301. Hij behaalde

verscheidene overwinningen op naburige volken, o. a. op de Samnieten in

343 bij den berg Gaurus. Deze overwinning is echter verzonnen, evenals

de geheele eerste samnietische oorlog. Zoo groot was het ontzag voor

zijn naam, dat zijne benoeming tot consul in 300 de Etruscers van een

oorlog afschrikte. Toch was hij meer een voorstander van zachte dan

van strenge maatregelen. Hij stierf algemeen geacht en bemind in den

ouderdom van 100 jaar.--14) M. Valerius Maximus, consul in 312, streed

in dit jaar, en ook later als legaat, met roem tegen de Samnieten.--15)

P. Valerius Laevinus, consul in 280, verloor den slag bij Heraclea

tegen Pyrrhus.--16) M. (M'.) Valerius Maximus Messalla of Messala,

consul in 263, behaalde met zijn ambtgenoot M. Otacilius Crassus

op Sicilia eene zegepraal op de Carthagers en hun bondgenoot Hiero

van Syracuse. Hij bracht van Catana den eersten zonnewijzer naar

Rome. Omtrent zijn censuur zie Sempronii no. 17.--17) P. Valerius

Falto, consul in 238, werd in Gallia Cisalpina eerst door de Bojers

en Liguriërs verslagen, doch eindigde met hen te overwinnen.--18)

M. Valerius Laevinus, streed in 215 als praetor tegen de Carthagers,

en werd in 214 tegen Macedonië uitgezonden, in 210 was hij consul

en veroverde hij Agrigentum op de Carthagers, terwijl hij in 208 en

207 met eene vloot op 's vijands kusten stroopte. In 205 bracht hij

het beeld van de Magna Mater van Pessinus naar Rome.--19) L. Valerius

Flaccus, in 195 consul met M. Porcius Cato (maior), overwon de Bojers

en Insubriërs in Cisalpina en woonde in 191 onder M'. Acilius Glabrio

den slag bij aan de Thermopylae tegen Antiochus III van Syria. In

184 was hij censor met zijn vriend Cato.--20) C. Valerius Flaccus,

broeder van no. 19, een losbol, werd tegen zijn zin tot flamen Dialis

gekozen en gewijd, en wijzigde toen zijne manier van leven geheel en

al, zoodat hij een ingetogen mensch werd. Het was in onbruik geraakt,

dat de flamen Dialis in den senaat zitting nam; gesteund door de

volkstribunen, doch met hevige tegenkanting van de senaatsleden,

nam Flaccus weder zitting. In 199 werd hij aedilis curulis; daar de

priester van Jupiter geen eed mocht zweren, legde zijn broeder dezen

namens hem af.--21) C. Valerius Laevinus was in 189 de voorspraak

der Aetoliërs, toen het de vaststelling der vredesvoorwaarden gold;

in 176 bestreed hij als consul de Liguriërs.--22) L. Valerius Flaccus

was in 100 consul met C. Marius, met wien hij echter volstrekt niet

samenwerkte. Hij was in den Sullaanschen tijd princeps senatus, en werd

in 82 na den dood der consuls tot interrex benoemd, zie Valeria lex

de Sulla dictatore.--23) C. Valerius Flaccus, consul in 93, bestuurde

Gallia en overwon de Galliërs; hij was later een aanhanger van Sulla,

en bracht in 81 den Celtiberiërs eene zware nederlaag toe.--24)

L. Valerius Flaccus werd in 99 aangeklaagd door C. Appuleius Decianus,

was consul suffectus in 86 in plaats van C. Marius (z. lex Valeria de

aere alieno) en liet zich ook het bevel in den mithradatischen oorlog

opdragen tegenover Sulla. Hij werd echter in 85 te Nicomedea door

zijn legaat C. Flavius Fimbria vermoord.--25) L. Valerius Flaccus,

zoon van no. 24, vergezelde zijn vader naar Azië, en diende later in

Cilicië en op Creta. In 63 maakte hij als praetor zich verdienstelijk

jegens den staat tegenover de Catilinarii. Hierop kreeg hij Azië als

provincie. In 59 wegens afpersingen aangeklaagd, werd hij schitterend

door Cicero verdedigd en vrijgesproken.--25a) L. Valerius Praeconinus,

legatus van L. Mallius (Manlii no. 15), sneuvelde in 78 in een strijd

tegen de opgestane Aquitaniërs.--26) M. Valerius Messala Niger, consul

in 61, een uitstekend redenaar.--27) M. Valerius Messala, neef van

no. 26, werd, ofschoon met veel bedekte en openlijke tegenwerking,

tot consul voor het jaar 53 gekozen. In 51 werd hij door toedoen

van Pompeius van omkooping beschuldigd, doch door den redenaar

Q. Hortensius Hortalus vrijgepleit. In den burgeroorlog koos hij

Caesars partij.--28) M. Valerius Messala Corvinus, uitstekend redenaar

en goed letterkundige, streed bij Phillippi aan de zijde van Cassius

en Brutus, doch ging later over tot Octavianus. In 34 onderwierp hij

de Salassers in de Alpen, in 31 was hij consul, in 27 overwon hij de

Aquitaniërs, waarna hij praefectus urbi te Rome werd. Hij was zeer

bevriend met den dichter Tibullus, die hem in 31 zou vergezellen in

den oorlog van Octavianus tegen Antonius, doch ziek te Corcyra moest

achterblijven. Ook had hij met Horatius omgang. Hij zelf schreef

ook, o. a. in het grieksch over de burgeroorlogen, en latijnsche

redevoeringen; ook schijnt hij verzen te hebben gemaakt.--29)

M. Valerius Messala Messallinus, zoon van no. 28, aan wien Ovidius

van Tomi uit eenige gedichten heeft gericht, consul in 3, werd naar

Germania gezonden, en later naar Dalmatia om den opstand van Bato

te onderdrukken. Omtrent zijn broeder, door adoptie tot de Aurelii

overgegaan en M. Aurelius Cotta Maximus Messalinus genoemd, zie Aurelii

no. 8.--30) C. Valerius Triarius was admiraal van Pompeius in den

oorlog tegen Caesar en sneuvelde in 48 bij Pharsalus. Cicero voert hem

in zijn werk de Finibus bonorum et malorum sprekende in.--31) Valerius

Asiaticus uit Gallia was een hoofdpersoon bij den moord van Caligula,

die hem zwaar had beleedigd. Door zijn rijkdom werd hij onder keizer

Claudius het slachtoffer der beruchte Messalina (Valerii no. 33). Hij

liet zich de aderen openen (47 n. C.).--32) Valerius Asiaticus,

zoon van no. 31, ondersteunde tijdens Nero den gallischen opstand

van Vindex. Later sloot hij zich aan bij Vitellius, wiens schoonzoon

hij werd.--33) Valeria Messalina, echtgenoote van keizer Claudius,

eene der meest zedelooze en gewetenlooze vrouwen, die de geschiedenis

kent, wilde ook de aanzienlijkste rom. vrouwen dwingen haar ontuchtig

voorbeeld te volgen. Zij spaarde niemand, die haar hebzucht of haar

haat had opgewekt, ook hare verwanten niet. De zwakke Claudius liet

zich geheel door haar leiden, totdat eindelijk haar ontrouw hem de

oogen opende en hij haar ter dood liet brengen (48).--34) L. Valerius

Catullus Messalinus, een berucht verklikker onder Domitianus, die

zelfs toen hij blind was dit bedrijf nog voortzette.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 144 / 150 段