Tullus Hostilius, derde koning der Rom. (679-640), breidde door

gestadige oorlogen zijn gebied uit (o. a. onderwerping van Alba Longa,

na den strijd der Curiatii, later verwoesting der stad en straf van

Mettius Fuffetius). Volgens de sage werd hij door den vertoornden

Jupiter Elicius, dien hij door bezweringen wilde dwingen, met den

bliksem getroffen.

Tumultus, alarm, plotseling oorlogsgevaar door onverhoedschen aanval,

een niet vooraf aangekondigde oorlog, akeryktos polemos, ook een

plotseling oproer. Milites tumultuarii, in haast bijeengeraapte

soldaten, ongeregelde troepen.

Tunes, gen. -etis, Tunis, Tynes, versterkte stad ten W. van Carthago,

aan den mond eener thans geheel verdwenen rivier. Door aanslibbing

en duinvorming is Tunis thans geheel van de zee afgesloten geraakt.

Tungri, germaansch volk in Belgica, waarschijnlijk ontstaan uit de

samensmelting van Eburonen, Aduatucers en andere stammen tusschen

Scaldis (Schelde) en Mosa (Maas). Hoofdstad: Aduatuca, later Tungri

geheeten (Tongeren in belgisch Limburg), waarschijnlijk verschillend

van het Aduatuca, bij Caesar vermeld (z. a.).

Tunica, chiton (z. a.), het onderkleed bij de Rom., een soort van

hemd. Men onderscheidde de tunica interior of subucula, het onderhemd,

en het indusium of intusium, dat over het andere werd gedragen. De

vrouwen droegen om het middel een gordel. Men had dit kleedingstuk

in verschillende lengten, met en zonder mouwen, terwijl men bij koud

weder er zelfs nog meer dan twee over elkander kon aantrekken, Augustus

droeg er soms vier. De mannen in huisgewaad en de arbeiders aan het

werk droegen slechts de tunica, geen toga. De senatoren droegen eene

tunica met breede purperstreep van voren van den hals tot aan den zoom

(latus clavus, tunica laticlavia), de ridders eene met twee smalle

strepen (angustus clavus, tunica angusticlavia).

Turdetani, Tourditanoi, voornaam volk in Baetica, aan beide oevers

van den Baetis (Guadalquivir), ongeveer van den Singulus (Xenil) tot

in het Z. van Lusitania (Portugal). Zij waren zeer beschaafd, hadden

geschiedboeken, dichtkunst, beoefenden wetenschappen, enz. Zij waren

geen krijgshaftig volk. Voornaamste stad: Hispalis (Sevilla). Zie

Tartessus. Ook over de Zuidkust van Lusitania (den Cuneus) zijn ze

verbreid. Verder komen er Turdetani voor in de omstreken van Saguntum,

die echter door sommige schrijvers Torboleti genoemd worden.

Turduli, Tourdouloi, volk in Baetica, verwant met de Turdetani en

oostwaarts van hen wonende. Voornaamste stad: Corduba (Cordova). Zie

Tartessus.

Turia, kustrivier in het O. van Tarraconensis, die door het gebied

der Edetani liep en bij Valentia in zee viel; thans de Guadalaviar.

Turma, oorspronkelijk een afdeeling van 30 man rom. ruiterij, in 3

decuriën verdeeld en onder 3 decuriones, van wie de eerste de geheele

turma kommandeerde; later eene schaar, een escadron ruiterij uit de

auxilia, zonder bepaalde getalsterkte.

Turnus, 1) zoon van Daunus en Venilia, kleinzoon van Danaë, koning

der Rutuliërs. Lavinia, de dochter van Latinus, was met hem verloofd,

en toen nu haar vader hare hand aan Aeneas schonk, trachtte T. zich

met geweld van wapenen hierover te wreken. Hij voerde den oorlog

met groote dapperheid, maar viel eindelijk in een tweegevecht tegen

Aeneas.--2) rom. satirendichter onder en na Nero, die door lateren

met lof vermeld wordt.

Turones of -ni, volk in Gallia aan den Liger (Loire), met de hoofdstad

Caesarodunum (Tours).

Turpilii. 1) Sex. Turpilius, rom. blijspeldichter, een tijdgenoot van

Terentius, die ook grieksche modellen, vooral Menander, volgde. Van

15 zijner stukken zijn fragmenten over. Hij overleed in 103.--2)

T. Turpilius Silanus was praefectus fabrum in 108 onder Q. Caecilius

Metellus (Numidicus). Bij de verovering van Vaga door Jugurtha was

hij de eenige Romein, die gespaard bleef; hij werd daarom later van

verraad beticht en ter dood gebracht.

Turpio, zie Ambivius.

Turrigera, Turrita, bijnaam van Rhea Cybele, naar de muurkroon,

waarmede zij gewoonlijk afgebeeld wordt.

Turris, 1) ambulatoria, belegeringstoren, zooals de Rom. in den regel

bouwden, wanneer zij voor eene stad het beleg hadden geslagen. Zij

hadden onderscheiden verdiepingen, inwendig door trappen verbonden,

met eene valbrug en met borstweringen, zooals dit beschreven is

bij Helepolis. Zij waren op raderen of op rollen en waren dus

verplaatsbaar, vandaar de naam.--2) als eigennaam, b.v. Turris

Stratonis = Caesarea Palaestinae, Turris Hannibalis op de Oostkust

van het carthaagsche gebied.

Tuscia, Tusci = Etruria, Etrusci.

Tusci, villa van Plinius Secundus (minor), zie Tifernum no. 1.

Tusculum, thans Frascati, sterke latijnsche stad, ten O.Z.O. van Rome

op een hoogen rug van den mons Algidus gelegen, volgens de mythe door

Telegonus, zoon van Ulysses en Circe, gesticht, reeds vroeg (380,

v. a. echter eerst 338) rom. municipium. In den omtrek waren tal van

buitenplaatsen van rom. grooten, o. a. had Cicero er zijn Tusculanum.

Tuscus (vicus), eene straat te Rome, die van het Velabrum naar het

forum Romanum (Zuidzijde) liep.

Tusdra = Thysdrus.

Tutanus Rediculus, zie Rediculus Tutanus Deus.

Tutela. Bij de rom. tutela onderscheidt men de tutela impuberum

en de tutela muliebris. De eerste wordt uitgeoefend over kinderen

beneden 15 jaar. De voogd had alleen het beheer over het vermogen

van den pupil, maar niet krachtens zijne voogdij het bestuur over de

opvoeding. Het volledig geldelijk beheer heet gestio en had plaats

zoolang de pupil niet ouder dan 7 jaar was, doch dan verkreeg de

pupil zelf bevoegdheden, mits onder bekrachtiging (auctoritas) van den

voogd. De tutela mulierum was van anderen aard. Daar eene vrouw geene

rechtspersoonlijkheid had, had eene, die niet in potestate patris, noch

in manu mariti was, een tutor noodig, wiens bekrachtiging (auctoritas)

vereischt werd bij handelingen, die in rechten geldig moesten zijn,

b.v. vervreemding van res mancipi, het maken van een testament,

het aangaan van een huwelijk door confarreatio en coëmptio. De

vestaalsche maagden, als zijnde sui iuris, waren vrij van tutela,

evenzoo die vrouwen (sedert Augustus), die volgens de lex Iulia et

Poppaea het ius liberorum hadden. De voogdij was een recht van den

naasten bloedverwant (proximus agnatus), tenzij de overledene bij

testament er anders over beschikt had. Daar de agnatenvoogdij voor

beide partijen somtijds veel onaangenaams had, verzon men een middel

om daaraan te ontkomen. Men kon de voogdij overdoen, b.v. door eene

in iure cessio voor den praetor, de nieuwe voogd heette dan tutor

cessicius. Doch ook de coëmptio per aes et libram liet zich er op

toepassen, de vrouw ging dan door coëmptio in de macht van een ander,

een emptor fiduciarius, over, doch niet om te huwen--want de coëmptio

op zichzelve zonder nuptiae constitueerde nog geen huwelijk. De

emptor had nu de vrouw in mancipio en kon haar vrijlaten en haar

haar vermogen in eigen beheer laten. Dit is de coemptio cum extraneo

fiduciae causa.--Eene tutela is dativa, wanneer bij testament een voogd

is aangewezen, optiva, wanneer de vrouw er zelve een mocht kiezen. Was

er geen rechthebbende op de voogdij, dan benoemde de praetor urbanus

onder medewerking van de grootste helft der volkstribunen een voogd

(tutela Atiliana, zie lex Atilia en lex Iulia Titia).

Tutunus (Mutunus), zie Mutinus Tutunus.

Tyana, ta Tyana, oude, sterke stad in het Z.W. van Cappadocia aan den

voet van den Taurus gelegen, aan den weg naar de Ciliciae portae. Het

was de geboorteplaats van Apollonius no. 7. Misschien is dit wel

dezelfde stad, die elders Dana (z. a.) of Thoana heet.

Tyche, Tyche, of Fortuna, dochter van Oceanus en Tethys of van Zeus

en Promethea, godin van toeval en geluk. Zij wordt afgebeeld met

verschillende attributen: gewoonlijk heeft zij een muurkroon op het

hoofd en een horen van overvloed in de hand, soms heeft zij een roer

of een bol in de handen of staat zij op een bol.--In latere tijden werd

zij op verschillende plaatsen als beschermster van den staat vereerd.

Tyche, Tyche, een der onderdeelen van de stad Syracusae (z. a.).

Tydeus, Tydeus, zoon van Oeneus en Periboea, moest wegens een moord

uit zijn vaderland vluchten. Hij ging naar Argos, waar Adrastus hem

van den moord reinigde en hem zijne dochter Deipyle ten huwelijk

gaf. Met Adrastus (z. a.) ondernam hij nu den tocht tegen Thebe,

waar hij zich door groote dapperheid onderscheidde; eens doodde hij

alleen 50 Thebanen, die hem een hinderlaag gelegd hadden, alleen hun

aanvoerder Maeon liet hij in leven. Hij werd door Melanippus doodelijk

gewond, en toen hij op het punt was te sterven, verscheen Athena om

hem met goedvinden van Zeus onsterfelijk te maken. Amphiaraus echter

hieuw Melanippus het hoofd af en bracht dit aan T., die het doorsneed

en het vleesch of de hersens verslond. Vol afschuw over zoo groote

ruwheid wendde Athena zich af en liet hem sterven. Hij werd door

Maeon begraven.

Tydides, Tydeides, Diomedes, zoon van Tydeus.

Tyle, Tyle, stad in het N. van Thracia, aan de Z.-zijde van den Haemus.

Tylus, Tylos, eiland in de Arabische golf nabij de arabische kust,

met parelvisscherij.

Tympaneae, Tympaneai = Typaneae.

Tymphe, Tymphe, gebergte in het N.O. van Epirus, evenwijdig aan de

macedonische grens loopende. Het achterliggende land heette Tymphaia,

de bewoners Tymphaioi.

Tymphrestus, Tymphrestos, gebergte op de grenzen van Aetolia en het

gebied der Dolopes, met de bronnen van den Spercheus. Het verbindt

den Oeta met den Pindus.

Tyndareüs, Tyndareos, -reos, zoon van Perieres en Gorgophone of van

Oebalus en Batea, werd door zijn broeder Hippocoon uit Sparta verdreven

en vluchtte naar Aetolië, waar koning Thestius hem zijne dochter Leda

ten huwelijk gaf, bij wie hij vader werd van Castor, Pollux, Helena,

Clytaemnestra e. a. (z. Leda). Hij werd door Heracles op den troon

van Sparta hersteld, en toen Castor en Pollux onder de onsterfelijken

waren opgenomen, gaf hij de regeering aan zijn schoonzoon Menelaus,

of v. a. liet hij zijn rijk uit dankbaarheid aan Heracles.

Tyndarides, Tyndarides, Castor en Pollux, zonen van Tyndareüs.

Tyndaris, Tyndaris, Helena en Clytaemnestra, dochters van Tyndareüs.

Tyndaris of -rium, Tyndaris, Tyndarion, stad op de Noordkust van

Sicilia, ten W. van Messana, omstreeks 400 door Grieken gesticht,

later gedeeltelijk door de zee verzwolgen.

Typaneae, Typaneai, stad in Elis Triphyliaca, ten N. van Pylus,

bij de grens van Arcadia.

Typhoeus, -phon, Typhoeus, -phos, -phon, -phaon, jongste zoon van

Tartarus en Gaea, een verschrikkelijk monster met 100 vuurspuwende

drakekoppen, fonkelende oogen en geweldige stem, zoo groot, dat hij

met het hoofd tot aan de sterren reikt. Bij Echidna (z. a.) was hij de

vader van een aantal monsters. Hij deed een aanval op de goden om hun

de heerschappij der wereld te ontnemen, en daar zij zich niet tegen

hem opgewassen achtten, vluchtten zij naar Aegypte, waar zij zich

verborgen hielden of de gedaante van dieren aannamen. Alleen Zeus

durfde den strijd aangaan, maar T. overwon hem, sneed hem de pezen

van handen en voeten uit, en legde hem daarop in een hol in Cilicië;

Hermes en Pan roofden echter de pezen en brachten ze weder in het

lichaam van Zeus, waarop deze zich oprichtte, T. met den bliksem

(Typhoia tela) verpletterde en in het land der Arimi in Cilicië onder

den grond bedolf, of hem tot in Sicilië vervolgde, waar hij eindelijk

den Aetna (Typhois Aetna) op hem wierp.

Tyrannio, Tyrannion, 1) eigenlijk Theophrastus, grieksch grammaticus

van Amisus, werd door Lucullus als krijgsgevangene uit den

mithradatischen oorlog naar Rome gebracht, doch werd later vrijgelaten

en verwierf door zijn onderwijs roem en rijkdom. Hij ordende ook

de bibliotheek van Apellicon (z. a.), die door Sulla naar Rome was

overgebracht.--2) eigenlijk Diocles, een Phoeniciër, leerling van den

vorigen. Hij was slaaf geweest van Terentia, de vrouw van Cicero,

en stond ook later nog met Cicero in betrekking. Hij maakte vooral

veel studie van de werken van Aristoteles, waarover hij verscheiden

werken schreef.

Tyras, Tyras, 1) later ook Danastris, riv. van Sarmatia, thans

Dniëster.--2) stad aan den mond daarvan, thans Akkierman. Zie Tyritae.

Tyriaeum, Tyriaion, stad in Lycaonia, nabij de phrygische grenzen.

Tyrii, Tyrioi, 1) de inwoners van Tyrus.--2) bij rom. dichters de

Carthagers, als van tyrischen oorsprong, zie Dido.

Tyritae, Tyritai, milesische kolonisten aan den mond van den Tyras.

Tyro, Tyro, dochter van Salmoneus en Alcidice, bij Poseidon moeder

van Pelias en Neleus (z. Enipeus), bij Cretheus van Aeson, Pheres

en Amythaon.

Tyrrheni, Tyrseni, Tyrrenoi, Tyrsenoi, z. Etruria. Op Lemnus en

Imbrus komt een volksstam voor, die door de Grieken Tyrseni genoemd

werd. Herodotus noemt dezen echter Pelasgi.

Tyrrhenia, Tyrrenia = Etruria. Tyrrhenum mare = mare inferum, de

Tyrrheensche of Toscaansche zee.

Tyrrhenus, Tyrrenos, Tyrs., zoon van den lydischen koning Atys,

bracht eene pelasgische kolonie uit Lydië naar Italië en gaf zijn

naam aan Tyrrhenië (Etrurië); v. a. is hij een zoon van Heracles en

Omphale of van Telephus en eene Amazone Hiera.

Tyrrh(e)us, herder van koning Latinus. Ascanius doodde op de jacht

een tam hert, dat aan T. behoorde, wat aanleiding gaf tot den oorlog

tusschen Aeneas en de Latijnen. In de hut van T. werd Silvius, de

zoon van Aeneas en Lavinia geboren.

Tyrtaeus, Tyrtaios, elegisch dichter, die ten tijde van den tweeden

messenischen oorlog te Sparta leefde. Hij wordt soms een Spartaan of

een Milesiër genoemd, maar volgens het meest bekende, doch weinig

geloofwaardige, verhaal was hij een Athener. De Spartanen zouden

namelijk van het delphische orakel den raad gekregen hebben, te Athene

een aanvoerder tegen de Messeniërs te vragen, waarop de Atheners hun

T., een kreupelen schoolmeester, zouden gezonden hebben, die echter

door zijne liederen den gezonken moed der Spartanen deed herleven,

zoodat de krijgskans spoedig keerde. De gedichten van T. werden

langen tijd door de Spartanen en andere Doriërs hoog in eere gehouden,

wij bezitten er van nog slechts weinige overblijfsels.

Tyrtamus, Tyrtamos, de oorspronkelijke naam van Theophrastus.

Tyrus, Tyros, de meest vermaarde stad van Phoenicië, overvleugelde hare

moederstad Sidon. De stad lag eerst op het vasteland, doch op zekeren

tijd bouwden de Tyriërs eene nieuwe stad (in het O. T. Zor genaamd =

rotsen) op de vóór de kust liggende eilandjes, die door koning Hiram

reeds door een dam onderling verbonden waren. De stad is belegerd door

den Assyrischen koning Salmanezer IV (727-723), en toen is Oud-Tyrus,

Palaityros, ingenomen. Door Sanherib (705-682) is ook Tyrus zelf

ingenomen en schatplichtig geworden. Na den val van Niniveh kwam het

in de macht van Nebukadrezar. Het stond toen op met al de naburige

staten, en werd 13 jaar (586-573) te vergeefs belegerd. Later kwam het

onder Perzische heerschappij, maar bleef nu bloeiend. Ook Palaetyrus

bleef als voorstad van Nieuw-Tyrus bestaan. In 387 werd Tyrus door

Euagoras no. 1 stormenderhand ingenomen. Alex. de Gr. belegerde Tyrus

7 maanden lang, en wierp een zwaren dam door de engte, die Nieuw-Tyrus

van het vasteland scheidde. In 332 nam hij de stad in en beval niemand

te sparen behalve hen die in de tempels de wijk hadden genomen; 2000

Tyriërs werden gekruisigd, 30000 werden als slaven verkocht, doch de

Sidoniërs wisten nog 15000 aan boord hunner schepen te bergen en te

redden. Wel herstelde Tyrus zich gedeeltelijk van den slag en bleven

de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken bloeien, ook onder

rom. heerschappij, doch het kreeg in Alexandria eene mededingster, die

het in de schaduw stelde. De dam, door Alexander aangelegd, is door

aanslibbing eene landengte geworden. Van de tyrische volkplantingen

is Carthago de beroemdste geworden.

U.

Ubii, germaansch volk, met de Rom. bevriend en bij hunne naburen, de

Sueven, gehaat, op den rechter Rijnoever van den Laugona (Lahn) tot

beneden het tegenw. Keulen. Octavianus liet hen in 38 door zijn legatus

pro praetore M. Vipsanius Agrippa naar den linkeroever overbrengen,

waar hun oppidum Ubiorum later (50 n. Chr.) den naam Colonia Agrippina

(z. a.) kreeg, waarna zij zelven Agrippinenses werden geheeten. De

hun ingeruimde grond behoorde vroeger aan de Treveri.

Udaeus, Oudaios, een van de Sparten, z. Cadmus.

Ufens, riviertje in Latium, dat met den Amasenus vereenigd nabij

Tarracina in zee valt en door gebrekkige uitwatering de pomptijnsche

moerassen heeft gevormd. De een noemt den Ufens een zijtak van den

Amasenus, de ander juist omgekeerd.

Ulixes, Ulysses = Odysseus.

Ulpia Traiana, zie Castra Vetera.

Ulpia Noviomagus, zie Noviomagus no. 4.

Ulpiani. 1) Domitius Ulpianus, uit Tyrus, beroemd jurist ten tijde

van keizer Alexander Severus, wiens vriend en raadsman hij was en

onder wien hij hooge ambten bekleedde. In 228 n. C. werd hij als

praefectus praetorio des nachts in het paleis overvallen en vermoord

door de soldaten, die over de strenge tucht ontevreden waren. Van

zijne talrijke geschriften (o. a. ad edictum praetoris in 81 boeken,

ad edictum aedilium curulium in 2 boeken, en ad Masurium Sabinum,

in 51 b.) zijn slechts weinige fragmenten over, doch in de pandecten

zijn vele uittreksels overgenomen.--2) Ulpianus van Emesa, schrijver

van rhetorische werken en o. a. ook van scholia op Demosthenes,

onder Constantijn den Gr.

Ulpii, rom. geslacht uit Italica in Baetica. 1) M. Ulpius Traianus,

vader van den keizer, was door adoptie onder de Ulpii gekomen. Hij

onderscheidde zich onder Vespasianus als generaal in den joodschen

oorlog en later als stadhouder van Syria tegen de Parthen (76

n. C.).--2) M. Ulp. Traianus, rom. keizer 98-117 na C.; zie

Traianus.--3) Ulp. Marcellus, bekwaam jurist in het tijdperk der

Antonijnen.--4) Ulpius Crinitus, adoptiefvader van Aurelianus.

Ultor, wreker, 1) bijnaam van Jupiter als straffend god.--2) bijnaam

van Mars, wien door Octavianus bij Philippi een tempel beloofd

werd voor de wraak op de moordenaars van Caesar. Van dezen tempel,

die eerst in 2 ingewijd kon worden en aan het Forum Augusti stond,

zijn nog eenige zuilen overgebleven.

Ulubrae, onbeduidende plaats in Latium, aan de Pomptinae paludes,

slechts bekend door de scherts van Cicero over de menigte kikvorschen,

die in den omtrek kwaakten.

Umbilicus. De bladen der boekrollen werden geplakt aan een hollen

stok of dunnen houten cylinder, waarom zij bij het wegbergen werden

opgerold. Door dezen cylinder liep een andere stok, die aan beide

zijden uitstak en daar van knoppen (cornua, umbilici) was voorzien. Aan

den knop kon men het handschrift vasthouden bij het lezen.

Umbra. Een genoodigde bij een feest of maaltijd mocht bij de Rom. een

ongenooden gast medebrengen, die dan zijne umbra werd genoemd. Een

aanzienlijke gast bracht er wel eens twee mede.

Umbria, Ombrike, gewest van Midden-Italia tusschen Cisalpina, Etruria,

het sabijnsche land en de Adriatische zee. De Umbrii, Ombrikoi, hadden

vroeger ook Etruria bewoond, doch waren door de Etruscers daaruit

verdrongen, terwijl later de gallische Senones aan den anderen kant

hun land binnendrongen. In 308 werd Umbria door de Rom. onderworpen

en na de uitroeiing der Senones in 280 weder met hun gebied vergroot.

Uncia, als munt en gewicht 1/12 as. Ook dikwijls gebruikt voor 1/12

in het algemeen, b.v. heres ex uncia, erfgenaam voor 1/12.

Unelli = Venelli.

Unxia, bijnaam van Juno als huwelijksgodin; de naam heeft betrekking

op de gewoonte, om de deurposten van het huis, dat door een jonggehuwd

paar betrokken zou worden, te zalven.

Upis, Oupis, 1) bijnaam van Artemis als helpster van barende

vrouwen.--2) bijnaam der rhamnusische Nemesis.

Urania, Ourania, 1) muze van de sterrenkunde, gewoonlijk afgebeeld

met een hemelbol in de hand.--2) bijnaam van Aphrodite (z. a.).--3)

nimf, dochter van Oceanus en Tethys.

Uranidae, Ouranidai, de Titanen, zonen van Uranus.

Uranus, Ouranos, oudste zoon en later echtgenoot van Gaea, werd bij

haar vader van de Titanen, Cyclopen en Hecatonchiren. Hij was de

eerste beheerscher van het heelal, en daar hij vreesde door zijne

kinderen van de heerschappij beroofd te zullen worden, wierp hij

de Cyclopen en Hecatonchiren in den Tartarus. Doch Gaea, hierover

vertoornd, zette de Titanen tegen hun vader op, en onder leiding van

Cronus (z. a.) ontnamen zij hem de heerschappij. Het bloed, dat uit de

wonden vloeide, die Cronus zijn vader toebracht, viel deels in zee en

verwekte daar het schuim, waaruit Aphrodite geboren werd; uit dat, wat

op de aarde viel, ontstonden de Erinyen, Giganten en melische nimfen.

Urbigenus = Verbigenus.

Urbinum, naam van twee umbrische steden. 1) Metaurense, ten N. van

den Metaurus in het binnenland gelegen, thans Urbino.--2) Hortense,

rom. municipium, ten Z. van Vettona, en in de nabijheid van Mevania.

Urbs Salvia, stad der Pollentini, in het N. van Picenum, zie Pollentia

no. 1.

Uria, Ouria, bij Herod. Hyria, oude hoofdstad van Iapygia aan den

weg van Brundisium naar Tarentum = Hyria no. 3.

Urium, Ourion, zeestad in het landschap Daunia, in Apulia, ten N. van

den Mons Garganus, aan den Sinus Urias, wel te onderscheiden van Uria

of Hyria, dat in het binnenland ligt.

Urius, Ourios, bijnaam van Zeus, den schenker van gunstigen wind

op zee.

Uscana, versterkte hoofdstad der Penestae in Illyris graeca, aan den

bovenloop van de rivier Drilon.

Usipetes, germaansch volk, verbonden met de Tencteri, deelden in de

lotgevallen dezer laatsten.

Usipii = Usipetes.

Ustica, 1) kleine heuvel in het sabijnsche, nabij het landgoed van

Horatius.--2) = Osteodes, Osteodes, eilandje ten N. van Sicilia.

Usucapio, usus, verkrijging van eigendom (dominium) door verjaard

bezit (possessio).--Usucapio pro herede. Eene onbeheerde erfenis

werd als gemeen goed beschouwd, waardoor de erfgenamen genoodzaakt

waren ze ten spoedigste te aanvaarden; zoolang dit niet was geschied,

kon ieder zich zaken er van toeëigenen. Onder de keizers hield dit op.

Utica, Ityke, oude tyrische volkplanting, aan denzelfden inham

gelegen als het jongere Carthago. Het was omstreeks 1170 gesticht,

het omringende land was zeer vruchtbaar en de nabijzijnde bergen waren

rijk aan metalen. Utica bleef tegenover Carthago een onafhankelijke

stad, hoewel het natuurlijk den druk der machtige zusterstad niet

ontgaan kon. In den tweeden punischen oorlog stond het Carthago bij,

doch in den derden koos het beslist partij voor Rome; daarvoor kreeg

het een aanzienlijk gedeelte van het carthaagsche gebied en werd het

tot hoofdstad der provincie Africa verheven. In de burgeroorlogen koos

Utica de zijde van Caesar; Cato (Uticensis), die er het bevel voerde

en van geene overgaaf wilde hooren, bracht zich toen om het leven

(zie Porcii no. 8). Door Augustus zeer begunstigd, genoot Utica lang

een grooten bloei. Later is het verwoest door de Arabieren, doch er

zijn nog uitgebreide ruïnen van overgebleven.

Uxellodunum, sterke stad der Cadurci in Aquitania, op eene steile rots,

die van drie zijden door den Oltis (Lot) werd omspoeld. Omtrent de

juiste ligging is men het niet geheel eens.

Uxentis, eiland aan de W.punt van Gallia, thans Ouessant.

Uxentum of Uzentum, stad der Sallentini in Calabria, geheel in het

Z. op den weg naar het promunturium Sallentinum.

Uxii, Ouxioi, een der roofzuchtige stammen in het gebergte, dat

Susiane van Persis en Media scheidt. Zij betwistten Alex. den Gr. den

doortocht.

Uxor is elke wettig gehuwde rom. vrouw. Om mater familias te wezen,

moest de vrouw in manu mariti zijn, anders was zij uxor tantummodo.

V.

Vacalus = Vahalis.

Vacatio munerum, zie Beneficiarius (miles) en Commeatus.

Vacca, Vaga, Ouaga, 1) aanzienlijke handelsstad in de provincie Africa,

op de grenzen van Numidia, ten Z.W. van Utica, waarvan het eene goede

dagreis verwijderd was. Tijdens den Jugurthijnschen oorlog behoorde

het aan Jugurtha, en werd het door Metellus verwoest, later werd het

eene rom. kolonie.--2) stad in Byzacene, ten Z.W. van Hadrumetum.

Vaccaei, volk in Hispania Tarraconensis aan den bovenloop van den

Durius (Douro) tusschen de Celtiberiërs en de Asturiërs. Zij bebouwden

den grond in gemeenschap. Zij waren een dapper volk, waarmede de

Carthagers veel last hadden. Hoofdstad: Pallantia.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 143 / 150 段