Tripolis, Tripolis, 1) stadje in Asia aan den Maeander, op de grenzen

van Phrygia, Lydia en Caria.--2) stad aan de kust van Pontus aan een

gelijknamig riviertje, tusschen Polemonium en Trapezus.--3) stad op

de phoenicische kust, gesticht door de drie steden Sidon, Tyrus en

Aradus, en eigenlijk bestaande uit drie steden, wel zeer dicht bij,

doch niet onmiddellijk aan elkander en elk met haar eigen muren.--4)

thessalisch distrikt met de steden Azorus, Pythium en Doliche, in

het N. van Perrhaebia.--5) arcadisch distrikt met de steden Callia,

Dipoena en Nonacris, in het midden van Arcadia.--6) laconisch distrikt

aan de arcadische grenzen.--7) kust van Libya (Afrika) tusschen de

beide Syrten, met de steden Leptis, Oea en Sabathra.

Triptolemus, Triptolemos, zoon van Celeüs en Metanira, uitvinder van

den ploeg. Uit dankbaarheid voor de goede ontvangst, die zij bij Celeüs

genoten had, gaf Demeter, nadat hare plannen met Demophon (z. a. no. 1)

mislukt waren, aan Tr. een met draken bespannen wagen en een aantal

graankorrels, met opdracht de kennis van den landbouw over de geheele

aarde te verbreiden. In de vele gevaren, die deze tocht opleverde

(z. Carnabon, Lyncus), genoot hij de bescherming der godin, en toen

hij na zijne terugkomst door zijn vader met den dood bedreigd werd,

dwong zij dezen van de regeering afstand te doen. Tr. volgde hem op

en stelde de Thesmophoria in. Hij had op verscheiden plaatsen altaren

en te Eleusis een tempel.--Soms wordt van hem hetzelfde verhaald als

van Demophon, of wordt hij een zoon van zekeren Eleusis genoemd.

Tripudium, 1) een godsdienstige wapendans, zooals o. a. de Salii

uitvoerden, hetzij met herhaald driemaal stampen of door telkens drie

passen voorwaarts en dan weder één of twee achteruit te doen.--2)

zie auguria no. 3.

Triquetra (= driehoekig sc. insula) = Sicilia.

Tritaea, Tritaia, eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de arcadische

grenzen aan den voet van den Erymanthus.

Tritea, Triteia, Triteai, stad in Phocis aan de locrische grenzen,

ten N. van den Cephisus.

Trito, Trito, Tritogeneia, bijnaam van Athena, naar hare geboorteplaats

bij het meer Tritonis in Libye of bij de rivier Triton in Boeotië.

Triton, Triton, zoon van Poseidon en Amphitrite of Salacia, die

met zijn vader en moeder in een gouden paleis op den bodem der zee

woont. In latere verhalen wordt meestal gesproken van een groot aantal

Tritons, wezens van monsterachtig voorkomen, met een lichaam dat

in een grooten staart uitloopt, groen haar, breeden mond met groote

tanden, schubben en kieuwen, enz. Gewoonlijk hebben zij een groote

schelp in de handen, die zij als trompet gebruiken (T. canorus);

en door welker geluid zij op bevel van Poseidon de onstuimige golven

tot bedaren brengen.

Tritonia = Trito.

Tritonis, een van de zoutzeeën in Libye, in de nabijheid van de

kleine Syrte.

Tritopatores, drie zeer oude daemonen, die in Attica vereerd

werden. Zij worden zonen van Zeus en Persephone genoemd, hunne

namen worden zeer verschillend opgegeven. Soms heeten zij de eerste

schepselen, soms goden van den wind of goden van het huwelijk en

den kinderzegen.

Trittys, het derde gedeelte eener attische phyle, vóór Clisthenes,

naar het schijnt, hetzelfde als phratria. Clisthenes verdeelde het

grondgebied van Athene in 30 trittyes, 10 in en om de stad, 10 in

Paralia en 10 op het land. Iedere phyle bevatte drie trittyes, eene

van ieder tiental. Vier naukrariai vormden een trittys.

Triumphus, thriambos. De hoogste eer voor een overwinnend veldheer was,

een zegetocht binnen Rome te mogen houden. Daar hij, op straffe van

zijne aanspraken als imperator (z. a.) te verliezen, niet binnen de

stad mocht komen, verleende de senaat hem gehoor buiten het pomerium,

meest in den tempel van Bellona. Werd het verzoek toegestaan, zoo

had de zegetocht ongeveer op deze wijze plaats. Voorop ging eene

afdeeling cornicines, daarop volgden priesters en offerknechten met

offerdieren met vergulde horens en omkranst, hierachter volgden wagens,

lastdieren en dragers met behaalden buit, goud, zilver, kostbaarheden,

standbeelden, met borden, waarop de namen der veroverde plaatsen,

de gewonnen veldslagen, het getal der gedoode vijanden vermeld

waren. Hierna kwamen de gevangenen geboeid, gevangen vorsten met

hunne familie in hun volle praal met de kroon op het hoofd en met

gouden ketenen gekluisterd, dan de lictoren met omlauwerde fasces, en

achter hen de veldheer op zijn zegewagen. Een beeld der overwinning,

dat achter op zijn zegewagen stond, hield een gouden krans boven

's veldheer's hoofd. Naast den wagen gingen zijne bloedverwanten en

achter den wagen de staf- en hoofdofficieren, terwijl de troepen den

trein sloten. Tot de bijzonderheden behoort nog, dat op den zegewagen

ook een slaaf stond, die den triumphator gedurig toesprak: Bedenk dat

gij een mensch zijt. De stoet trok de stad door en langs de sacra via

den weg op naar het Capitool. Op het forum splitste zich de stoet, de

gevangenen werden weggevoerd, het leger ging uiteen, de veldheer bracht

in den capitolijnschen tempel een plechtig offer aan Jupiter. Op het

feestmaal, dat den dag besloot, waren ook de consuls genoodigd, doch

dezen verschenen nooit, omdat de etikette dan zou gevorderd hebben,

dat zij, daar hun imperium het hoogste was, als hoofdpersonen de

eereplaats innamen.--Eene ovatio is eene kleine zegepraal, z. a.

Triumviri, zie tresviri.

Trivia, bijnaam van Hecate of Diana, als godin der driesprongen.

Trivicum, een vlek in Z.-Samnium in het land der Hirpini, aan de via

Appia nova.

Troas, Troas, het land van Troje, het N.W. deel van Mysia, aan den

Hellespont. Het land was golvend, doorsneden door de uitloopers van

het Idagebergte en door de riviertjes Satnioïs, Rhodius, Simoïs,

Scamander, Thymbrius. Vóór de kust lag het eiland Tenedos.

Trocmi, een der drie gallische stammen in Galatia en wel in het O.,

hoofdstad Tavia.

Troesmis, Troismis, vesting aan den Donau in Moesia Inferior,

tgw. Iglitza.

Troezen, Troizen, stad in het Z.O. van Argolis, met eene havenstad

Pogon tegenover het eiland Calauria. Oorspronkelijk was de stad

waarschijnlijk ionisch, later dorisch. Theseus was hier geboren

en opgevoed.

Trogilium, Trogilion, uiterste punt van het voorgebergte Mycale

tegenover Samus. Ook een eilandje, dat daarvoor ligt.

Trogilus, Trogilos, baai en haven ten N. van Syracuse.

Troglodytae, Trogodytae, Troglodytai, "holbewoners", zooals men in

verschillende streken der aarde aantrof, in den Caucasus, in Lybia

en elders. In het bijzonder komen onder dezen naam bewoners der

aethiopisch-aegyptische kust aan de Arabische golf voor.

Trogus (Pompeius), uit een gallisch geslacht, dat door Cn. Pompeius

Magnus het rom. burgerrecht had verkregen, leefde ten tijde van

Augustus en schreef een uitgebreid geschiedkundig werk, waarvan

later Justinus (z. a.) onder den titel Historiae Philippicae een

uittreksel vervaardigde. Ook moet Trogus over natuur- en dierkunde

hebben geschreven.

Troia, Troie, -a, of Ilium, hoofdstad van Troas, door de Grieken

tien jaar lang belegerd en eindelijk door list genomen en verwoest

(1184). De stad lag in de vlakte tusschen de stroompjes Simoïs

en Scamander. Op den burcht Pergamum (ook -mus en -ma) vond men

tempels van Pallas Athena en Apollo en andere heiligdommen. Slechts

ééne poort is bij name bekend, de Scaeïsche, pylai Skaiai =

linkerpoort. Later is door Aeoliërs een nieuw Troje, novum Ilium,

neon Ilion, gebouwd. Schliemann en Dörpfeld hebben bij Hissarlik

sporen van het oude Troje teruggevonden: van de vele nederzettingen,

die opgegraven zijn, is de zesde van onderen, het homerische Troia,

de belangrijkste. De muren, die nog gedeeltelijk over zijn, stemmen

overeen met die van Tiryns en Mycenae; men vindt er 3 torens, 3 poorten

en een uitvalpoortje.--2) stad in het kustland van Epirus tegenover

Corcyra, door Helenus gesticht.--3) stad in het land der Veneti,

ten N. der Adriatische zee, gesticht door Antenor.

Troiae (ludus of ludicrum), z. Ludus Troiae.

Troilus, Troilos, zoon van Priamus of Apollo en Hecabe, uitmuntende

door dapperheid, werd door Achilles gedood.

Trojaansche oorlog, de oorlog, door de Grieken tegen Troje gevoerd

om de schaking van Helena door Paris (z. a.) te wreken. Hetzij uit

zucht naar roem, hetzij gebonden door een eed (z. Helena), namen de

meeste grieksche vorsten aan den krijgstocht deel en brachten zij

een leger op de been van 100.000 man, dat in 1186 schepen naar Azië

overgebracht werd. Als opperbevelhebber werd Agamemnon verkozen,

nevens hem onderscheidden zich Menelaus, de beide Aiaxen, Diomedes,

Nestor, Odysseus, maar vooral Achilles, aan de zijde der Trojanen en

hun bondgenooten boven allen Hector, verder Aeneas, Sarpedon e. a. Daar

telkens groote afdeelingen van het leger op plundertochten uitgezonden

moesten worden, om in de behoefte aan levensmiddelen te voorzien,

vorderde men met het beleg slechts weinig. In het 10de jaar scheen

de overgave der stad nog even ver verwijderd als bij de aankomst der

Grieken, zelfs scheen zich de krijgskans ten gunste van de Trojanen

te wenden, toen Achilles, door Agamemnon beleedigd (z. Briseis)

zich een tijd lang aan den strijd onttrok. Maar toen hij, om den

dood van Patroclus te wreken, zich weder onder de strijders mengde,

viel Hector reeds denzelfden dag onder zijne handen, en hoewel

hijzelf ook kort daarna sneuvelde, was nu het lot der belegerde

stad beslist. Eerst werden ingevolge orakelspreuken Neoptolemus en

Philoctetes naar het oorlogstooneel gehaald en het Palladium geroofd,

en toen ook nu nog geweld niets vermocht, nam men list te baat. Het

grieksche leger trok in schijn af, maar liet een groot houten paard,

door Epeus vervaardigd, achter, waarin zich Odysseus met een aantal

strijders verborgen hielden. Door zekeren Sinon (z. a.) lieten de

Trojanen zich, hoewel tegen den raad van velen hunner, overreden

het houten paard binnen de muren te halen, des nachts kwamen de

Grieken uit het paard te voorschijn en openden de poorten voor het

inmiddels teruggekeerde leger, waarop de stad verwoest en de meeste

inwoners gedood werden.--De trojaansche oorlog en de lotgevallen

der grieksche helden op hun terugtocht naar het vaderland hebben

aan Homerus en de cyclici rijke stof voor hunne gedichten geleverd,

en zijn daardoor de meest algemeen bekende gebeurtenissen uit het

grieksche heldentijdperk geworden.

Tropaeum, tropaion, een zegeteeken, door een leger op het slagveld

opgericht, wanneer het de vijanden op de vlucht geslagen had. Door

na den slag de oprichting van een tropaeum toe te laten en verlof te

vragen om de gesneuvelden van het slagveld te halen en te begraven,

erkende men als het ware de nederlaag geleden te hebben. Het

tropaeum bestond uit een hoop buitgemaakte wapenen soms aan een

boomstam opgehangen, waaraan men vooraf min of meer een menschelijke

gedaante gegeven had. In latere tijden waren tropaea in het algemeen

gedenkteekenen, ter eere eener overwinning of van een overwinnaar

opgericht.

Trophonius, Trophonios, broeder van Agamedes (z. a.). Oorspronkelijk

is hij geen heros, maar een orakelgod (v. d. ook Zeus Trophonios

geheeten), die evenals Amphiaraus (z. a.) in een onderaardsch hol

huist. Hij had een orakel in een hol nabij Lebadea, dat vooral in

latere tijden in hoog aanzien stond. Na verscheiden dagen van vasten,

reinigingen, enz., werd men des nachts met een honigkoek in de handen

in dit hol nedergelaten, en kreeg men daar in den slaap de gevraagde

openbaringen.

Tros, Tros, 1) zoon van Erichthonius no. 2 en Astyoche, naar wien

de stad Troje genoemd is. Hij was de vader van Ilus, Assaracus en

Ganymedes.--2) Trojaan, door Achilles gedood.

Trosmis, Trosmis, = Troesmis.

Trossuli, v. s. een woord van etruscischen oorsprong = equites. Het

verdrong voor de ridders in actieven dienst het woord celeres en

was ten tijde der Gracchen nog in gebruik. In later tijd beteekent

trossulus een fat, een pronker.--Een plaatsje Trossulum komt in

Etruria voor, ten Z. van Volsinii.

Trotilum, Trotilon, stadje op Sicilia, ten N. van Syracuse, aan

de kust.

Truentum, stad in Picenum aan den mond van den Truentus, de rivier

die langs Asculum stroomt. De stad heet ook castrum of castellum

Truentinum.

Trutulensis portus, haven op de kust van Britannia, van waar Agricola

uitvoer om het eiland rond te varen, ten N. van de Firth of Forth.

Tryphon, Tryphon, 1) veldheer van Alex. Balas, verdedigde de

aanspraken op de regeering van diens zoon Antiochus VI tegen

Demetrius Nicator. Later liet hij Antiochus vermoorden en besteeg

hij zelf den troon (142), wat de Rom., door zijne schitterende

geschenken bewogen, oogluikend toelieten. Toen echter Antiochus

Sidetes door de Rom. begunstigd werd, moest Tr. vluchten, hij ging

naar Armenië, waar hij weldra den dood vond (137). Zijn eigenlijke

naam was Diodotus, Tr. werd hij genoemd om zijn weelderig leven.--2)

bijnaam van Ptolemaeus IV.--3) aanvoerder in den slavenopstand op

Sicilia van 104; zijn eigenlijke naam was Salvius. Na zijn dood werd

zijn onderaanvoerder Athenio (z. a.) zijn opvolger.--4) grammaticus in

Alexandria, ten tijde van Augustus, schrijver van verscheiden werken

over grieksche dialecten.--5) uitgever van de gedichten van Martialis.

Trysa, Trysa, stad in het Z. van Lycië, in het binnenland, in de

nabijheid van Myra, met het uit de 4de eeuw stammende Heroon, Heroon,

van Gjölbaschi, waarvan het beeldhouwwerk naar Weenen is overgebracht.

Tuba, een metalen blaasinstrument, recht van vorm op de wijze eener

bazuin of lange spreektrompet. Zij gaf een dieperen klank dan de

gebogen hoorn.

Tubantes, een germaansch volk, bevriend met de Cheruscers, dat

zijn naam heeft nagelaten in Twente (= Tubantia) in Overijsel. Ten

tijde van Germanicus waren zij naar de streek tusschen Lippe en Ruhr

verhuisd en trokken nog verder Z.O.waarts. Zij losten zich op in den

bond der Franken.

Tubero, familienaam in de gens Aelia.

Tubertus, familienaam in de gens Postumia.

Tubilustrium, de vijfde of laatste dag der Quinquatrus (z. a.), waarop

de tubae der tubicines sacrorum gewijd werden, omdat de tuba aan

Minerva geheiligd was. Een ander tubilustrium wordt op 23 Mei vermeld.

Tucca, familienaam in de gens Plotia.

Tuder, oude stad in Umbria, rom. kolonie op een heuvel aan den Tiber.

Tuditanus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 18-21).

Tuisco, god en stamvader der Germanen, uit de aarde geboren.

Tulingi, volksstam in Gallia, naburen der Helvetii.

Tullia, de gemalin van Tarquinius Superbus, de ontaarde dochter van

Servius Tullius, die over haars vaders lijk zou gereden zijn. Zie

over andere van dezen naam het art. Tullii.

Tulliae (leges) van M. Tullius Cicero, consul in 63. 1) de ambitu,

tot verscherping der bestaande strafbepalingen. O. a. verbood deze

wet, binnen den termijn van twee jaar voor het dingen naar eenig

ambt zwaardvechtersspelen aan het volk te geven, tenzij om aan

testamentaire bepalingen te voldoen. De straf na veroordeeling was

tienjarige ballingschap.--2) de liberis legationibus, waarbij de duur

er van tot een jaar werd beperkt, zie legatio libera.

Tullianum, ondergrondsch kerkergewelf, dat slechts licht en toegang

had door eene opening in de zoldering. Zie carcer.

Tullii, een oud geslacht, althans 1) M. Tullius werd onder

Tarquinius Superbus met verdrinking gestraft wegens het mededeelen van

geheimen.--2) M'. Tullius Longus, consul in 500.--3) M. Tullius Cicero,

die dezen bijnaam kreeg wegens het verbouwen en verkoopen van erwten,

een man van strenge, ouderwetsche zeden, was de grootvader van den

redenaar. Hij stierf in 106, kort na diens geboorte.--4) M. Tullius

Cicero, zoon van no. 3, woonde deels te Rome, deels te Arpinum. Hij

was een wetenschappelijk man, die zich aan de opvoeding zijner zoons

veel liet gelegen liggen.--5) M. Tullius Cicero, zoon van no. 4,

werd den 3den Jan. 106 op een landgoedje bij Arpinum geboren. Hij

genoot van den dichter Archias (zie Licinii no. 37) onderwijs in de

letteren, en later van den rechtsgeleerde Q. Mucius Scaevola (zie

Mucii no. 6) in de studie van het recht. Ook de redenaar L. Licinius

Crassus (zie Licinii no. 12) had nog een aandeel in de vorming van

den jongeling en hield een oog op diens opvoeding, doch overleed,

toen Cicero eerst 15 jaar was. In de philosophie volgde Cicero de

lessen van den epicurist Phaedrus, vervolgens van den academischen

wijsgeer Philo van Larisa, die in 88 naar Rome was gekomen, en van

den stoicijn Diodotus, in de welsprekendheid die van den griekschen

rhetor Molo (zie Apollonius no. 3). Na ernstige, onverpoosde oefening

trad hij in 81 in een civiel proces voor P. Quinctius op en in 80 in

eene causa publica voor Sex. Roscius van Ameria (zie Roscii) tegen

Sulla's vrijgelatene en gunsteling Chrysogonus. Wegens redenen van

gezondheid ondernam hij nu eene reis naar Griekenland, en vertoefde een

paar jaren (79-77) te Athene, in Klein-Azië en op Rhodus, en hoorde

de lessen van den academicus Antiochus van Ascalon (zie Antiochus

no. 21), den epicurist Zeno (z. Zeno no. 5), den rhetor Demetrius

Syrus (zie Demetrius no. 10), den stoicijn Posidonius (z. a.) en

zijn vroegeren leermeester Molo. Geoefend en hersteld kwam hij te

Rome terug en werd in 75 quaestor te Lilybaeum op Sicilia, in welke

betrekking hij het bewijs gaf van onkreukbare eerlijkheid en zich ook

jegens Rome verdienstelijk maakte door bij de heerschende schaarschte

voor ruimen toevoer van koren uit Sicilia te zorgen. In 70 nam hij het

proces op zich tegen C. Verres (z. a.), ofschoon deze den steun genoot

der machtige Metelli (zie Caecilii no. 19, 20 en 21) en verdedigd

werd door den beroemden pleiter en consul designatus Q. Hortensius

Hortalus (zie Hortensii no. 3). In 69 was Cicero curulisch aediel,

in 66 praetor (repetundarum), in 63 consul. In dien tusschentijd

hield hij zijne studiën bij en trad hij bij herhaling als redenaar

en pleiter op. Als praetor hield hij de oratio de imperio Cn. Pompei

(pro lege Manilia). Als consul gelukte het hem, de samenzwering van

Catilina (z. Sergii) te onderdrukken, wiens medeplichtigen hij, als op

heeterdaad betrapt (zie o. a. Cornelii no. 48), zonder vorm van proces

ter dood liet brengen. De senaat kende hem den eerenaam pater patriae

toe, doch in 58 werd hij door den woelzieken volkstribuun P. Clodius

Pulcher (zie Claudii no. 17) met eene uitsluitend tegen hem gerichte

wet getroffen (zie Clodiae leges no. 5) en moest hij in ballingschap

gaan, terwijl zijn huis door het volk werd omvergehaald. De lex

Cornelia van den consul P. Corn. Lentulus Spinther riep hem in 57

terug; zijn huis werd op kosten van den staat herbouwd. Vooreerst

trok Cicero zich nu van de staatszaken terug; in 52 verdedigde hij

T. Annius Milo, beschuldigd wegens den moord van Clodius, doch zonder

gunstig gevolg; in 51 werd hij zeer tegen zijn zin als proconsul

naar Cilicia gezonden. Bij zijne terugkomst brak juist de strijd uit

tusschen Caesar en Pompeius; na lange aarzeling koos Cicero de partij

van den laatste. Na den slag bij Pharsalus en Pompeius' dood ontving

hij zijdelings van Caesar eene uitnoodiging om terug te keeren en

werd met welwillendheid en voorkomendheid ontvangen. Huiselijk leed

en droefheid over den ondergang der republiek bogen Cicero ter neder

en hij trok zich op zijne landgoederen terug, waar hij in de studie

der wijsbegeerte troost zocht. Na Caesars dood evenwel (44) meende

hij, dat er een nieuwe dag van vrijheid zou aanbreken en kantte hij

zich met hevigheid (in zijne zoogenaamde orationes Philippicae)

tegen de willekeurige handelingen van Antonius (no. 4). Toen nu,

wat Cicero niet schijnt verwacht te hebben, Octavianus en Antonius

de handen ineensloegen en zich met Lepidus tot IIIviri rei publicae

constituendae lieten benoemen (43), was ook Cicero's lot beslist, hij

werd vogelvrij verklaard; dit bericht ontving hij op zijn landgoed bij

Tusculum, hij maakte zich wel op tot de vlucht, doch werd onderweg

nabij zijn Formianum door ruiters onder den krijgstribuun Popilius

Laenas, dien Cicero vroeger in een proces met goed succes verdedigd

had, achterhaald en, toen hij zijn hoofd buiten den draagstoel stak,

door den centurio Herennius doorstoken (Dec. 43). Hoofd en hand

werden hem afgehouwen en op last van Antonius aan de rostra te Rome

genageld. Cicero is tweemaal gehuwd geweest, doch van beide vrouwen

gescheiden, van Terentia (zie Terentii no. 8) om geldelijke redenen,

van Publilia (zie Publilii no. 4) wegens verschil van leeftijd en

aard. Uit zijn eerste huwelijk had hij een zoon en eene dochter,

die vóór hem stierf en wier dood hij zich sterk aantrok. Cicero is

voorzeker de grootste redenaar der Rom. geweest, als staatsman was

hij niet zelfstandig genoeg; in voorspoed kinderachtig ijdel, was

hij in tegenspoed zwak en terneergeslagen. Hij was de eerste zijner

familie, die een curulisch ambt bekleedde, een homo novus. Ofschoon

uit eene ridderlijke familie, was hij bij zijn optreden niet rijk,

hij verwierf zich echter (steeds door eerlijke middelen) een groot

vermogen, zoodat hij niet slechts een prachtig huis te Rome bezat,

maar ook verschillende landgoederen, waarvan zijn Tusculanum het

meest bekende is. Zijne werken zijn van verschillenden aard: a)

redekundige werken: Brutus de claris oratoribus (in 46 uitgegeven),

Orator, een beeld van den idealen redenaar (46), de Oratore (55),

en een paar kleinere werkjes. Van zijne redevoeringen, omstreeks 120

in getal, is de grootste helft geheel of grootendeels bewaard. b)

staatkundige werken zijn de Republica (54), en de Legibus (51). c)

zedekundige werken: de Officiis (44), Cato maior de senectute (44),

Laelius de amicilia (44). d) wijsgeerige geschriften: Academica, de

Fato, de Finibus bonorum et malorum (45), Tusculanae disputationes

of quaestiones (44). e) den eeredienst betreffende: de Natura deorum

en de Divinatione (44). f) Zijne uitgebreide correspondentie is na

zijn dood door zijn vrijgelatene Tiro (z. a.) uitgegeven en vormt

de volgende bundels: Epistulae ad diversos of ad familiares (16 b.),

ad Atticum, met wien hij tijdens zijn verblijf te Athene eene innige,

levenslange vriendschap had gesloten (16 b.), ad Q. fratrem (3 b.), ad

M. Brutum (2 b.) en één brief ad Octavium. Veel van hem, ook gedichten

en grieksche geschriften, is verloren gegaan.--6) Tullia, de innig

geliefde dochter van no. 5, geb. in 76, eerst verloofd met Piso Frugi

(zie Calpurnii no. 11), later (50) gehuwd met den lichtmis Dolabella

(zie Cornelii no. 38), welk huwelijk in 46 ontbonden werd; ze stierf

in 45. Haar vader noemt haar effigies oris, sermonis, animi mei, ook

deliciae nostrae. Na den dood van Piso (57) is Tullia ook een tijd

lang verloofd geweest met Furius Crassipes.--7) M. Tullius Cicero,

zoon van no. 5, veroorzaakte door zijne lichtzinnige leefwijze zijn

vader veel zorg en kommer. Aan zijne opvoeding werd de meeste zorg

besteed; hij hoorde de beroemdste wijsgeeren en rhetoren. Na den slag

bij Philippi (42), waarin hij onder Brutus diende, sloot hij zich bij

Sex. Pompeius aan, doch hij verzoende zich later met Octavianus en werd

in 30 consul.--8) L. Tullius Cicero, broeder van no. 4 en dus een oom

van den redenaar, en zijn zoon, ook L., wijdden zich ook aan de studie

van welsprekendheid en wetenschappen.--9) Q. Tullius Cicero, jongere

broeder van no. 5, aediel in 65, praetor in 62 en daarna (61-58)

propraetor in Asia, diende 54-52 onder Caesar in Gallia als legaat en

in 51 in Cilicia onder zijn broeder. In 48 streed hij bij Pharsalus aan

de zijde van Pompeius. In 43 vielen hij en zijn zoon als slachtoffers

der driemannen. Q. hield zich, evenals zijn beroemde broeder, met

litterarische studiën bezig; hij schreef annales en tragoediae. Nog

over is een verhandeling de petitione consulatus. De zoon, ook Q.,

was meer op de hand van Caesar geweest. Op zijn gedrag was veel aan te

merken en zijne wispelturigheid was oorzaak, dat hij, zoodra hij zich

teleurgesteld zag, van de eene partij naar de andere overliep.--10)

Er komen nog verschillende Tullii voor, M. Tullius Decula, consul in

81, L. Tullius, een van Cicero's legaten in Cilicia en een vriend van

Atticus, e. a. Over Cicero's vrijgelatene M. Tullius Tiro, zie Tiro.

Tullius (v. a. Iulius) Valentinus, aanvoerder der Treviri in den

opstand tegen Domitianus, door de Rom. gevangen genomen en ter dood

gebracht.

Tullum, hoofdstad der Leuci, tgw. Toul.

Tullus, familienaam in de gens Volcatia.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 142 / 150 段