patriciër.--2) C. en M. Titinius, broeders, volkstribunen in 193,
later waarschijnlijk samen praetor (178), C. als praetor urbanus,
M. als stadhouder van Hispania.--3) Titinius, rom. dichter van
fabulae togatae, van wien enkele fragmenten overig zijn, die wat
karakterschildering betreft aan Terentius doen denken.--4) Q. Titinius,
een rijk vriend van Cicero. Zijn zoon Pontius Titinianus, was in 49 aan
Caesars zijde.--5) Titinius, centurio onder Cassius in 42 en door hem
gedurende den slag bij Philippi naar Brutus gezonden om berichten in
te winnen. Toen hij terugkeerde, had Cassius, die verslagen was, zich
reeds laten dooden, waarop ook Titinius de hand aan zichzelf sloeg.
Titius, Titos, rivier in Dalmatia (Illyria), die Liburnia scheidt
van het eigenlijke Dalmatia, en bij Scardona in zee valt.
Titurii. Q. Titurius Sabinus, onder Caesar legaat in Gallia, sneuvelde
bij den opstand der Eburones (z. a.).
Titus, rom. keizer 79-81 na C., voluit Titus Flavius Vespasianus, was
de zoon van Vespasianus en Flavia Domitia of Domitilla (zie Domitii
no. 22). Met uitstekende gaven naar geest en lichaam toegerust,
deed hij reeds vroeg het beste van zich hopen. Hij diende eerst in
Germania en vervolgens onder zijn vader in Britannia en later in het
Oosten. Toen Vespasianus in 69 tot keizer werd uitgeroepen, nam Titus,
die in Judaea aan het hoofd van een legioen stond, het opperbevel
over en maakte door de inneming van Jeruzalem aan den joodschen oorlog
een einde, (70). Te Rome gekomen, werd hij door het volk met gejuich
ontvangen en door zijn vader tot mederegent aangenomen (71). Het
scheen echter, dat hij deze verheffing niet kon verdragen; zijne
lichtzinnigheid en uitspattingen aan den eenen, en wreede strengheid
aan den anderen kant, verwekten bij het rom. volk angstige bezorgdheid
voor de toekomst. Nauwelijks echter was hij zijn vader in 79 als
keizer opgevolgd, of hij was alleen streng tegenover zichzelven en de
deelgenooten zijner vroegere uitspattingen. Hij liet geen doodvonnis
vellen en aan samenzweerders tegen zijn persoon schonk hij edelmoedig
vergiffenis. Bekend zijn zijne woorden: diem perdidi, toen hij een
dag had laten voorbijgaan zonder eene weldaad te bewijzen. Door het
dankbare volk werd hem de naam gegeven: deliciae generis humani. En
wel was er onder zijne kortstondige regeering gelegenheid om zijne
goedertierenheid te betoonen, want zware rampen troffen Italië: de
geweldige uitbarsting van den Vesuvius (79), eene zware pestziekte en
een hevige driedaagsche brand te Rome (80). Overal, waar te helpen of
te troosten viel, verscheen hij, hulp en troost brengende. Hij droeg
ook het zijne bij tot verfraaiing van Rome, voltooide het door zijn
vader begonnen Colosseum (zie amphitheatrum), en liet o. a. de thermae
Titi en den nog bestaanden, hoewel van zijn vierspan beroofden boog
van Titus (zie arcus) bouwen. Zijn overlijden wekte groote droefenis.
Tityus, Tityos, zoon van Gaea of van Zeus en Elara, een geweldige
reus, die op Euboea woonde. Daar hij Leto belaagde, werd hij door
Apollo en Artemis met pijlen of door Zeus met den bliksem gedood. In de
onderwereld ligt hij in zijn geheele ontzaggelijke lengte op den grond
uitgestrekt, terwijl twee gieren onophoudelijk aan zijn lever knagen.
Tium, Tius, Tion, -os, milesische kolonie op de kust van Bithynia,
ten O. van Heraclea Pontica.
Tlepolemus, Tlepolemos, 1) zoon van Heracles en Astyoche, doodde
zijn oom Licymnius, hetzij bij ongeluk of met opzet, en vluchtte naar
Rhodus, waar hij Lindus, Ialysus en Camirus stichtte. Later nam hij
deel aan den tocht tegen Troje, waar hij door dapperheid uitmuntte,
maar door Sarpedon gedood werd.--2) adellijk Macedoniër, werd in 325
door Alexander tot stadhouder van Carmanië benoemd en maakte zich in
zijne provincie zoo bemind, dat Antigonus zelfs het niet waagde hem
aan te vallen, hoewel hij een bondgenoot van Eumenes was geweest.
Tlos, Tlos, stad in het binnenland van Lycia.
Tmarus = Tomarus.
Tmolus, Tmolos, ook Timolus, Timolos, 1) gebergte in Lydië, met de
bronnen van den Cayster en den Pactolus. Er groeide veel wijn, in
oude tijden vond men er ook goud. De god van den berg, bij Pluto of
Omphale vader van Tantalus, wordt als scheidsrechter in een muzikalen
wedstrijd tusschen Apollo en Pan genoemd.--2) zie Proteus.
Toga, het overkleed van den rom. burger in vredestijd, dat men
buitenshuis droeg en waarvan het gebruik aan ballingen ontzegd was. De
toga was van geelachtig witte wol geweven, toga pura. De toga praetexta
had een roodpurperen rand en werd door hooge overheden en knapen
gedragen. Toga picta is eene toga, die met borduursel is versierd,
en werd soms bij zegetochten en spelen gedragen, misschien evenwel
eerst onder het keizerrijk. Toga candida, zie candidatus. Toga pulla,
van donkere stof, als rouwgewaad. Toga sordida, ongewasschen toga
(zie fullo), die men als beschuldigde aantrok, om op het medelijden
der rechters te werken. De wijze, waarop de toga gedragen werd, was
aan mode onderhevig. Oorspronkelijk had zij den vorm van een halven
cirkel, doch zij werd met den tijd ruimer, zoodat zij ten slotte een
geheelen cirkel, en wellicht nog meer, besloeg. Deze ruime toga werd
ongeveer aldus omgeworpen. Men wierp ze eerst over den linkerschouder,
trok ze onder den rechterarm door en sloeg ze dan weder over den
linkerschouder, die dus dubbel bedekt was. Nu kwam het er echter
op aan, de plooien sierlijk te verdeelen. Het gedeelte, dat onder
den rechterarm doorging, moest natuurlijk dubbel gevouwen worden,
anders zou het op den grond hebben gesleept. Hierdoor ontstond op
de borst een plooi, sinus genoemd, die als zak dienst kon doen. Om
den linkerarm te gebruiken, die geheel bedekt was, moest men aan die
zijde de toga omhoog trekken en over den arm laten hangen, zoodat de
hand vrij bleef. De plooien werden met haken en knoopen vastgehouden
en versierd met kwastjes, soms met gewichtjes bezwaard om de plooien
omlaag te houden.
Togata, 1) mulier, eene meretrix, daar lichte vrouwen te Rome
niet de stola, het damesgewaad, mochten dragen, maar in de toga
moesten gaan. Of zij deze op dezelfde wijze als de mannen droegen,
is niet bekend.--2) fabula, een blijspel, dat op rom. bodem speelt,
in tegenstelling der palliata, waarvan de handeling in Griekenland
voorvalt.
Tolbiacum, stad in Belgica aan den weg van Colonia Agrippina (Keulen)
naar Augusta Trevirorum (Trier), thans Zulpich.
Tolenus, riviertje in het sabijnsche, dat zich in den Avens, een
zijtak van den Nar, stort.
Tolerus, zie Trerus.
Toletum, versterkte hoofdstad der Carpetani in Hispania aan den Tagus
(Taag), met beroemde staal- en wapenfabrieken, thans Toledo.
Tolistoboii of -bogi, Tolistoboioi, -bogioi, een der drie gallische
stammen in Galatia (z. a.), waar Pessinus hunne hoofdstad was.
Tolmides, Tolmides, atheensch veldheer, deed in 455 met de vloot
een tocht langs de kusten van de Peloponnesus, overwon de Sicyoniërs
en bracht de door de Spartanen overwonnen Messeniërs naar Naupactus
over. In 447 trok hij naar Boeotië, waar door de verdreven aristocraten
woelingen veroorzaakt werden, hij veroverde Chaeronea, maar werd kort
daarop bij Coronea door de ballingen overrompeld en met een groot
deel van zijn leger gedood.
Tolosa, Tolossa, thans Toulouse, stad in Gallia Narbonensis in het
gebied der Tectosages aan den Garumna (Garonne), door den rom. veldheer
Cn. Servilius Caepio in 106 geplunderd. Als rom. kolonie heette de
plaats Palladia.
Tolumnius, 1) een augur, die met Turnus tegen Aeneas streed en
sneuvelde, toen hij door een onverwachten aanval den wapenstilstand had
geschonden.--2) Lars Tolumnius, koning van Veii, die vier rom. gezanten
om het leven liet brengen (wier standbeelden nog in Cicero's tijd op
het forum stonden) en door den consul A. Cornelius Cossus in 428 met
eigen hand in den strijd gedood werd.
Tomarus, Tomaros, gebergte in Epirus nabij Dodona.
Tomi, Tomis (gen. -idis), Tomoi, Tomis, stad in Moesia aan de kust van
den Pontus Euxinus (Zwarte zee), volkplanting van Miletus. Hierheen
werd de dichter Ovidius in 9 n. Chr. door Augustus in ballingschap
gezonden.
Tomyris, Tomyris, koningin der Massageten, die door Cyrus beoorloogd,
werd. Nadat deze door list eene overwinning had behaald, velen van
haar volk gedood en haar zoon gevangen genomen had, wist zij hem in
een hinderlaag te lokken en liet zij hem dooden (529).
Tonans, de dondergod, bijnaam van Jupiter.
Toranii. C. Toranius, quaestor in 73, streed onder Varinius in 71
tegen Spartacus, was ± 65 aedilis plebis met C. Octavius, werd na
diens dood voogd over den lateren Octavianus; later was hij bij de
partij van Pompeius, na wiens dood hij te Corcyra verblijf hield. Hij
kwam in 43 om bij de vogelvrijverklaringen, uit hebzucht verraden
door zijn zoon, ook C. Toranius geheeten, die vervolgens de erfenis
zijns vaders verkwistte en als balling arm stierf.
Torboleti, zie Turdetani.
Toronaeus sinus, Toronaios of Toronaïkos kolpos, de golf tusschen de
schiereilanden Pallene en Sithonia.
Torone, Torone, aanzienlijke stad op het chalcidische schiereiland
Sithonia, aan de golf van Torone, Toronaeus sinus, Toronaïkos kolpos.
Torquatus, bijnaam in de gens Manlia (Manlii no. 11-14).
Toxaris, Toxaris, een Scyth, die met Anacharsis te Athene kwam,
daar algemeene achting genoot, en ook als geneeskundige naam verwierf.
Toxandri, zie Texuandri.
Toxotai, 1) boogschutters, komen in de grieksche legers niet veel voor;
zij behooren tot de lichte troepen, gymnetes. Te Athene was hun aantal
in de vijfde eeuw 1600, die tot de klasse der theten behoorden. Ook
bereden boogschutters (hippotoxotai) worden vermeld.--2) een corps
van 300, later 600, nog later 1200 staatsslaven, demosioi, die te
Athene als politieagenten dienst deden. Zij hadden een kazerne aan
de markt, later bij den Areopagus. Zij worden ook Skythai, of naar
zekeren Speusinus, die het corps georganiseerd zou hebben, Speusinioi,
genoemd. Hunne aanvoerders heetten toxarchoi.
Toygeni, Toygenoi, een keltische stam, gouw der Helvetii,
v. s. identisch met de Teutones.
Trabea (Q.), oud rom. blijspeldichter in de eerste helft der tweede
eeuw.
Trabea, mantel met horizontale purperen strepen, door de rom. koningen,
door de augurs en bij plechtige gelegenheden door de equites gedragen.
Trachinia, Trachinia, zie Trachis.
Trachis, Trachis, Trachin, oude stad in het Z. van Thessalia in het
land der Maliërs, in welker nabijheid de mythe den dood van Heracles
op den brandstapel plaatst. In den peloponnesischen oorlog stichtten
de Spartanen, 12 minuten gaans van de oude stad, een nieuw Trachis,
Heraclea Trachinia genoemd, Herakleia he en Trachinia. In 394 maakten
de Boeotiërs zich er meester van. In 191 werd het door den rom. consul
M'. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog verwoest.
Trachonitis, Trachonitis, zandige bergstreek in Syria, ten Z. van
Damascus, later tot Peraea gerekend.
Tragia, Tragia, eilandje ten Z. van Samus, waar de Samiërs in 440
door Pericles ter zee verslagen werden.
Tragoedia, tragodia. Het grieksche treurspel heeft zijn oorsprong
te danken aan den dithyrambus, en is dus een onderdeel van de
Dionysusfeesten, de naam tragodia is afgeleid van den bok (tragos),
die gedurende het feestgezang geofferd werd. Thespis wordt algemeen
als de schepper van het treurspel genoemd: terwijl namelijk vroeger
de dithyrambische koorzangen afgewisseld werden door voordrachten
van den koorleider, verving Th. in zijne werken, die overigens in
inhoud en waarschijnlijk ook in vorm niet veel van den dithyrambus
verschilden, deze verhalende voordrachten door gesprekken tusschen
een tooneelspeler en het koor. Daarmede was de eerste stap van
lyrische tot dramatische poëzie gedaan; daar dezelfde tooneelspeler
door verandering van kleeding en masker in verschillende rollen konde
optreden, was het reeds nu mogelijk sommige zeer eenvoudige handelingen
af te spelen. Op dezen grondslag werd nu door sommige dichters
na Thespis (Phrynichus, Choerilus, Pratinas e. a.) voortgebouwd,
en eindelijk bereikte het treurspel zijn hoogsten bloei onder de
handen van Aeschylus, Sophocles en Euripides. Niet slechts dat hunne
stukken als dichterlijke voortbrengselen, volgens de meening der
ouden en voorzoover wij het kunnen beoordeelen, zoowel die van hunne
voorgangers als van hunne tijdgenooten en navolgers overtroffen, maar
door het laten optreden van meer tooneelspelers (waarbij echter de
regel gold, dat niet meer dan drie tegelijk op het tooneel mochten
zijn) en ook door het vereenigen der stukken tot trilogieën en
tetralogieën, werd het hun mogelijk de handeling meer omvangrijk en
afwisselend te maken, aanvulling door verhalen werd steeds minder
noodig, terwijl voor de opvoering gewichtige hulpmiddelen gevonden
werden in zorgvuldig gekozen decoraties en costumes. Voor het koor is
echter onder deze omstandigheden geen plaats meer als medewerker, zijne
gezangen verminderen in omvang en beteekenis en dienen nog slechts om
den dialoog door zang en dans af te wisselen, zij vormen niet meer
een bestanddeel van de handeling zelve, maar begeleiden haar met de
opmerkingen en raadgevingen van een "ideaal toeschouwer". Den inhoud
hunner stukken ontleenen de treurspeldichters aan de oude mythen, deze
behandelen zij zoo, dat uit een gegeven toestand de gebeurtenissen
zich volgens de wetten der noodzakelijkheid en in overeenstemming
met de karakters der handelende personen ontwikkelen, totdat de
catastrophe bereikt wordt, een keerpunt, dat den overgang van geluk
tot ongeluk of omgekeerd vormt. In de richting, door de drie groote
meesters aangewezen, werkten gedurende de geheele oudheid talrijke
navolgers, doch geen van hen schijnt meer dan een kortstondigen bijval
gevonden te hebben, terwijl de stukken van Aeschylus, Sophocles en
vooral Euripides nog vele eeuwen na hun dood herhaaldelijk werden
opgevoerd.--Het rom. treurspel, waarvan Livius Andronicus de eerste
dichter was, is op weinige uitzonderingen na in vorm en inhoud eene
navolging van het grieksche gebleven, sommige Rom. schreven zelfs
stukken in het Grieksch.
Traiana (via), een nieuwe weg, door Traianus in 109 n. C. aangelegd,
van Beneventum over Aequum Tuticum, Aecae en Canusium naar Brundisium.
Traianopolis, Traïanopolis, 1) latere naam voor Doriscus, in Thracia
aan den mond van den Hebrus gelegen.--2) latere naam voor Selinus,
zeestad in het W. van Cilicia.
Traianus (M. Ulpius), rom. keizer 98-117 na C., was in 53 na C. te
Italica in Hispania geboren. In den parthischen oorlog diende hij onder
zijn vader (zie Ulpii no. 1), in 91 werd hij consul en vervolgens
werd hij door Nerva (einde 96 of begin 97) tot legatus van Germania
Superior benoemd. Kort daarop (herfst v. 97) nam Nerva hem tot zoon
en troonsopvolger aan. Toen Nerva stierf (Jan. 98), was Traianus in
Germania; hij bleef daar tot 99, en kwam toen naar Rome. Ofschoon
in het leger opgegroeid, was Traianus een uitstekend vorst. In 101
trok hij te velde tegen de Daciërs, die hij in 102 tot vrede dwong;
koning Decebalus schond echter zijn woord, zoodat in 105 de strijd
opnieuw ontbrandde, om in 107 met de onderwerping van Dacia en den
zelfmoord van Decebalus te eindigen. Deze oorlog werd vereeuwigd door
het beeldwerk aan de columna Traiani (z. a.) te Rome. In 114 trok
Trai. te velde tegen de Parthen, veroverde Armenia en Mesopotamia
in 115 en 116, nam de stad Ctesiphon in en zakte met een vloot den
Tigris af tot aan den mond. Ziekte noopte hem tot den terugtocht;
hij droeg het opperbevel over aan den landvoogd van Syria, Hadrianus
(z. a.) en overleed in 117 in Cilicia, te Selinus, welke stad ter
gedachtenis hieraan den naam ontving van Traianopolis. Behalve
veldheer, was Trai. ook een voortreffelijk regent. Aan alles wijdde
hij zijn aandacht, de briefwisseling met Plinius minor, stadhouder van
Bithynia, levert er bewijzen van. Alom liet hij wegen, kanalen, havens,
waterleidingen aanleggen. Ook aan de opvoeding van arme knapen liet
hij zich gelegen liggen. Hij ondersteunde kunstenaars en geleerden en
beschreef zelf den dacischen oorlog. Te Rome legde hij het prachtige
forum Traiani aan met de basilica Ulpia. Bij het volk was hij zeer
bemind, zoodat het hem den eernaam optimus gaf. Later werd het wel
als welkomstgroet bij de intrede van een nieuwe keizer gebezigd:
"Wees nog gelukkiger dan Augustus en nog beter dan Traianus!"
Traiectum, later met de bijvoeging ad Rhenum, stad der Batavieren,
thans Utrecht.
Trais, Traeis, kustrivier in het land der Brutii, waaraan in ± 440
Sybaris nova gesticht werd.
Tralles, Tralli, volksstam in Illyria.
Tralles, Tralleis, vroeger Anthea, Antheia, geheeten, bloeiende
koopstad in het N. van Caria, op eene hoogte aan den voet van den
Messogis ten N. van den Maeander gelegen, met een nog hooger gelegen
burcht. Het riviertje Thebais stroomde er door, de Eudon er langs. In
den tempel der Nice of Victoria stond een standbeeld van Iulius
Caesar. Onder de regeering van Augustus en Tiberius werd Tralles bij
herhaling door aardbevingen geteisterd.
Transvectio equitum, plechtige optocht der romeinsche equites
in feestgewaad (de trabea) van den tempel van Mars of Honos naar
den Castortempel en daarna naar het Capitool, op 15 Juli. Hieraan
namen alleen de equites equo publico deel. In den keizertijd had de
transvectio steeds met veel luister plaats.
Trapezites, z. argentarius.
Trapezus, gen. -untis, Trapezous, 1) stad in het Z. van Arcadia aan
den Alpheus.--2) stad aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee) in het
O. van Pontus, thans Trebisonde, kolonie van Sinope. Door de Rom.,
waarschijnlijk door Pompeius, tot een vrije stad verklaard, door
Traianus en Hadrianus begunstigd, bereikte het een hoogen bloei.
Trasimen(n)us of Trasumen(n)us lacus, thans meer van Perugia, in het
O. van Etruria, tusschen de steden Cortona, Clusium en Perusia. In
de engte tusschen dit meer en de cortonensische bergen sneuvelde de
consul C. Flaminius in 217 tegen Hannibal.
Traulantii, volksstam in Illyria, ten O. van Dyrrachium en Apollonia.
Trausi, Trausoi, thracisch volk in het O. gedeelte van het
Rhodopegebergte.
Treba, stadje in Latium in het oude gebied der Aequi nabij de grenzen
der Marsi.
Trebatius Testa (C.), jurist en schrijver van rechtsgeleerde werken
ten tijde van Augustus, bij wien hij in hooge achting stond. Als
jongmensch reeds had hij zich mogen verheugen in de welwillendheid
van Cicero en de gunst van Caesar. Later behoorde hij ook onder de
vrienden van Horatius.
Trebellii. 1) L. Trebellius, volkstribuun, verzette zich in 67
vruchteloos tegen de lex Gabinia.--2) L. Trebellius, volkstribuun
in 47, bestreed aanhoudend de voorstellen van zijn ambtgenoot
P. Cornelius Dolabella, en werd later tot aediel verkozen door
de hulp der optimaten, die Caesar wegens zijne bescherming van
Dolabella wilde ergeren. Na Caesars dood ging hij tot Antonius
over.--3) M. Trebellius, streed in 36 na C. tamelijk voorspoedig in
Azië.--4) L. Trebellius Maximus, onder Nero consul, later stadhouder
van Britannia, maakte zich door zijne hebzucht zóó gehaat, dat hij
de vlucht moest nemen.--5) Trebellius Pollio, een van de schrijvers
der historiae Augustae, levensbeschrijver van de beide Valeriani,
de beide Gallieni, de 30 tyrannen, Claudius II. Hij leefde onder
Diocletianus en Constantius Chlorus.
Trebia, Trebias, zuidelijke bijrivier van den Padus (Po), waarmede
hij zich bij Placentia vereenigt. Aan deze rivier behaalde Hannibal
in 218 de overwinning op den rom. consul Tib. Sempronius Longus.
Trebianus, vriend van Cicero en aanhanger van Pompeius, in 45 door
Caesar weder in genade aangenomen.
Trebonia (lex) van den volkstribuun L. Trebonius in 448, tot
afschaffing der coöptatie, die er plaats had, wanneer de verkiezing
van volkstribunen niet in één dag afliep. Bij de coöptatie n.l. kwamen
wel eens misbruiken voor, daar de patriciërs gemakkelijker op de
coöpteerende tribuni dan op de plebs konden inwerken.
Trebonia (lex) van den volkstribuun C. Trebonius in 55, om aan de
beide consuls van dat jaar een stadhouderschap voor den tijd van vijf
jaar op te dragen, en wel aan Pompeius over Hispania en aan Crassus
over Syria. Tevens werd door diezelfde wet Caesars bewind in Gallia
voor vijf jaar verlengd.
Trebonius (C.), in 55 volkstribuun, was de voorsteller der lex Trebonia
(z. a.), in 54 was hij legaat van Caesar in Gallia, waar hij tot
49 bleef. In 48 was hij praetor en in 47 werd hij als propraetor
naar Baetica gezonden, doch door de Pompejanen verdreven. In 45
werd hij consul suffectus, terwijl Asia hem als provincie werd
toegewezen. In 44 was hij heimelijk tot de saamgezworenen tegen
Caesar toegetreden. Naar Azië vertrokken, ondersteunde hij Cassius,
doch werd in 43 door Dolabella te Smyrna in zijn bed vermoord. Hij
was zeer met Cicero bevriend.
Trebula, naam van drie steden, 1) in Campania op de grens van Samnium,
ten O. van Cales.--2) Mutusca (Mutuesca) bijgenaamd, in het sabijnsche
land aan de via Salaria ten Z. van Reate.--3) Suffenas bijgenaamd,
ook bij de Sabijnen, onzeker waar.
Tremellii. 1) Cn. Tremellius Flaccus bracht in 204 het beeld der Magna
Mater uit Pessinus in Galatia naar Italië over.--2) Cn. Trem. Scrofa,
vriend van Cicero, Atticus en Terentius Varro Reatinus, schreef
over landbouw.
Treres, Treres, thracisch volk aan den berg Scomius, later verdwenen.
Trerus, rivier in Latium in het land der Hernici, stroomt bij Fregellae
in den Liris uit; tgw. Tolero of Sacco. Misschien is de naam Tolerus
juister.
Tresviri of Triumviri, commissiën van drie leden, tot de magistratus
minores behoorende (met uitzondering van no. 4 en no. 8). Meerendeels
waren het commissiën van tijdelijken aard, wier werkkring genoegzaam
blijkt uit hun titel.--1) Tr. agris dandis assignandis, wanneer
er ager publicus te verdeelen viel.--2) Tr. capitales of nocturni,
sedert het jaar 289. Zij werden oorspronkelijk door den praetor urbanus
benoemd, maar na 242, ingevolge eene lex Papiria van den volkstribuun
L. Papirius in de comitia tributa gekozen. Zij waren belast met het
toezicht op de kerkers en met het voltrekken der strafoefeningen binnen
de muren daarvan; ook oefenden zij politietoezicht uit en konden aan
slaven en vreemdelingen politiestraffen opleggen, zelfs laten geeselen,
hetgeen dan plaats had bij de columna Maenia (z. a.).--3) Tr. coloniae
deducendae, zie colonia op het einde.--4) Tr. epulones, niet tot de
magistraten behoorende, doch een priestercollege, zie epulones.--5)
Tr. locorum publicorum persequendorum, enkele malen benoemd om te
onderzoeken, wie zich wederrechtelijk stukken van het staatsdomein
hadden toegeëigend.--6) Tr. mensarii, commissarissen der tijdelijke
staatsbank, die door de lex Minucia in 216 na den slag bij Cannae werd
opgericht, om in de oogenblikkelijke geldcrisis te voorzien. Zie ook
onder Quinqueviri.--7) Tr. monetales of IIIviri A. A. A. F. F. (aere
argento auro flando feriundo), de muntmeesters, zie Moneta.--8) Tr. rei
publicae constituendae, het bekende driemanschap van Octavianus,
Antonius en Lepidus, in 43. Door eene lex Titia van den volkstribuun
P. Titius kregen zij den bovengemelden titel voor den tijd van
ongeveer vijf jaar (27 Nov. 43-31 Dec. 38), welke termijn in 38 met
nog vijf jaar verlengd werd. Hunne macht was zoo goed als onbeperkt;
o.a. ontleenden zij aan de lex Titia het recht om de magistraten te
benoemen; het was eene driehoofdige dictatuur. Het driemanschap van
Caesar, Pompeius en Crassus was nooit door eene wet bekrachtigd en
was dus geen eigenlijk triumviraat.
Tretus, Tretos, berg en pas, waardoor de wegen van Argos naar Cleonae
en van Mycenae naar Nemea liepen, aldus genoemd naar de vele holen
en spelonken. Hier zou de nemeïsche leeuw zich hebben opgehouden.