Periander van Corinthe. Hij werd 11 jaar lang door Sadyattes en
Alyattes beoorloogd, maar wist laatstgenoemde door list tot vrede
te bewegen.--2) tyran van Syracuse, opvolger van Hiero, werd binnen
het jaar van de regeering ontzet (466) en stierf als balling bij de
Locriërs.--3) z. Phrynichus no. 4.--4) Athener uit den demus Stiria
(ho Steirieus), zoon van Lycon, was in 411 een van de bevelhebbers
der atheensche vloot op Samus en verzette zich met zijn ambtgenoot
Thrasyllus hevig tegen het instellen van de oligarchie der 400. In de
volgende jaren streed hij met roem, vooral in den slag bij Cynossema,
ook was hij als triërarch bij den slag bij de Arginusen. Hoewel hij
met Theramenes de opdracht kreeg om de verongelukten in dien slag
op te visschen, schijnt hij in het daarover gevoerde proces niet
betrokken geweest te zijn. Als hoofd der democratische partij werd
hij onder de 30 verbannen, hij ging naar Thebe, doch keerde weldra
met een zeventigtal aanhangers terug en bezette bij verrassing de
vesting Phyle. Na eenige gelukkige gevechten tegen de partij van
de 30 nam het aantal zijner strijders dagelijks toe, en weldra zag
hij zich in staat den Piraeus te nemen. Toen de 30 ook hier een
slag tegen hem verloren hadden, zonden zij naar Sparta om hulp,
maar door toedoen van koning Pausanias (z. a. no. 2) werd vrede
gesloten en de democratie hersteld. Th. trok met de zijnen Athene
binnen en bewerkte eene verzoening tusschen de partijen, terwijl
hij eene amnestie liet bezweren. In den corinthischen oorlog met een
vloot naar de Aegaeische zee gezonden, herstelde hij den atheenschen
invloed te Byzantium, op Thasus, Lesbus, enz.; toen zijne soldaten
zich te Aspendus aan gewelddadige handelingen hadden schuldig gemaakt,
overvielen de inwoners dier stad des nachts zijn kamp en ontstond er
een gevecht, waarbij Th. gedood werd (389). Dat hij zich gedurende
zijn laatsten veldtocht aan verduistering van gelden en onderdrukking
der bondgenooten zou schuldig gemaakt hebben, zooals na zijn dood
gezegd werd, is niet bewezen.--5) Athener uit den demus Collytus (ho
Kollyteus), nam met den vorigen deel aan de bevrijding van Athene. In
388 viel hij met acht schepen in handen van Antalcidas. Na den vrede
van Antalcidas is hij een van de leidende personen in den staat,
en aan zijne gematigde politiek is voor een deel het tot stand komen
van den tweeden attischen zeebond te danken.
Thrasydaeus, Thrasydaios, 1) zoon van Theron en diens opvolger als
tyran van Agrigentum, na een korte regeering om zijne wreedheid
verdreven (473). Z. Hiero no. 1.--2) Eleër, aanvoerder der
democratische partij tijdens den oorlog tusschen Sparta en Elis (400).
Thrasyllus, Thrasyllos, 1) bevelhebber der atheensche vloot in 411,
verzette zich evenals Thrasybulus tegen de regeering der 400 en
behaalde met dezen de overwinning bij Cynossema. Ook in de volgende
jaren onderscheidde hij zich en na het vertrek van Alcibiades kwam
hij weder aan het hoofd van de vloot; na den slag bij de Arginusen
werd hij met zijne ambtgenooten ter dood veroordeeld.--2) van Rhodus,
astroloog, die te Rome woonde en Tiberius zijne kunst leerde, doch
later in ongenade viel.
Thrasymachus, Thrasymachos, 1) van Chalcedon, kwam in 430 naar Athene,
waar hij zich op wijsbegeerte en rhetorica toelegde. Als redenaar
wordt hij geroemd. Plato laat hem de stelling verdedigen, dat wat
voor de machthebbenden voordeelig is, recht genoemd wordt.--2) van
Corinthe, leermeester van Stilpo.
Thrasymedes, Thrasymedes, zoon van Nestor en Anaxibia, die met zijn
vader naar Troje trok en behouden terugkeerde.
Threnodoi, personen, die zich verhuurden om bij begrafenissen of
lijkfeesten klaagliederen (Threnoi) te zingen of ze met de fluit
te begeleiden.
Thria, Thria, vlek in Attica, nabij Eleusis. De omtrek werd de
thriasische vlakte genoemd, Thriasion pedion.
Thriae, Thriai, gevleugelde jonkvrouwen, die op den Parnassus
woonden en de gave der voorspelling hadden, waarin zij ook Hermes
onderrichtten.
Thrinacia, Thrinakia, mythisch eiland, door de latere Grieken voor
Sicilië gehouden en gelijk gesteld met Trinacria, Trinakria; z. Helius
en Odysseus.
Thronium, Thronion, hoofdstad der epicnemidische Locriërs aan
het riviertje Boagrius. In den heiligen oorlog werd het door de
huurtroepen der Phocensers onder Onomarchus geplunderd en verwoest,
doch later herbouwd.
Thryoessa, Thryoessa = Thryum.
Thryum, Thryon, stad in Elis aan den Alpheus, het latere Epitalium.
Thucydides, Thoukydides, 1) Athener uit den demus Alopece, zoon van
Milesias, na den dood van Cimon hoofd der aristocratische partij,
moest het onderspit delven voor Pericles en werd in 442 door het
ostracisme verbannen.--2) Athener uit den demus Halimus, zoon van
Olorus, van thracische afkomst, was in 423 bevelhebber eener vloot aan
de kusten van Thracië en Macedonië; daar hij Amphipolis niet tijdig
tegen Brasidas beschermd had, werd hij van verraad beschuldigd, en
om zich aan het vonnis te onttrekken, ging hij in ballingschap. Hij
leefde nu ongeveer 20 jaren als balling te Scapte Hyle, waar hij rijke
goudmijnen bezat, en deed reizen naar Sicilië, Italië en Macedonië;
eerst bij het einde van den peloponnesischen oorlog werd hij naar
Athene teruggeroepen, doch weinige jaren later stierf hij. Gedurende
en na zijne ballingschap hield hij zich bezig met het verzamelen van
bouwstoffen voor en het schrijven van zijne beroemde geschiedenis
van den peloponnesischen oorlog, welk werk hij echter bij zijn dood
slechts tot den slag bij Cynossema (411) afgewerkt had. Th. is de
eerste geschiedschrijver, die door hem zelf beleefde gebeurtenissen
beschreef, en kan als de eerste attische prozaschrijver van beteekenis
beschouwd worden. Zijn diep inzicht in den samenhang en de oorzaken der
gebeurtenissen, zijne soms als redevoeringen of brieven ingekleede
fijne en juiste schetsen van toestanden, zijn waarheidsliefde
en streven naar onpartijdigheid, zijn kernachtige en gedrongen,
soms harde en duistere, taal en stijl, als het ware een spiegel van
den ernst, waarmede hij zijn taak opvatte, maken zijne geschiedenis
(xyngraphe) tot een meesterwerk van den eersten rang, zooals het dan
ook te allen tijde door ouderen en nieuweren beoordeeld is.
Thule, Thoule, een eil. ergens in het hooge Noorden, door
den massilischen zeevaarder Pytheas ontdekt en door de ouden
voor het noordelijkste bekende land der aarde gehouden (ultima
Thule). Waarschijnlijk is het één der Shetlands-eilanden (Unst of
Mainland).
Thumelicus, Thoumelikos, zoon van Arminius en Thusnelda, zie Arminius.
Thyoskoos, waarschijnlijk een priester, die niet aan een bepaald
heiligdom verbonden is, maar aan particulieren bij familieoffers,
lijkoffers en dgl. zijn bijstand verleent.
Thurii, Thourisi. Na de verwoesting van Sybaris (z. a.) in 510
door de Crotoniaten schijnt de overgebleven bevolking verstrooid
te zijn geraakt, tot zij in 443 in vereeniging met eene door
Pericles uitgezonden atheensche volkplanting, waarbij zich ook de
geschiedschrijver Herodotus bevond, een paar uren landwaarts in eene
nieuwe stad Thurii stichtten, die bestemd scheen om een steunpunt
voor atheenschen invloed en atheensche handelsbetrekkingen in Italië
en op Sicilië te worden, en die onder de wetgeving van den beroemden
Charondas alras tot bloei kwam (zie echter Sybaris aan het slot). De
stad bleef Athene niet trouw; alleen in 413 kwam ze Athene tegen
Syracuse te hulp; kort daarna streed ze weer tegen Athene. In de 4de
eeuw was Thurii een bolwerk tegen de voortdringende Lucani en Bruttii,
tot het in 282 onder romeinsche bescherming kwam. Hannibal plunderde
de stad in 204 en bracht een deel der bevolking naar Croton over. In
193 zonden de Rom. er eene kolonie heen en gaven aan de plaats den
naam Copia, die echter spoedig weder in onbruik geraakte. Later werd
Thurii een municipium. Omtrent den ondergang van Thurii zijn geene
bijzonderheden bekend.
Thusnelda, Thousnelda, dochter van Segestes, en vrouw van Arminius,
(z. a.).
Thyades, Thy(i)ades = Bacchae.
Thyamia, Thyamia, sterke vesting op de grenzen van Sicyonia en
Phliasia, een twistappel tusschen Sicyon en Phlius.
Thyamis, Thyamis, rivier in Epirus, ontspringt in het N. des lands,
vormt later de grensscheiding tusschen de distrikten Cestrina
(v. a. Chaonia) en Thesprotia en valt tegenover het eiland Corcyra
(Corfu) in zee.
Thyamus, Thyamos, berg in Acarnania, loopt van den Z.O. hoek der
Ambracische golf naar den Achelous.
Thyatira, ta Thyateira, aanzienlijke stad aan den Phrygius in Lydia,
ten N.W. van Sardes, met beroemde purperververijen. Hier ontstond
eene der eerste christengemeenten.
Thybris, dichterlijk = Tiberis.
Thyella, Thyella, eene van de Harpyieën.
Thyestes, Thyestes, z. Atreus en Agamemnon.
Thyia, Thuia, dochter van Castalius of Cephissus, bij Apollo moeder
van Delphus. Zij was de eerste, die de orgia ter eere van Dionysus
invoerde; de Thyades zijn naar haar genoemd.
Thymbra, Thymbra, oude stad van Troas, aan het riviertje Thymbrius,
een zijtakje van den Scamander. Hier stond een tempel van Apollo
Thymbraeus.
Thymbrara, ta Thymbrara, stad en landstreek aan den Pactolus in
Lydia, de verzamelplaats der aan Perzië schatplichtige volken van
Voor-Azië. De ligging is niet juist bekend.
Thymbris, Thymbris, 1) = Tiberis.--2) bron en riviertje op Sicilia.--3)
zijrivier van den Sangarius.
Thymbrium, Thymbrion, stadje in Phrygia naar den kant van Lycaonia,
met de bron van Midas, die de koning met wijn had laten vermengen,
om een Satyr te vangen.
Thymbrius, Thymbrios, zie Thymbra.
Thymele, thymele, oorspronkelijk het altaar van Dionysus, dat in
het attische theater in het midden van de orchestra stond, later de
orchestra zelve, waarnaar de personen, wier plaats in de orchestra
was, thymelici genoemd werden.--In de rom. schouwburgen, die geen
orchestra hadden, noemde men thymele de plaats, waar de muzikanten
stonden. Later werd ook het tooneel zelf zoo genoemd, en kregen allen,
die bij de voorstelling medewerkten, den naam van thymelici.
Thymoetes, Thymoites, 1) een Trojaan, die op denzelfden dag, waarop
Paris geboren werd, een zoon kreeg. Daar door waarzeggers voorspeld
was, dat op dien dag een kind zoude geboren worden, dat den ondergang
van Troje zoude bewerken, liet Priamus het kind van Th. dooden. Uit
wraak gaf deze later den raad, het houten paard binnen de muren
te halen.--2) zoon van Oxyntes, laatste koning van Attica uit het
geslacht van Theseus (zie Melanthus).
Thyni, Thynoi, thracisch volk bij Salmydessus aan den Pontas Euxinus
(Zwarte zee), waarvan een gedeelte met de verwante Bithyni den
thracischen Bosporus overstak en zich in het latere Bithynia vestigde.
Thynias, Thynias, 1) kaap en stad op de Oostkust van Thracia ten
N. van Salmydessus.--2) eiland op de Noordkust van Bithynia.
Thyone, Thyone, z. Semele.
Thyoneus, Thyoneus, Dionysus, zoon van Thyone.
Thyraeum, Thyraion, stad in Z.-Arcadia, ten N. van Megalopolis.
Thyrea, Thyrea, -eas, hoofdstad van het distrikt Thyreatis of Cynuria
(z. a.). Toen in 431 de bewoners van Aegina door de Atheners werden
verdreven, ruimden de Spartanen hun Thyrea in, doch in 424 werd dit
door de Atheners veroverd en verwoest en werden de inwoners weggevoerd.
Thyreatis, Thyreatis, zie Thyrea.
Thyreum, -ium, Thyreon, Thyrreion, stad met kasteel in het N. van
Acarnania, plaats der bondsvergaderingen.
Thyrsus, thyrsos, een lange stok, met klimopbladen, wijngaardloof of
ook met een dennenappel versierd. Bij de feesten van Dionysus droeg men
zulk een staf, en ook de god zelf werd gewoonlijk er mede afgebeeld.
Thysdrus, Thysdra, Thysdros, versterkte stad, waarvan nog schoone
bouwvallen overig zijn, in Byzacium, een uur of drie van de kust
verwijderd, Z.waarts van Hadrumetum.
Thyssagetae, Thyssagetai, uitgebreid jagersvolk in Sarmatia Asiatica,
ten O. eener uitgestrekte woeste streek. Zij woonden waarschijnlijk
achter den Rha (Wolga).
Thyssus, Thyssos, stad van Chalcidice, aan den Westkant van het
schiereiland Acte, met een halfbarbaarsche bevolking.
Tiara, tiara, een zachte en buigzame muts of tulband, het gewone
hoofddeksel bij de Perzen e. a. aziatische volken. Alleen de koning
droeg de tiara recta = cidaris. Zie apex.
Tibarani, volksstam in Cilicia in het Amanusgeb., nabij de stad
Pindenissus, tot de Eleutherocilices behoorende.
Tibareni, Tibarenoi, een vreedzame, landbouwende volksstam aan de
Noordkust van Pontus bij de stad Cotyora, ten O. van het promunturium
Iasonium.
Tiberias, Tiberias, stad in Galilaea, aan de Westzijde van het meer
Gennesareth, gebouwd door Herodes Antipas (zie Herodes), en naar keizer
Tiberius genoemd. In de nabijheid waren warme bronnen. Vespasianus
verwoestte de stad, die echter herbouwd werd, lang de zetel eener
joodsche akademie was en waarvan nog aanzienlijke bouwvallen bestaan,
ten Z. van het tegenw. Tiberias.
Tiberinides, de nimfen van den Tiber.
Tiberinus, de riviergod van den Tiber, oorspronkelijk een koning van
Alba Longa, die in de Albula verdronken was en zijn naam aan de rivier
gegeven had. Hij werd te Rome hoog vereerd, had een heiligdom op het
Tibereiland en een standbeeld op het Capitolium. Den 7den Juni werd
door visschers te zijner eere een feest aan de overzijde der rivier
gevierd, en den 8sten December werden hem offers gebracht. Hij wordt
voorgesteld als een grijsaard in een zeegroen gewaad, met een krans
van biezen op het hoofd en een horen van overvloed in de hand.
Tiberis, Tiberis, de bekende Tiber, de rivier van Rome, ontspringt
op den Apenninus bij Tifernum in het gebied der etruscische stad
Arretium en neemt een aantal zijrivieren op, waarvan de voornaamste
zijn: de Clanis, die dicht langs Clusium loopt, de Nar in Umbria,
de Allia (nederlaag in 390), de Cremera (dood der Fabii in 477), de
Anio. Door zijne bijrivieren wordt het water van den Tiber troebel,
daarom wordt hij door de dichters flavus genoemd, terwijl hij naar zijn
oorsprong ook Tyrrhenus, Tuscus wordt geheeten en ook wel Lydius naar
den vermeenden lydischen oorsprong der Etruscers. De oudste naam was
Albula, na het verdrinken van koning Tiberinus (z. a.) geeft de sage
aan den stroom zijn nieuwen naam. Vóór Rome vormt hij door splitsing
in twee armen de insula Tiberina, door bruggen met de beide oevers
verbonden (pons Fabricius, pons Cestius) en versierd met de tempels
van Aesculapius en den god Tiberinus. Aan zijn mond vormde de rivier
weder een eiland, aan Venus geheiligd en insula sacra geheeten. Aan
den linkermond lag Ostia, aan den rechter Portus Augustus of Portus
Romanus, eene stichting van keizer Claudius.
Tiberius, geb. in 42, rom. keizer, 14-37 na C. Hij was een zoon
van Tib. Claudius Nero en Livia Drusilla. Voluit was zijn naam
ook Tib. Claudius Nero. Toen zijne ouders van elkander gescheiden
waren en Livia de derde gemalin van Augustus was geworden, werden
den jongen Tib. en diens broeder Drusus verschillende betrekkingen
opgedragen. In 15 voerden zij samen het bevel in den oorlog tegen
de Alpenvolken (zie Claudii no. 26), en in 13 werd Tib. consul. Hij
was gehuwd met Vipsania Agrippa, doch moest haar in 11 verstooten,
op uitdrukkelijk verlangen van Augustus, die hem zijne eigene dochter
Iulia opdrong (zie Iulii no. 14). Deze echt was niet gelukkig. Van 12
tot 9 voerde Tib. het bevel tegen de Pannoniërs, in 8 volgde hij zijn
broeder Drusus in Germania op, streed daar ook in het volgende jaar,
en kreeg in 6 de tribunicia potestas, maar zijn huwelijk met Iulia
bracht hem in onaangenaamheden met Augustus, zoodat Tib. zich nog
in datzelfde jaar naar Rhodus begaf en zich aan lichaamsoefeningen
en studie overgaf. Eerst in 2 n. C. keerde hij vandaar terug. Na
den dood van Augustus' kleinzoons, L. en C. Caesar werd hij in
4 n. C. samen met M. Agrippa Postumus door Augustus geadopteerd,
en tot opvolger aangewezen, maar moest tevens zijn neef Germanicus,
Drusus' zoon, adopteeren. Nu begonnen de veldtochten opnieuw; eerst
streed hij in 4 en 5 in Noord-Germania, en drong tot aan de Elbe door,
daarna trok hij tegen Maroboduus, koning der Marcomannen, op (5),
vervolgens (6-8) moest hij den pannonischen opstand onder Bato dempen,
daarna in Germania de nederlaag van Varus wreken. Met veel beleid
drong hij in het hart van Germania door, waarna hij het bevel aan
Germanicus overdroeg, en verder te Rome de rechterhand van Augustus
werd. Toen deze in 14 stierf, wist Livia zijn dood geheim te houden
totdat Tib. bezit van de regeering had genomen. Tib. wist natuurlijk
dat het meerendeel der aristocratie te Rome deze erfopvolging, die
de kroon op de monarchie drukte, met leede oogen aanzag; dit moest
wel zijn van nature achterdochtig gemoed met wantrouwen en argwaan
vervullen. Toch trachtte hij in zijne eerste regeeringsjaren gematigd
te zijn, doch versterkte intusschen zijne macht door het kies- en
stemrecht van het volk geheel op den senaat over te brengen, zich
persoonlijk met eene lijfwacht te omgeven, eene wet uit te vaardigen
tegen majesteitsschennis, terwijl hij op aansporen van zijn praefectus
praetorio L. Aelius Seianus de praetoriaansche cohorten, tot dusver bij
de burgers ingekwartierd, in eene vaste legerplaats, castra praetoria,
vereenigde. Inmiddels werd hij somberder en ergdenkender, vooral
na den dood van zijn zoon Drusus (23) en vervolgde met bloedige
gestrengheid zijne ware of vermeende tegenstanders onder de oude
rom. geslachten. Seianus voedde die somberheid, die ten slotte
menschenhaat werd, zoodat Tib. in 26 zich terugtrok op het eilandje
Capreae en alles aan Seianus overliet, die nu in naam des keizers uit
den weg ruimde wat hem in den weg stond en het plan koesterde, Tiberius
op te volgen. Eindelijk gingen Tib. de oogen open, en Seianus werd
gevangen genomen, bij den senaat aangeklaagd en ter dood veroordeeld
(18 Oct. 31). Nu nam Tib. zelf weder de regeeringszaken ter hand,
zonder evenwel naar Rome terug te keeren. In 37 werd hij ernstig ziek
en bij deze gelegenheid smoorde de nieuwe praefectus, Sertorius Macro,
in overleg met C. Caesar (Caligula), den bejaarden keizer onder de
kussens van zijn bed (16 Maart). Tiberius was een uitstekend regent,
onder wiens bestuur vooral de keizerlijke provincies gebloeid hebben.
Tiberius Julius Alexander, geboren Jood uit Aegypte, geraakte te Rome
in groot aanzien, werd rom. ridder en werd in 46 na C. door keizer
Claudius als procurator naar Judaea gezonden. Later diende hij onder
Corbulo in Azië (63). Daarna was hij stadhouder van Aegypte en dempte
hij een opstand in Alexandria (66), onder Vespasianus werd hij weder
naar Judaea gezonden en voerde hij onder 's keizers zoon Titus het
bevel in het leger aldaar. Hij was een man van groot gezag, door ieder,
die hem kende, geëerd en geacht.
Tibia, aulos, de fluit, welk muziekinstrument in de oudheid zeer in
gebruik was en bij godsdienstige plechtigheden gebezigd werd. De
oudste fluit was de rietfluit, later werd zij uit verschillende
houtsoorten vervaardigd, de Etruscers maakten ze ook van metaal. De
syrinx, syrinx, was de Pansfluit, uit 7 of 9 rietpijpjes van afnemende
lengte vervaardigd, die van onderen in eene dwarspijp uitloopen. De
god zou deze het eerst hebben gesneden uit het riet, waarin de door
hem vervolgde stroomnimf Syrinx veranderd was. Hieruit ontstond de
dubbelfluit, twee fluiten aan één mondstuk verbonden, welk stelsel
men echter weder liet varen voor twee afzonderlijke fluiten, beide
tegelijk door denzelfden persoon geblazen. De fluiten waren soms
recht, soms gebogen, soms evenals onze klarinetten in een beker
uitloopende, met gaten voorzien en vervolgens verbeterd door het
aanbrengen van kleppen. De dwarsfluit, tibia obliqua, plagiaulos,
werd, evenals bij ons, van ter zijde geblazen, doch ook met een opgezet
mondstuk. Men had korte en lange, hooge en lage fluiten. Evenals men
bij de Grieken de fluiten van hoogen toon vrouwelijke, die van lagen
toon mannelijke noemde, onderscheidden de Rom. tibiae sinistrae, hooge
fluiten (diskant) en dextrae, lage (bas), omdat, wanneer de speler een
stel ongelijke fluiten bespeelde, de basfluit met de rechterhand werd
geregeerd. Dit waren dan tibiae impares, doch men had ook tibiae pares,
een stel van twee gelijke fluiten, beide diskant of beide bas. Blijkens
de didascalia der blijspelen van Terentius werd b.v. de Andria begeleid
tibiis paribus dextris et sinistris, dus door twee stel fluiten, de
Eunuchus tibiis duabus dextris, de Heautontimorumenos eerst tibiis
imparibus, later duabus dextris, de Hecyra tibiis paribus, de Phormio
tibiis imparibus. De Adelphi werden begeleid door tibiae Serranae,
die tot de pares gerekend worden, doch waarvan het karakteristieke
onbekend is. De fluitspelers hadden dikwerf een lederen band om mond
en wangen; door twee gaten stak men de beide mondstukken. Deze band
diende om eene te sterke ademhaling bij het blazen tegen te gaan en
een zachter toon te verkrijgen. Men had niet alleen fluitspelers,
tibicines, maar ook fluitspeelsters, tibicinae.--Te Athene, waar
ieder welopgevoed mensch de cither of lier kon bespelen, was het
fluitspel slechts korten tijd in aanzien; men liet het gewoonlijk
aan fluitspeelsters van beroep (auletrides) over.
Tibiscus, Tibiskos, linker zijrivier van den Ister (Donau) in Dacia,
thans de Temes.
Tibisis, Tibisis, bij Herod. een rechter zijtak van den Ister (Donau)
in Moesia, onbekend welke.
Tibullus, rom. dichter, zie Albii.
Tibur, thans Tivoli, tegen de helling van een berg liggende en daarom
door Horatius supinum genoemd, schilderachtig gelegen aan beide oevers
der watervallen van den Anio, een geliefkoosd uitspanningsoord der
Rom. met vele villa's in den omtrek. Ook Horatius had niet ver vandaar
zijn landgoed. Tibur, bijna ten O. van Rome gelegen, gold voor eene
overoude stad, waarvan de stichting aan de kleinzoons van Amphiaraus
(z. Tiburtus) werd toegeschreven. Keizer Hadrianus (z.a.) liet in de
vlakte aan den voet van de stad zijne beroemde villa aanleggen. De
inwoners werden Tiburtes genoemd. De steengroeven in de buurt leveren
den bekenden lapis Tiburtinus, tgw. Travertino geheeten.
Tiburtus, de stroomgod van de rivier Anio; hij wordt door lateren een
zoon of kleinzoon van Amphiaraus genoemd en zou met zijne broeders
Coras en Catillus Tibur gesticht hebben.
Tichium, Teichion, stadje in Aetolia.
Tichius, Teichious, kasteel bij Trachis op een top van den Oeta,
niet ver van de Thermopylae.
Tichiusa, Teichioussa, sterkte op het grondgebied van Miletus.
Ticinum, oude keltische stad in Gallia Cisalpina, thans Pavia, aan de
rivier Ticinus gelegen, niet ver van de plaats waar deze zich met den
Padus (Po) vereenigt. Door de Hunnen werd T. verwoest (452 n. C.),
doch onder de heerschappij der Oostgothen kwam het weder tot bloei.
Ticinus, tak van den Padus (Po), op den mons Adula
(z. a.) ontspringende, thans Ticino. Hij loopt door den lacus Verbanus
(Lago Maggiore). Aan den rechteroever van deze rivier bij Victumalae,
behaalde Hannibal in 218 zijn eerste overwinning in Italië op de
Romeinen.
Tifata (mons), ta Tiphatena ore, berg in Campania ten O. van Capua,
op de grenzen van Samnium, met een beroemden Diana-tempel.
Tifernum, 1) stad in Umbria, vlak aan de etrurische grenzen, bij de
plaats waar de beide beken, die den Tiber vormen, zich vereenigen;
hiernaar heet deze plaats Tifernum Tiberinum. Even ten N. hiervan lag
op etruscisch gebied de villa, Tusci genaamd, van Plinius Secundus
(minor).--2) stad in Umbria aan den bovenloop van den Metaurus,
Tifernum Metaurense.--3) stad in Samnium aan den Tifernus.
Tifernus, 1) gebergte in Noord-Samnium, tgw. Montagna del Matese.--2)
rivier in Samnium, die van den Tifernus mons door het gebied der
Frentani in zee stroomt.
Tigellinus (C. Sofonius of Ofonius), van Agrigentum, in 39 n. C. door
Caligula verbannen, onder Claudius begenadigd, wist door zijne
liefhebberij voor wedrennen de gunst van Nero te verwerven en werd
door dezen tot praefectus praetorio benoemd in plaats van Burrus,
die overleden was (62). Tigellinus was een der booze geesten, die
Nero tot doodvonnissen en gruwelen aanspoorden. Toen Galba tot keizer
was uitgeroepen, liep T. tot dezen over, doch kocht slechts voor eene
groote som gelds zijn leven van den consul T. Vinius vrij. Na Galba's
val werd hij ter dood veroordeeld en sneed zich met een scheermes de
keel af of liet dit doen.
Tigellius, 1) een Sardiniër en hierom Sardus bijgenaamd, om zijne
geestige scherts en zijn talent als zanger zeer gezien bij Caesar
en later bij Augustus, door Horatius als een uiterst grillig mensch
afgeschilderd.--2) Tigellius Hermogenes, v. s. een aangenomen zoon
van no. 1, z. Hermogenes Tigellius.