Theramenes, Theramenes, van Athene, Chius of Ceos, zoon of aangenomen

zoon van den Athener Hagnon, een beschaafd en welsprekend, maar

hebzuchtig en karakterloos man, was een van hen, die in 411 bij de

invoering van de regeering der 400, waartoe hij ook zelf behoorde,

den meesten ijver betoonden. Door deze regeering in zijne verwachtingen

teleurgesteld en waarschijnlijk ook wel inziende, dat zij niet lang zou

kunnen blijven bestaan, stelde hij zich aan het hoofd der democraten

om haar omver te werpen; door deze verandering van partij haalde hij

zich den spotnaam cothurnus (z. a.) op den hals. Gedurende eenigen

tijd behoorde hij nu tot de gematigde volkspartij en verwierf hij

grooten invloed; na den slag bij de Arginusen was hij het voornamelijk,

die bewerkte dat de strategen ter dood veroordeeld werden, omdat zij

verzuimd hadden de in dien slag verongelukten uit zee op te visschen,

ofschoon hij wellicht aan dit verzuim meer schuld had dan zij. Toen

Athene na den slag bij Aegospotami door Lysander belegerd werd, wist

Ther. door schoone beloften te verkrijgen, dat hij afgevaardigd werd

om over den vrede te onderhandelen, hij bleef echter opzettelijk zoo

lang weg, dat de belegerden zich eindelijk door honger genoodzaakt

zagen alles toe te geven. Daarna werd hij een van de 30, doch toen hij

zich tegen de gewelddadige handelingen zijner ambtgenooten verzette,

en men vreesde, dat hij dezelfde rol als vroeger zoude spelen,

beschuldigde Critias hem van hoogverraad, en toen deze bemerkte,

dat de verdediging van Th. op den raad indruk maakte, liet hij

hem met geweld naar de gevangenis sleepen en ter dood brengen. Als

slachtoffer van de 30 en door de vastberadenheid, waarmede hij den

giftbeker dronk, heeft hij na zijn dood een populariteit verworven,

die hij door zijn leven niet verdiend had.

Therapnae en -ne, Therapnai, -ne, 1) stadje in Boeotia aan den weg

van Thebae naar de rivier Asopus en naar Attica.--2) stadje niet ver

ten O. van Sparta, met de graven van Menelaus en Helena en een tempel

der Dioscuren, die v. s. daar geboren zouden zijn.

Theras, Theras, afstammeling van Polynices, wiens vader koning van

Thebe geweest was, maar op bevel van een orakel naar Lacedaemon was

verhuisd. Hij bracht eene volkplanting van Lacedaemoniërs en Minyers

naar het eiland Calliste, dat sedert dien tijd Thera genoemd werd.

Therasia, Therasia, zie Thera.

Theres, Theres = Pheres.

Therma, ta Therma, 1) grieksche stad in Macedonia, aan de golf van

Therma, den sinus Thermaicus, ten W. van Chalcidice. Op de plaats van

dit Therma stichtte Cassander omstreeks 315 eene nieuwe stad, die hij

naar zijne gemalin Thessalonica noemde, eene sterke vesting met goede

haven, thans Saloniki. Dit werd eene bloeiende handelsplaats, vooral

onder de Rom., door hare ligging aan de via Egnatia. Zij werd in 168 de

hoofdstad van een der vier distrikten, waarin toen Macedonia gesplitst

werd, later werd zij hoofdst. der prov. en is zelfs wel keizerlijke

residentie geweest.--2) warme bron bij Lechaeum in Corinthia.--3)

= Thermum.

Thermae, Thermai, stad aan de Noordkust van Sicilia, bevolkt met de

overgebleven inwoners van het door de Carthagers verwoeste Himera

(z. a.). De naam Thermae komt van de warme bronnen, die de stad tot

eene zeer gezochte badplaats maakten.

Thermae. Onder dezen naam verstond men warme bronnen met de daardoor

gevoede badhuizen, vervolgens ook elk badhuis, waar men nevens koude

baden ook warme kon nemen. In zoover is thermae dus synoniem met

balneae (zie balneum). Sedert het tijdperk van Augustus evenwel

wordt thermae meer in het bijzonder gebezigd van de prachtige

badinrichtingen der Rom., die volgens het model van een grieksch

gymnasium (z. a.) waren aangelegd, doch op veel grooter schaal,

en waar men nevens allerlei soort van baden ook conversatiezalen,

zalen voor voorlezingen, bibliotheken, gelegenheid tot balspel en

gymnastische oefeningen, wandelparken, gaanderijen, enz., aantrof. Van

drie zoodanige gebouwen zijn te Rome nog belangrijke overblijfselen

aanwezig, n.l. van dat van Titus op den Esquilijnschen berg, van dat

van Diocletianus op den Quirinalis, waarvan ééne enkele zaal door

Michel Angelo in eene ruime kerk werd herschapen, en van de thermae

Antoninianae van Caracalla. In deze laatste vond men o. a. eene

rotonde van 50 meter doorsnede, gedekt met eene flauw gewelfde

zoldering, een meesterstuk van bouwkunst. Daarachter volgden twee

zalen, elk van 56 M. lang en 22 M. breed, aan welker uiteinden weder

kleinere zaaltjes waren, door kolonnades van de groote gescheiden. De

bijgevoegde teekening geeft een gezicht op de groote middenzaal,

zooals deze er vermoedelijk heeft uitgezien. De hier genoemde ruimten

vormden slechts het middengedeelte, ter weerszijden strekten zich

nog kolossale vleugels uit.

Thermaicus sinus, zie Therma no. 1.

Thermessa = Hiera no. 1.

Thermodon, Thermodon, 1) beek in Boeotia, die bij Tanagra in den Asopus

uitliep.--2) rivier in het W. van Pontus, kort van loop, doch breed,

aan welker oevers de Amazonen zouden gewoond hebben; zie Themiscyra.

Thermopylae, Thermopylai, een enge bergpas, de toegangsweg van

Thessalia naar Locris en het oostelijk Hellas. Op sommige plaatsen was

hij zoo smal, dat twee wagens elkander niet konden passeeren. Voor een

gedeelte liep hij tusschen de uitloopers van het Oetagebergte en een

moeras aan den binnensten hoek der Malische golf, terwijl hij door den

Spercheus en nog een paar kleinere stroompjes werd doorsneden. Waar

de pas naar de zijde van Anthela breeder werd, stonden de tempels van

Demeter en van Amphictyon. In dezen pas sneuvelde in 480 Leonidas met

zijne getrouwen. Door de aanslibbing der kust en den geheel veranderden

loop van den Spercheus is de pas aanmerkelijk van gedaante veranderd.

Thermum, Thermon, ook ta Therma, sterke en fraaie hoofdstad van

Aetolia ten tijde van het aetolisch verbond, door Philippus III (V)

van Macedonië verwoest (218 en 206).

Thermus, familienaam in de gens Minucia (Minucii no. 6-8).

Theron, Theron, tyran van Agrigentum, 487-472, wordt geprezen als

een zacht en wijs vorst, en versloeg met Gelo de Carthagers bij

Himera, 480.

Thersander, Thersandros, zoon van Polynices en Argea, een der Epigonen,

kreeg de regeering over Thebe. Later trok hij met de Grieken naar

Troje, hij sneuvelde echter bij den inval in Mysië door de hand van

Telephus. V. a. was hij een van hen, die met het houten paard in de

stad gekomen waren. Te Elaea in Mysië werd hij als heros vereerd en het

geslacht der Emmeniden te Agrigentum beweerde van hem af te stammen.

Thersites, Thersites, de leelijkste van alle Grieken voor Troje,

die er een boosaardig genoegen in vond de aanvoerders te beschimpen,

waarom hij algemeen gehaat was. Achilles doodde hem, toen hij aan

het lijk van Penthesilea de oogen wilde uitsteken.

Theseidae, Theseidai, afstammelingen van Theseus, bij dichters =

Atheners.

Theseus, Theseus, de nationale held der Atheners, wiens lotgevallen in

menig opzicht op die van Heracles gelijken, hoewel hij niet zoo grooten

roem verwierf als deze. Hij was de zoon van Aegeus en Aethra en was te

Troezen geboren en opgevoed. Toen Aegeus hem als kind daar achterliet,

verborg hij zijn zwaard en sandalen onder een grooten steen en droeg

hij aan Aethra op hun zoon met deze herkenningsteekenen naar Athene te

zenden, wanneer hij sterk genoeg was om den steen te verplaatsen. Op

zestienjarigen leeftijd was hij hiertoe in staat en terstond ondernam

hij de reis naar zijn vader. Op weg doodde hij Periphetes, Sinis,

Sciron, Cercyon en Procrustes (z. deze art.), verder nog het wilde

zwijn van Crommyon, een reusachtig dier, dat de grenzen van Megaris

en Attica onveilig maakte. Eindelijk kwam hij bij Aegeus en bijna had

hij hier door de lagen van Medea, die zijn invloed vreesde, den dood

gevonden; toen hij echter zijn zwaard trok, herkende zijn vader hem

en Medea moest vluchten. Th. bezorgde zijn vader de regeering terug,

die hem door zijne neven, de Pallantiden, ontnomen was, daarna doodde

hij den stier van Marathon (z. Heracles bl. 307), dien hij aan Apollo

offerde. Hij liet zich vrijwillig opnemen onder de 14 jongelieden,

die als offer voor den Minotaurus naar Creta gezonden moesten worden,

en door de hulp van Ariadne (z. a.), die liefde voor hem opvatte

en hem een kluwen touw verschafte, waardoor hij een uitweg uit het

labyrinth kon vinden, doodde hij het monster, waarmede Athene van de

schatplichtigheid aan Creta bevrijd werd. Door een misverstand benam

Aegeus (z. a.) zich het leven, toen het schip van Creta terugkwam, en

Th. volgde hem op. Hij bewerkte de vereeniging van de verschillende

gemeenten van Attica tot één staat met Athene als hoofdstad

(synoikismos) en stelde ter herinnering aan dit feit de Panathenaea

in; ook wordt hem de verdeeling van het volk in 3 phylae (z. phyle)

toegeschreven. Vervolgens vergezelde hij Heracles op diens tocht tegen

de Amazonen (z. a.) en ontvoerde hij Antiope (z. a.) of Hippolyte, die

bij hem moeder werd van Hippolytus, na haar dood huwde hij met Phaedra

(z.a.), bij wie hij twee zonen kreeg, Acamas en Demophon. Hij nam ook

deel aan de calydonische jacht en den Argonautentocht, verleende een

schuilplaats aan Oedipus, toen deze uit Thebe verjaagd was, en dwong

de Thebanen de gesneuvelde medestrijders van Adrastus op eervolle

wijze te laten begraven. Zijn vriend Pirithous stond hij bij in den

strijd tegen de Centauren en door zijne dapperheid verschafte hij hem

de overwinning. Met behulp van Pirithous schaakte hij Helena (z.a.),

toen hij echter wederkeerig zijn vriend zoude helpen bij de ontvoering

van Persephone en daartoe met hem in de onderwereld afgedaald was,

liet Hades beiden vastgroeien aan een rots, waarop zij zich vermoeid

nedergezet hadden. Wel werd Th. kort daarna door Heracles bevrijd,

maar in zijne afwezigheid was Helena met Aethra door de Dioscuren

ontvoerd, en had Menestheus zich van de regeering meester gemaakt,

terwijl het volk, ontevreden over het lot van Hippolytus (z. a.) en

over zijne lange afwezigheid, hem niet weder wilde erkennen. Verbitterd

verliet hij Athene en ging hij naar Scyrus, waar hij door koning

Lycomedes verraderlijk vermoord werd. Hij werd te Athene als heros

vereerd, zijn gebeente werd op bevel van het delphische orakel door

Cimon naar Athene teruggehaald (465) en een prachtige tempel werd te

zijner eer opgericht. De achtste dag van iedere maand was hem gewijd,

zijn voornaamste feest, de Theseia, viel op den 8sten Pyanepsion.

Thesmia, Thesmophoros, bijnamen van Demeter, die door invoering van

den akkerbouw de menschen tot zachtere zeden en een geregeld leven

onder vaste wetten gebracht had.

Thesmophoria, Thesmophoria, feest ter eere van Demeter Thesmophoros

en hare dochter in vele deelen van Griekenland met groote plechtigheid

gevierd, vooral te Athene, in Arcadië en Argolis, op Sicilië e. e. Te

Athene begon het den 9den of 10den Pyanepsion en duurde het vijf

dagen; het werd uitsluitend door gehuwde vrouwen gevierd, terwijl

het aan mannen ten strengste verboden was er bij tegenwoordig te zijn.

Thesmothetai, z. Archontes.

Thespiades, Thespiades, 1) de Muzen, zoo genoemd naar Thespiae,

waar zij hooge vereering genoten.--2) de dochters van Thespius.

Thespiae, Thespiai, bij Homerus Thespeia, oude aanzienlijke stad in

Boeotia aan den voet van den Helicon, door Xerxes verbrand (480), doch

na den slag bij Plataeae herbouwd. Eros, die hier zou geboren zijn,

had hier een tempel met een standbeeld, door Praxiteles gebeiteld. In

374 sloopten de Spartanen de muren van Thespiae, waarna het een plaats

van minderen rang werd.

Thespis, Thespis, Athener, tijdgenoot van Solon en Pisistratus,

de eerste die bij de Dionysusfeesten de dithyrambische koorliederen

door gesprekken tusschen het koor en een tooneelspeler liet afwisselen

en daardoor de grondlegger werd van het treurspel. In 534 voerde hij

het eerst te Athene een treurspel op. Hijzelf was zoowel dichter als

tooneelspeler, v. s. trad hij reeds geblanket, later gemaskerd, op.

Thespites = Thospites.

Thespius, Thespios, zoon van Erechtheus, mythisch stichter van

Thespiae, vader van 50 dochters, bij welke Heracles 50 zonen verwekte,

waarvan later 40 naar Sardinië gezonden werden om er een volkplanting

te stichten.

Thesproti, Thesprotoi, een van de hoofdstammen van Epirus, die

eerst het geheele zuidelijke deel bewoonden en in wier gebied het

orakel van Dodona lag. Zij woonden meest in open vlekken en dorpen en

waren ten tijde van Homerus nog het eenige hoofdvolk van Epirus. De

Molossers, die later in Epirus kwamen, verdrongen de Thesprotiërs

uit het binnenland, zoodat dezen slechts de kuststreek behielden,

welke naar hen Thesprotia heet.

Thessalia, Thessalia, vroeger ook Hellas, Aeolis, Haemonia, Pelasgia,

Pyrrhaea (naar de vrouw van Deucalion) geheeten, lag tusschen

Macedonia, Epirus, Midden-Griekenland en de zee. Het was een land

vol schilderachtige natuurtafereelen, zeer geschikt voor veeteelt en

paardenfokkerij, vruchtbaar aan olie en wijn, aan geneeskrachtige,

maar ook aan vergiftige planten en aan tooverkruiden. Als oudste

bewoners komen o. a. Pelasgen (z. a.) voor, in de vlakte van Larisa

of Larissa, ook Pelasgikon Argos geheeten, verder worden als oudste

stammen genoemd Myrmidones, Hellenes, Achaei in Phthiotis, Magnetes

in Magnesia. Tijdens de volksverhuizing zijn uit Illyria de Thessali,

Thessaloi, in de vlakte van den Peneus en zijn bijrivieren ingedrongen,

en hebben langzamerhand de oorspronkelijke bevolking onderworpen

en tot een soort van heloten onder den naam Penestae, Penestai,

gemaakt. Later zijn ook de bergstammen, de Perrhaebi, Magnetes en

Achaei onderworpen, en soms zijn ook de Dolopes, Aenianes en Malii

van hen afhankelijk. Thessalia bestond uit de volgende landschappen:

1) Hestiaeotis met Perrhaebia, 2) Pelasgiotis, 3) Magnesia, 4)

Thessaliotis, 5) Phthiotis. Het was in verschillende staatjes verdeeld,

die samen een bond vormden. Aan het hoofd van dezen bond stond in

tijden van oorlog soms een legeraanvoerder, die koninklijke macht had,

tagos of basileus geheeten. De adel, geharnast en op geharnaste paarden

gezeten, vormde eene zware ruiterij; het voetvolk, licht gewapend,

bestond uit Penesten. Nu en dan stonden enkele streken, o. a. het

gebied van Pherae, onder tyrannen, doch de thessalische adel, wiens

liefhebberij in ridderspelen en strooptochten gelegen was, was te

bandeloos en wispelturig, om een monarchalen regeeringsvorm op den

duur mogelijk te maken. In Thessalia behooren de mythen te huis van

Deucalion en Pyrrha en van de Centauren.

Thessaliotis, Thessaliotis, landschap van Thessalia, ten N. van de

Dolopes en van Phthiotis, vroeger Aeolis geheeten.

Thessalonica, Thessalonike, zie Therma no. 1.

Thestiades, Thestiades, Iphicles en Meleager, zoon en kleinzoon

van Thestius.

Thestias, Thestias, Leda en Althaea, dochters van Thestius.

Thestius, Thestios, zoon van Ares of Agenor en Demonice of Andronice,

koning van Aetolië, vader van Iphicles, Leda, Althaea e. a.

Thestor, Thestor, zoon van Idmon en Laothoë, vader van Calchas,

Leucippe en Theonoë. Deze laatste wordt nog zeer jong zijnde door

zeeroovers weggevoerd en verkocht aan den carischen koning Icarus,

wiens liefde zij wint. Th. gaat op reis om haar te zoeken, maar valt

ook in de handen van zeeroovers en wordt eveneens aan Icarus verkocht;

deze geeft hem als slaaf aan Theonoë, die hem niet herkent. Eindelijk

gaat ook Leucippe op bevel van een orakel in manskleederen naar Carië,

Theonoë wordt op haar verliefd en daar hare liefde onbeantwoord blijft,

geeft zij aan Th. bevel den vreemdeling te dooden. Als deze nu in

zijn droefheid hierover zijn lot bejammert, herkennen vader en dochter

elkander door sommige uitdrukkingen, waarop Icarus alle drie naar hun

vaderland terugzendt, na hen met rijke geschenken begiftigd te hebben.

Thestorides, Thestorides, Calchas, zoon van Thestor.

Thetes, atheensche burgers van de laagste klasse volgens de verdeeling

van Solon, zij die jaarlijks minder dan 150 medimnen of metreten van

hun grond oogstten. Vóór Aristides konden zij geen overheidsambten

bekleeden en dienden zij alleen als lichtgewapenden of op de vloot,

en ook nog veel later kon niet licht iemand uit deze klasse archont

worden.

Thetis, Thetis, eene Nereïde, die door Zeus en Poseidon bemind werd;

daar echter Prometheus voorspeld had, dat zij een zoon zoude ter wereld

brengen, die grooter zou worden dan zijn vader, gaven zij haar tegen

haar wil ten huwelijk aan Peleus (z. a.), bij wien zij moeder werd

van Achilles. Zij verleende in de onderzeesche woning van haar vader

een schuilplaats aan Dionysus, toen hij door Lycurgus vervolgd werd,

en aan Hephaestus, toen hij door Zeus uit den hemel geworpen was. Ook

verijdelde zij eens een samenzwering, door Hera, Poseidon en Athena

tegen Zeus gesmeed (z. Aegaeon). Op hare smeekingen liet Zeus, toen

Achilles door Agamemnon beleedigd was, de Grieken voor Troje tot den

hoogsten nood komen, totdat aan Achilles eene schitterende voldoening

gegeven was.

Thettai, z. epikleros.

Theudoria, stad der Athamanes in het Z.O. van Epirus.

Theveste, stad in het binnenland van de provincie Numidia of Africa

nova, aan de grens van Byzacium, in den keizertijd tot bloei gekomen.

Thia, 1) = Thea.--2) eilandje in de zee tusschen Thera en Therasia,

ontstaan door een uitbarsting in het jaar 46 n. C.

Thiasus, thiasos, z. Dionysus. Verder noemde men zoo alle

vereenigingen, die gemeenschappelijke offers of andere godsdienstige

plechtigheden verrichtten, ook deze plechtigheden zelve.

Thi(m)bron, Thi(m)bron, 1) spartaansch veldheer, werd in 399 met

een leger naar Klein-Azië gezonden om de grieksche steden tegen

Tissaphernes te verdedigen. Wel behaalde hij eenige voordeelen,

maar daar hij de tucht in zijn leger niet wist te handhaven, werd

hij spoedig door Dercylidas vervangen. In 391 voerde hij weder het

bevel over een leger in Azië en sneuvelde hij in een gevecht tegen den

perzischen generaal Struthas.--2) Spartaan, die Harpalus vermoordde,

zich aan het hoofd stelde van de door dezen geworven huurtroepen

en daarmede Cyrene veroverde, maar door aegyptische troepen onder

Ophellas verslagen en ten slotte gekruisigd werd (322).

Thinae, Thinai, aanzienlijke handelsplaats in het tegenw. China,

waarschijnlijk in het N., in het land der Seres.

Thisbe, Thisbe, z. Pyramus.

Thisbe, Thisbe, oude stad van Boeotia, ten Z. van den Helicon, dicht

bij de kust der Corinthische golf. Bij Homerus heet het polytreron

naar de massa wilde duiven, die tusschen de rotsen nestelden.

Thmuis, Thmouis, gen. -eos, stad in de Nijldelta tusschen den

Mendesischen en den Phatnitischen arm.

Thoana = Dana.

Thoantea, bijnaam van de taurische Artemis, naar Thoas, koning

van Tauris.

Thoantias, Thoantias, Hypsipyle, dochter van Thoas.

Thoas, Thoas, 1) zoon van Borysthenes, koning van Tauris, onder wiens

regeering Iphigenia priesteres van Artemis was.--2) koning van Lemnus,

vader van Hypsipyle. Toen alle mannen van Lemnus door de vrouwen van

dat eiland gedood werden (z. Hypsipyle), werd hij alleen door zijn

dochter gered en verborgen gehouden; later werd hij echter gevonden

en ter dood gebracht. V. a. ontkwam hij naar Tauris of Oenoë.--3)

zoon van Iason en Hipsipyle.

Tholos, koepelvormig gebouw, te Athene een gebouw met koepeldak,

waar de prytanen hunne zittingen en maaltijden hadden.

Thonis, Thon, Thonis, Thon, koning van Aegypte, bij wien Menelaus op

zijn terugreis van Troje gastvrij ontvangen werd.

Thoon, Thoon, een Gigant, die bij de Gigantomachie door de Moerae

gedood werd.

Thoosa, Thoosa, dochter van Phorcys en Ceto, bij Poseidon moeder

van Polyphemus.

Thorax, Thorax, 1) bergrug in Messenië.--2) berg in Lydia.

Thoria (lex), zie agrariae leges.

Thoricus, Thorikos, attische demus aan de Oostkust van Attica's

Zuidspits, een weinig ten N. van kaap Sunium.

Thospites, Thespites (lacus), ook Arsissa genoemd, groot meer in

Armenia Maior, tgw. meer van Wan.

Thracia, Thrake, Threikie, het land ten N. der Aegaeïsche zee en der

Propontis tot aan den Pontus Euxinus, met grieksche volkplantingen

bezet, overigens door krijgshaftige en roofzieke, eeuwig twistende, aan

dronkenschap verslaafde, doch niet onbeschaafde stammen bewoond. Ten

gevolge van hunne verdeeldheden werden zij gemakkelijk door de Perzen

onderworpen. Na de nederlagen der Perzen in Griekenland gelukte het aan

een thracisch vorst, Sitalces, zijn volk, de Odrysen (z. a.), tot het

heerschende te maken en een thracisch rijk te stichten (zie Sitalces en

Seuthes). Onder Philippus en Alex. den Gr. lijfde Macedonia het eene

stuk van Thracia na het andere in, doch na den dood van Lysimachus

ging de macedonische overheersching allengs te gronde en werd Thracië

weder een tooneel van verwarring, totdat het land voor en na onder

de Rom. kwam. De Rom. gaven aan de streek tusschen den Donau en den

Haemus den naam van Moesia (z. a.). De voornaamste volken van Thracia

waren de Cicones aan de Zuidkust, de Odrysae aan den Hebrus, de Bessi

in het Haemusgebergte. In Thracia behoort de mythe van Orpheus te huis.

Thracium, Thrakion, een plein in Byzantium.

Thrasea Paetus (P. Clodius), senator onder de regeering van Nero,

gevoelde een diepen afkeer van den keizer en onttrok zich sedert 63

n. C. op in het oog loopende wijze aan alle staatszaken, feestmalen

en openbare samenkomsten. Zelfs het theater meed hij. Zijne vijanden

maakten hem bij den keizer verdacht en hij werd door den senaat

veroordeeld. Men liet hem de keus van zijn dood, waarop hij zich de

aderen liet openen en met stoicijnsche kalmte stierf (66), naar het

voorbeeld van Cato van Utica, op wien hij vroeger eene lofrede had

geschreven. Zijne vrouw Arria was eene dochter der heldhaftige Arria,

die met Caecina Paetus gehuwd was.

Thraso, Thrason, 1) Athener, die de thebaansche vluchtelingen

bijstond bij het verdrijven van de Spartanen uit de Cadmea.--2)

beroemd beeldgieter ten tijde van Alexander d. G.--3) in de nieuwe

comedie komt geregeld de rol voor van een snoevend soldaat, die den

naam Th. (Durfal) draagt.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 137 / 150 段