Teruncius, rom. gewicht en zilveren muntstukje = 3 unciae of 1/4 as.

Tervingi, naam der Visi-Gothi of West-Gothen, tijdens hun verblijf

in Dacia (± 257-± 376).

Tessera, zie tabula.

Testa, zie Trebatius.

Testamentum. Er zijn oudtijds in Rome drie soorten van testamenten:--1)

het testamentum in comitiis calatis (zie comitia), waartoe tweemaal

in het jaar (waarschijnlijk op 24 Maart en 24 Mei) gelegenheid werd

gegeven. Oorspronkelijk gold dit slechts voor de patriciërs.--2)

het testamentum in procinctu, dat de soldaten vóór den slag konden

maken, en waarbij het leger getuige was.--3) het testamentum per aes et

libram, waarbij de erflater door mancipatio (z. a.) zijn goed tegen een

schijnprijs verkocht aan den erfgenaam, later aan een tusschenpersoon

(familiae emptor), die na den dood van den erflater de nalatenschap

volgens diens wil verdeelde. Het werd langzamerhand gebruik dezen wil

op schrift te brengen (tabulae testamenti), en de praetor gaf aan zulk

een geschreven testament rechtskracht, ook al waren de formaliteiten

der mancipatio daarbij verzuimd, indien het stuk maar voorzien was

van de zegels van zeven getuigen (testamentum praetorium), zie cera

en de afbeeldingen op bl. 161 en 162. Zie verder hereditas.

Testudo, schildpad, 1) een muziekinstrument, eene soort van lier of

citer, vermoedelijk in den oudsten vorm eene met snaren bespannen

schildpadschaal, hetgeen later weder de kunstenaars op het denkbeeld

gebracht kan hebben, onder de snaren een klankbodem aan te brengen.--2)

een schutdak, gevormd doordat eene afdeeling soldaten de schilden

boven hun hoofd aaneengesloten hielden en aldus voortmarcheerden om

tegen projectielen van belegerden beveiligd te zijn. De rom. soldaten

waren hierin zóó geoefend, dat soms boven op dit schildendak eene

andere afdeeling strijders post vatte.--3) een schutdak van balken,

waaronder de stormram werkte, testudo arietaria, zie aries.

Tethys, Tethys, dochter van Uranus en Gaea, bij Oceanus moeder der

Oceaniden en riviergoden.

Tetradrachmum, tetradrachmon, attische zilveren munt ter waarde van

4 drachmen.

Tetrakosioi, een raad van 400 personen, die gedurende eenige maanden

van het jaar 411 te Athene de regeering in handen had. Ontevredenheid

en mismoedigheid wegens den loop, dien de peloponnesische oorlog begon

te nemen, vooral wegens het ongelukkig einde van de onderneming tegen

Sicilië, had reeds vroeger bij velen het verlangen naar een of andere

verandering in het staatsbestuur doen ontstaan, en bij de verkiezing

der probouloi (z. a.) in 413 had, naar het schijnt, de oligarchische

partij een belangrijke overwinning behaald. Van den daardoor verkregen

invloed wist men, voor zoover de omstandigheden het toelieten, behendig

gebruik te maken om de gemoederen op de voorgenomen omwenteling voor te

bereiden, en toen er geruchten verspreid werden, dat door Alcibiades,

die toen bij Tissaphernes in hoog aanzien stond, een bondgenootschap

met den koning van Perzië tot stand gebracht zou kunnen worden, mits

de regeering in oligarchischen zin veranderd was, achtte men het tijd

handelend op te treden. Aan Pisander (z. a.) en de zijnen gaf het volk,

hoewel met grooten tegenzin, volmacht om met Alcibiades en Tissaphernes

te onderhandelen, en ofschoon deze onderhandelingen tot niets leidden,

meende de oligarchische partij nu niet te moeten terugtreden. Te

Athene hadden zich ondertusschen de oligarchische clubs (hetairiai,

z. a.) vereenigd en voerden er in het duister een soort schrikbewind,

de hevigste voorstanders der democratie werden heimelijk uit den

weg geruimd en den anderen daardoor zoo groote schrik aangejaagd,

dat de volksvergadering bij de terugkomst van Pisander alles aannam

wat hij wilde. Wel werd vooreerst slechts besloten, dat de probouloi,

voor deze gelegenheid ten getale van 30, zouden belast worden met het

doen van de noodige wetsvoorstellen, en bepaalde zich ook de door hen

voorgestelde verandering tot de opheffing der graphe paranomon, maar

de oligarchen, zonder twijfel hierop voorbereid, kwamen terstond na

aanneming daarvan met verschillende voorstellen voor den dag, waarvan

de strekking was, dat zoolang de oorlog duurde geen ambt meer bezoldigd

zou worden, dat de regeering voorloopig zou berusten in handen

van een raad van 400, dat de volksvergadering tot de meergegoeden,

minstens 5000 personen, beperkt zou worden en bijeengeroepen, wanneer

de raad het noodig vond. Deze raad werd aldus saamgesteld: het volk

wees 5 mannen aan, die op hun beurt 100 kozen, van welke ieder zich 3

moest coöpteeren. Doch hoewel dit alles gereedelijk werd aangenomen,

was de nieuwe toestand niet van langen duur. De vloot, die bij Samus

lag, verklaarde zich reeds dadelijk tegen de regeering der 400,

riep Alcibiades uit de ballingschap terug, en liet zich slechts met

moeite door dezen weerhouden van pogingen tot gewelddadig herstel

van den ouden regeeringsvorm. Ook in de stad zelve openbaarde zich

spoedig groote ontevredenheid; de 5000 werden nooit ter vergadering

opgeroepen, van het beloofde bondgenootschap met Perzië zag men niets

komen, en in plaats van den oorlog krachtig te voeren, trachtten de

400 met Sparta te onderhandelen. Het duurde niet lang of ook onder

henzelf ontstond verdeeldheid; de meesten (Phrynichus, Pisander,

Antiphon) bleven pogingen doen tot het verkrijgen van een vrede, op

welke voorwaarden dan ook, en werden zelfs wel niet geheel zonder grond

van verraderlijke plannen beschuldigd, anderen, waaronder Theramenes,

die niet zoo ver wilden gaan of, bij den te verwachten omkeer van

zaken, de gunst van het volk niet wilden verbeuren, onthielden zich

van al wat verdacht kon schijnen en traden zelfs in het openbaar

tegen hunne ambtgenooten op. Toen nu onder deze omstandigheden Euboea

inderdaad door verraad verloren ging, kwam het tot een uitbarsting, de

400 werden na eene regeering van vier maanden afgezet, de verdachten

onder hen vluchtten, en de oude toestanden werden hersteld, ofschoon

nog eenigen tijd de volksvergadering tot 5000 (v. a. 9000) personen

beperkt en eenige ultra-democratische instellingen afgeschaft bleven.

Tetralogia, tetralogia. Te Athene was het sedert Phrynichus of

Aeschylus gebruikelijk, dat ieder dichter, die bij den tragischen

wedstrijd naar den prijs mededong, vier stukken ten tooneele bracht;

deze vier stukken werden te zamen tetralogie genoemd. Drie er van

waren eigenlijke treurspelen en vormden eene trilogie, het vierde was

een satyrdrama (z. satyrica fabula). De oudere dichters behandelden

gewoonlijk in de drie treurspelen, en soms ook in het satyrdrama,

mythen, die in nauw verband met elkander stonden; bij Sophocles en

lateren is er tusschen de verschillende deelen der tetralogie geen

samenhang. De Agamemnon, Choëphori en Eumenides van Aeschylus zijn

de eenige thans nog bewaard gebleven treurspelen, die eene trilogie

vormen, zij hebben achtereenvolgens tot onderwerp: den moord van

Agamemnon, de wraak van Orestes, de verzoening der wraakgodinnen

van Clytaemnestra. Het bijbehoorend satyrdrama Proteus is verloren

gegaan. Van geen andere tetralogie bezitten wij nu nog meer dan

één stuk.

Tetrapolis, vierstedenverbond; 1) in Attica de vlekken Oenoë, Marathon,

Probalinthus en Tricorythus.--2) in Doris de stadjes Erineüs, Boeüm,

Pindus en Cytinium.--3) in Syria de steden Antiochia, Apamea, Laodicea

en Seleucia.--4) in Lycia: Cibyra, Oenoanda, Bubon en Balbura.

Tetrica rupes, steile, woeste berg in het sabijnsche land nabij de

grenzen van Picenum.

Tetricus (P. Esuvius), een der zoogenaamde 30 tyrannen onder de

rom. keizers, regeerde van 270-274 na C. over Gallia en Hispania,

doch riep, toen hij met boerenopstanden en muiterij onder zijn

troepen te kampen had, Aurelianus heimelijk te hulp. In den slag bij

Durocatalauni (Châlons-sur-Marne) werden toen de opstandelingen door

Aurelianus verslagen (274) en Tetricus afgezet.

Tettarakonta, z. dikastai.

Teucer, Teukros, 1) zoon van den riviergod Scamander en de nimf Idaea,

eerste koning van Troje, naar wien de Trojanen Teucriërs genoemd

worden. Hij nam Dardanus gastvrij bij zich op en gaf hem zijne dochter

Batea of Arisbe tot vrouw. V. a. kwam hij met Scamander van Creta

en werden zij door Dardanus in Troas ontvangen, waar zij den dienst

van Apollo Smintheus instelden.--2) zoon van Telamon en Hesione,

de bekwaamste boogschutter onder de Grieken voor Troje. Toen hij na

de inneming van Troje naar zijn vaderland terugkeerde, werd hij door

Telamon verstooten, omdat hij den dood van Aiax niet had gewroken,

hij ging naar Cyprus en stichtte daar de stad Salamis, waar zijne

nakomelingen de regeering behielden. V. s. keerde hij na den dood

van zijn vader nogmaals naar zijn vaderland terug, maar werd nu

door Eurysaces, den zoon van Aiax, verdreven, waarop hij zich naar

Gallaecia in Hispania begaf.

Teucri, Teukroi, dichterlijke naam der Trojanen, naar Teucer.

Teumessus, Teumessos, berg en stad in Boeotia ten N.O. van Thebae.

Teuta, Teuta, koningin van Illyrië, die na den dood van haar gemaal

Agron (231) de voogdij voerde over haar minderjarigen zoon Pinnes. De

Rom. zonden de gebroeders C. en L. Coruncanius als gezanten tot

haar om op beteugeling van den zeeroof aan te dringen, doch Teuta

werd zoo toornig over hunne vrijmoedige taal, dat zij een van beiden

liet vermoorden. Daarop volgde een wreedaardige oorlog, 229-228. Door

het verraad van Demetrius van Pharus, Teuta's stadhouder op Corcyra,

moest zij om vrede vragen, oorlogsschatting betalen, het zuidelijk

gedeelte van haar gebied (meest veroverd land) afstaan ten behoeve

van Demetrius (z. a. no. 7) en ook de voogdij aan hem overgeven.

Teutates, Theut., gallisch god, wien soms menschenoffers gebracht

werden, door de Rom. met Mercurius vergeleken.

Teuthrania, Teuthrania, het Z.W. gedeelte van Mysia, aldus genoemd naar

eene oude stad Teuthrania, de residentie der oude mysische koningen,

aan den Caicus door Teuthras gesticht.

Teuthras, Teuthras, 1) koning van Mysië, die Auge en later Telephus

gastvrij opnam.--2) of Teleutas, vader van Tecmessa.--3) een van de

tochtgenooten van Aeneas.

Teutobochus (Teutobodus), vorst der Teutones in den slag bij Aquae

Sextiae tegen Marius (102).

Teutoburgiensis silva, het tegenw. Teutoburgerwoud, waar in 9 na

C. Varus met drie legioenen door den Cheruscer Arminius overvallen

en verslagen werd.

Teutones, -ni, Teutones, een germaansche volksstam, in 102 door

C. Marius vernietigd. Ze woonden in de nabijheid der Cimbren, en worden

reeds in de 4de eeuw genoemd als opkoopers van het barnsteen, dat

op de Noordzee-eilanden en vooral op Borkum (zie Glaesariae Insulae)

gewonnen werd. Evenals van de Cimbren was ook van de Teutonen bij den

uittocht van 113 een gedeelte in het land achter gebleven. Zie verder

Cimbri. V. s. zijn de Teutones identisch met de keltische Toygeni,

een gouw der Helvetii.

Texuandri of Toxandri, waarschijnlijk een afdeeling der Menapii,

woonden in Braband, in de latere gouw Toxandria.

Thaenae, stad in het Z. van Africa vetus, aan de kust.

Thais, Thaïs, eene om haar schoonheid beroemde hetaere van Athene,

ging met Alexander d. G. naar Azië, en werd na zijn dood de bijzit

van Ptolemaeus Lagi. V. s. zou zij Alex. aangespoord hebben Persepolis

in brand te steken.

Thala, Thala, groote stad in Numidia, in het Z.O. aan den rand

der woestijn; later behoorde het tot Africa vetus; het ligt in den

N.W. hoek van Byzacium.

Thalamae, Thalamai, 1) stad in Messenia, aan de Messenische golf nabij

Pherae.--2) stad aan de Westkust van Laconië, aan diezelfde golf,

eenigszins zuidelijker.--3) sterkte in Acrorea, in Elis.

Thalassio, -sius = Talassio.

Thales, Thales, van Miletus (640 of 624-546), de eerste der grieksche

wijsgeeren, nam als grondstof van het bestaande het water aan,

waarop volgens hem de aarde, die den vorm van een schijf heeft,

drijft. Hij wordt ook de grondlegger van de grieksche wis- en

sterrenkunde genoemd en zoude de zonsverduistering van 28 Mei 585

voorspeld hebben. Hij hielp Croesus op zijn tocht tegen Cyrus bij het

afdammen van de rivier Halys en stelde de vorming van een ionischen

bondsstaat voor ter verdediging tegen de aanvallen der Perzen. Als

een van de zeven wijzen, onder welke hij de wijste genoemd wordt, had

hij tot spreuk, ti dyskolon; to gnonai heauton. ti d' eukolon; to allo

hypotithesthai. Geschriften heeft hij waarschijnlijk niet nagelaten.

Thaletas, Thaletas, beroemd lierzanger en toonkunstenaar van Creta,

die op bevel van het delphische orakel naar Sparta geroepen werd om

na een pest de stad door godsdienstige plechtigheden te reinigen. Hij

bleef er verder verblijf houden en voerde er verscheiden godsdienstige

gezangen in, door dans begeleid. Hij leefde waarschijnlijk op het

einde der 7de eeuw, hoewel hij soms een vriend van den wetgever

Lycurgus genoemd wordt.

Thalia, Thaleia, 1) de Muze van het blijspel, wordt afgebeeld met

een comisch masker en een thyrsusstaf in de hand en een klimopkrans

op het hoofd.--2) moeder der Palici.

Thalia, Thalia, eene van de Charites.

Thallo, Thallo, te Athene eene van de Horae.

Thallophoroi, z. Panathenaea.

Thalna, familienaam in de gens Iuventia.

Thamugadi, stad door Traianus aangelegd in de provincie Numidia of

Africa Nova, ten N. van het Audusgebergte. De stad, die onder het

woestijnzand bedolven was, is in de laatste jaren der vorige eeuw

door de Franschen weer opgegraven, en wordt om zijn goed bewaard

gebleven gebouwen uit den keizertijd het afrikaansche Pompeii

genoemd. Tgw. Timgad.

Thamyris, Thamyris, Thamyras, zoon van Philammon en de nimf

Argiope, oud-thracisch zanger, een van de oudste grieksche epische

dichters. Nadat hij bij de pythische spelen verscheiden overwinningen

had behaald, werd hij zoo trotsch, dat hij de Muzen tot een wedstrijd

durfde uitdagen, hij werd overwonnen en tot straf van het gezicht en

van de gave van het gezang beroofd.

Thapsacus, Thapsakos (= vadum), aan den Euphraat, belangrijke oude

stad en de zuidelijkste plaats waar de rivier nog te doorwaden was

voor kameelen. Seleucus Nicator herdoopte het in Amphipolis. Th. was

eenmaal de noordelijkste stad in het rijk van Salomo.

Thapsus, Thapsos, 1) stad op de kust van Byzacium in Africa propria,

bekend door de overwinning, die Caesar in 46 op het pompejaansche

leger en op Juba behaalde.--2) megarensische volkplanting op de

Oostkust van Sicilia ten N. van Syracuse.

Thargelia, Thargelia, het voornaamste feest der Atheners ter eere

van Apollo, den 6en en 7den Thargelion, de geboortedagen van Artemis

en Apollo, gevierd. Oorspronkelijk een feest ter eere van het rijpen

der veldvruchten of v. a. tot afwering van booze geesten, werd het

later hoofdzakelijk een reinigings- en verzoeningsfeest, waarop men

nog tot in de zesde eeuw twee ter dood veroordeelde misdadigers

onder fluitspel buiten de stad voerde en als zoenoffers voor den

geheelen staat ter dood bracht. Overigens was het een vroolijk feest,

waarbij men den tocht van Theseus naar Creta en zijne overwinning op

den Minotaurus herdacht. Ter herinnering hieraan vertrok jaarlijks

omstreeks denzelfden tijd een schip uit Athene, om een feestgezantschap

naar Delus te voeren, dat daar aan Apollo offers brengen moest.--Ook

in de ionische koloniën werden de Th. gevierd.

Thargelion, Thargelion, 11de maand van het Attische jaar (Mei-Juni),

z. Annus.

Thasus, Thasos, eiland nabij de thracische kust tegenover den mond

van den Nestus, een eiland, rijk aan wit marmer en hout, oudtijds

ook aan koren, wijn en goud. De goudmijnen, door de Phoeniciërs

ontdekt, zijn geheel uitgeput. Het werd in de 7de eeuw van uit Parus

gekoloniseerd. De Thasiërs onderwierpen zich in 492 aan de Perzen,

doch traden later tot het attische zeeverbond toe, waarvan zij wel in

465 en 411 poogden af te vallen, doch zonder ander gevolg dan dat hun

eiland in 463 door Cimon, in 407 door Thrasybulus heroverd werd. Na

den peloponnesischen oorlog legde Sparta de hand op het eiland,

later kwam het onder Macedonia.

Thaumantias, Thaumantias, -tis, Iris, dochter van Thaumas.

Thaumas, Thaumas, zoon van Pontus en Gaea, een zeegod, bij de Oceanide

Electra vader van Iris en de Harpyieën.

Thaumacia, Thaumakia, zeestad aan de kust van Magnesia, in Thessalia.

Thea, Theia, dochter van Uranus en Gaea, bij haar broeder Hyperion

moeder van Helius, Eos en Selene.

Theaetetus, Theaitetos, van Sunium, leerling van Socrates, naar wien

Plato een van zijne dialogen genoemd heeft.

Theagenes, Theagenes, 1) van Thasus, zoon van Heracles of van

Timosthenes, een priester van Heracles. Hij muntte uit door

buitengewone lichaamskracht en behaalde bij alle wedstrijden

de overwinning, zoodat hem op vele plaatsen standbeelden werden

opgericht. Ook op Thasus stond zulk een beeld, en toen Th. gestorven

was, ging een zijner vijanden des nachts naar dit beeld en geeselde

het, totdat het van zijn voetstuk viel en den man verpletterde. Toen

echter de Thasiërs het beeld daarom in zee geworpen hadden, kwam er

hongersnood in het land, en deze eindigde eerst, toen het beeld door

visschers weder opgehaald en op bevel van een orakel op zijn oude

plaats hersteld was.--2) van Rhegium, wordt genoemd als de eerste, die

over Homerus geschreven heeft. Hij was een tijdgenoot van Cambyses.--3)

van Nisaea, wist zich den steun der armere burgers tegen de rijken en

edelen te verzekeren en maakte zich zoo van de tyrannie over Megara

meester, later werd hij echter verdreven. Hij was de schoonvader van

Cylon, dien hij bij zijn aanslag met troepen steunde.--4) veldheer

der Atheners in den slag bij Chaeronea.

Theano, Theano, 1) eene van de Danaiden.--2) dochter van Cisseus,

gemalin van Antenor, priesteres van Athena te Troje.--3) echtgenoote,

dochter of leerlinge van Pythagoras, aan wie eenige werken over

zijn leven en leer toegeschreven werden.--4) priesteres te Athene,

die weigerde te gehoorzamen aan het bevel, dat alle priesters en

priesteressen Alcibiades zouden vervloeken.

Theatrum, theatron. Na hetgeen onder het artikel amphitheatrum over

de zitplaatsen is gezegd, zal de inrichting van het theater der ouden

gemakkelijk te begrijpen zijn uit achterstaande teekeningen, waarvan

de eene den plattegrond van het theater te Herculaneum voorstelt,

de andere een gedeelte der overblijfselen van het theater te Aspendus

in Pamphylia. Op de eerste ziet men de concentrische rijen zitbanken

(B B), door de trapsgewijze oploopende tusschenpaden (a a) in wiggen

(cunei, kerkides) afgedeeld. Deze cunei hebben uitgangen (b b) op

de rondloopende corridors, diazomata (A A, zie de afbeelding bij

balteus). C is de orchestra, orchestra, bij de Grieken bestemd voor

de reidansen der koren, te Rome sedert 194 tot zitplaatsen voor

de senatoren dienende; c is de lage voormuur van het tooneel D D,

waarvan de gemetselde achterwand drie openingen (e e e) heeft; dat

deze achterwand niet recht doorloopend, maar gebogen is, zal aan den

smaak van den bouwmeester hebben gelegen. Het tooneel vóór dezen wand

heette scena, skene, en wordt ook proscenium, proskenion, genoemd

in tegenstelling van de ruimte (E E) daarachter, het postscenium,

(wij zouden zeggen: achter de schermen), waar zich kleedkamers,

bergplaatsen en machineriën bevonden. De ruimte onder het tooneel

was het hyposkenion; moesten er schimmen of riviergoden opstijgen,

dan kwamen zij uit deze benedenruimte langs een trap of ladder, den

zoogenaamden charonischen trap charoneioi klimakes, door een luik op

het tooneel. Paraskenia zijn de zijwanden van het tooneel, rechts en

links. Ook had men toestellen, waarmede men goden uit de zoldering

liet nederdalen; vandaar de uitdrukking deus ex machina, om een knoop

door te hakken en het stuk tot een slot te brengen, wanneer geene

natuurlijke ontknooping mogelijk was. De ruimten f zijn misschien

eereplaatsen of loges voor personen van rang geweest. De achterwand

van het tooneel en ook het postscenium waren met verdiepingen, zooals

de tweede teekening te zien geeft. De gemetselde uitstekken, die men er

op aantreft, dienden tot bevestiging van het houten raamwerk, waarop de

schermen of coulissen gespannen waren. Het tooneel had dus eene groote

breedte, doch eene geringe diepte. De ruimte vóór het achterscherm

(dat natuurlijk uit verschillende naast elkander geplaatste stukken

bestond), heette vermoedelijk pulpitum, logeion. De zijschermen

waren op eene eigenaardige manier ingericht. Zij heetten periaktoi,

versurae, en bestonden uit vertikale driehoekige prisma's, die op een

spil draaiden en dus drie verschillende decoraties vertoonden, terwijl

het achterscherm door verschuiving werd veranderd. Het theologeion was

een zweeftoestel, van waar in sommige stukken een god uit den hoogen

zijn wil verkondigde. Over enkele verschillen tusschen het rom. en

grieksche theater, b.v. dat de ruimte voor het publiek bij het eerste

juist een halven cirkel vormde, bij het tweede nog over de middellijn

vooruitsprong, kunnen wij hier heenstappen. Te Athene begon men met

den bouw van het eerste steenen theater in het begin der 5de eeuw,

nadat de houten zitplaatsen en stellingen, waarop men tot dien tijd

de voorstellingen aanschouwd en gegeven had, waren ingestort. Te Rome

heeft het lang geduurd, eer er een steenen theater gebouwd werd. Bij

ludi scenici werd er een tooneel van hout opgeslagen en na afloop der

feesten weder afgebroken. Zitplaatsen waren niet aangebracht, men moest

staan of een stoel medebrengen. In 174 lieten de censoren Q. Fulvius

Flaccus (Fulvii no. 6) en A. Postumius Albinus (Postumii no. 12) eene

vaste steenen scena bouwen. Twintig jaar later beproefden de censoren

M. Messalla en C. Cassius Longinus (Cassii no. 6) aan de helling van

den Palatinus een steenen theater te bouwen, doch P. Cornelius Scipio

Nasica, die op dat tijdstip nog consul was (ten tweeden male) liet het

afbreken en de materialen publiek verkoopen, terwijl bij senaatsbesluit

het zitten bij tooneelvoorstellingen werd verboden. In 146 verrees

een volledig theater met zitplaatsen, doch wederom van hout en slechts

tijdelijk. Eerst in 55 liet Pompeius een geheel steenen theater bouwen

met 40000 zitplaatsen, in 13 verrees het tweede, door L. Cornelius

Balbus (Cornelii no. 29) bekostigd en voor 30000 personen ingericht,

en later het theatrum Marcelli, door Augustus aan de nagedachtenis

van zijn schoonzoon gewijd, ook met 30000 plaatsen. De toeschouwers

zaten in de open lucht; later spande men zeilen boven hun hoofd uit

(zie amphitheatrum). Te Athene werd een entree van 2 obolen geheven

(zie theorikon); te Rome betaalde men geen entree, want de spelen waren

geschenken, aan het volk aangeboden; evenwel moest men een bewijs van

toegang (tessera, zie onder tabula) hebben. Het voorscherm werd bij het

begin der voorstelling niet opgehaald, maar zakte weg en werd bij het

einde weder omhoog getrokken (zie aulaeum), vandaar aulaeum manere =

tot het einde toe blijven, het einde afwachten.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 135 / 150 段