stad in het Z. van Italia, aan een inham in den N.O. hoek van den
sinus Tarentinus gesticht door Iapygiërs, doch later gekoloniseerd
door de uit Sparta verdreven Partheniae onder aanvoering van
Phalanthus (707), vandaar bij Horatius de benaming Lacedaemonium
Tarentium. Tarentum, in eene allerbekoorlijkste streek gelegen,
machtig door zeevaart, handel en nijverheid, verhief zich spoedig
boven de andere grieksche volkplantingen van Magna Graecia, doch
verviel ook tot een weelderigheid, die zijn ondergang ten gevolge
had. De houding der Tarentijnen gedurende de samnietische oorlogen
bracht hen in botsing met Rome. Zij riepen Pyrrhus, koning van Epirus,
te hulp, die echter na twee overwinningen en ééne nederlaag Italia
moest verlaten (275). De strijd, thans al te ongelijk, eindigde in
272 met de verovering der stad, die daarbij half werd verwoest. In
212 trachtten de tarentijnsche gijzelaars te Rome te ontvluchten,
doch werden bij Tarracina achterhaald, teruggebracht en, na gegeeseld
te zijn, van de Tarpejische rots geworpen. Op het bericht hiervan
zwoeren eenige aanzienlijke jongelingen te T. samen, en hun verraad,
geholpen door de zorgeloosheid van den rom. bevelhebber, speelde
de stad aan Hannibal in handen. De burcht bleef echter in het bezit
der Rom. In 209 werd T. door de Rom. heroverd en geplunderd, terwijl
alles, wat de soldaten ontmoetten, over de kling werd gejaagd en 30000
inwoners als slaven werden verkocht. In 122 werd er door C. Gracchus
eene rom. kolonie heen gebracht, en dank zij hare ligging, verhief
de stad zich weder tot een ongemeenen bloei, doch met de welvaart
keerden ook weelderigheid en verwijfdheid terug (molle Tarentum).
Tarichea, -cheae, Taricheia, -cheai, stad in Galilaea aan den
westelijken oever van het meer van Tiberias of Gennesareth. De
hoofdbron van bestaan was het zouten van visch, taricheuein, vandaar
de naam.
Tarne, Tarne, stad in Maeonia, bij Homerus vermeld.
Tarpa, zie Maecius Tarpa.
Tarpeii. 1) Sp. Tarpeius, bevelhebber van den burcht op den
capitolijnschen berg in den oorlog na den sabijnschen maagdenroof, zou,
volgens de sage, Rome aan de Sabijnen hebben willen overleveren, doch
werd door Romulus met zijne dochter Tarpeia ter dood gebracht. Volgens
een ander verhaal zou Tarpeia de Sabijnen hebben binnengelaten, onder
belofte dat deze haar zouden geven wat zij aan den linkerarm droegen,
waarmede T. een gouden armband bedoelde. Toen zij echter het Capitool
bezet hadden, wierpen zij hunne schilden, die zij ook aan den linkerarm
droegen, op het meisje, dat daaronder verpletterd werd. De steile
rots, op welks top dit gebeurd was, aan den zuidhoek van het Capitool,
kreeg en behield den naam saxum Tarpeium. Van deze rots werden soms
ter dood veroordeelde staatsmisdadigers afgeworpen. Zie Capitolinus
(mons).--2) Sp. Tarpeius Montanus Capitolinus, consul in 454; zie
lex Aternia Tarpeia.
Tarpeium (saxum), zie Tarpeii no. 1 en Gemoniae scalae, en Capitolinus
(mons).
Tarpeius, bijnaam van Jupiter Capitolinus, naar de Tarpejische rots
nabij zijn tempel.
Tarphe, Tarphe, locrische stad in een boschrijke streek aan den berg
Cnemis, bij Homerus vermeld, met een tempel van Hera. Later Pharygae,
Pharygai.
Tarquinii, een etruscisch geslacht. 1) L. Tarquinius Priscus, vijfde
koning van Rome. Volgens de sage zou hij de oudste zoon geweest zijn
van den te Tarquinii gevestigden Corinthiër Demaratus (z. a. no. 2),
op raad zijner echtgenoote Tanaquil zou hij naar Rome verhuisd zijn en
daar zijn etrurischen naam Lucumo tegen dien van Tarquinius verwisseld
hebben. Op zijn tocht, toen hij Rome reeds in het gezicht had, was een
arend op hem toegevlogen, had hem den hoed afgenomen en dien weder op
zijn hoofd laten vallen, waaruit Tanaquil hem een luisterrijke toekomst
voorspelde. Te Rome maakte hij zich door vriendelijkheid en mildheid
bemind en won het vertrouwen van Ancus Marcius, die hem tot voogd over
zijne zonen benoemde. Na Ancus' dood nam Tarq. echter zelf bezit van
den troon, met goedkeuring van senaat en volk. Hij verfraaide Rome,
liet o. a. den circus maximus en de beroemde cloacae bouwen (volgens
sommige nieuweren zijn de cloacae eerst in het begin der 2de eeuw
aangelegd), legde op den Capitolinus de fundamenten van den grooten
tempel van Jupiter, Juno en Minerva, nam nieuwe geslachten onder
de patriciërs en 100 nieuwe leden in den senaat op (patres minorum
gentium), verdubbelde het getal equites, oorloogde voorspoedig tegen
Sabijnen en Latijnen, stelde de ludi Romani in, enz. Na eene 38-jarige
regeering (616-579) werd hij door de zoons van Ancus Marcius vermoord
en door Servius Tullius (z. a.) opgevolgd. Hetzij Tarquinius Priscus
langs vreedzamen weg op den troon is gekomen, hetzij de Etruscers als
veroveraars zijn opgetreden, met zijne troonsbeklimming treedt eene
etrurische dynastie op, en etrurische invloed op de rom. instellingen,
vooral wat koninklijke praal en godenvereering betreft, is niet
te loochenen.--2) L. Tarquinius Superbus, laatste koning van Rome
(534-510), schoonzoon van Servius Tullius, beklom den troon door eene
omwenteling, die aan Servius het leven kostte. Hij bracht ook het
zijne bij tot verfraaiing der stad, en voltooide o. a. den tempel op
het Capitool; hij breidde door list zoowel als door kracht van wapenen
het rom. gebied uit, versloeg de Volscen, maakte Rome tot hoofd van het
latijnsche verbond en stichtte tot teeken daarvan op den Aventinus den
bondstempel van Diana. Doch hij regeerde als een dwingeland, ontzag de
patriciërs evenmin als de plebejers en stoorde zich aan senaat noch
wetten. De overmoed zijner zoons, waarvan een, Sextus, de kuische
Lucretia met geweld onteerde, deed de maat overloopen; Tarquinius,
die juist de stad Ardea belegerde, vond bij zijne terugkomst de poorten
van Rome gesloten en de koninklijke waardigheid afgeschaft. Hij zocht
eerst hulp bij de etrurische steden Tarquinii en Veii, daarna bij
koning Porsena van Clusium, vervolgens bij zijn schoonzoon Mamilius
Octavius, dictator van Tusculum, die de Latijnen tot het verleenen
van bijstand overhaalde. De slag bij het meer Regillus verijdelde
ook deze laatste hoop en de verdreven koning begaf zich naar Cumae,
waar hij overleed. De andere Tarquinii verhuisden naar Caere, waar hun
familiegraf in 1847 ontdekt is. Toch vindt men ook later nog Tarquinii
in Rome.--3) L. Tarquinius Collatinus, aldus genoemd omdat hij te
Collatia, een uur gaans van Rome, woonde, bekleedde na de onteering en
den zelfmoord zijner gemalin Lucretia (zie Lucretii no. 2) in 509 met
L. Iunius Brutus het eerste consulaat. Toen echter het volk besloot,
dat al wie tot de gens Tarquinia behoorde, met verbanning zou worden
getroffen, legde T. zijn ambt neder en trok naar Lavinium.
Tarquinii, Tarkynia, oude, beroemde stad in Etruria, aan de kust en de
via Aurelia gelegen, wellicht eenmaal het hoofd der 12 etruscische
bondssteden. Door de oorlogen met Rome geraakte de stad in een
staat van verval, waaruit zij zich niet weder verhief. De necropolis
der plaats (bij Corneto) heeft bij de opgravingen nog merkwaardige
vondsten opgeleverd.
Tarquitii, een rom. geslacht van weinig beteekenis. Vermeld zij
slechts Tarquitius Priscus, de aanklager van T. Statilius Taurus
(Statilii no. 5), wiens legatus hij geweest was. In 61 n. C. werd
hij zelf wegens knevelarij veroordeeld.
Tarracina, Tarrakine, latere naam van Anxur (z. a.), thans Terracina.
Tarraco, Tarrakon, massilische volkplanting aan de hispanische kust,
N.O.waarts van de monding van den Iberus (Ebro). In den tweeden
punischen oorlog werd het door de Scipio's zeer versterkt en tot een
hoofdarsenaal gemaakt. Onder Augustus werd het de hoofdplaats der
provincie Hispania Tarraconensis. Thans Tarragona.
Tarsus, Tarsos en -soi, oude hoofdstad van Cilicia, aan den Cydnus
in eene heerlijke streek gelegen, de geboorteplaats van den apostel
Paulus. Het was eene groote, welvarende stad, waar de studie van
letteren en wijsbegeerte bloeide, en die ook onder rom. heerschappij
belangrijk bleef, ofschoon zij meermalen te lijden had door de
invallen van roofzieke bergstammen, de Isauriërs. Ter eere van
C. Julius Caesar nam zij den naam Iuliopolis aan. Keizer Iulianus
(Apostata) werd er begraven.
Tartarus, Tartaros, rivier in Gallia Transpadana, thans Tartaro. Hij
stroomt tusschen Athesis en Padus, en stort zich vervolgens te midden
van moerassen in zee. Aan deze rivier lag Atria (Adria).
Tartarus, -ra, Tartaros, -ra, de onderaardsche diepte, waar de
Titanen, Cyclopen, Danaïden, Tantalus, Ixion e. a. hunne straffen
wegens ernstige vergrijpen tegen de goden ondergaan, even ver
beneden als de hemel boven de aarde, de woonplaats der Erinyen,
Nyx e. a., door eeuwige duisternis bedekt. Soms algemeen = de
onderwereld. Gepersonifiëerd is T. de zoon van Aether en Gaea, de
vader van Typhoëus, Echidna en de Giganten.
Tartessus, Tartessos. Dit is de oude naam voor Baetica, het
stroomgebied van de Baetis (Guadalquivir), die zelf ook Tartessus
genoemd wordt. De bewoners, Iberiërs, in het oude Testament Tarschisch,
bij de Grieken Tartessii, (Tartes(s)ioi), bij de Romeinen Turti
geheeten, splitsen zich later in de twee stammen der Turduli (in
het binnenland) en der Turdetani (aan de kust). De hoofdstad van
het land, ook Tartessus geheeten, lag op een eiland aan den mond der
Guadalquivir. Het land voerde al in de hooge oudheid edele metalen,
vooral zilver, uit. Bovendien zochten de inwoners met hun zeilschepen,
die beter dan de phoenicische tegen eb en vloed bestand waren, de tin-
en zilvermijnen van het N.W. van Spanje, en later de Cassiterides
insulae (z. a.) op. Hun handel maakte hen rijk en welvarend.
Taruenna, thans Thérouanne, stad der Morini, een volksstam op de
tegenw. vlaamsche kust.
Tarusates, volksstam in Aquitania, in de tegenw. Landes.
Tarutius, een geleerd wijsgeer, wiskunstenaar en astroloog, een vriend
van Varro en Cicero.
Tatianus, Tatianos, bijg. ho Syros, een Assyriër, die in de laatste
helft der 2de eeuw n. C. leefde, en na het bestudeeren der grieksche
wijsbegeerte tot het Christendom overging, dat hij in verscheiden
geschriften verdedigde. Hij hield eenigen tijd te Rome verblijf; na den
dood van Justinus Martyr (in 167 onthoofd) keerde hij naar het Oosten
terug, waar men hem later vindt als hoofd eener naar hem genoemde secte
(Tatianoi), die zich door een streng ascetisch leven onderscheidde.
Tatius (Titus), koning der Sabijnen, die na den sabijnschen maagdenroof
op Rome lostrok, maar na de verzoening tusschen Sabijnen en Rom. vijf
jaren gezamenlijk met Romulus over de vereenigde Tities en Ramnes
regeerde, tot hij bij een offer te Lavinium of te Laurentum vermoord
werd.
Tatta, groot zoutmeer op de grenzen van Lycaonia, Cappadocia en voor
een klein gedeelte ook van Galatia.
Tauchira, Taucheira, stad op de kust van Cyrenaica, met een beroemden
tempel van Cybele, later Arsinoë geheeten.
Taulantii, Taulantioi, illyrische volksstam bij Epidamnus (Dyrrachium).
Taüm, baai aan de Oostkust van Caledonia (Schotland), thans Firth
of Tay.
Taunus mons, gebergte in Germania, in het latere Nassau, thans nog
Taunus geheeten, bij Aquae Mattiacae (Wiesbaden).
Tauranitium, distrikt van Armenia, ten N. van Tigranocerta, ten
O. grenzende aan het meer Thospitis.
Taurasia, hoofdstad der Taurini, sedert Augustus rom. kol. onder den
naam Augusta Taurinorum, thans Turijn.
Taurentum, -roëntium, -rois, Tauroeis, sterk kasteel in het gebied
van Massilia (Marseille), op de kust van Narbonensis. Tgw. Tarente.
Tauri, Tauroi, wilde, ruwe volksstam in het Z.W. van de Chersonesus
Taurica, de tegenw. Krim, terwijl in het vlakke Noorden Scythen
woonden. Zij stonden onder een koning en leefden van roof en
oorlog. Aan hunne godin (Taurica dea, Taurione, Tauropolos),
die door de Grieken met Artemis vereenzelvigd werd, brachten zij
menschenoffers. Schipbreukelingen en krijgsgevangenen werden tot offers
bestemd, vooral als het Grieken waren. Wanneer de koning overleed,
werden zij, die hem het liefst waren, met hem begraven.
Taurii ludi, taurische spelen, door Tarquinius Superbus ingesteld ter
gelegenheid eener pest, tot verzoening der onderaardsche goden Dis en
Proserpina, ook werden Apollo als afweerder der pest en Diana Lucina,
benevens Jupiter en Juno aangeroepen. Het offer had 's nachts plaats
vóór de Porta Carmentalis. De spelen zelf werden gehouden in het Circus
Flaminius. De eenige keer, dat ze in historischen tijd gevierd zijn,
was in het jaar 186.
Taurica dea, Taurione, Tauro, Tauropolos, Artemis, zoo genoemd naar
haar tempel in Tauris, waar haar menschenoffers gebracht werden,
z. Iphigenia.
Taurini, Taurinoi of Taurinoi, ligurische volksstam ten Z. van den
Padus (Po). Hoofdstad Taurasia (Turijn). In hun gebied lag de saltus
Taurinus, waardoor de Galliërs en later Hannibal trokken bij hun
inval in Italië.
Taurisci, keltische stam in Noricum, waarvan de naam nog voortleeft in
het duitsche woord Tauern. Later worden ze gewoonlijk Norici genoemd.
Tauriscus, Tauriskos, beeldhouwer van Tralles; van hem en zijn
broeder Apollonius, is een beroemd werk, de farnesische stier,
bewaard gebleven.
Taurobolia, z. Rhea (Cybele).
Tauroëntium, Taurois = Taurentum.
Tauromenium, Tauromenion, thans Taormina, aanzienlijke stad aan de
Oostkust van Sicilia op den berg Taurus gelegen. Na de verwoesting van
het nabijgelegen Naxus in 358 door Dionysius I van Syracuse vestigden
zich de overgebleven Naxiërs in T., dat hierdoor aanmerkelijk werd
vergroot. In den sicilischen slavenopstand (141-132) had T. veel
te lijden. In Cicero's tijd was het eene civitas foederata, doch in
de burgeroorlogen moest het boeten voor zijn heulen met S. Pompeius
en werd er eene kolonie van rom. veteranen heengezonden. Nog vindt
men er belangrijke overblijfselen van het gedeeltelijk in de rotsen
uitgehouwen theater, dat meer dan 30000 toeschouwers kon bevatten.
Taurus, familienaam bij de Statilii (Statilii no. 4 en 5).
Taurus, Tauros, het sterrenbeeld de Stier, werd gehouden voor den
stier, die Europa ontvoerd had, of dien Poseidon aan Minos had
geschonken.
Taurus, Tauros, thans nog Taurus of Ala-Dagh geheeten, groote bergketen
in Asia minor, die op de kust van Lycia bij kaap Chelidonium begint
en door Pisidia en langs de N. grens van Cilicia loopt. Van daar
gaat een tak als Antitaurus N. O. waarts, doorsnijdt Cappadocia en
Armenia minor, om zich aan den mons Moschicus aan te sluiten, die
weder de verbinding met den Caucasus vormt. De andere tak behoudt den
naam Taurus en blijft in oostelijke richting doorloopen tot aan de
samenhangende meren Thospitis en Arsissa. De Euphraat breekt in zijn
loop door het gebergte heen. Een zijtak van den Taurus vormt de Amanus
(z. a.). De Taurus is tot aan zijn top met bosch begroeid.
Tavium, -via, Taouion, -ia, hoofdstad der keltische Trocmi in het
O. van Galatia, aan het kruispunt van verschillende groote wegen
gelegen en hierdoor belangrijk als stapel- en handelsplaats. Men vond
er een tempel en een kolossus van Zeus.
Taxiarchoi, te Athene 10 officieren, een uit iedere phyle. Zij voerden
het bevel over de door hun phyle geleverde troepen; in rang volgden
zij terstond op den opperbevelhebber.
Taxila, ta Taxila, hoofdstad van den indischen vorst Taxiles ten tijde
van Alexander den Gr., tusschen den Indus en den Hydaspes gelegen.
Taxiles, Taxiles, koning van Taxila, onderwierp zich aan Alexander
d. G. en voerde later voor hem tijdelijk het bewind over een deel
van Indië.
Taxis, de opstelling van een Grieksch leger vóór den slag. In den
Trojaanschen oorlog, zooals die door Homerus beschreven wordt, valt
het gevecht gewoonlijk uiteen in vele tweegevechten der basilees,
die met hun strijdwagens vóór de infanterie uitrijden, en het voetvolk
in vele phalanges opgesteld, heeft in het geheel geen invloed op den
uitslag van den strijd. In den historischen tijd zijn de strijdwagens
verdwenen, en het Grieksche leger bestaat uit één aanééngeschakelde
slaglinie (z. phalanx) van dichtopeengeplaatste zich met hun schilden
dekkende hopliten (z. hoplitai), die gewoonlijk 8 man diep opgesteld
worden.
Naast dit hoofdwapen had men dan nog de hulpwapens der hippes, toxotai,
peltastai, en andere psiloi (zie onder deze artikelen). Talrijk waren
deze burgerlegers niet; bij Marathon stonden hoogsten 5000 hopliten
tegenover 4000 Perzen; bij Plataeae, de grootste slag, dien de vrije
Grieken ooit geleverd hebben, stonden 20000 man tegen 18000 Perzen
en op de hand der Perzen strijdende Grieken.--Ieder hopliet had tot
zijn bediening een oppasser (z. psiloi). De hopliten waren, behalve
in Sparta de 2000 eigenlijke Spartiaten, geen beroepsoldaten. Maar
de algemeene voorliefde voor sport, ten minste bij de welvarenden,
maakte dat ze met geringe voorbereiding bekwaam waren voor het leveren
van een gevecht. Men naderde elkaar tot op 100 à 150 voet, en dan viel
men in draf aan. Daar nu alleen de linkerzijde door het schild gedekt
was, had elk grieksch leger de neiging, zich naar rechts te keeren,
om zoodoende een aanval in zijn rechterflank te vermijden. Ook
stonden op den rechtervleugel steeds de beste troepen. Zoodoende
kwam het vaak voor, dat de rechtervleugel van beide partijen het
won, en na het verslaan der linkervleugels met omgekeerd front
met elkaar afrekende. Eerst Epaminondas heeft met deze dwaze wijze
van vechten gebroken, en, door zijn kerntroepen 50 man diep op den
linkervleugel op te stellen (zie Phalanx) bij Leuctra de macht van
Sparta gebroken. Zie ook hamippoi. Omtrent de legers van Philippus en
Alexander van Macedonië zie men de artikelen: pezetairoi, hetairoi,
sarissa (het verschil tusschen hetairoi en sarissophoroi bestaat
daarin, dat de eersten van adel zijn).
Voor de uitrusting van den soldaat zie men onder: panoplia.
Taygete, Taygete, eene van de Pleiaden, bij Zeus moeder van Lacedaemon
en Eurotas. V. a. werd zij door Artemis in eene hinde veranderd om
haar aan de vervolgingen van Zeus te onttrekken.
Taygetus, -um, Taygetos, -on, ruw en woest grensgebergte tusschen
Laconica en Messenia, in kaap Taenarum (Matapan) uitloopende, met
loodmijnen en marmergroeven.
Teanum, Teanon, 1) Teanum Apulum, in het N. van Apulia nabij de kust,
aan den Frento.--2) Teanum Sidicinum, stad der Sidicini, geheel in
het N. van Campania, met warme baden.
Tearus, Tearos, rivier in Thracia, waarvan het water eene genezende
kracht uitoefende op huidziekten. De Tearus was een zijtak van den
Agrianes, die zich op zijne beurt in den Beneden-Hebrus stortte.
Teate, hoofdstad der Marrucini, op een steilen heuvel gelegen, niet
ver van de Adriatische zee.
Tecmessa, Tekmessa, dochter van den phrygischen koning Teuthras. Zij
werd door Aiax, den zoon van Telamon, op een strooptocht gevangen
genomen en werd bij hem moeder van Eurysaces.
Tectosages, Tektosages, een hoofdstam der keltische Volcae in het
Z. van Gallia Narbonensis, met de hoofdstad Tolosa (Toulouse). Ook
Narbo Martius (Narbonne) lag in hun gebied. Een gedeelte van dit volk
vindt men na verschillende zwerftochten in het W.-deel van Galatia
(z. a.) in Asia minor; hoofdstad: Ancyra.
Tegea, Tegea, belangrijke stad in het Z.O. van Arcadia in het
landschap Tegeatis, Tegeatis, met een krijgshaftige bevolking,
die herhaaldelijk hare vrijheid verdedigde tegen de aanslagen van
Sparta. Bij de Thermopylae en bij Plataeae gaven zij bewijzen van
groote dapperheid. Uit haat en naijver tegenover Mantinea koos Tegea
in den peloponnesischen oorlog partij voor Sparta, waaraan het ook
in den corinthischen oorlog trouw bleef; de slag bij Leuctra evenwel
(371) maakte de Tegeaten voor hunne eigene toekomst bezorgd en zij
sloten zich bij Epaminondas en de Thebanen aan. Later verloor Tegea
veel van zijn gewicht. Tegeaea, Atalante, dochter van Iasus uit Tegea.
Tegyra, Tegyra, stad in Boeotia, ten N. van het meer Copais, met een
tempel van Apollo.
Teichopoioi, eene commissie te Athene, die het toezicht had over de
werken tot onderhoud en vernieuwing van de stadsmuren, en de daarvoor
bestemde gelden beheerde.
Telamon, Telamon, zoon van Aeacus en Endeis. Na den moord van zijn
stiefbroeder Phocus vluchtte hij naar Salamis, hij huwde met de
dochter van koning Cychreus en volgde hem in de regeering op. Hij
nam deel aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht,
ook volgde hij Heracles op zijne tochten tegen de Amazonen en tegen
Laomedon en was hij de eerste die den muur van Troje beklom. Tot loon
voor zijne dapperheid werd hem de schoone Hesione, de dochter van
Laomedon, gegeven. Hij werd bij haar vader van Teucer en Trambelus,
bij eene andere gemalin, Eriboea, van Aiax. De stad Telamon in Etrurië
was door hem op zijn terugreis van den Argonautentocht gesticht.
Telamon, stad aan de kust van Etruria, ten N.W. van Cosa.
Telamoniades, -nius, Telamoniades, -nios, Aiax en Teucer, zonen
van Telamon.
Telchin, Telchin, zoon of v. a. vader van koning Apis (z. a.)
Telchines, Telchines, een priestergeslacht, dat in overoude tijden
van Creta naar Cyprus en van daar naar Rhodus trok. Zij worden zonen
van Thalassa en opvoeders van Poseidon genoemd. Zij waren groote
kunstenaars en uitvinders van de meeste handwerken, vooral waren zij
bekwaam in het bearbeiden van metaal, vandaar dat zij dikwijls met de
Cyclopen en idaeïsche Dactylen en verder met de Cureten en Corybanten
verwisseld werden. Ook waren zij machtige toovenaars, doch daar
zij hun macht ten nadeele van goden en menschen gebruikten, werden
zij door Apollo of door Zeus gedood.--V. a. verlieten zij Rhodus,
omdat zij eene overstrooming voorzagen, en begaven zij zich deels
naar Sicyon, deels naar Teumessus.--Naar hen wordt Rhodus Telchinis,
Creta en Sicyon Telchinia genoemd.
Telchinia, Telchinia, oude naam van Creta en Sicyon.
Telchinius, -nia, Telchinios, -nia, bijnaam van Apollo, Hera en Athena,
wier eeredienst door de Telchinen op Rhodus was ingevoerd.
Teleboae, Teleboai, z. Taphilae insulae.
Teleboas, Teleboas, zijtak van den Euphraat, in Armenia.
Teleclides, Telekleides, dichter der oude attische comedie,
tegenstander van Pericles.
Telegonus, Telegonos, 1) z. Proteus.--2) zoon van Odysseus en
Circe. Door zijne moeder uitgezonden om Odysseus te zoeken, landde
hij bij toeval op Ithaca, waar hij, door honger gedreven, begon te
plunderen en veel schade aanrichtte. Odysseus en Telemachus trokken
hem te gemoet, en in den strijd, die hierop ontstond, doodde T. zijn
vader zonder hem te kennen. Later huwde hij met Penelope en trok hij
naar Italië, waar hij Tusculum en Praeneste stichtte.
Telemachus, Telemachos, zoon van Odysseus en Penelope, was nog een
zeer jong kind, toen zijn vader naar Troje vertrok. Toen deze 20 jaar
afwezig was geweest, ging T., op raad en gedeeltelijk onder geleide
van Athena, Nestor en Menelaus bezoeken om inlichtingen omtrent zijn
vader in te winnen. Bij zijne terugkomst ontkwam hij gelukkig aan
een hinderlaag, hem door de vrijers van Penelope gelegd; kort daarop
vond hij zijn vader weder on hielp hij dezen bij de wraak, die hij
op de vrijers nam. Na den dood van zijn vader ging hij met Telegonus
naar Aeaea, hij huwde met Circe en kreeg bij haar een zoon, Latinus,
die echter v. a. een zoon van Odysseus en Circe was. Of hij huwde
met de dochter van Circe, Cassiphone, die hem doodde, nadat hij hare
moeder had omgebracht. V. a. huwde hij met Nausicaa, de dochter van
Alcinous, of met Polycaste, de dochter van Menelaus, en had hij bij
eene van deze beide een zoon, Ptoliporthes. Ook wordt nog verhaald,
dat hij naar Italië gegaan zou zijn, en dat daar zijne dochter Roma
met Aeneas huwde.
Telemus, Telemos, zoon van Eurymus, waarzegger bij de Cyclopen.
Teleontes, v. s. betere lezing voor Geleontes.
Telephanes, Telephanes, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche
teekenaars.--2) bekwaam metaalgieter van Phocis of Phocaea, weinig
populair, omdat hij voor Darius en Xerxes werkte of omdat hij in
Thessalië woonde.
Telephassa, Telephassa, echtgenoote van Agenor, vergezelde haar zoon
Cadmus op zijne tochten, totdat zij in Thracië stierf.