Syria, Syria. Onder dezen naam verstond men oudtijds het oostelijke

kustland der Middellandsche zee, van de golf van Issus tot Aegypte,

met inbegrip van Phoenicië en Palaestina, en landwaarts in tot aan

de woestijn. Neemt men Phoenicië en Palaestina er af, dan blijft

voor Syria in engeren zin het volgende over: Commagene in het N.O.,

Syria superior en Coelesyria. Het land was arm aan water; de grootste

rivieren zijn de Orontes en de Jordaan, Syrië bestond oudtijds uit

verschillende rijkjes, die herhaaldelijk met de Israëlieten in oorlog

waren en evenals de rijken van Israël en Juda de prooi werden van

Assyrië en Babylonië en daarmede onder Perzië kwamen. Na den dood

van Alex. d. Gr. ontstond het machtige Seleucidenrijk, dat bijna het

geheele aziatische gedeelte van Alexanders rijk omvatte. Bithynia,

Paphlagonia, Pontus en Cappadocia erkenden Seleucus' opperhoogheid,

Pergamus stelde zich in 284 onder zijne bescherming. Onder Seleucus'

zoon Antiochus I Soter (280-261) ging het gezag over de genoemde

vasalstaten verloren; onder Antiochus II Theos (261-247) het geheele

oosten van het rijk, waaruit twee nieuwe staten, Bactrië en Parthië

ontstonden; Antiochus III de Groote (224-187) verloor aan de Rom. wat

hij nog in Voor-Azië bezat; daarentegen won hij Phoenicië en Judaea

van Aegypte (200), welke gewesten hij echter niet behield. Onder

Antiochus IV Epiphanes (175-164) werden Phoenicia en Palaestina

wel opnieuw veroverd, doch in den opstand der Maccabaeën vochten

de getergde Joden zich vrij. Van nu af aan is Syrië een rijk van

ondergeschikt belang. In 70 werd het door Tigranes van Armenië

veroverd; twee jaar later, toen Tigranes verslagen was, werd door

L. Licinius Lucullus wel nog een Seleucide op den troon van Syrië

geplaatst, Antiochus XIII, doch Pompeius zette dezen eenvoudig af en

gaf hem Commagene, met de bewering, dat na de nederlaag van Tigranes de

door dezen verdreven Seleuciden niet billijkerwijze over Syrië konden

blijven heerschen. Syria werd nu rom. provincie (63). Het werd niet

dadelijk geheel bij Rome ingelijfd; enkele distrikten, als Chalcidene,

Emesa, Abilene, Damascus, werden nog voor korter of langer tijd aan

schijnkoninkjes afgestaan (zie ook Palaestina), doch ten tijde van

Hadrianus was alles voor goed ingelijfd. Syria werd toen gesplitst in

Syria Coele of Magna Syria, ook kortweg Syria genoemd, Syria Phoenice

en Syria Palaestina, het laatste met Caesarea tot hoofdstad. In 430 na

C. was Syria aldus verdeeld: Syria I met Antiochia, S. II met Apamea,

Phoenicia I met Tyrus, Ph. II met Damascus, Palaestina I met Caesarea,

Pal. II met Scythopolis, Pal. III met Petra tot hoofdstad.

Syria dea, Syria theos = Dercetis en Astarte.

Syriae portae, zie Amanus.

Syrinx, Syrinx, dochter van den riviergod Ladon. Toen zij voor Pan

vluchtte, die haar met zijne liefde vervolgde, werd zij op hare

bede door haar vader in riet veranderd, waaruit Pan zich de eerste

herdersfluit sneed, die haar naam kreeg. Deze fluit (fistula) bestaat

uit 7 of meer rietpijpen van ongelijke lengte of dikte, met was

aan elkander verbonden. De herders maakten zich zulk een instrument

gewoonlijk zelf en bespeelden het dikwijls met groote bekwaamheid.

Syrma, syrma, slepend tooneelgewaad, door de tooneelspelers gedragen,

die goden of heroën voorstelden. Zij schenen door deze dracht grooter.

Syrtes, Syrteis, twee inhammen op de kust van het tegenw. Tripoli;

de Syrtis magna heet thans golf van Sidra, de Syrtis minor golf van

Cabes; de naam komt van syrein.

Syrtica regio, Syrtike, het kustland tusschen de Syrten, ook

Tripolitana genaamd naar de steden Leptis, Oea en Sabrata.

Syrus (Publilius), zie Publilius Syrus.

Syrus, Syros, thans Syra, een der Cycladische eilanden, bij Homerus

Syrie genoemd en door hem afgeschilderd als rijk aan koren, wijn

en vee.

T.

Tabae, Tabai, 1) stad in het perzisch-medische distrikt Paraetacene,

aan den heerweg van Persepolis naar Ecbatana.--2) bergstad aan de

O. grens van Caria.

Tabella, zie tabula.

Tabellariae (leges), de 4 wetten, waarbij geheime stemming met

stembordjes, tesserae of tabellae, in de comitiën werd ingevoerd. 1)

lex Gabinia, van een overigens onbekenden volkstribuun A. Gabinius,

voor de kiescomitiën, in 139.--2) lex Cassia, van den volkstribuun

L. Cassius Longinus, 137, voor rechterlijke comitiën, behalve

in zaken van perduellio.--3) lex Papiria, van den volkstribuun

C. Papirius Carbo, 131, voor wetgevende comitiën.--4) lex Caelia van

den volkstribuun L. Caelius, 107, ook voor perduellio. Zie ook tabula.

Tabellarius, postbode. De ouden kenden geene geregelde postverzending,

doch menschen, die geregeld in betrekking stonden met het buitenland of

die een werkkring in de provinciën hadden, hielden er eigen tabellarii

op na, die de correspondentie over en weer brachten en dan ook voor de

vrienden hunner patroons brieven medenamen, zoodat er op deze wijze

een vrij levendig brievenverkeer tusschen Rome en de verschillende

deelen des rijks plaats had. De stadhouders hadden hunne koeriers,

statores. Augustus organiseerde eene keizerlijke koerierpost, waartoe

op verschillende punten wisselplaatsen, mutationes, waren gevestigd, om

versche paarden te verkrijgen, en op sommige halten gelegenheid was te

overnachten, mansiones. Behalve de keizerlijke koeriers, speculatores,

en ambtenaren in dienst, mocht niemand van de postrijtuigen gebruik

maken zonder speciale schriftelijke vergunning, diploma.--De perzische

koningen hadden eene uitstekend ingerichte koerierpost te paard. De

dépêches werden in vollen ren van het eene station naar het andere

overgebracht, waar steeds een koerier, angareus, met een gezadeld

paard gereed stond om de dépêches van den aankomenden koerier over

te nemen en onverwijld verder te brengen.

Tabernae, naam van onderscheidene pleisterplaatsen aan de

rom. heerwegen, o.a. tusschen Argentoratum (Straatsburg) en Noviomagus

Nemetum (Spiers), thans Rheinzabern en ééne ten O. daarvan, thans

Bergzabern in den Elzas, en een versterking ten W. van Straatsburg,

op weg naar Decempagi (Dieuze), gewoonlijk Tres Tabernae geheeten,

tegenw. Zabern in den Elzas. Tres Tabernae was verder eene halteplaats

in Latium aan de via Appia, tusschen Aricia en Forum Appii, een andere

halte van dezen naam lag in Gallia Transpadana tusschen Placentia

(Piacenza) en Mediolanium (Milaan).

Tablinum, een vertrek in rom. huizen, in den regel achter het atrium

gelegen en oudtijds ingericht tot bureau van den heer des huizes,

tot familie-archief en dgl., later ook tot andere doeleinden gebezigd,

o. a. ook wel voor eetvertrek.

Tabula, tabella, tessera. Tabula is een plank of houten bord,

tabella is er een verkleinwoord van, tessera een vierkant plaatje

of blokje, onverschillig van welke stof, evengoed een plankje als

een kubus. De drie benamingen werden niet streng gescheiden. Tabula

picta, schilderij, ook landkaart. Tabula votiva, eene schilderij,

welke iemand, die uit een groot gevaar gered was, van deze redding

liet vervaardigen en als dankbewijs in den tempel van eene of andere

godheid ophing, of wel eene plechtige, op eene tabula geschreven

dankbetuiging aan de reddende godheid. Tabulae ceratae zijn met was

bestreken plankjes, op de manier van dichtslaande leitjes, zooals ze

vroeger in Indië veelvuldig werden gebezigd. Men gebruikte ze voor

briefwisseling, zij werden met een draad, linum, kruiswijze omwonden

en de knoop werd verzegeld. Tabulae heetten ook de rekenborden,

die de kinderen op school gebruikten, zooals bij ons leien in

gebruik zijn. Tabulae publicae zijn alle openbare oorkonden en

bekendmakingen, b.v. tabulae proscriptionum, aankondiging van publieke

verkoopingen, in de burgeroorlogen de openbaar gemaakte lijsten van

vogelvrijverklaarden. Tabulae accepti et expensi, boek van ontvangst en

uitgaaf, kasboek. Tabulae Caeritum, de lijsten der aerarii (z.a.). Ook

de groote marmeren of koperen platen, waarop dikwerf wetten en

besluiten werden gebeiteld of gegrift, worden tabulae genoemd, vandaar

de naam leges duodecim tabularum. De stembordjes of stemplankjes bij de

comitia en iudicia worden soms tabellae, doch meest tesserae geheeten;

bij het stemmen over wetsvoorstellen beteekende A antiquo = ik ben

voor het oude, dus = tegen, V. R. uti rogas = zooals gij voorstelt,

dus = vóór. Bij rechterlijke comitia was L libero, D damno. Bij

de quaestiones perpetuae had men nog bovendien N. L., non liquet,

waardoor men te kennen gaf, nog niet voldoende te zijn ingelicht,

zie Acilia lex de repetundis. Bij de eigenlijke stemming gebruikte

men voor vrijspraak en veroordeeling: A absolvo, C condemno. Over de

tessera frumentaria zie men het artikel annona. Ook het toegangsbewijs

voor het theatrum, den circus en dgl. heette tessera. Tesserae zijn

ook dobbelsteenen, zie alea. Tessera hospitalis is het bewijs van een

verbond van gastvriendschap tusschen twee familiën in verschillende

plaatsen; op een plankje werden de namen der beide familiën geschreven,

een aan elken kant, vervolgens werd het middendoor gebroken en kreeg

elke familie de helft; op vertoon van dit stuk was men zeker van eene

gastvrije ontvangst. Tessera militaris was eene, waarop het wachtwoord

geschreven stond; degenen, die dit woord moesten weten, teekenden ze

voor gezien, en zoo kwam zij bij den bevelhebber terug; ook bevelen

in het legerkamp werden dikwerf op deze manier gegeven. Bij een zoo

veelvuldig gebruik werd niet altijd de vierzijdige vorm bewaard;

eene tessera theatralis, te Pompeii gevonden, heeft den vorm van een

penning met het opschrift:

CAV. II

CVN. III

GRAD. VIII.

CASINA

PLAVTI

d. w. z. cavea II = 2de rang, cuneus III = 3de sector, gradus VIII =

8ste rij, voor de Casina (eene comoedia) van Plautus.

Tabularium, het rijksarchief. Voor de foedera was er een archief

op het Capitool, voor alles wat het geldelijk beheer betrof, was

het archief, met het aerarium vereenigd, in een achtergebouw van

den Saturnustempel. Het archief der volkstribunen was evenzoo in

den tempel van Ceres, hier werden de plebiscita en senatusconsulta

bewaard. Na den brand van het Capitool in 83 werd er in 78 door

Q. Lutatius Catulus (zie Lutatii no. 5) een algemeen rijksarchief

gebouwd (tabularium) in de inzinking tusschen de twee toppen van het

Capitool, met den voorkant naar het forum, op welks grondslagen in de

Middeleeuwen het tegenwoordig stadhuis van Rome (Palazzo del Senatore)

is opgetrokken. Het keizerlijk archief heet tabularium Caesaris.

Tabularum (leges XII), de eerste verzameling geschreven wetten, op

twaalf tabulae gegrift, waarvan volgens de overlevering 10 in 451

en 450 onder de decemviri werden vervaardigd en de laatste twee in

449 onder het consulaat van M. Horatius Barbatus en L. Valerius

Poplicola. Zij waren fons omnis publici privatique iuris en

bleven voor het burgerlijk recht tot het einde toe de grondslag der

rom. wetgeving, waaraan de edicten der praetoren (zie ius honorarium)

zich aansloten. Tot meer dan twee eeuwen na C. stonden zij te Rome

op het forum ten toon gesteld. Wat wij er echter van weten, berust op

aanhalingen en uitleggingen van rom. rechtsgeleerden en is gedeeltelijk

van jongeren datum.

Taburnus, een bergrug op de grenzen van Samnium en Campania, waardoor

de bergpas van Caudium aan de Zuidzijde werd begrensd. De noordelijke

helling was ruw, de zuidelijke daarentegen rijk aan vruchtboomen.

Tacfarinas (gen. -atis), een Numidiër, die eerst onder Tiberius in de

rom. gelederen diende, doch deserteerde en een opstand verwekte (17 na

C.), welke eerst onderdrukt werd, doch weder opvlamde (19) en eerst met

groote inspanning in 24 door P. Cornelius Dolabella werd onderdrukt.

Tachompso, Tachompso, half aegyptische stad in het aethiopische

distrikt Dodecaschoenus, op een eiland in den Nijl gelegen,

doch overschaduwd en in verval geraakt door den aanwas van de

tegenoverliggende stad Pselchis.

Tachos, Tachos, zoon en opvolger van Nectanabis I. Geholpen door

grieksche troepen onder Agesilaus (361) en Chabrias wist hij eenigen

tijd weerstand te bieden aan de aanvallen van Perzië, maar toen zijn

neef Nectanabis II tegen hem opstond en Agesilaus zich bij dezen

aansloot, onderwierp T. zich aan Artaxerxes, aan wiens hof hij zijn

verder leven doorbracht.

Tacitus (M. Claudius), rom. keizer, geb. te Interamna, in 275 na C. op

meer gevorderden leeftijd door den senaat als opvolger van Aurelianus

verkozen, een ernstig, fijn beschaafd en waardig man. Hij werd na een

voorspoedigen veldtocht tegen de Gothen, die van uit Zuid-Rusland

langs de Oostkust van de Zwarte Zee in Klein-Azië gevallen waren,

door zijn soldaten, na eene regeering van 6 maanden, waarschijnlijk

te Tyana, vermoord (276). Hij regeerde geheel naar den zin van den

senaat, waartoe hij behoord had.

Tacitus (P. Cornelius), beroemd rom. geschiedschrijver, schoonzoon

van Cn. Iulius Agricola, met wiens dochter hij in 78 na C. huwde. In

80 of 81 werd hij quaestor, vervolgens aediel of volkstribuun,

in 88 praetor en in 97 (onder Nerva) consul. Dat hij ook, evenals

keizer Tacitus, die hem onder zijne voorzaten rekende, te Interamna

in Umbria geboren is, is niet waarschijnlijk, hoewel er in die stad

(thans Terni) in 1514 een gedenkteeken voor hem is opgericht. In 89

verliet hij met zijne vrouw Rome, naar men vermoedt als legatus pro

praetore provinciae Belgicae, en keerde daarheen in 93 wegens het

overlijden van zijn schoonvader terug. In 111 of 112 was hij proconsul

van Asia. Hij was bevriend met den jongen Plinius. Tacitus heeft zijn

naam vereeuwigd door zijne geschriften: 1º. Dialogus de oratoribus,

waarschijnlijk in 81 nog in ciceroniaanschen stijl geschreven, in den

vorm van een gesprek een zeer belangrijke verhandeling bevattend over

de geschiedenis der romeinsche litteratuur. 2º. de vita et moribus

Cn. Iulii Agricolae, in 98 uitgegeven, een levensbeschrijving van

zijn schoonvader, en een historisch-geographische bespreking van

Britannia bevattend. 3º. Germania of de origine situ moribus ac

populis Germanorum, uitgegeven in 98; het eerste deel bespreekt in

het algemeen den oorsprong en de zeden der Germanen, het tweede de

verschillende volksstammen. 4º. Historiae, waarschijnlijk 14 boeken,

uitgegeven na elkaar in de jaren 104-111; ze beschreven de geschiedenis

van Galba tot aan den dood van Domitianus. Over zijn nog: boek I-IV

en het begin van V, waarin de jaren 69 en 70 (gedeeltelijk) behandeld

worden. 5o. ab excessu Divi Augusti libri XVI, ook annales geheeten,

van den dood van Augustus tot op dien van Nero, waarvan echter slechts

boek I-IV in hun geheel, V en VI met eene groote gaping, van XI een

gedeelte, XII-XV weder geheel en XVI gedeeltelijk over zijn. Ze zijn

geschreven en uitgegeven in de jaren 115-117. De stijl van Tacitus

is levendig en kernachtig, doch door zucht tot beknoptheid menigmaal

duister. In weerwil zijner waarheidsliefde wordt hij door sommigen

niet altijd billijk in zijne waardeering van enkele keizers geacht,

met name jegens Tiberius. Het is er Tacitus niet in de eerste plaats

om te doen, de waarheid mede te deelen, maar om de gebeurtenissen,

door anderen beschreven te stiliseeren. Aan hem moet men vooral

zijn woordkunst bewonderen. Zijne geschriften hebben niet slechts

eene wetenschappelijke, maar ook eene zedelijke strekking, die

hij (ann. III. 65) uitdrukt in de woorden: quod praecipuum munus

annalium reor, ne virtutes sileantur, utque pravis dictis factisque

ex posteritate et infamia metus sit.

Tader, rivier in het Z. van Hispania Tarraconensis, niet ver ten

N. van Carthago Nova, tgw. Segura.

Tadii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in het proces tegen

Verres als diens vrienden voorkomen.

Taenarum, Tainaron, thans kaap Matapan, de middelste Zuidpunt van

de Peloponnesus. Daar stond een tempel van Poseidon Asphaleios,

ook als vrijplaats beroemd. In de nabijheid was eene grot, die een

van de toegangen tot de onderwereld was en waardoor Heracles het

monster Cerberus naar boven bracht. Ook zou hier Arion (z. a.) door

zijn dolfijn aan land zijn gebracht. Er lag ook eene stad Taenarus

of Taenarium; in den omtrek vond men aanzienlijke marmergroeven.

Tagae, Tagai, stad in Parthia op de grenzen van Hyrcania, ten W. van

Hecatompylus.

Taephali of -lae, westgothische stam, die in de 4de eeuw n. C. in

Dacia woonde.

Tages, zoon van een genius, kleinzoon van Jupiter, kwam eens bij

Tarquinii, terwijl een boer bezig was zijn land om te ploegen,

als knaap uit een diepe vore te voorschijn. Op het geroep van den

verschrikten landman kwamen velen toesnellen; T. onderwees hen in

de etruscische voorspellingskunst (haruspicina) en stierf terstond

daarop. Sommige van zijne lessen waren opgeteekend in de Acheruntici

libri.

Tagos, in Thessalië titel van den opperbevelhebber van het leger,

later ook van den hoogsten overheidspersoon.

Tagus, Tagos, rivier in Hispania, thans de Taag (Tajo, Tejo), rijk

aan stofgoud, visschen en aan den mond met oesterbanken.

Taifali = Taephali.

Talaonides, Tala(i)onides, Adrastus, zoon van Talaüs.

Talassio, -sius, romeinsch huwelijksgod, die bij het geleiden van de

bruid naar het huis van haar echtgenoot luide werd aangeroepen. Men

verhaalde dat iemand, die bij den sabijnschen maagdenroof het schoonste

meisje gegrepen had, om haar tegen aanranding te vrijwaren voorgewend

had, dat zij voor Talassius, een aanzienlijk en algemeen bemind

Romein, bestemd was. Maar het volk, dat zijn list doorzag, hield hem

bij zijn woord en allen hielpen hem nu het meisje naar T. brengen,

terwijl men schertsend luide riep: Talassio.

Talaüs, Talaos, zoon van Bias en Pero, koning van Argos, een van de

Argonauten, vader van Adrastus, Eriphyle e. a.

Talentum, talanton, oorspronkelijk de weegschaal, vervolgens een

bepaald gewicht = 26.2 kilo, eindelijk een geldsom, overeenkomend met

de waarde van dit gewicht in zilver. Men rekent het attische talent =

f2820, het aeginetische en babylonische = 1 2/3, het euboeïsche =

1-7/18 att. tal. Het talent was verdeeld in 60 minen, de mina in

100 drachmen.

Talos, Talos, 1) zoon eener zuster van Daedalus, vond verscheiden

werktuigen uit, waarom zijn oom afgunstig werd op zijn roem en hem

verraderlijk van de acropolis wierp. V. a. was zijn naam Perdix.--2)

een koperen reus, die slechts één ader had, welke van het hoofd tot de

voeten liep en daar met een pen gesloten was. Hij was door Hephaestus

of Zeus aan Minos of Europa geschonken om Creta te bewaken; dagelijks

liep hij driemaal om het eiland heen, en als hij vreemdelingen zag,

maakte hij zich in een groot vuur gloeiend en drukte hij hen in

zijne armen dood. Toen de Argonauten op Creta landden, doodde Medea

hem door de pen uit zijn ader te trekken, zoodat hij doodbloedde;

v. a. doodde Poeas hem met zijne pijlen.

Talthybius, Talthybios, heraut van Agamemnon, te Sparta en Argos als

heros vereerd. Van hem was het geslacht der Talthybiaden (Talthybiadai)

te Sparta afkomstig, waaruit de herauten genomen werden; z. ook Bulis.

Talus, dobbelsteen, zie alea.

Tamassus, Tamasus, Tama(s)sos, stad op Cyprus, beroemd om hare

kopermijnen, door sommigen voor het homerische Temesa gehouden.

Tamesa of -sis, Tamesa, rivier in Britannia, thans de Theems.

Tamias, in 't algemeen rentmeester, penningmeester. Te Athene was

sedert het einde der vierde eeuw de t. of epimeletes tes koines

prosodou, ook kortweg ho epi te dioikesei genoemd, een soort minister

van financiën, die het beheer over de geheele schatkist voerde; hij

werd door volkskeuze aangewezen en bekleedde zijn ambt vier jaar. Zijn

departement was in talrijke onderafdeelingen verdeeld, waarvan ieder

een eigen kas en een eigen beheerder had, die eveneens t. heette.

Tamna, Tamna, groote, welvarende hoofdstad der Catabani in het

Z. W. van Arabia felix, volgens het verhaal met 65 tempels en met

een levendigen handel in specerijen en myrrhe.

Tamos, Tamos, een Aegyptenaar, onder Tissaphernes stadhouder van Ionië,

later bevelhebber der vloot van den jongen Cyrus.

Tamphilus, familienaam in de gens Baebia.

Tamynae, Tamynai, Tamynai, euboeïsche stad tot het gebied van Eretria

behoorende, aan de Z. kust, ten O. van Eretria gelegen, in welker

nabijheid Phocion den eretrischen tyran Callias versloeg.

Tanager, rivier in Lucania met een gedeeltelijk onderaardschen loop,

bij Forum Popilii. Hij stroomt naar het N. en valt in den Silarus.

Tanagra, Tanagra, beroemde en belangrijke stad van Boeotia, aan

den Asopus gelegen, niet ver van de grens van Attica. In den omtrek

groeide de beste wijn van Boeotia. In 457 werden de Atheners hier

door de Spartanen verslagen.

Tanais, 1) rivier in Sarmatia, thans de Don, door de ouden als

grensrivier tusschen Europa en Azië aangenomen. Dikwijls wordt deze

stroom verward met den Jaxartes (Syr-Daria). Hij valt in den N.O. hoek

der Palus Maeotis (zee van Azow).--2) stad, milesische volkplanting,

aan den Zuidermond van bovengenoemde rivier.

Tanaquil, Tanakyllis, gemalin van den rom. koning Tarquinius

Priscus. Later schijnt zij met een rom. godin van het spinnen

vereenzelvigd en te Rome onder den naam Gaia Caecilia vereerd te zijn.

Tanarus, rechter zijrivier van den Padus (Po), stroomt langs Pollentia

en Hasta (Asta), en valt boven Clastidium in den Padus.

Tanaüs = Tanus.

Tanetum, Taneton, stad der Boii in Gallia Cispadana, tusschen Parma

en Mutina.

Tanfana, Tamf., germaansche god of godin, had een tempel in het gebied

der Marsi, die in 14 na C. door Germanicus verwoest werd.

Tanis, Tanis, stad in de Nijldelta, op den rechteroever van den

Tanitischen Nijlarm, hoofdplaats van het distrikt Tanites, residentie

van eene der oude aegyptische dynastieën.

Taniticum ostium, Tanitikon stoma, een van de Nijlmonden, ten W. van

den Pelusischen Nijlmond gelegen.

Tannetum = Tanetum.

Tantalides, Tantalides, Pelops, Atreus, Thyestes, Agamemnon en Orestes,

zoon en verdere nakomelingen van Tantalus.

Tantalis, Tantalis, Niobe en Hermione, dochter en achterkleindochter

van Tantalus.

Tantalus, Tantalos, 1) zoon van Zeus of Tmolus en Pluto, zeer rijk

koning van Phrygië, Lydië, Paphlagonië, Argos of Corinthe, genoot in

hooge mate de gunst der goden, zoodat hij zelfs bij hunne maaltijden

en vergaderingen werd toegelaten. Maar door zijn geluk overmoedig

geworden, verried hij hunne geheimen, of hij stal nectar en ambrosia

van hun tafel om die aan de menschen te geven, ook liet hij door

Pandareüs een gouden hond uit den tempel van Zeus stelen en zwoer

hij later, dat hij hem niet gekregen had; z. ook Pelops. Tot straf

voor zijne misdaden moet hij in de onderwereld in een water staan,

dat tot zijne lippen reikt, terwijl de heerlijkste vruchten boven

zijn hoofd hangen, maar wanneer hij van het water of de vruchten

tracht te genieten, dan wijken zij onmiddellijk totdat zij buiten

zijn bereik zijn, zoodat hij altijd door honger en dorst gekweld

wordt. V. a. hangt steeds boven zijn hoofd een zwaar rotsblok,

dat dreigt hem te verpletteren.--Zijn rijkdom en zijn straf zijn

spreekwoordelijk geworden: Tantalou talanta, chremata, dipsa. De

vloek van zijne misdaden rustte op zijne kinderen, Pelops en Niobe,

en op zijn geheel geslacht (Pelopiden).--2) een van de twee zonen van

Thyestes, door Atreus (z. a.) gedood.--3) zoon van Amphion en Niobe.

Tanus of Tanaüs, Tanos, Tanaos, rivier in Thyreatis of Cynuria,

op de grenzen van Argolis.

Tanusii, rom. geslacht, waarvan één lid tijdens Sulla's proscripties

door Catilina werd omgebracht en een ander, Tanusius Geminus, de

samenzwering van Catilina in een historisch werk behandelde, waarin

ook van Caesar als deelgenoot werd gesproken. Z. Volusii.

Taochi, Taochoi, volksstam in het N.O. van Pontus, aan de grens van

Armenia, ten Z. van de Moschi.

Taphiae insulae, Taphion nesoi, vroeger Teleboae insulae, Teleboon

nesoi, geheeten, eene eilandengroep in de ionische zee tusschen

het eiland Leucas en de acarnanische kust, oudtijds bewoond door de

zeevarende Taphiërs of Teleboërs. Homerus noemt het grootste dezer

eilanden Taphus, Taphos, later heette het Taphius, Taphious.

Taphius, Taphios, zoon van Poseidon en Hippothoë, stichter van de

stad Taphus op het eiland van dien naam.

Taphrae, Taphrai, Taphros (= gracht), vestingwerk tot afsluiting van

den hals der Chersonesus Taurica, op het smalste gedeelte der landengte

(thans landengte van Perekop).

Taphrus, Taphros (= gracht, kanaal), 1) = Taphrae.--2) de doorvaart

tusschen Sardinia en Corsica, fretum Gallicum (straat v. Bonifacio).

Taphus, zie Taphiae insulae.

Taprobane, Taprobane, oude naam voor het eiland Ceylon.

Tapuri, Tapouroi, wilde volksstam in Hyrcania.

Taras, Taras, zoon van Poseidon, kwam van kaap Taenarum naar Italië

en stichtte Tarentum.

Taras = Tarentum no. 2.

Taraxippos, een rond altaar in de renbaan te Olympia, staande op een

plaats, waar de paarden dikwijls schichtig werden, naar men meende

door den invloed van den geest van Myrtilus of Oenomaüs, die daar

begraven was; z. ook Glaucus no. 2.

Tarbelli, Tarbelloi, volk in Aquitania, tusschen den Aturus (Adour)

en de Pyrenaeën. Hoofdstad: Aquae Tarbellicae.

Tarchon, Tarchon, Tarkon, zoon of broeder van Tyrrhenus, stichter

van 12 steden in Etrurië, waarvan eene naar hem Tarchonium (later

Tarquinii) heette. Hij hielp Aeneas in zijn strijd tegen Turnus.

Tarentini ludi = Terentini ludi.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 132 / 150 段