consul in 500, bewerkte in 496 de hernieuwing van het verbond met
Latium.--2) Ser. Sulp. Camer. Corn., consul in 461, tegenstander der
lex Terentilla de legibus scribundis. In 454 was hij een der drie
mannen, die naar Griekenland gezonden werden tot het bestudeeren
der wetten aldaar.--3) Ser. Sulp. Camerinus, consul in 393, kantte
zich sterk tegen het ontworpen plan der plebejers om naar Veii te
verhuizen.--4) Q. Sulp. Longus, consulairtribuun in 390, liet de wacht,
die de beklimming van het Capitool door de Galliërs niet had bespeurd,
van de rots afwerpen.--5) Ser. Sulp. Praetextatus, consulairtribuun in
377 en 376, ontzette den burg van Tusculum, die door de Latijnen werd
belegerd.--6) C. Sulp. Peticus, consul in 364, 361, 355, 353 en 351,
dictator in 358, versloeg in 361 de Hernicers, in 358 de Galliërs,
in 351 de Tarquiniërs, die gedwongen werden vrede te sluiten.--7)
C. Sulp. Longus, consul in 337, 323 en 314, versloeg in 314 de
Samnieten.--8) C. Sulp. Paterculus, consul in 258, voerde op Sardinia
oorlog tegen de Carthagers.--9) P. Sulp. Galba Maximus werd voor het
jaar 211 tot consul gekozen zonder eenig ander curulisch ambt te hebben
bekleed; hij beschermde met zijn ambtgenoot Cn. Fulvius Centumalus en
den proconsul Q. Fulvius Flaccus Rome tegen eene overrompeling door
Hannibal. In 203 was hij dictator comit. habend. causa en in 200
andermaal consul. De oorlog tegen Philippus van Macedonia werd hem
toen opgedragen, waarin hij het volgende jaar door den toenmaligen
consul P. Villius Tappulus werd vervangen.--10) C. Sulp. Gallus was in
168 krijgstribuun in het leger van Aemilius Paullus en voorspelde de
maansverduistering in den nacht vóór den slag bij Pydna (21/22 Juni
168, volgens den Juliaanschen kalender); tegenwoordig neemt men aan,
dat hij die maansverduistering niet voorspeld, maar uitgelegd en
verklaard heeft. In 166 was hij consul en overwon de Liguriërs. In
164 werd hij belast met een onderzoek naar de klachten, tegen Eumenes
van Pergamus ingebracht. Dat hij de sterrenkunde beoefende, is uit
het bovenstaande reeds gebleken; ook was hij ervaren in de grieksche
letterkunde.--11) Ser. Sulp. Galba, krijgstribuun, zocht uit haat
tegen L. Aemilius Paullus, de volkstribunen over te halen om diens
zegepraal te beletten. In 151 en 150 voerde hij als propraetor oorlog
in Lusitania; hij werd eerst verslagen en pleegde later schandelijke
woordbreuk, toen hij ongewapende krijgsgevangenen verraderlijk liet
neerhouwen. Onder de weinigen die ontkwamen, behoorde Viriathus. Om
deze reden werd Galba in 149 door den volkstribuun L. Scribonius
Libo (Scribonii no. 3), ondersteund door den 85-jarigen M. Cato,
aangeklaagd. Hij ontging de veroordeeling slechts door bidden en
smeeken. Hij was consul in 144 met L. Aurelius Cotta, z. Aurelii
no. 3. Hij was de beste redenaar van zijn tijd, hoewel ook Libo
in dit opzicht niet gering te schatten was.--12) Ser. Sulp. Galba,
zoon van no. 11, consul in 108, was in 100 onder de tegenstanders van
Saturninus.--13) C. Sulp. Galba, zwager van C. Gracchus, was een goed
redenaar. Hij werd in 110 veroordeeld, omdat hij zich door Jugurtha
had laten omkoopen.--14) Ser. Sulp. Galba diende in 90 als legaat
voorspoedig tegen de opgestane bondgenooten.--15) P. Sulp. Galba
was aediel tegelijk met Cicero, doch tevergeefs diens mededinger
naar het consulaat.--16) Ser. Sulp. Galba, legaat van Caesar in
Gallia, dong in 49 vergeefs naar het consulaat en was later onder
Caesars moordenaars. In den mutinensischen oorlog streed hij onder
Hirtius tegen Antonius. Toen het driemanschap gesloten was, werd
hij veroordeeld.--17) Ser. Sulp. Galba, rom. keizer, zie Galba.--18)
P. Sulp. Rufus, een der meest beroemde redenaars van zijn tijd, riep
in 94, toen hij nog de rechten van den senaat verdedigde, C. Norbanus
(z. Norbani no. 1) voor het gerecht en vocht later als legaat met roem
in den bondgenootenoorlog (89). Hij ging daarop tot de plebs over,
en liet zich voor 88 tot volkstribuun kiezen, om aan de bondgenooten
het volle genot van het burgerrecht te kunnen verschaffen (zie leges
Sulpiciae); toen Sulla met zijn leger in Rome binnendrong, nam hij de
vlucht, doch werd achterhaald en omgebracht.--19) Ser. Sulp. Rufus,
voortreffelijk jurist en redenaar en kundig staatsman, was in 65
praetor en in 51 consul. Toen de burgeroorlog tusschen Caesar en
Pompeius tot uitbarsting kwam, bleef hij een tijd lang besluiteloos,
totdat hij eindelijk Caesars partij koos, door wien hij later
als proconsul naar Achaia gezonden werd. Na Caesars dood weifelde
hij opnieuw, bij welke partij hij zich zou aansluiten. Hij stierf
kort daarop (43), 81 jaar oud, in de legerplaats van Antonius voor
Mutina, waarheen hij door den senaat gezonden was om eene schikking te
bewerken. Als grondig wetenschappelijk rechtsgeleerde had hij in zijn
tijd vele leerlingen; hij was ook een vruchtbaar schrijver. Beroemd is
zijn troostbrief aan Cicero bij het overlijden van diens dochter Tullia
(45).--20) Ser. Sulp. Rufus, zoon van no. 19, door Cicero als een braaf
en talentvol jongeling geprezen, diende onder Caesar in Gallia.--21)
P. Sulp. Quirinius, consul in 12, onderwierp, als stadhouder van Syria
± 5, een volksstam in de bergen van Cilicia, vergezelde Augustus'
kleinzoon C. Caesar naar Armenia (1/2 n. C.), en was later wederom
stadhouder van Syria. Als zoodanig heeft hij in 6 n. C. een census
gehouden in Judaea, waarvan ook het N. T. gewag maakt. Hij heet daar
Cyrenius, Kyrenios. Hij was een vriend van Tiberius, stierf kinderloos
in 21 en werd op staatskosten begraven. Hij behoorde niet tot het
patricisch geslacht der Sulpicii, maar stamde uit Lanuvium.--22)
C. Sulp. Apollinaris, in het tijdperk der Antonijnen, taalkundige, te
Carthago geboren, leermeester van keizer Pertinax en van Aulus Gellius
(Gellii no. 6), wijdde zich vooral aan de studie van Vergilius.--23)
Sulpicia, dochter van no. 20, en nicht van M. Valerius Messala
Corvinus (Valerii no. 28), dichteres, z. Albii.--24) Sulpicia,
erotische dichteres onder Domitianus. Het kleine gedicht Satira,
dat haar naam draagt, is niet door haar geschreven.--25) Sulpicius
Severus, zie Severi no. 3.
Summanus, oorspronkelijk waarschijnlijk een bijnaam van Jupiter, later
als een afzonderlijk god van nachtelijke onweders en luchtverschijnsels
beschouwd. Hij had een tempel bij den Circus Maximus, waar hem den
20sten Juni een offer gebracht werd.
Symmoriai, afdeelingen, waarin sedert 377 de atheensche burgerij
voor de heffing der eisphora verdeeld was. In iedere phyle waren
twee symm., die ieder 60 van de rijkste burgers bevatten, de minder
vermogenden werden zoo bij de verschillende symm. ingedeeld, dat
iedere afdeeling een ongeveer gelijk belastbaar vermogen had. Werd
nu eene eisphora uitgeschreven, dan werd de symm. in haar geheel
belast, de rijkste leden waren tot de proeisphora verplicht en
konden van hunne medeleden de bijdragen innen, die door de hegemones
of epimeletai ton symmorion vastgesteld werden. In 358 werd eene
dergelijke inrichting bij de triërarchie ingevoerd (z. synteleia,
maar ondoelmatig bevonden, weshalve zij door eene wet van Demosthenes
omstreeks 340 werd opgeheven.
Symposion, z. deipnon.
Sumptuariae (leges), wetten tegen de weelde. De voornaamste zijn: de
lex Oppia van 215, Orchia van ± 181, Fannia van 161, Didia van 143,
Aemilia van 115, Cornelia van 81, Iulia van 46, Iulia van 18. Keizer
Tiberius verzette zich tegen het vaststellen van nieuwe en strengere
wetten, daar hij inzag, dat deze toch niet hielpen.
Syndikoi, 1) te Athene zij, die ten voordeele van eene der beide
partijen in een proces voor de rechtbank het woord voeren. Volgens de
wet moest wel ieder zijn eigen zaak verdedigen, maar met toestemming
van de rechters mocht men, na zelf gesproken te hebben, ook anderen tot
zijne verdediging laten optreden. Het was den syndikos (ook synegoros
genoemd) verboden, zich voor zijne redevoering (synegoria) te laten
betalen.--2) z. epicheirotonia no. 1.--3) eene buitengewone commissie,
na de verdrijving der 30 aangesteld om het verwarde financiewezen
te regelen. In het bizonder schijnt het hun taak geweest te zijn te
onderzoeken, wie onder de 30 zich ten onrechte van staatsgoederen
had meester gemaakt of van het zijne beroofd was.
Synegoros, -goria, z. syndikoi; ook de bijzitters der logisten
heetten synegoroi.
Sunici, Sunuci, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Treviren,
Ubiërs en Nerviërs.
Sunium, Sounion, Zuidkaap van Attica, sedert 415 zeer versterkt en van
twee havens voorzien. Binnen de, thans nog grootendeels bestaande,
muren stond een beroemde Athena-tempel, 300 voet boven de zee. Naar
eenige nog overeind staande zuilen daarvan heet het voorgebergte
thans kaap Colonne.
Synoikia, ook metoikia, feest, te Athene den 16den Hecatombaeon
gevierd, ter herinnering aan de vereeniging van alle bewoners van
Attica tot één staat (synoikismos).
Synomosia = hetairia.
Synteleia, onderafdeeling eener symmoria. Wanneer aan eene symmoria
een triërarchie was opgelegd, dan werd zij in evenveel synteleiai,
verdeeld als er schepen noodig waren, zoodat iedere synt. voor één
schip te zorgen had. Ieder lid der symm. werd door de epimeletai bij
eene of andere synt. ingedeeld, en wel zóó, dat iedere groep ongeveer
hetzelfde vermogen vertegenwoordigde.
Suovetaurilia, een offer, bestaande uit een ever, ram en stier, bij
bijzonder plechtige gelegenheden, bijv. na afloop van den census,
aan Mars gebracht.
Superum mare, de Adriatische zee.
Supparus, -parum, -parum, een schoudermanteltje, een soort linnen
tunica, meest door vrouwen over de subucula gedragen, zonder mouwen.
Supplicatio, openbare verootmoediging voor het aangezicht der goden,
boete-, bede- of dankdag, al naar gelang groote rampen of gevaren of
wel luisterrijke overwinningen er de aanleiding toe waren. Zulk eene
supplicatio duurde oorspronkelijk slechts één dag, vervolgens meer
dagen, totdat er ten laatste feesten voorkomen van 30 en 40 dagen. Zulk
een bededag ging gepaard met offers, met omgangen door de stad, ook
processies van vrouwen, onder het zingen van lofliederen ter eere der
goden, met godenmaaltijden (zie lectisternium). Enkele malen gelastte
de senaat ook het houden van een openbaren maaltijd. Het bevelen
(decernere) van zulke dagen behoorde als eene zaak van godsdienst
geheel tot de bevoegdheid van den senaat, die echter zich liet
adviseeren door de deskundige priestercollegiën, in de eerste plaats
dat der pontifices.
Sura, bijnaam van eenige Lentuli in de gens Cornelia (Cornelii no. 48).
Surena, bij de Parthen de eerste grootwaardigheidsbekleeder na den
koning, die dezen hij de kroning de kroon op het hoofd zette. De rang
is het best te vergelijken bij dien van een turksch grootvizier.
Surrentum, Sourrenton, oude campaansche stad op het promunturium
Minervae, tusschen de golven van Puteoli (g. v. Napels) en van
Paestum (g. v. Salerno). De omliggende Surrentini colles leverden
voortreffelijken wijn op. Thans Sorrento.
Susa, ta Sousa = leliënstad, hoofdstad van het gewest Susiane,
ontleende zijn naam aan de tallooze leliën, die in den omtrek
groeiden. Sedert Cyrus werd Susa om zijn warm klimaat de gewone
winterresidentie der perzische koningen; in den zomer was het er
ondragelijk heet, daar het land juist open lag voor de winden, die,
uit Afrika komende, over de arabische zandwoestijnen heen streken. De
huizen waren smal en diep, zonder bovenverdieping, van boven met
eene laag aarde bedekt, op de wijze van kazematten. De plaats had
geene muren, maar een sterken burg, ta Memnonia, waarin zich het
paleis en de schatkamers bevonden. Sedert 1850 na C. zijn hier vele
beeldwerken en andere overblijfselen opgegraven. De stad was wijd
uiteen gebouwd, zoodat zij, volgens verschillende opgaven, 120-200
stadiën (4-6 2/3 uur gaans) in omtrek had. Hier traden Alexander de
Gr. en zijne officieren met perzische vrouwen in den echt.
Susarion, Sousarion, van Megaris, vestigde zich in Attica en trad
hier voor het eerst met het megarische blijspel op, omstreeks 570.
Susiane, Sousiane, Sousis, perzisch gewest tusschen den Beneden-Tigris
en het Zagrusgeb. ten O. In overouden tijd bestond hier een
zelfstandige staat, die zelfs over Babylon en Assyria moet geheerscht
hebben, doch in het midden der 7de eeuw zijne onafhankelijkheid
verloor. De oudste naam, waaronder de Grieken het kenden, was
Cissia, Cyssia of Cossia, naar de roofzieke Cissaei of Cossaei,
die de bergpassen naar Media beheerschten en zelfs de perzische
koningen voor hun doortocht tol lieten betalen. In de vlakte woonden
de Elymaei, vreedzame landbouwers. In de bergen was het klimaat ruw,
over dat van de vlakte zie men Susa.
Syssitia of phiditia, oudtijds andreia, de verplichte
gemeenschappelijke maaltijden van mannen in dorische staten, vooral
op Creta en te Sparta bekend. Zij waren verdeeld in gezelschappen
van ongeveer 15 personen, waarin men alleen met algemeene stemmen
aangenomen werd. Op Creta werden deze maaltijden grootendeels door
den staat bekostigd, te Sparta gaf daarentegen ieder deelnemer
zijn bijdrage, deels in spijzen, deels in geld; wie deze bijdragen
niet leverde of de maaltijden niet geregeld bijwoonde, verloor
zijn burgerrecht. Het hoofdgerecht was de zwarte soep (haimatia,
melas zomos), verder gebruikte men brij, vleesch, kaas, vruchten en
wijn. Buitengewone lekkernijen, zooals wild, brood e. dgl. (epaikla),
kreeg men door vrijwillige bijdragen, zij mochten niet voor geld
gekocht zijn. Op Creta was in iedere stad een gebouw (andreion)
voor deze maaltijden bestemd.
Suthul, kasteel in Numidia, waar Jugurtha's schatten geborgen lagen.
Sutrium, Soutrion, stad in Etruria, latijnsche kolonie sedert 383,
aan den weg van Rome naar Volsinii, ten O. van den mons Ciminius.
Svardones = Suardones.
Sybaris, Sybaris, een monster, dat de omstreken van den Parnassus
verwoestte en door Eurybates gedood werd. Z. Alcyoneus.
Sybaris, Sybaris, beroemde grieksche stad aan een gelijknamig riviertje
(zie Crathis), op de kust van Lucania aan de golf van Tarentum,
omstreeks 720 door Achaeërs en Troezeners gesticht. Het dreef een
levendigen handel en kon met zijne 25 onderhebbende steden 300000
(?) man tegen Croton in het veld brengen. De verwijfdheid evenwel
der inwoners, zóó groot dat zij spreekwoordelijk is geworden, werd de
oorzaak van den val der stad. In 510 werd Sybaris door de Crotoniaten
verwoest. Zie verder Thurii. Tengevolge van de twisten bij de stichting
van Thurii verhuisden de afstammelingen der oude Sybarieten, die tot
nu toe in Laüs en Scidrus gewoond hadden, naar een streek aan de Traïs,
waar ze Sybaris nova stichtten.
Sybota, ta Sybota, eilandjes op de kust van Epirus, tegenover de
Zuidpunt van Corcyra, waarbij in 432 de zeeslag tusschen de Corcyraeërs
en de Corinthiërs voorviel, het voorspel van den peloponnesischen
oorlog.
Sychaeus = Sichaeus.
Sycurium, Sykourion, Sykyrion, plaats aan den voet van den Ossa,
in Pelasgiotis (Thessalia). Hier werd C. Licinius Crassus (Licinii
no. 8) in 171 door Perseus van Macedonia verslagen.
Syene, Syene, tegenwoordig Assoean, stad aan den Nijl, tot Aegypte
behoorende, juist aan de aethiopische grenzen gelegen even beneden den
eersten waterval. Wegens de ligging juist onder den kreeftskeerkring
trok de aardrijkskundige Eratosthenes een zijner parallelcirkels over
deze plaats. Onder de rom. keizers was Syene grensvesting.
Syennesis, Syennesis, titel der vorsten van Cilicië, door de Grieken
als eigennaam beschouwd.
Sygambri, Sygambroi, ook Sicambri, Sugambri, machtige germaansche
volksstam in Germania op den rechter Rijnoever tusschen Colonia
Agrippina (Keulen) en de Luppia (Lippe). Onder de regeering van
Augustus werden zij door Drusus en Tiberius overwonnen en door den
laatsten gedeeltelijk naar den linker Rijnoever overgebracht (9),
v. s. in de streek tusschen Rijn en Maas, waar ze dan later onder den
naam Gugerni (z. a.) voorkomen, v. a. werden ze naar Nederland naar den
IJssel of naar de landen ten Zuiden van Waal en Maas verplaatst. Ze
verdwijnen dan een poos uit de geschiedenis, doch komen v. s. later
weder te voorschijn, als hoofdbestanddeel van de Salische Franken.
Syllium, Syllion, bergvesting in Pamphylia, ten N.W. van Aspendus.
Syloson, Syloson, jongere broeder van Polycrates, met wien hij
aanvankelijk over Samus regeerde. Later ging hij naar Aegypte en leerde
hij Darius Hystaspis kennen, die hem na den dood van Polycrates de
regeering over Samus teruggaf (omstreeks 516).
Symaethus, Symaithos, rivier op Sicilia, die ten W. van den Aetna
naar het Z.O. stroomt en ten Z. van Catana in zee vloeit. Symaethius
heros bij Ovidius = Acis.
Syme, Syme, eilandje in de dorische golf op de kust van Caria met
eene gelijknamige stad en acht havens. Vroeger heette het Aegle en
Metapontis, en kreeg den naam Syme naar eene dochter van Ialysus.
Symmachus (Q. Aurelius), gevierd rom. redenaar uit den tijd van
Theodosius den Gr., proconsul in Africa in 373 na C., praefect van
Rome in 384 en 385, consul in 391, was een ijverig kampioen voor het
herstel der oude goden, waartegen Ambrosius, bisschop van Milaan,
in het strijdperk trad. Wij bezitten van hem nog eene verzameling
brieven in 10 boeken en fragmenten van eenige redevoeringen.
Symphoniaci, n.l. servi, een muziekkorps, dat aanzienlijke Romeinen
er als huiskapel op nahielden.
Symplegades, Symplegades, z. Cyaneae insulae.
Symposium, symposion, z. Convivium en deipnon.
Synesius, Synesios, wijsgeer uit Cyrene, geb. omstreeks 370 na C. In
410 ging hij, niet zonder gemoedsbezwaren, tot het Christendom over en
werd bisschop van Cyrene. Zijne wijsgeerige en godsdienstige werken,
die voor een gedeelte bewaard gebleven zijn, behooren tot de beste
voortbrengselen der letterkunde van dien tijd.
Synnada, ta Synnada, stad in het O. van Phrygia, met rijke
marmergroeven. Het werd eerst onder de Rom. belangrijk als zetel
van een conventus en vervolgens als hoofdstad der provincie Phrygia
salutaris.
Synthesis, een gemakkelijk gewaad van griekschen snit, waarvan men
alleen weet, dat het in huis en vooral aan tafel werd gedragen.
Syphax, koning der Massaesylii in Numidia, werd in 213 de bondgenoot
der Rom. tegen Carthago en werd door Masinissa, die op Carthago's
hand was, tijdelijk uit zijn rijk verdreven. Hierdoor en door den dood
der gebroeders P. en C. Scipio in Hispania ging het verbond te niet,
doch het werd hersteld door den jongeren Scipio (Africanus maior), die
tijdens zijn verblijf in Hispania in persoon Syphax opzocht, op welke
reis hij bijna in handen der Carthagers was gevallen. Doch de Carthager
Hasdrubal (no. 4) wist door de hand der schoone Sophonisbe, die reeds
met Masinissa verloofd was, Syphax te winnen, zoodat deze tot de zijde
der Carthagers overging, terwijl daarentegen Masinissa hun verbitterde
vijand werd en op zijn beurt door Syphax werd verjaagd. Toen Scipio
in Africa landde, beschikte Syphax over een leger van 60000 man,
waarbij zich zijn schoonvader met 30000 man carthaagsche troepen
aansloot. Het gelukte Scipio echter, Syphax driemaal te verslaan en ten
slotte nam Masinissa hem gevangen (203); hij moest de zegepraal des
overwinnaars opluisteren en stierf als gevangene te Tibur. Masinissa
wilde Sophonisbe redden door zelf haar te huwen, doch tevergeefs.
Syracusae, Syrakousai, thans Siragossa, de aanzienlijkste stad
van Sicilia, met Agrigentum de oogen des lands genoemd, omstreeks
735 door Doriërs onder aanvoering van zekeren Archias van Corinthe
gesticht. Tijdens zijn grootsten bloei had Syr. eene bevolking van een
half millioen en een omtrek van 6 uren gaans. Het bestond eigenlijk
uit vijf afzonderlijk ommuurde steden. Het oudste gedeelte was het
eiland Ortygia ook wel alleen Nasus (dorisch = nesos) geheeten, met
de bron Arethusa, de tempels van Athena en Artemis, en het paleis
van Hiero, waar later de rom. praetoren verblijf hielden. Door
een dam, later door een brug, was dit gedeelte met het vaste land
verbonden. Men kwam dan in Achradina, het fraaiste gedeelte, op de
steile hoogte langs de kust gebouwd, met prachtige gebouwen, als:
het theater, het prytaneum, den tempel van Zeus Olympicus. Tijdens
den peloponnesischen oorlog bestond de stad nog slechts uit deze
beide kwartieren. Aan Achradina sloten zich later Tyche en Neapolis
aan. Tyche droeg zijn naam naar den tempel der Tyche en was het meest
bevolkte deel der stad. Neapolis, ook Temenites (z. a.) geheeten,
had vele tempels en het grootste theater van Sicilia. Dan kwam nog
Epipolae, op een bergrug gelegen en van buiten ongenaakbaar, met de
kasteelen Euryalus en Labdalum. Nabij Achradina vond men de groote
steengroeven of catacomben, lautumiae, die tevens tot gevangenis
dienden. Daar Ortygia aan den ingang eener baai lag, vormde zich
daarachter een natuurlijke haven, de groote haven genoemd, die 2 2/3
uur gaans in omtrek was en waarvan de ingangen met kettingen konden
worden afgesloten. Aan den anderen kant, ten N.O. lag de kleine
haven, Portus Laccius of Marmoreus, met werven, arsenalen, enz.--De
geschiedenis van Syracusae is eene aaneenschakeling van oorlogen,
burgertwisten, omwentelingen, tyrannieën. De regeering was eerst
aristocratisch; omstreeks 500 joegen het volk en de slaven de rijken
uit de stad, doch Gelo, tyran van Gela, bracht de verdrevenen terug en
maakte zich van Syr. meester (485). Onder Gelo en diens broeder Hiero
I werd de stad machtig en bloeiend door het overbrengen van inwoners
uit andere veroverde plaatsen. Een derde broeder, Thrasybulus,
speelde den dwingeland, doch werd verdreven. Over den oorlog met
Athene z. Nicias. In den strijd tegen Carthago, toen in 410 een
leger van meer dan 100000 man op Sicilia landde, vertrouwde Syr. het
legerbevel aan een burger, Dionysius, toe, die zijne macht misbruikte
om zich tot tyran op te werpen (405). Hij bouwde ook op Ortygia eene
acropolis. In 367 werd hij opgevolgd door zijn zoon Dionysius II,
die in 344 door Timoleon werd verdreven; Syr. ademde weer vrij en
de Carthagers werden bij den Crimisus geheel verslagen (339). Weldra
echter dook opnieuw de tyrannenheerschappij op; o. a. kwamen aan het
bewind Agathocles (317-289), Hicetas (289-280), Hiero II (270-215),
de trouwe bondgenoot der Romeinen, die den titel van koning aannam. Na
zijn dood geraakte Syr. in onmin met Rome en werd na een tweejarig
beleg in 212 door M. Claudius Marcellus veroverd. Sedert dien tijd ging
de stad achteruit, zoodat, toen Augustus er eene kolonie heenzond,
Ortygia voldoende ruimte aanbood. Behalve de wis- en werktuigkundige
Archimedes (gest. 212) waren ook de dichters Theocritus en Moschus
te Syr. geboren.