Stemmata, soort van loofwerk, waarmede de imagines maiorum tot een

stamboom vereenigd werden.

Stentor, Stentor, een van de Grieken voor Troje, beroemd door zijn

sterke stem. Hij kon zoo hard schreeuwen als 50 andere mannen.

Stenyclerus, Stenykleros, oude stad in Messenia, eenmaal de residentie

der messenische koningen uit de Doriërs.

Stephanus, Stephanos, beeldhouwer te Rome, uit de 2de helft der

eerste eeuw.

Steropes, Steropes, een van de Cyclopen.

Stertinii. 1) L. Stertinius, als proconsul in 199 naar Hispania

gezonden, bracht in 196 een buit van 50000 pond zilver naar Rome.--2)

Stertinius, een stoicijnsch wijsgeer, bij Horatius in gesprek met

Damasippus.--3) Q. Stertinius, een bekwaam arts onder de eerste

keizers, evenals zijn broeder.--4) L. Stertinius, legatus van

Germanicus, versloeg in 15 en 16 na C. de Bructeren en Angrivariërs

en onderwierp Segimerus no. 2.--5) L. Stertinius Avitus, dichter

tijdens Domitianus, een vriend van Martialis.

Stesagoras, Stesagoras, volgde zijn oom Miltiades no. 1 op en werd na

eene korte regeering gedood. Hij was een oudere broeder van Miltiades

no. 2.

Stesichorus, Stesichoros, van Himera, een van de beroemdste grieksche

lierdichters, 640-555. In een van zijne gedichten noemde hij Helena de

oorzaak van al de rampen, die uit den trojaanschen oorlog voortgekomen

waren; tot straf daarvoor werd hij blind en hij kreeg het gezicht

niet terug, voordat hij in eene palinodie (z. a.) verklaard had,

dat slechts eene schijngestalte Paris naar Troje vergezeld had. Om

politieke redenen moest hij uit Himera vluchten; zijn graf was te

Catana nabij de naar hem genoemde poort.--Van zijne door de ouden

hooggeprezen werken, waarvan slechts fragmenten bewaard zijn, hebben

de meeste, wat hun inhoud betreft, veel overeenkomst met het epos;

hij tracht echter in de oude mythen en sagen een zedelijke beteekenis

te vinden en de rechtvaardigheid van het goddelijk wereldbestuur aan

te toonen.

Stesicles, Stesikles, aanvoerder van een troep lichtgewapenden, door

de Atheners aan Corcyra te hulp gezonden, toen dit door Mnasippus

belegerd werd (373).

Stesimbrotus, Stesimbrotos, van Thasus, leefde ten tijde van Cimon en

Pericles te Athene als sophist en hield zich vooral met de verklaring

van de gedichten van Homerus bezig. Zijne levensbeschrijvingen van

Themistocles, Pericles e. a. schijnen weinig geloofwaardig geweest

te zijn.

Stheneboea, Stheneboia, zie Antea. Naar haar wordt Bellerophon

Stheneboius heros genoemd.

Sthenelus, Sthenelos, 1) zoon van Perseus en Andromeda, koning van

Mycenae, vader van Eurystheus.--2) zoon van Capaneus en Euadne,

een der epigonen (z. Adrastus), vriend en krijgsmakker van Diomedes

voor Troje.--3) zoon van Androgeos, volgde Heracles op diens tocht

tegen de Amazonen; later regeerde hij met zijn broeder Alcaeus over

Thasus.--4) vader van Cycnus, naar hem wordt de zwaan Stheneleis

volucris genoemd.--5) treurspeldichter te Athene, door Aristophanes

e. a. om zijne weinig verheven gedichten bespot.

Sthen(n)is, Sthen(n)is, van Olynthus, beroemd beeldgieter ten tijde

van Alexander d. G.

Stheno, Sthe(i)no, eene van de Gorgonen.

Stibadium = Sigma.

Stigma, het brandmerk, dat op het voorhoofd werd ingebrand, b.v. K

voor calumniatores volgens eene zekere lex Remmia, F voor weggeloopen

slaven, fugitivi, of voor dieven, fures. Het schijnt, dat men zich

niet altijd met ééne letter vergenoegde. Ook werd het merk niet altijd

ingebrand, maar ook wel met een scherp gepunt werktuig ingegrift,

zóó dat het litteeken bleef. Op deze wijze werden onder de latere

keizers ook recruten en dwangarbeiders op den arm gemerkt.

Stigmatias, stigmatias, een gemerkte slaaf; zie stigma.

Stilicho, Stelichon, een Vandaal in rom. krijgsdienst, die het

onder Theodosius den Gr. zoover bracht, dat hij met 's keizers

nicht en aangenomen dochter Serena huwde. In 395 n. C. vertrouwde

Theodosius hem de voogdij over den jeugdigen Honorius toe (z. a.), die

achtereenvolgens Stilicho's beide dochters tot vrouw kreeg. Stilicho

verdedigde het westersche rijk met krachtige hand tegen de Germanen en

tegen den Gothenvorst Alarik, totdat hij ten gevolge van hofkabalen

in 408 op last van zijn keizerlijken schoonzoon in diens paleis

werd omgebracht.

Stilo Praeconinus (L. Aelius), z. Aelii no. 7.

Stilpo, Stilpon, van Megara, scherpzinnig wijsgeer uit de megarische

school in de tweede helft der 4de eeuw, leermeester van Zeno. Hij

bestreed de ideënleer van Plato.

Stilus, de metalen schrijfstift, waarmede men op de wastafeltjes,

tabulae ceratae, schreef. Het boveneinde was plat, om het geschrevene,

zoo het niet beviel, te kunnen uitwrijven. Vandaar de dichterlijke

uitdrukking stilum vertere.

Stimula, oud-italische godin, die vooral bij vrouwen hevige

hartstochten opwekt, later geïdentificeerd met Semele. Zij had een

gewijd bosch buiten Rome aan den Tiber, waar de later door den senaat

verboden Bacchanalia gevierd werden.

Stipendium, 1) de soldij, misthos, die te Rome tijdens het beleg van

Veii werd ingevoerd, en niet in termijnen werd uitbetaald, maar eens

in het jaar, op het einde van den veldtocht of van het dienstjaar,

na aftrek van hetgeen de staat voor wapening en onderhoud had

uitgegeven. Later werd de soldij naar dagen berekend, en bedroeg

in den tijd van Polybius 5 lichte asses, sedert Caesar 10 asses =

ruim f0.26. De praetoriani kregen van Augustus eerst 20 asses, later

2 denarii = f0.84. De socii (z. a.) ontvingen geen stipendium, doch

werden kosteloos van het noodige voorzien.--2) de directe belastingen

(wel te onderscheiden van vectigalia) in de provinciën, waar de

belastingplichtigen stipendiarii werden genoemd. Twee provincies,

Sicilia en Asia (van de lex Sempronia tot Caesar) betaalden tributum

soli (z. a.) in plaats van stipendium.

Stiris, Steiris, stad in het Z. van Phocis.

Stoa, zuilengang, 1) st. basilike of basileios of he tou basileos,

het ambtslokaal van den archon basileus (z. archontes) te Athene. Aan

dit gebouw ontleenen de basilicae (z. a.) hun naam en hun vorm.--2)

st. poikile, z. het artikel Athenae p. 103, en Zeno no. 3.

Stobaeus (Johannes), Ioannes Stobaios, van Stobi, leefde waarschijnlijk

omstreeks 450 n. C. Eene door hem ten behoeve van zijn zoon aangelegde

verzameling van uittreksels uit meer dan 500 grieksche dichters

en prozaschrijvers is voor het grootste gedeelte bewaard gebleven,

en is van groot belang voor de kennis van oudere schrijvers, wier

werken overigens verloren gegaan zijn.

Stobi, Stoboi, hoofdstad van het macedonische gewest Paeonia, ongeveer

aan de samenvloeiing van den Erigon met den Axius, in de vierde eeuw

na C. door de Gothen verwoest.

Stoechades insulae, Stoichades nesoi, groep van vijf eilandjes op de

kust van Gallia Narbonensis, tot het gebied van Massilia behoorende,

thans Iles d' Hyères.

Stoeni, ligurisch volk, tot de Euganei behoorend, in 118 door

Q. Marcius Rex onderworpen. Waarschijnlijk woonden ze ten N. van

Verona.

Stoici, Stoikoi, hoi ek tes stoas, stoicijnen, wijsgeeren uit de

school van Zeno (z. a. no. 3).

Stola, het bovenkleed eener rom. dame, dat rondom tot op de voeten

hing en waaraan nog een rand, instita, kon gehaakt worden, die van

achteren een sleep vormde. De stola had korte mouwen. Aan meretrices

en adulterii damnatae was het dragen der stola ontzegd; deze waren

verplicht zich in het openbaar in de toga te vertoonen. Daar bij

huiselijke bezigheden de stola hinderlijk kon zijn, droegen de dames

een gordel (cingulum), ten einde haar kleed te kunnen opschorten.

Stolo, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 3 en 4).

Strabo (= scheele), familienaam in onderscheidene gentes, als

g. Fannia, g. Iulia (Julii no. 5), g. Pompeia (Pompeii no. 9).

Strabo, Strabon, van Amasea, geb. 66, wijdde zich, na grondige

studie van wijsbegeerte en geschiedenis, geheel aan de beoefening

der aardrijkskunde. Te dien einde ondernam hij groote reizen

door Griekenland en Klein-Azië, ging hij westwaarts tot Sardinië,

zuidwaarts tot Aethiopië, ook bezocht hij Rome, waar hij zich lang

schijnt opgehouden te hebben, en bereisde hij Aegypte in gezelschap van

Aelius Gallus. De vruchten van zijn onderzoek heeft hij nedergelegd in

een groot werk, Geographika, in 17 boeken, dat bijna volledig bewaard

gebleven is, en voor de oude aardrijkskunde van het hoogste belang

is. Het bevat, behalve de eigenlijke aardrijkskunde, vele bizonderheden

over geschiedenis, staatsinrichting, zeden en gewoonten der beschreven

landen. Van zijne Hypomnemata historika, een uitvoerig werk in ten

minste 43 boeken, is slechts weinig bewaard gebleven. Str. stierf in

19 na C.

Strategos. Te Athene werd omstreeks 500 het opperbevel over het

leger aan den polemarchos ontnomen en opgedragen aan een collegie

van 10 jaarlijks door het volk te verkiezen strategoi. Zij waren de

hoogste militaire overheid, hadden het geheele beheer van leger en

vloot in handen en kregen, door het belangrijke van hun betrekking,

weldra ook op politiek gebied grooten invloed. Aanvankelijk hadden zij

waarschijnlijk allen gelijke bevoegdheden, tenzij door volksbesluit of

onderlinge overeenkomst aan een van hen het opperbevel was opgedragen;

in lateren tijd (ongeveer sedert 350) werden hun bij hun verkiezing

speciale werkzaamheden toegewezen, en vindt men bijv. een str. epi

ten phylaken tes choras, een str. epi tas symmorias, enz.--Zie ook

achaeïsch verbond.

Strato, Straton, van Lampsacus, leerling van Theophrastus en na

diens dood (287) gedurende 18 jaar hoofd der peripatetische school,

beroemd door zijne omvangrijke geleerdheid en scherpzinnigheid. Hij

beoefende vooral de natuurwetenschappen en verklaarde het ontstaan

van het heelal uitsluitend uit de werking van natuurkrachten (vandaar

zijn bijnaam Physikos, maar behandelde in zijne talrijke geschriften

ook alle andere onderdeelen der wijsbegeerte. Hij stierf in 270.

Stratocles, Stratokles, 1) atheensch redenaar, tegenstander van

Demosthenes.--2) atheensch veldheer in den oorlog tegen Philippus van

Macedonië.--3) van Amphipolis, riep voor zijne vaderstad vruchteloos

de hulp der Atheners tegen Philippus in en werd daarom later door

dezen verbannen.

Stratonice, Stratonike, dochter van Demetrius Poliorcetes, gehuwd

met Seleucus Nicator en later met diens zoon Antiochus (z. a. no. 2).

Stratonicea, Stratonikeia, 1) voorname stad in het binnenland van

Caria, door den syrischen koning Antiochus I Soter (z. a.) gebouwd

en ter eere zijner vrouw aldus genoemd. De stad en ook de omgeving

heette vroeger Idrias. Bij deze stad stond de carische bondstempel

van Zeus.--2) stad aan den Caicus in Mysia, later Adrianupolis

(Hadrianupolis) geheeten. Hier nam M. Perperna den kroonpretendent

Aristonicus gevangen (130).

Stratonicus, Stratonikos, 1) Athener, bekwaam toonkunstenaar, die

vele leerlingen had. Hij was beroemd door zijne geestigheid, waarmede

hij echter aan koning Nicocles van Salamis aanstoot gaf, die hem ter

dood liet brengen.--2) van Cyzicus, een van de beeldhouwers, die de

gevechten van Attalus en Eumenes tegen de Galliërs in beeld brachten

(± 200).

Stratonis turris, Stratonos pyrgos, zie Caesarea no. 2.

Strattis, Strattis, 1) tyran van Chius ten tijde van de perzische

oorlogen.--2) dichter der oude comedie, jonger tijdgenoot van

Aristophanes.

Stratus, Stratos, 1) sterke hoofdstad van Acarnania, in het binnenland

ten W. van den Achelous gelegen, ± 260 door de Aetoliërs veroverd,

en sedert in hun bezit.--2) stad in het W. van Arcadia, op de grenzen

van Elis, in het gebied van Thelpusa, dat daarover gedurig met Elis

strijd voerde.--3) = het latere Dyme, in Achaia.

Strenae, 1) nieuwjaarsgeschenken bij de Rom. vanwaar het fransche

étrennes.--2) = omen.

Striglis, Strigilis, stlengis, xystris, een krabber, waarvan men zich

in Grieksche en Romeinsche badhuizen bediende, om na het worstelen,

of na het heete luchtbad, het vuil en zweet van de huid te verwijderen:

zie balneum.

Strombichides, Strombichides, atheensch veldheer in het laatste

gedeelte van den peloponnesischen oorlog, heroverde Lampsacus, dat

van Athene afgevallen was (411). Hij verzette zich tegen den vrede

van Theramenes (z. a.); daarom werd hij nog vóór het sluiten van

den vrede op een valsche aanklacht van oligarchische zijde gevangen

genomen en onder de 30 ter doodgebracht.

Strongyle, Strongyle, 1) het noordelijkste der Liparische eilanden

ten N. van Sicilia, thans Stromboli.--2) oude naam van Naxus.

Strongylion, Strongylion, atheensch beeldgieter op het einde der 5de

eeuw, vooral beroemd door zijne paarden en stieren.

Strophades, Strophades, ook Plotai geheeten, twee eilandjes in de

ionische zee, ten Z.O. van Zacynthus (Zante). Zij behoorden tot

het gebied van Cyparissia op de messenische kust en waren rijk aan

wijn. Toen Calais en Zetes, zonen van Boreas, de Harpyieën vervolgden,

staakten zij bij deze eilanden de vervolging en keerden toen om;

vandaar de naam (van strephein).

Strophium, strophion, lange strook lijnwaad, soort van sjerp, die

koordvormig werd ineengedraaid en door vrouwen en meisjes over het

hemd om het lichaam werd gebonden tot steun voor de borsten. Tot

dergelijk doel werd ook het mamillare gebezigd, een platte band,

soms van zacht leder, doch op het bloote lijf gedragen.

Strophius, Strophios, 1) koning van Phocis, gehuwd met eene zuster

van Agamemnon, z. Orestes.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon van

Pylades en Electra.

Stryme, Stryme, stad der Thasiërs op de thracische kust aan den

mons Ismarus.

Strymon, Strymon, belangrijke rivier van Macedonia, vóór Philippus

grensrivier tegen Thracia. Hij ontsprong op den Scomius en liep aan

de Oostzijde van Chalcidice in de Strymonische golf uit. Niet ver

van den mond lag Amphipolis.

Stubera, Styberra, stad in Pelagonia, het Z. W. gedeelte van het

macedonische gewest Paeonia, tusschen den Axius (Vardar) en diens

zijrivier Erigon.

Stymphalus, Stymphalos, stad in het N.O. van Arcadia aan den mons

Stymphalus en aan het stymphalische meer. Hier verdreef of doodde

Heracles (z.a.) de stymphalische vogels. Het water liep door

onderaardsche kanalen af.

Styra, ta Styra, stad in Z. W. Euboea; de bevolking is van dryopischen

stam.

Styx, Styx, 1) arm van den Oceaan, die onder de aarde stroomt en

negenmaal rondom de onderwereld loopt. De nimf van deze rivier is

eene dochter van Oceanus en Tethys, gehuwd met den Titan Pallas;

zij woont aan den ingang van den Tartarus in een grot met zilveren

kolommen. Toen de Titanen tegen Zeus opstonden, was zij de eerste die

hem hare kinderen, Zelus, Nice, Cratus en Bia, te hulp zond; daarom

beloonde Zeus haar door te bepalen, dat de eed bij de Styx voor de

goden heilig en onschendbaar zou zijn, terwijl hare kinderen op den

Olympus bleven wonen.--2) rivier in noordelijk Arcadië, tegenwoordig

Mavronera, waarvan het water volgens de ouden doodelijk is en alles

verteert behalve ezels- of paardenhoeven.

Suardones, germaansche volksstam in het N. van Germania, op den

rechteroever van den Albis (Elbe); ze behooren tot die volkeren,

die de godin Nerthus vereeren.

Sub novis, sub veteribus. Langs een gedeelte der lange zijden van

het forum stonden twee rijen vaste kramen of winkeltjes. Die aan

den Zuidkant waren de oudste en de weg daarlangs werd sub veteribus

geheeten, terwijl de weg langs de winkels aan de Noordzijde sub novis

werd genoemd.

Subertum, stad in het hart van Etruria, waarschijnlijk ten O. van

den lacus Volsiniensis; juiste ligging onbekend.

Sublaqueum, stad der Aequi, aan den Boven-Anio. In den keizertijd

behoorde dit gebied tot Latium. In de nabijheid lag de prachtige

villa van Claudius en Nero.

Sublicius (pons), houten paalbrug, in het bijzonder de oude Tiberbrug

te Rome, in den oorlog tegen Porsena afgebroken. Toen zij weder

herbouwd werd, geschiedde dit zonder er bouten of spijkers in te slaan;

zij was zoo ineengevoegd, dat men ze in geval van nood geheel uiteen

kon nemen.

Subscriptio, de onderteekening eener aanklacht, in engeren zin de

onderteekening door de medeaanklagers, terwijl dan de onderteekening

door den hoofdbeschuldiger inscriptio werd genoemd (z. a.).

Subsolanus of Solanus, de Oostenwind, zie Windstreken.

Subucula, ondertunica, meest van wol en van mouwen voorzien.

Subura, buurt van Rome met een zeer drukke winkelstraat, die van

het forum in N.O. richting liep. De derde regio van Servius Tullius

heette Suburana.

Sucro, rivier in het O. van Hispania, die ten Z. van Valentia in

zee valt, thans Xucar, met eene gelijknamige stad in het gebied der

Edetani. De rivier heette vroeger Sicanus, zie Sicilia.

Sudatio, Sudatorium, zie balneum.

Sudeti montes, Soudeta ore, het W. gedeelte der tegenw. Sudeten,

met het Ertsgebergte.

Suebi, uitgebreide en machtige volkenbond in Germania, een groot

gedeelte van de latere Hoogduitschers. Hun land was in 100 gouwen

verdeeld, waarvan elk 1000 krijgers kon leveren. Hun roem was, alles

rondom hen zoover te verwoesten, dat zij geene naburen hadden. Onder

Ariovistus neemt een gedeelte van het volk bezit van de door de

Helvetiërs verlaten streken ten Zuiden van den Main, en dringt dan ook

in den Elzas door, waar Caesar ze in 58 verslaat. Ook de Semnones in

Midden-Germania (tusschen Elbe en Spree) behoorden er toe. Bij Tacitus

wordt O. Germania tusschen de Donau en de Oostzee Suebia genoemd. Hun

naam leeft nog voort in Zwaben. In de 3de eeuw n. Chr. vormt een

gedeelte van de Suebische stammen (vooral de Semnones) den nieuwen

volkerenbond der Alamannen (z. a.).

Suebicum mare, de Oostzee.

Suessa. 1) Suessa (Sessa) Aurunca, stad der Aurunci in Latium, aan

den mons Massicus, col. lat. sedert 313, geboorteplaats van den

dichter Lucilius.--2) Suessa Pometia, stad der Volsci in Latium,

door Tarquinius Priscus veroverd, later door de Rom. verwoest. De

ligging is onzeker.

Suessetani, volksstam in Tarraconensis, nabij den Iberus (Ebro),

in wier gebied de stad Corbio ligt.

Suess(i)ones, machtig volk in het Z. van Belgica dat 50000 man op

de been kon brengen en wier koning Divitiacus niet slechts over een

aanzienlijk deel van Gallia heerschte, maar zelfs over een deel van

Britannia. Hoofdstad: Nuviodunum, later Augusta Suessionum geheeten,

thans Soissons.

Suessula, stad in Campania tusschen Calatia en Nola.

Suetonii. 1) C. Suetonius Paulinus, beroemd veldheer, werd in 41 na

C. stadhouder van Mauretania en drong dieper dan een zijner voorgangers

in de binnenlanden van Africa door. In 59 werd hij naar Britannia

gezonden, waar hij na een bloedigen strijd den opstand van Boudicca

dempte, doch reeds in 61 werd hij, ten gevolge van lasterlijke

beschuldigingen, door Nero teruggeroepen (zie Polyclitus). Later

streed hij voor Otho in den slag bij Cremona (69), doch onderwierp

zich na diens dood aan Vitellius, waarbij hij op niet zeer eervolle

wijze den schijn aannam, als zou door zijn opzettelijk toedoen Otho

den slag hebben verloren.--2) C. Suetonius Tranquillus leefde ten

tijde van Domitianus, Traianus en Hadrianus. Door den invloed van

zijn vriend Plinius (minor) verkreeg hij van Traianus verschillende

ambten, maar hij viel bij Hadrianus in ongenade, nadat hij onder dezen

een post bij de kanselarij had bekleed als magister epistularum (zie

scrinium). Zijn verder leven sleet hij met letterkundigen arbeid. Hij

schreef de levens der eerste 12 keizers (van Caesar tot Domitianus),

waarin hij zonder chronologische volgorde in eenvoudigen, helderen

stijl tal van kleine bijzonderheden mededeelt (de vita Caesarum libri

VIII), voorts over taalgeleerden, rhetoren, enz., alsmede de levens

van Terentius, Horatius, Persius, Lucanus, Juvenalis, Plinius, samen

behoorende tot een werk de viris illustribus.

Suevi = Suebi.

Suffectus is de overheidspersoon, die voor de rest van het ambtsjaar

gekozen wordt, wanneer het ambt binnentijds openviel, b.v. door

overlijden.

Suffetes, titel der twee hoogste overheden te Carthago, die

de uitvoerende macht bezaten, in den senaat het voorzitterschap

bekleedden en somtijds ook het leger aanvoerden. Hun ambt werd hun,

althans in den beginne, slechts voor één jaar opgedragen.

Suffibulum, lange witte sluier, die van het hoofd naar achteren over

den rug afhing en onder de kin met een gesp (fibula) werd vastgehecht,

en die tot de dracht der vestaalsche maagden behoorde. Ook droegen

de priesters dit kleedingstuk bij het offeren.

Suffragia (sex), naam van 6 der 18 rom. riddercenturiën, vermoedelijk

de drie dubbelcenturiën van Tarquinius, Ramn(ens)es, Titi(ens)es en

Lucer(ens)es priores en posteriores. Welk verschil er tusschen deze zes

en de overige XII centuriae equitum was, blijkt niet. Waarschijnlijk

waren de sex suffragia een tijd lang uitsluitend patricisch, de

overige gemengd.

Sugambri = Sygambri.

Synkletos ekklesia, z. ekklesia.

Suillii. P. Suillius Rufus, schoonzoon van Ovidius, was eerst

quaestor van Germanicus geweest, en werd in 24 na C. verbannen wegens

omkoopbaarheid, doch kreeg onder de regeering van Claudius verlof

naar Rome terug te keeren en wist toen wederom grooten invloed

te verwerven. Zijne geldzucht dreef hem er toe, als verklikker en

valsche aanklager tegen aanzienlijke mannen op te treden, totdat Nero

zelf hem bij den senaat beschuldigde (58) en hij met ballingschap

en verbeurdverklaring van een gedeelte zijner bezittingen werd

gestraft.--2) M. Suillius Nerulinus, zoon van no. 1, consul in 50 na

C., werd na de veroordeeling zijns vaders van afpersingen beschuldigd,

doch door Nero vrijgesproken. Onder Vespasianus was hij proconsul

van Asia.

Suiones, de tegenwoordige Zweden, bij Tacitus de naam der bewoners

van Scandinavia, als goede zeevaarders bekend, wier schepen voor en

achter gelijk gebouwd waren, zoodat zij in beide richtingen konden

varen. Zie Scandia.

Sykophantes werd te Athene iemand genoemd, die uit winstbejag anderen

met processen lastig viel. Bij de overmatige, tegenover sommige

standen soms onrechtvaardige gestrengheid der atheensche rechters,

konde een onbeteekenende of zelfs een geheel valsche aanklacht voor

den aangeklaagde dikwijls lastig of gevaarlijk worden en daarom vond

men het gewoonlijk veiliger een sycophant af te koopen, wanneer hij

met een aanklacht dreigde, dan zich aan een proces te wagen. Meende

men het boos opzet van een syc. te kunnen bewijzen, dan kon men hem

bij den raad of het volk of, door de graphe sykophantias, bij de

thesmotheten aanklagen.

Sulla, familienaam in de gens Cornelia (Cornelii no. 52-54).

Sylloges, beambten of buitengewone commissarissen bij het financiewezen

te Athene, wier werkkring niet nader bekend is, alleen wordt van

hen vermeld, dat zij verbeurdverklaarde goederen der oligarchen in

beslag namen.

Sulmo, Soulmon, 1) thans nog Sulmo, paelignische stad, de

geboorteplaats van Ovidius, die het gelidis uberrimus undis noemt naar

de koele bergstroompjes en bronnen in den omtrek. In den burgeroorlog

werd het door Sulla verwoest, doch later herbouwd als kolonie.--2)

volscische stad in Latium, die in de eerste eeuw na C. reeds geheel

verdwenen was.

Sulpiciae (leges) van den volkstribuun P. Sulpicius Rufus (Sulpicii

no. 18) van 88, 1) tot terugroeping der ballingen, n.l. van hen,

die na de woelingen van M. Livius Drusus in 91 en na de lex Varia

de wijk hadden genomen.--2) dat de nieuwe italiaansche burgers

(na den marsischen oorlog) en de vrijgelatenen over al de 35 tribus

zouden worden verdeeld.--3) dat geen senator meer dan 2000 drachmen

schuld zou mogen hebben (de inhoud dezer wet wordt alleen in het

Grieksch vermeld).--4) dat niet Sulla, doch Marius het bevel in den

mithradatischen oorlog zou voeren. Deze wetten werden, toen Sulla met

zijn leger in de stad binnendrong, door den senaat ongeldig verklaard.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 130 / 150 段