medelijden der rechters op te wekken.
Sordones, kleine stam in Gallia Narbonensis. Hoofdstad: Ruscino.
Sortes, eene soort orakel door het lot. Eiken plankjes, waarop spreuken
en teekens waren ingesneden, waren tot een bundel saamgebonden. Door
een knaap werden zij getrokken en dan het antwoord er uit opgemaakt
(Sortilegium, kleromanteia). Door droogte krompen zij wel eens, ook
sleten zij door het gebruik af, en dan gebeurde het wel, dat er een
plankje van zelf uit den bundel viel (sortes sua sponte attenuatae). De
meest beroemde dezer orakels waren die van den Fortuna-tempel te
Praeneste en van Caere.
Sosibius, Sosibios, 1) uit Sparta, geschiedschrijver en chronograaf ten
tijde van Ptolemaeus Philadelphus.--2) leermeester van Britannicus,
een werktuig van Messalina, later door toedoen van Agrippina ter
dood gebracht.
Sosigenes, van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en sterrenkundige,
schreef o. a. commentaren op eenige werken van Aristoteles en hielp
Julius Caesar bij het verbeteren van den rom. kalender.
Sosii. 1) C. Sosius, praetor in 49, werd in 37 door Antonius belast
met den oorlog tegen Antigonus, zoon van den Maccabaeër Aristobulus
(z. a.), die met de hulp van den parthischen kroonprins Pacorus het
bestuur over Judaea vermeesterd had. Sosius versloeg Antigonus en
bracht hem ter dood, zoodat Herodes I (z. a.) bezit van den troon
kon nemen. In den burgeroorlog was hij op de zijde van Antonius,
doch verzoende zich na den slag bij Actium met Octavianus.--2)
Q. Sosius Senecio, consul onder Traianus, was een begunstiger van
Plutarchus, die verscheidene levensbeschrijvingen aan hem opdroeg.--3)
Q. Sosius Falco, na den dood van Commodus mededinger van Pertinax
naar de keizerskroon; zoo P. hem niet het leven had gered, zou hij
zijn pogen met den dood bekocht hebben.--4) de gebroeders Sosii,
bij wie Horatius zijne geschriften uitgaf.
Sosilus, Sosilos, Lacedaemoniër, leermeester en vriend van Hannibal,
wiens daden hij beschreef. Polybius spreekt over zijn werk een
ongunstig oordeel uit.
Sosipater, Sosipatros, dichter der nieuwe attische comedie. Van een
van zijne stukken is een vrij groot fragment bewaard gebleven.
Sosiphanes, Sosiphanes, van Syracuse, treurspeldichter ten tijde van
Philippus en Alexander. Hij schreef 73 stukken, behaalde 7 maal den
eersten prijs, en werd in de alexandrijnsche pleias opgenomen.
Sosistratus, Sosistratos, 1) Syracusaan, hoofd der oligarchische partij
na den dood van Timoleon, werd door Agathocles verbannen en ging naar
Agrigentum.--2) tyran van Agrigentum die, door Syracuse aan te vallen,
den Carthagers aanleiding gaf zich in de grieksche aangelegenheden
te mengen. Toen tegen hem de hulp van Pyrrhus ingeroepen werd, moest
S. vluchten (278).
Sositheus, Sositheos, van Alexandrië in Troas, trad te Athene
en Alexandrië in Aegypte als treurspeldichter op en werd in de
alexandrijnsche pleias opgenomen. Zijn bloeitijd was omstreeks 280.
Sospita, redster, bijnaam van Juno, waaronder zij vooral te Lanuvium
vereerd werd en te Rome een tempel had.
Sosthenes, Sosthenes, een Macedoniër van geringe afkomst, die
koning Antigonus Gonatas dwong de regeering neder te leggen, zich
aan het hoofd van het leger stelde en de Galliërs uit het land joeg
(280). In het volgende jaar sneuvelde hij echter bij een nieuwen
inval der Galliërs.
Sostratus, Sostratos, 1) een zeeroover die zich ten koste van de
Atheners van het eiland Halonesus meester maakte, van waar hij door
Philippus van Macedonië verdreven werd.--2) Macedoniër, ter dood
gebracht als medeplichtige aan de samenzwering van Hermolaus.--3)
van Cnidus, beroemd bouwmeester, die o. a. den vuurtoren op Pharus
bouwde.--4) beroemd geneesheer te Alexandria uit de 2de helft der
eerste eeuw, vooral beroemd als chirurg. Er zijn nog fragmenten van
zijn werken over.
Sosus, Sosos, van Pergamus, uitvinder van de ingelegde
mozaiek-vloeren. Een nabootsing van zijn duiven op den rand van een
schaal vindt men in het capitolijnsch Museum te Rome. Ze stamt uit
de villa Hadriani.
Sotades, Sotades, van Maronea, schrijver van onzedelijke gedichten van
mythologischen inhoud (versus Sotadei). Hij leefde onder Ptolemaeus
Philadelphus, en naar men verhaalde werd hij in zee geworpen, omdat
hij het huwelijk van den koning met diens zuster Arsinoë bespot had.
Soter, Soteira, 1) bijnaam van verscheiden goden en godinnen,
waarbij men hen aanriep, als men om redding uit nood of gevaar
bad. Vooral wordt die naam aan Zeus gegeven, maar ook aan Poseidon,
Apollo, Dionysus, Hera, Artemis e. a.--2) bijnaam van Ptolemaeus I
en Demetrius III.
Soteria, Soteria, feest ter eere van Apollo, jaarlijks te Delphi
gevierd, ter herinnering aan den inval der Galliërs in 279, die door
de hulp van Apollo afgeweerd was.
Sotion, Sotion, 1) van Alexandrië, wijsgeer uit de school der Sextii,
leermeester van Seneca, en schrijver van een werk van gemengden
inhoud, Keras Amaltheias.--2) van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer
en letterkundige in de 2de eeuw.
Sottiates = Sontiates.
Spalatum, thans Spalatro, vlek nabij Salona in Dalmatia, met eene
prachtige villa van Diocletianus, waar deze keizer zijne laatste
levensjaren sleet.
Sparta, Sparte, of Lacedaemon, Lakedaimon, de hoofdstad van Laconica,
bij Homerus he koile Lakedaimon geheeten, omdat het in een kom van
bergen gelegen was. Het was op onderscheidene heuvels gebouwd aan
den rechteroever van den Eurotas. Tot 206 was de stad niet ommuurd,
doch niettemin sterk door hare ligging. Aan een der hoogste heuvels,
waarop de tempel van Athena Chalcioecus stond, werd de naam Acropolis
gegeven. In dezen tempel stierf Pausanias den hongerdood. Aan den voet
der Acropolis lag de agora met de perzische gaanderij (stoa persike),
die uit den perzischen buit was gebouwd en waarvan het dak door beelden
van Perzen op de wijze van caryatiden werd gedragen. Aan den Eurotas
lag de Platanistas, eene door platanen belommerde oefenplaats der
spartaansche jongelingschap. Tijdens den trojaanschen oorlog regeerde
te Sparta Menelaus; het bekleedde toen geene voorname plaats onder
de steden van de Peloponnesus en stond verre achter bij Argos. Na
de dorische volksverhuizing kwam Sparta aan de beide zoons van den
Heraclide Aristodemus, de tweelingbroeders Eurysthenes en Procles. De
zoon van Eurysthenes was Agis, naar wien het ééne koninklijke stamhuis
genoemd wordt. De dorische stam was krijgshaftig en door de wetten
van Lycurgus werd Sparta de militaire staat bij uitnemendheid van
Griekenland. Dit ondervond Messenia (z. a.), en ook Athene dolf,
grootendeels door eigen schuld, in den peloponnesischen oorlog het
onderspit (404). Sedert dien tijd liet Sparta, niet altijd door
eerlijke middelen, zich in Griekenland overwegend gelden, tot het
door Epaminondas gefnuikt werd (371). Van nu af begon het tijdperk
van verval, terwijl de toenemende oligarchie de macht in handen van
enkele familiën bracht. Vruchteloos trachtte het zich tegen Macedonia
aan te kanten. De pogingen van Agis III (z. a.), om eene hervorming
tot stand te brengen, mislukten; beter slaagde Cleomenes III (z. a.),
doch Aratus van Sicyon vreesde de macht van een herboren Sparta en
de slag bij Sellasia (221) maakte een einde aan de regeering van
Cleomenes. Met hem nam het huis der Heracliden een einde. Van nu
af was Sparta overgeleverd aan de tyrannie; berucht zijn Machanidas
(210-207) en Nabis (207-192). In 192 dwong Philopoemen, de strateeg
van het achaeïsch verbond, Sparta tot dit verbond toe te treden,
en in 189 werd het wegens poging tot afval streng gestraft en werd
het overblijfsel der lycurgische wetgeving afgeschaft. De onderdrukte
wrok der Spartanen verschafte den Rom. eene welkome gelegenheid om in
Griekenland op bedekte wijze het twistvuur aan te blazen, totdat het
land in 146 rom. provincie werd. Sparta bleef eene civitas libera.--Zie
ook Laconica.
Spartacus, Spartakos, een Thraciër, achtereenvolgens herder, soldaat,
roover, gevangene, zwaardvechter. Met omstreeks 70 metgezellen
ontsnapte hij in 73 uit eene zwaardvechterskazerne te Capua. Reeds
terstond behaalden zij eenig voordeel op de militie van Capua en
bereikten den Vesuvius, doch zagen zich daar weldra ingesloten
door 3000 man onder den propraetor C. Claudius Glaber, die den
eenigen destijds bestaanden uitweg bezette. De zwaardvechters echter
vlochten ladders van op den berg groeiende wilde wijngaardranken,
kwamen daarlangs aan den steilen kant van den berg naar beneden,
en vielen Claudius zoo onverhoeds op het lijf, dat zijn legioen de
vlucht nam. Van alle zijden stroomden nu weggeloopen slaven toe; ook
de praetor P. Varinius en zijne legaten Furius en Cossinius werden
totaal verslagen. De slaven hadden zich nevens Spartacus nog twee
aanvoerders gekozen, Crixus en Oenomaüs. De laatste schijnt reeds
vroeg gesneuveld te zijn, tusschen de beide overige ontstond een
ernstig verschil van gevoelen. Spartacus wilde zoo spoedig mogelijk
met de zijnen, meest Thraciërs en Galliërs, Italië verlaten om
naar hun vaderland terug te keeren; Crixus daarentegen had zich
met 30000 man van hem afgescheiden om te moorden en te plunderen,
daar zij niet wilden heengaan zonder den buit van Italië mede te
nemen. Crixus sneuvelde in 72 met twee derden van zijn leger tegen
den Consul L. Gellius Poplicola en den propraetor Q. Arrius, doch
Spartacus versloeg eerst den anderen consul Cn. Cornelius Lentulus,
daarna Gellius en toen den proconsul van Cisalpina, C. Cassius. Na
deze overwinning liet Spartacus bij een lijkfeest voor Crixus 300
rom. krijgsgevangenen als gladiatoren vechten. Hij had toen nog
120000 man bij zich, waarmede hij reeds tot aan den Padus (Po) was
gekomen; thans echter weigerden zij zijne plannen verder te volgen,
hij moest weder zuidwaarts trekken, doch kreeg nu te doen met den
praetor M. Licinius Crassus, die er in zes maanden tijds in slaagde, de
slaven in Lucania te verslaan, waarbij Spartacus met 60000 der zijnen
volgens Livius of 12500 volgens Plutarchus sneuvelde (71). Zijn lijk
werd niet gevonden. Zesduizend gevangenen werden langs den weg van
Rome naar Capua gekruisigd, vijfduizend anderen, die met versnelde
marschen de Alpen zochten te bereiken, liepen juist Pompeius in den
mond op diens terugkeer uit Hispania.
Spartarius Campus = Campus Spartarius.
Sparti, Spartoi, z. Cadmus.
Spartianus (Aelius), een der scriptores historiae Augustae, schrijver
der levens van eenige keizers nam. van Hadrianus, Marcus Aurelius,
Verus, Septimius Severus, Pescennius Niger en Macrinus. Ze zijn
later overgewerkt.
Spartocus, Spartokos, naam van een vijftal koningen der tweede dynastie
van het bosporaansche rijk, van 438-284.
Spartolus, Spartolos, stad op Chalcidice, ten W. van Olynthus.
Spasinu (Pasinu) Charax, zie Charax.
Spectabilis, titel der tweede klasse van ambtenaren onder Constantijn
den Gr.
Spectio, z. auguria.
Speculatores, 1) spionnen in den oorlog.--2) lichte troepen, die op
verkenning worden uitgezonden = exploratores.--3) ordonnansen.--4)
bereden lijfwachten.
Spercheus, Spercheios, aanzienlijke rivier ten Z. van Thessalia,
in het gebied der Dolopers en Aenianen, die zich in de Malische
golf stort. Als riviergod is hij een der zoons van Oceanus en Gaea,
en bij Polydora, dochter van Peleus, de vader van Menesthius.
Sperthias, Sperthias, z. Bulis.
Spes, personificatie van de hoop. Zij had te Rome verscheiden tempels,
de oudste hiervan was tijdens den eersten punischen oorlog aan het
forum olitorium gebouwd, waar men haar den 1sten Augustus offers
bracht. Zij wordt afgebeeld als een schoone, jonge vrouw, die met de
linkerhand haar lang gewaad een weinig opheft, en in de rechterhand
een ontluikende bloem draagt.
Speusinioi, z. toxotai.
Speusippus, Speusippos, zoon eener zuster van Plato, werd door zijn
oom met veel liefde en zorg opgevoed; naar het schijnt vergezelde hij
hem op een zijner reizen naar Sicilië, waar hij kennis maakte met de
leer van Pythagoras, waaruit hij het een en ander overnam. Na Plato's
dood stond Sp. aan het hoofd der academie, maar wegens lichaamszwakte
kon hij slechts tot 339 als leeraar werkzaam zijn, en in 334 maakte hij
door een vrijwilligen dood een einde aan zijn lijden. Hij was ongeveer
60 jaar oud geworden. Van zijn talrijke werken, die Aristoteles voor
3 talenten kocht, is niets bewaard gebleven.
Sphacteria, Sphakteria, eilandje op de messenische kust, thans Sfagia,
bekend in den peloponnesischen oorlog (zie Pylus no. 3 en Cleon).
Sphaeria, Sphairia, eilandje op de kust van Argolis, nabij Troezen
en Calauria.
Sphaeristerium, sphairisterion, zaal voor het bij de ouden zoo
geliefkoosde bal- of kaatsspel, zooals men in de grieksche gymnasiën,
de rom. badhuizen en ook in de huizen en op de buitenplaatsen der
rijke Rom. vond.
Sphagia, Sphagia = Sphacteria.
Sphendale, Sphendale, vlek in het N.O. van Attica, tusschen den berg
Parnes en de kust.
Sphendonetai, funditores, slingeraars, lichtgewapenden, die met een
slinger van leder, soms van biezen, in de oudste tijden van wol,
looden kogels of groote steenen naar de vijanden wierpen. Onder de
Grieken muntten de Rhodiërs uit door behendigheid en zekerheid in
het behandelen van dit wapen, in de rom. legers dienden daarvoor
vooral Balearen.
Sphettus, Sphettos, vlek in het Zuiden van Attica, aan den weg van
Athene naar Sunium.
Sphinx, Sphinx, dochter van Typhon en Echidna of van Orthrus en
Chimaera, een monster met het hoofd en de borst eener vrouw en verder
de gedaante van een leeuw met vleugels. Zij zat op een rots nabij
Thebe en gaf den voorbijgangers een raadsel op, wie het niet kon
oplossen, werd gedood. Het raadsel luidde: Welk wezen heeft nu eens
vier, dan weer twee, dan weer drie voeten, en gaat langzamer naarmate
het meer voeten heeft? Oedipus vond de oplossing (mensch), waarop de
Sph. zich van de rots in de diepte stortte.--De aegyptische sphinxen
hebben eveneens de gedaante van een leeuw, maar zijn ongevleugeld en
hebben het hoofd van een man.
Sphodrias, Sphodrias, spartaansch veldheer, die in 378 harmost van
Thespiae was en een aanval op den Piraeus deed. Toen deze aanval
mislukt was, werd wel beweerd, dat Sph. zich door de Thebanen daartoe
had laten omkoopen, om de Atheners in een oorlog met Sparta te
wikkelen, doch toen hij daarvoor te Sparta werd aangeklaagd, wist
Agesilaus zijn vrijspraak te bewerken. Hij sneuvelde in den slag
bij Leuctra.
Spina, Spina, 1) stad aan den zuidelijken mond van den Padus
(Po), welke monding naar de stad ostium Spineticum heet. De stad
is waarschijnlijk oorspronkelijk umbrisch, maar reeds vroeg door
Etruriërs bezet; ze is evenals Adria uitvoerhaven voor barnsteen.--2)
stad in Gallia Transpadana aan den Addua (Adda).
Spina, zie circus.
Spino, beek bij Rome, niet nader bekend.
Spinther, bijnaam van eenige Lentuli in de gens Cornelia, z. Cornelii
no. 50.
Spitamenes, Spitamenes, generaal van Darius Codomannus, medeplichtige
van Bessus. Ook nadat hij dezen uitgeleverd had, zette Sp. den oorlog
tegen Alexander voort, zelfs wist hij scythische volksstammen tot een
bondgenootschap te bewegen; toen echter zijne zaak hopeloos stond,
werd hij door de Scythen gedood en zijn hoofd aan Alexander gezonden.
Spithradates, Spithrid., Spithridates, satraap van Ionië en Lydië
onder Darius Codomannus, werd in den slag bij den Granicus, terwijl
hij op Alexander zelf een aanval deed, door Clitus gedood.
Spolatum = Spalatum.
Spoletum, -tium, Spoletion, thans Spoleto, umbrische stad aan de via
Flaminia, in 241 lat. kolonie. In den burgeroorlog had het veel van
Sulla te lijden en in later tijd van de Gothen.
Spolia opima. Onder spolia verstaat men de wapenrusting, die de
overwinnaar den verslagen vijand ontneemt. Deze spolia worden
opima genoemd, wanneer de eene veldheer den anderen in den strijd
eigenhandig doodt. Zoo behaalde Romulus de spolia opima in den strijd
tegen de latijnsche Caeninensers, evenzoo de consul A. Cornelius
(Cornelii no. 3) in 428 op den vejentischen koning Tolumnius, en in
222 de consul M. Claudius Marcellus (Claudii no. 30) op den gallischen
aanvoerder Virdumarus in den slag bij Clastidium.
Spondophoroi, zie Olympia (ta Ol.).
Sporades, Sporades, de eilanden, die in de Aegaeische zee tusschen
Creta, Rhodus, de kust van Asia en de Cycladen verspreid liggen.
Sportula, een mandje met eetwaren, zooals de clientes (z. a.) ontvingen
bij de salutatio matutina. Later werd het een geschenk in geld, en
kreeg sportulae de beteekenis van emolumenten, zooals presentiegelden
en dgl.
Spurinae, etruscisch geslacht. 1) Spurina (Spurinna), een haruspex,
zou Caesar in den ochtend van den moord gewaarschuwd hebben, dat hem
een onheil dreigde.--2) Vestricius Spurina, streed in 69 n. C. voor
Otho tegen Vitellius, overwon later als legatus Germaniae Inferioris
de Bructeri; hij maakte ook latijnsche en grieksche gedichten. De
gedichten, die op zijn naam staan, zijn onecht.
Staberii. 1) L. Staberius, aanhanger van Pompeius had het bevel te
Apollonia op de epirotische kust, doch ontruimde het bij Caesar's
nadering in 48.--2) Staberius Eros, latijnsch taalkundige, schrijver
van een werk de proportione, leermeester van Brutus en Cassius.--3)
Staberius, een rijkaard bij Horatius, overigens geheel onbekend.
Stabiae, oude stad aan de campaansche kust, ten Z. van Pompeii, door
Sulla in den marsischen oorlog in 90 verwoest. Het herleefde later
als villa-dorp, maar hoorde toen tot het grondgebied van Nuceria. In
79 n. C. werd het bij de uitbarsting van den Vesuvius onder de asch
bedolven. Later komt het weer voor als badplaats, tgw. Castellamare
di Stabia.
Stadium, stadion, de renbaan in een gymnasium, ook de enkele wedloop,
waarbij men eenmaal de baan afliep. Als afstandsmaat is het st. 600
gr. voet, ongeveer 182 m.; naam en lengte heeft deze maat van de
renbaan te Olympia.
Stagirus, Stageiros, ook Stagira, ta Stageira, kolonie van Andrus,
in het N.O. van Chalcidice, geboorteplaats van Aristoteles, op
wiens verzoek Philippus van Macedonia de door hem verwoeste stad
liet herbouwen.
Staienus, naam in de gens Aelia, zonder historisch belang. In Cicero's
oratio pro Cluentio komt zekere C. Aelius Paetus Staienus voor,
die een schurkachtig voogd en een omkoopbaar rechter was, en de som,
waarmede hij ook andere rechters zou omkoopen, in zijn eigen zak stak.
Staius Murcus (L.), veldheer van Caesar, belegerde met Q. Marcius
Crispus (Marcii no. 11), Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te
Apamea ad Orontem, maar sloot zich in Maart 43 bij Cassius aan, en
werd als vlootvoogd naar de Adriatische zee gezonden, waar hij den
overtocht van Antonius en Octavianus niet wist tegen te gaan. Na
den dood van Brutus en Cassius sloot hij zich met zijn vloot bij
Sex. Pompeius aan, die hem echter spoedig liet ombrengen. V.a. was
zijn naam Statius Murcus.
Staphylus, Staphylos, zoon van Dionysus of Theseus en Ariadne of van
Dionysus en Erigone, een van de Argonauten.
Stasanor, Stasanor, van Cyprus, onder Alexander satraap van Ariane
en Drangiane, na Alexanders dood van Bactria en Sogdiane, waar hij
zich in weerwil van de aanvallen van Antigonus staande hield.
Staseas, van Neapolis, peripatetisch wijsgeer, met Cicero bevriend.
Stasicrates, Stasikrates, z. Dinochares.
Stasinus, Stasinos, van Cyprus, waarschijnlijk uit de 8ste eeuw, een
van de cyclici, wien door sommigen een episch gedicht (Kypria epe)
werd toegeschreven, dat de gebeurtenissen van de bruiloft van Peleus
tot aan het begin der Ilias behandelde.
Stata Mater, eene godin, die te Rome aangeroepen werd tot afwering
van branden. Zij was in beteekenis verwant met Vulcanus en Vesta; haar
beeld stond op het forum, waar 's nachts te harer eer een vuur brandde.
Stater, stater, oorspronkelijk lydische gouden munt ter waarde van
ongeveer 22 attische drachmen. Zij was niet slechts in Griekenland
algemeen gangbaar, maar werd ook door vele grieksche staten geslagen
en uitgegeven.
Statielli, -ellates, -ellenses, kleine ligurische volksstam, tusschen
den Padus (Po) en de Apennijnen, met de badplaats aquae Statiellae.
Statii. 1) Statius Albius Oppianicus, rom. ridder, die zijn zwager
en twee van zijn eigen zoons om het leven bracht, en zijn stiefzoon
A. Cluentius Habitus trachtte te vermoorden, om zich diens fortuin toe
te eigenen. Door Cluentius aangeklaagd, poogde hij zijn rechters om te
koopen (zie Staienus), doch moest zich door vrijwillige ballingschap
aan het vonnis onttrekken (74).--2) Statius Albius Oppianicus, zoon van
no. 1, beschuldigde Cluentius (z. a.), dat deze den ouden Oppianicus
had pogen te vergeven.--3) Statius Sebosus, rom. zeevaarder, ontdekker
der Canarische eilanden, en schrijver over aardrijkskunde, leefde
in de eerste helft van de eerste eeuw n. C.--4) L. Statius Murcus,
z. Staius Murcus.--5) M. Statius Priscus, rom. veldheer, veroverde ±
163 na C. de armenische hoofdstad Artaxata.--6) Statius, vrijgelatene
van Q. Cicero, die veel invloed op hem had.--7) P. Papinius Statius
(± 45-96 na C.), te Neapolis geboren, doch te Rome opgevoed, beroemd
improvisator, dichter van twee epische gedichten, Thebais, in 12
boeken, en Achilleis (onvoltooid), alsmede van 5 boeken mengelpoëzie
onder den naam Silvae.--8) Statius Caecilius, zie Caecilii no. 31.--9)
Statius Gellius, zie Gellii no. 1.
Statilii. 1) Statilius, een dapper marsisch krijgsman, die aan Rome
trouw bleef, toen zijne landslieden tot Hannibal overgingen.--2)
L. Statilius, een van de saamgezworenen van Catilina, die Rome in
brand zou steken.--3) Statilius, aanhanger van Cato van Utica,
die zich bij Cato's dood ook van het leven wilde berooven, doch
door zijne vrienden hierin verhinderd werd en later bij Philippi
in de handen zijner vijanden viel en gedood werd.--4) T. Statilius
Taurus, legaat van Octavianus, streed in 36 tegen Sex. Pompeius op
Sicilia, veroverde na de afzetting van Lepidus Sicilia en Africa,
streed in 34/33 in Dalmatia tegen de Dalmaten, stond aan het hoofd der
landingstroepen bij Actium (31), onderwierp later (29) de Cantabriërs,
Asturiërs en Vaccaeërs in Hispania, was in 26 consul, en werd in 25
door Augustus tot praefectus urbi benoemd. Uit eigen fondsen bouwde
hij in 30 te Rome het eerste steenen amphitheater. Hij was een groot
vriend van Augustus.--4a) T. Statilius Sisenna Taurus, consul in
16 n. C.--5) T. Statilius Taurus, consul 44 n. C., een rijk man,
wiens moeder eene Valeria Messalina (Corvina) was, werd om zijne
schatten aangeklaagd van knevelarij en tooverij (Z. Tarquitii), op
aanstoken van Agrippina, de gemalin van keizer Claudius. Hij benam
zichzelf het leven (53).--6) Statilia Messalina, dochter van no. 5,
huwde in 65 n. C. met Vestinus. Over dit huwelijk was keizer Nero
woedend en hij liet hem in zijn huis vermoorden (zie Vestini no. 2),
waarna hij Statilia tot vrouw nam. Later verloofde zij zich met Otho,
wiens dood hem belette haar tot keizerin te verheffen.
Statira, Stateira, 1) gemalin van Artaxerxes Mnemon, door hare
schoonmoeder Parysatis vergiftigd.--2) gemalin van Darius Codomannus,
werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en stierf
kort daarna.--3) z. Barsine no. 1.
Statonia, oude stad in Etruria ten N. van Volci, aan het riviertje
Albinia en den lacus Statoniensis, ten W. van den lacus Volsiniensis.
Stator, bijnaam van Jupiter, oorspronkelijk beteekenend: hij, die
de vluchtende legers tot staan brengt; later gaven de Rom. er de
beteekenis aan van instandhouder, bevestiger.
Statorii. Q. Statorius, in 213 centurio onder de Scipio's in Hispania,
ging naar koning Syphax, om diens leger in den wapenhandel te oefenen.
Stellas (Stellatis) campus, vruchtbare streek in het N. van Campania
nabij den ager Falernus. Oorspronkelijk maakte deze streek een
onderdeel uit van den ager Campanus (het land van Capua), maar in 211
werd ze ervan afgescheiden. In 59 bij de lex Iulia agraria werd ook de
ager Stellas evenals de overige ager Campanus met kolonisten bevolkt.