Smyrna, Smyrna = Myrrha.

Smyrna, Smyrna, aeolische kolonie van Cyme, eene der meest beroemde en

welvarende steden van Klein-Azië, ± 700 door de Ioniërs vermeesterd

en sedert lid van het ionisch-aziatisch verbond gebleven. Omstreeks

600 werd het door den lydischen koning Sadyattes verwoest, en het

duurde tot na den dood van Alexander den Gr., eer door toedoen van

Antigonus een nieuw Smyrna verrees, iets zuidelijker gelegen dan

het oude. Lysimachus maakte er vervolgens eene van de prachtigste

steden der oudheid van, met rechte en goed geplaveide straten. Ook

onder rom. heerschappij bleef Smyrna eene bloeiende plaats en was

het een conventus. In 178 na C. werd het door eene aardbeving hevig

geteisterd, doch op last van keizer M. Aurelius hersteld. Smyrna

beweerde de geboorteplaats te zijn van Homerus, voor wien in het

Homereum een standbeeld was opgericht. Ook was er een fraaie tempel

van Cybele. De tapijtweverijen van Smyrna waren reeds in de oudheid

beroemd. De aanliggende golf heette Smyrnaeus sinus. Thans heet de

stad zoowel Smirna als Ismir.

Soccus, een pantoffel van lichte stof, het eigenaardig schoeisel van

tooneelspelers en dansers in het blijspel. Ook buiten het tooneel werd

de soccus door de Grieken zeer algemeen gebruikt, bij de Rom. echter

in den regel alleen door vrouwen.

Sociale bellum, opstand der italiaansche bondgenooten tegen Rome in

de jaren 90 en 89. Zie Marsicum bellum.

Socii, bondgenooten. Volgens de overlevering reeds in den

koningstijd, en in elk geval sedert 493 is Rome door een foedus

aequum met de Latijnen, en later met de Hernici verbonden geweest,

zie Latium. Later, toen Rome langzamerhand geheel Italia veroverde,

werd de afhankelijkheid, waarin de verschillende steden en staten

gebracht werden, uitgedrukt door het woord socii, waarbij dan het

nomen Latinum een bevoorrechte plaats innam. De staten, waarmede

Rome een foedus sloot, heetten civitates foederatae, en behielden

hun souvereiniteit; ze hadden eigen bestuur, eigen rechtspleging

en het recht om munt te slaan. Zij mochten geen betrekkingen met

het buitenland onderhouden; in elk verdrag kwam de bepaling voor: ut

eosdem quos populus Romanus amicos atque hostes habeant. Zij betaalden

geen belasting, maar waren verplicht troepen, en de staten aan zee

ook schepen, te leveren. De afhankelijkheid waarin zij stonden ten

opzichte van Rome werd uitgedrukt door de formule: maiestatem populi

Romani comiter conservanto. Door hun verstandig en gematigd optreden

wisten de Romeinen de socii aan zich te binden; en deze politiek

heeft het hun mogelijk gemaakt, op den duur de nederlagen van den

2den punischen oorlog te boven te komen. In de 2de eeuw beginnen ze

echter de socii, wier hulp men niet meer noodig heeft, te onderdrukken,

hetgeen dan ten slotte uitloopt op den bondgenooten-oorlog, die Italië

ontvolkt heeft, zie Marsicum bellum. De provinciën, wier toestand door

eene wet geregeld was, werden niet tot de socii gerekend. Overigens

waren er ook buiten Italië socii als civitates foederatae (z. a.), en

koningen wien de titel socius et amicus populi Romani was verleend,

doch ook dan was meestal het bondgenootschap slechts een zachtere

vorm van afhankelijkheid. Buitenlandsche volken zijn exterae nationes,

doch waar in engeren zin van socii et exterae nationes gesproken wordt,

moet men onder de laatsten de bewoners der rom. provinciën verstaan en

onder socii de latijnsche en italische bondgenooten. Zelfs werd deze

benaming nog wel voor de italiaansche civitates gebezigd, ook nadat

deze in de jaren 90-88 het burgerrecht hadden verkregen en de naam

socii dus strikt genomen op haar niet meer van toepassing was.--In

de rom. legers waren vóór 90 de troepen der italiaansche civitates

onder den naam van socii aanwezig; andere hulptroepen heetten auxilia

(z. a.).

Socii navales. De dienst ter zee stond bij de Rom. in minachting,

daarom werd de bemanning der vloot uit de armste burgers

genomen. Allengs kwam het bemannen en proviandeeren der vloot

meer en meer ten laste der socii (z. a.), die natuurlijk hiervoor

het uitschot hunner bevolking en ook vrijgelaten slaven leverden,

hetgeen niet strekte om den zeedienst te verheffen. De rom. marine

was in den eersten punischen oorlog zeer belangrijk, later liet men

ze vervallen (zie classis) en bediende men zich veelvuldig van de

vloten van verbonden volken, zooals de Rhodiërs e. a.

Socrates, Sokrates, Athener, zoon van den beeldhouwer Sophroniscus en

Phaenarete, geb. 470. In zijne jeugd genoot hij de gewone atheensche

opvoeding, hij trachtte zich te ontwikkelen door het lezen van

dichters en wijsgeeren en zocht met hetzelfde doel gaarne den omgang

van beschaafde en verstandige lieden, in een bepaalde school gevormd

werd hij echter niet. Hij leerde de kunst van zijn vader, en nog meer

dan vijf eeuwen later wees men op de acropolis te Athene een groep,

die voor het werk van S. gehouden werd. Hij streed mede in de slagen

bij Potidaea, Delium (z. Alcibiades) en Amphipolis, in 406 was hij lid

van den raad en verzette hij zich tegen de onwettige behandeling van

het proces der veldheeren uit den Arginusenslag. Als wijsgeer heeft

hij meer dan iemand anders invloed uitgeoefend op zijne vrienden en

leerlingen niet alleen, maar ook op zijne tijdgenooten in het algemeen,

zelfs op de geheele geschiedenis der philosophie. Zonder met een

uitgewerkt wijsgeerig stelsel op te treden, wekte hij bij allen met wie

hij omging de zucht tot wetenschappelijk onderzoek op het gebied der

zedeleer op, waarbij hij uitging van de eenvoudige stelling dat deugd

kennis is en dus geleerd kan worden, dat alzoo niemand vrijwillig,

maar slechts uit onwetendheid, verkeerd handelt. Het hoogste dat

men bereiken kan, tevens de noodzakelijke voorwaarde voor praktische

voortreffelijkheid, is dus zelfkennis, en de eerste stap om daartoe

te komen is het zich bevrijden van verkeerde meeningen. Daartoe

trachtte hij nu hen, die met hem omgingen, langs een eigenaardigen

weg te leiden. Hijzelf erkende dat hij niets wist, terwijl hij nu

voorgaf te willen leeren van hen, die beweerden wel iets te weten

(socratische ironie, eironeia), bracht hij door de inrichting van

zijne gesprekken en vragen ieder tot het bewustzijn, dat diens

vermeende kennis slechts schijn was en iederen vasten grondslag

miste. In overeenstemming hiermede noemde hij zich ook geen leeraar

en liet hij zich, ook om zijne vrijheid niet aan banden te leggen,

voor zijn onderwijs niet betalen, ook had hij in den eigenlijken zin

van het woord geen leerlingen, maar iedereen, dien hij er geschikt toe

achtte, overviel hij met zijne vragen en dwong hij tot de erkentenis

van zijne onwetendheid. In zijne handelingen beweerde hij geleid te

worden door eene inwendige goddelijke stem (daimonion), die hem van

het verkeerde terughield. Maar terwijl velen zich door zijne streng

logische redeneering aangetrokken gevoelden en erkenden, dat hij den

juisten weg voor wijsgeerige studiën aanwees, terwijl verder velen,

vol bewondering voor zijn levenswandel, zijn zelfbeheersching,

standvastigheid, matigheid, trouw, vaderlandsliefde en godsvrucht,

zich met liefde en eerbied bij hem aansloten, was het aantal nog veel

grooter van hen, die in hem alleen een lastig en eigenwijs mensch

zagen, die al wat van ouds voor waar erkend was op losse schroeven

zette en de gemoederen voortdurend in beroering bracht; men beschouwde

hem als een van de sophisten, en juist de groote bijval, dien hij vond,

maakte hem in het oog van het oppervlakkige volk tot den gevaarlijksten

onder hen. Als zoodanig werd hij door Aristophanes in een van zijne

comedies, de Nephelai, aan aller bespotting prijs gegeven. Eindelijk

werd hij, reeds 70 jaar oud, door Meletus, Anytus en Lycon aangeklaagd

wegens het verachten der van staatswege erkende goden, het invoeren van

nieuwe godheden en het verleiden der jeugd. Met een kleine meerderheid

van stemmen werd hij schuldig bevonden; daar echter de aanklagers

de doodstraf geëischt hadden, en S. daartegen de geringe som van

30 minen aanbood (zie timema), daarbij bewerende, dat hij eigenlijk

verdiend had op staatskosten in het Prytaneum onderhouden te worden,

verbitterde hij door zijne onverschilligheid de rechters en werd hij

met eene grootere meerderheid ter dood veroordeeld. Met de grootste

kalmte en opgeruimdheid dronk hij den giftbeker (399).

Sodales, sodalitas, sodalicium. Sodales zijn kameraden, deelgenooten

van een disch, leden van een krans, van een gezelschap en dgl. Eene

sodalitas is dus eene broederschap, een genootschap, en evenzoo

sodalicium. Beide woorden, doch vooral het laatste, komen echter

ook in slechten zin voor, en beteekenen dan een geheime of verboden

vereeniging, een politieke club. Vooral bij verkiezingen speelden

zulke clubs door omkooping en andere ongeoorloofde middelen dikwijls

eene groote rol. Ook priestercollegiën voor den dienst eener bepaalde

godheid of tot het vieren van bepaalde feesten vormen eene sodalitas,

o. a. de Salii, de fratres arvales.--De sodales Titii waren, naar

het heet, door Romulus ingesteld om de gedachtenis aan koning Titus

Tatius in eere te houden. Voor de vereering van Augustus werd na

diens dood te Rome een college, van sodales Augustales ingesteld

(niet te verwarren met de Augustales in de municipiën). Later kreeg

men ook sodales van andere vergode keizers.

Sodoma, ta Sodoma, Sodom, welvarende stad in het vruchtbare dal Siddim,

die met Gomorra en nog andere steden door eene vulkanische uitbarsting

werd verdelgd, terwijl de geheele landstreek verzonk en in een meer

veranderd werd (lacus Asphaltites, Doode zee).

Sogdiane, Sogdiane, N.O. provincie van het perzische rijk, bergachtig

doch niet onvruchtbaar. De Sogdii of Sogdiani, Sogdioi, Sogdianoi,

waren een vrij ruw volk, in verschillende stammen verdeeld. Hoofdstad:

Maracanda (Samarkand).

Sogdi(an)us, Sogdios, Sogdianos, zoon van Artaxerxes I, besteeg den

troon na het vermoorden van zijn halfbroeder Xerxes II, doch werd na

eene korte regeering door zijn broeder Darius vermoord (425).

Sol, latijnsche naam voor Helius.

Solanus of Subsolanus, de Oostenwind, zie Windstreken.

Solarium, 1) zonnewijzer, een werktuig, omstreeks 500 door Anaximander

of Anaximenes in Griekenland ingevoerd en in 291 door L. Papirius

Cursor of in 264 door M. Valerius Messala naar Rome overgebracht,

waar er een op het forum werd geplaatst. In 159 verving P. Scipio

Nasica den zonnewijzer door een wateruurwerk, dat nu den vreemden

naam kreeg van solarium ex aqua. In tegenstelling daarvan heet een

werkelijke zonnewijzer solarium descriptum.--2) terras met borstwering

of leuning boven op het platte dak van een huis, veeltijds met planten

versierd, in later tijd ook wel overdekt, doch aan alle zijden open.

Soleae, sandalen, bestaande in eene zool, met een riem dwars over den

voet, de gewone dracht der Rom. in huis. Ook de hoeven van last- en

trekdieren werden beschermd door soleae sparteae, kleine mandjes uit

sparte of biezen gevlochten, die om de pooten sloten en met riempjes

werden vastgebonden. Was, om het spoedige slijten tegen te gaan, zulk

eene solea van een metalen zooltje voorzien, dan was zij eene solea

ferrea, aan hoefijzers schijnt men niet te moeten denken. In tijdperken

van weelde onder de keizers worden ook wel soleae argenteae, zelfs

aureae, voor dieren vermeld.--De solea lignea was een voetkluister

voor misdadigers.

Soli, Soloi, 1) voorname stad, atheensche kolonie op de cilicische

kust ten Z.W. van Tarsus. Tigranes II van Armenia (96-56) verwoestte

ze en bracht de inwoners over naar Tigranocerta; Pompeius herbouwde

ze en bevolkte ze met gevangen zeeroovers, terwijl zij tevens den

naam kreeg van Pompeiopolis. Dit Soli was de geboorteplaats van den

stoicijn Chrysippus, en de dichters Aratus en Philemon.--2) havenstad

op het W. gedeelte der Noordkust van Cyprus.--Van het eerstgenoemde

Soli wordt het woord soloecismus afgeleid voor spreken met taalfouten.

Solidus, zie Aureus.

Solinus (C. Iulius), uit de 3de eeuw na C., schreef eene

geografisch-historische schets der oude wereld onder den titel

Collectanea rerum memorabilium, wat de geographie betreft, bewerkt

naar Plinius' Nat. Historia. Later heeft dit werkje den naam van

Polyhistor gekregen.

Solis fons, Heliou krene, bron in de libysche woestijn nabij de oase

Ammonium. Des middags was het water koud, te middernacht kokend heet.

Solitaurilia = Suovetaurilia.

Solium, stoel met hooge massieve rechtopstaande rugleuning en

met armleuningen. Hij werd als troonzetel gebruikt door goden en

koningen. Ook de rom. rechtsgeleerden hadden de gewoonte, wanneer

zij te huis adviezen gaven, op een solium plaats te nemen. Vandaar

de uitdrukking a subselliis in otium soliumque se conferre = de rol

van pleiter laten varen en zich bepalen tot het geven van adviezen.

Solois, Soloeis, 1) ver vooruitspringende met bosch begroeide kaap

in Mauretania aan den Atlantischen oceaan.--2) = Solus.

Solon, Solon, zoon van Execestides, afstammeling van Codrus, ondernam

reeds vroeg als koopman verre reizen, waarbij hij meer dan gewone

kennis en beschaving opdeed. In het openbare leven onderscheidde

hij zich het eerst door de herovering van Salamis, waartoe hij zijne

medeburgers aanspoorde, nadat het eiland kort te voren ten gevolge

van een ongelukkigen oorlog aan Megara was afgestaan, ook in den

heiligen oorlog tegen Cirrha trad hij op den voorgrond. Zijn grootsten

roem heeft hij echter verworven door zijne wetgeving, die een einde

maakte aan de verwarde toestanden te Athene, aan de verdeeldheid

en partijtwisten, die door Draco's wetgeving en door Cylon's poging

om de alleenheerschappij te verkrijgen ten top gestegen waren. S.,

in 594 tot eersten archont verkozen, trad als bemiddelaar tusschen

de verschillende partijen op en deed door zijne wijze wetten rust

en tevredenheid terugkeeren. Tot oogenblikkelijke verlichting van

het verarmde volk diende de seisachtheia en eene amnestie voor hen,

die volgens de schuldwetten hun burgerrecht verloren hadden; verder

werd op dit gebied bepaald, dat men niet meer zijne persoonlijke

vrijheid voor schulden zou kunnen verliezen. Vervolgens verdeelde

hij de burgerij, waarin nu ook de vrije bewoners van het platteland

werden opgenomen, in 4 klassen (z. phyle), door welke verdeeling

de staatkundige rechten der burgers, maar ook hunne verplichtingen

tegenover den staat, van het vermogen afhankelijk gemaakt werden, en

de voorrechten van den adel werden opgeheven. Alleen uit de eerste

klasse werden de archonten en leden van den Areopagus gekozen,

de vierde was van alle openbare ambten uitgesloten. Door een

aantal bepalingen werden de bevoegdheden van de volksvergadering,

de overheden, regeeringslichamen, rechtbanken, enz., nauwkeurig

vastgesteld (z. o. a. Areopagus, Boule), het geheele staatsleven en

alle maatschappelijke betrekkingen geregeld. Van groot belang is vooral

ook zijne regeling van het attische privaatrecht. Omtrent de opstelling

der wetten z. axones.--Om het volk te dwingen zich aan de nieuwe

wetten te gewennen, liet hij zweren dat in 10 jaar geen verandering

er in gebracht zoude worden. Hijzelf begaf zich gedurende dien tijd

weder op reis. Wel ontbrandde in zijne afwezigheid de partijstrijd

opnieuw en werden in 589 en 584 zelfs geen archonten verkozen (z. ook

Damasias), wel zag hij spoedig na zijne terugkomst, in weerwil van zijn

verzet, de hoogste macht in handen van Pisistratus vallen, maar zijne

wetten bleven toch voor het grootste gedeelte van kracht en de latere

democratische staatsinrichting van Athene heeft zich geleidelijk uit de

door S. in het leven geroepen toestanden ontwikkeld.--Ook als dichter

toonde S. meer dan gewone talenten, vooral beroemd is zijne elegie,

waarmede hij de Atheners tot de herovering van Salamis aanspoorde;

wij bezitten van zijne gedichten, die door de Atheners ook lang na

zijn dood in hooge eer gehouden werden, nog vrij talrijke fragmenten,

meest van staatkundigen of wijsgeerigen inhoud. Als een van de 7

wijzen had hij tot spreuk meden agan.--Hij stierf in 559 op den

leeftijd van omstreeks 80 jaar.

Solonius ager, streek in Latium, ten Z.O. van Ostia, die zich tot

het grondgebied van Lanuvium uitstrekte.

Solus, Soluntum, Solous, Soloeis, oude havenstad op de N.-kust van

Sicilia, carthaagsche volkplanting, ten O. van Panormus (Palermo).

Solygia, Solygeia, vlek in Corinthia op den berg Solygius, ten Z. van

Cenchreae.

Solyma, ta Solyma, 1) = Climax.--2) = Hierosolyma.

Solymi, Solymoi, oud volk in Lycia. Zie Climax.

Sontiates, Sotiatai, volk in Aquitania ten Z. van den Garumna

(Garonne), voortreffelijke ruiters en mijnwerkers.

Sontius, thans Isonzo, rivier in Venetia, die bij Aquileia in den

sinus Tergesticus (golf van Triëst) valt.

Sonus, Sonos, aanzienlijke rivier van India, die op den mons Vindius

(Vindhya) ontspringt en bij Palibothra in den Ganges valt.

Sopater, Sopatros, 1) van Paphus, kluchtspeldichter ten tijde van

Alexander d. G.; de weinige fragmenten, die van zijne werken over zijn,

zijn het eenige, dat wij van deze dichtsoort bezitten, z. Phlyax.--2)

van Apamea, neoplatonisch wijsgeer, leerling van Iamblichus, werd op

bevel van Constantijn d. G. ter dood gebracht, omdat hij propaganda

maakte voor den heidenschen godsdienst.

Sophaenetus, Sophainetos, van Stymphalus, een van de aanvoerders

der grieksche troepen van den jongen Cyrus, waarschijnlijk dezelfde,

van wien eene Kyrou Anabasis genoemd wordt.

Sophene, Sophene, landschap in het Z.W. van Armenia, door den Euphraat

van Cappadocia gescheiden. Hoofdstad: Arsamosata.

Sophistae, sophistai, in het algemeen geleerden; de naam werd

toegepast op hen die in een of ander vak van wetenschap uitmuntten,

of er eene bepaalde studie van maakten. Ook wijsgeeren werden oudtijds

zoo genoemd, Pythagoras zou zichzelf het eerst den naam van philosophos

gegeven hebben. Ten tijde van en na Pericles traden in vele grieksche

steden, vooral te Athene, onder den naam van sophisten mannen op als

leermeesters in alles wat voor het praktische leven, vooral voor den

staatsman en redenaar noodig is. Zij vonden grooten bijval, ook bij de

uitstekendste mannen van hun tijd, vormden vele leerlingen en lieten

zich goed betalen. Daarentegen vonden vele voorstanders van het oude,

dat men de wetenschap verlaagde, door haar aan praktische doeleinden

dienstbaar te maken, en welsprekendheid, als eene kunst aangeleerd,

werd altijd met wantrouwen beschouwd; men meende dat zij zoo tot niets

konde dienen, dan om met een schijn van wijsheid te pronken en recht en

waarheid te verdraaien. En inderdaad, hoewel vele oudere sophisten zich

op wetenschappelijk gebied verdienstelijk gemaakt hebben (Protagoras,

Gorgias, Hippias, Prodicus), waren hunne navolgers over het algemeen

niets anders dan rhetoren, wier onderwijs zich grootendeels tot de

mededeeling bepaalde van allerlei kunstjes, waardoor men, misbruik

makend van de leer van Protagoras over het betrekkelijk juiste van

iedere meening, zoowel voor als tegen iedere zaak kon spreken. De

tegenstand, dien de sophisten van Socrates en diens leerlingen,

vooral van Plato, ondervonden, is de oorzaak geweest, dat men hen lang

ten onrechte als aanhangers eener wijsgeerige richting met zekere

gemeenschappelijke leerstellingen beschouwd heeft, en dat men hun,

naar aanleiding van de weinige uitdrukkingen van sophisten, die bekend

zijn, een voor zedelijkheid en godsdienst verderfelijk stelsel heeft

toegedicht, dat zij in werkelijkheid nooit verkondigd hebben.

Sophocles, Sophokles, 1) Athener, zoon van den rijken Sophillus,

geb. 496 of 497. Van zijn leven is weinig bekend, onder zijne vrienden

worden Herodotus en Pericles genoemd. In den samischen oorlog was hij

te gelijk met dezen strateeg en even te voren had hij het ambt van

Hellenotamias bekleed. Algemeen bemind en geprezen stierf hij in 406

of 405, na zijn dood werden hem door de Atheners dezelfde eerbewijzen

toegekend als aan Aeschylus, en op zijn graf werd jaarlijks van

staatswege geofferd (z. ook Iophon).--Als treurspeldichter wordt

hem in ouden en nieuwen tijd eenstemmig de eerste rang toegekend;

evenals Homerus ho poietes heette, zoo wordt S. dikwijls door de ouden

eenvoudig ho tragikos genoemd. Reeds bij zijn eerste optreden (468)

vertoonde zijne wijze van behandeling der stof zoo groote afwijking

van die van Aeschylus, dat het toekennen van den prijs door de groote

opgewondenheid der voorstanders van beide richtingen bemoeielijkt werd;

ten slotte behaalde S. de overwinning. Door een derden tooneelspeler

toe te voegen aan de twee, waarvoor de stukken van Aeschylus berekend

waren, is hij in staat de handeling belangwekkender, de dialogen

meer afwisselend te maken. Zonder in het alledaagsche te vervallen,

staan de personen in zijne stukken ons nader dan bij Aeschylus; de

geheele handeling ontwikkelt zich als van zelf en de afloop wordt

op natuurlijke wijze voorbereid door de voortreffelijk geschilderde

karakters, die hij soms door welberekende tegenstellingen nog scherper

doet uitkomen; ook in hun taal, hoewel altijd edel en verheven,

is alle duisterheid en onduidelijkheid vermeden. Met zijne 115

(v. a. 123 of 130) stukken behaalde hij 20 of 24 maal den eersten en

zeer dikwijls den tweeden prijs. Wij bezitten er van nog 7 stukken in

hun geheel, benevens een groot aantal fragmenten. Het zijn de volgende:

Antigone (441), Oedipus Tyrannus, Aias, Trachiniae, Electra (± 413),

Philoctetes (409), Oedipus Coloneus.--2) kleinzoon van den vorigen,

treurspeldichter.--3) atheensch veldheer, werd in 425 met eene vloot

naar Sicilië gezonden en ondersteunde de democratische partij in de

burgertwisten op Corcyra; later werd hij, onder vermoeden dat hij

zich door de Siciliërs had laten omkoopen, verbannen.

Sophonisbe, Sophonisbe, dochter van den carthaagschen veldheer

Hasdrubal (z. a. no. 4). Zij koesterde een onverzoenlijken haat tegen

Rome. Daarom ook eischte Scipio hare uitlevering (zie Masinissa),

uit vrees dat Masinissa's trouw tegen Sophonisbe's inblazingen op

den duur niet bestand zou zijn.

Sophron, Sophron, van Syracuse, z. Mimus.

Sophronistai, opzichters over de atheensche epheben, die op het gedrag

der jongelieden toezicht hielden. Jaarlijks werden door iedere phyle

drie candidaten, boven de 40 jaar oud, voor dit ambt aangewezen,

en uit ieder drietal werd een door het volk verkozen. Zij werden van

staatswege met een drachme per dag bezoldigd.

Sopianae, stad in Pannonia Inferior, ten N. van den Dravus.

Sora, Sora, volscische stad in Latium aan den Liris, met sterke muren

en een sterken burcht. De Rom. hadden er eene latijnsche kolonie

heengezonden, doch in 315 hadden de Soraners de kolonisten omgebracht

en zich bij de Samnieten aangesloten, eene daad, waarvoor zij in 314

zwaar moesten boeten. In 303 werd Sora andermaal lat. kolonie.

Soracte, genit. -is, berg in het Z.O. van Etruria nabij den Tiber. Op

den top, die ook wel eens nog in den zomer met sneeuw bedekt was,

stond een tempel van den god Soranus, tot wiens eer daar op sommige

tijden feesten werden gevierd, en aan den voet een tempel van Feronia.

Soranus, 1) een sabijnsch god, die op den Soracte vereerd werd en

gewoonlijk voor denzelfden gehouden werd als Apollo, maar die in

werkelijkheid tot de goden der onderwereld moet gerekend worden. Bij

zijn jaarlijksch feest gingen zijne priesters, die tot het geslacht der

Hirpi Sorani behoorden, met de ingewanden der offerdieren in de hand,

blootsvoets over brandende hoopen hout. Zij waren van den krijgsdienst

en andere staatslasten vrijgesteld.--2) Zie Barea Soranus.--3)

geneesheer en schrijver over geneeskunde onder Traianus en Hadrianus.

Sordice, een meer in Gallia Narbonensis, dicht bij de rivier Ruscino,

aan den voet der Pyrenaeën, dat met een dikke korst modder of veen

bedekt was.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 128 / 150 段