vier, die hier behooren vermeld te worden, 1) beeld eener godheid,
nooit van een mensch, daar van menschenbeelden het woord statua
wordt gebezigd.--2) onderscheidingsteekenen van de verschillende
afdeelingen van het leger te velde, standaarden, waarvan de hierbij
gevoegde gravure er eenige te aanschouwen geeft. Vóór Marius
hadden de drie afdeelingen van het rom. voetvolk verschillende
standaarden, een wolf, een minotaurus, een everzwijn en een paard,
terwijl een adelaar met uitgespreide vlerken de standaard van het
legioen was. Marius schafte de genoemde bijzondere standaarden af
en behield alleen den legioensadelaar. Doch naast den standaard had
nog elke manipel zijn bijzonder onderscheidingsteeken, bestaande in
een geopende hand boven op een lans bevestigd, terwijl de cohorte
waarschijnlijk de afbeelding van een of ander dier voerde. De stok
is versierd met kransen en kronen (zie corona), waarschijnlijk in
den strijd verworven. Bij den legioensadelaar evenwel ontbreken
v. s. deze sieraden; hoogstens vindt men dezen dan getooid met een
vexillum, een lap doek. Het vexillum, vaandel, behoort vooral bij de
ruiterij te huis. Verder ziet men onder de signa ook een paar angues
of dracones. In de legerplaats werd vóór het praetorium eene verhooging
van zoden of aarde aangebracht, en daarin werden de legioenstandaarden
in den grond geplant. Het uittrekken er van was het sein tot den
marsch. Zat de stok zeer vast in den grond, zoodat de vaandeldrager,
signifer, hem slechts met groote moeite er uit kon trekken, dan gold
dit voor een slecht voorteeken. Aan de onderscheidingsteekenen te
velde zijn verschillende zegswijzen ontleend, als: signa in hostem
inferre = op den vijand aanrukken, signa conferre = handgemeen worden,
slaags raken, signa proferre = voorwaarts rukken, signa referre =
zich terugtrekken, signa transferre = zich overgeven, signa movere =
opbreken, signa figere = zijn leger opslaan, e. a.--3) Zie auguria.--4)
In de 3de en 4de eeuw na Christus een soort clubnaam. Zie onder nomen.
Sigrium, Sigrion, kaap aan de Westkust van het eiland Lesbus.
Sigynnes, Sigynnes, een half mythisch volk, volgens Herodotus ten
N. van den Ister (Donau) woonachtig. Sommigen willen hierin de
voorvaderen der Zigeuners zien.
Sila, Sila, boschrijk gebergte in Bruttium, een deel der Apennijnen,
dat het beroemde bruttische pek opleverde.
Silanion, Silanion, beroemd beeldgieter te Athene, tijdgenoot van
Alexander d. Gr.
Silanus, familienaam bij de Iunii (Iunii no. 14-20) en de Turpilii.
Silarus, Silaros, 1) grensrivier tusschen Campania en Lucania, valt
bij den mons Alburnus ten N. van Paestum in zee. Aan den Silarus werd
de zwaardvechtersveldheer Spartacus in 72 door Crassus verslagen.--2)
rivier in Gallia Cispadana, die ten O. van Bononia (Bologna) naar
den zuider Po-arm stroomt.--Beide rivieren heeten thans nog Silaro.
Silenus, Seilenos, zoon van Hermes of Pan en eene nimf, de leermeester,
opvoeder en trouwe metgezel van Dionysus, de oudste der Satyrs. Hij
wordt afgebeeld als een vroolijk, oudachtig mannetje met stompen
neus, kaal hoofd en buitengewoon dikken buik. Hij houdt van zang en
muziek, maar vooral van wijn, steeds is hij in een roes, zoodat hij
gewoonlijk op een ezel moet rijden of zich door andere Satyrs moet
laten ondersteunen, daar zijne beenen slechts zelden in staat zijn hem
te dragen. Zijne attributen zijn een wijnzak, beker, thyrsusstaf en
krans van klimop.--Onder den invloed der mysteriën kreeg ook S. eene
hoogere beteekenis. Als leermeester van Dionysus werd hij beschouwd als
een wijze en profeet, ver verheven boven het ijdele streven der gewone
menschen, en werd hij ook op geheel andere wijze afgebeeld.--Soms
worden alle oudere Satyrs Silenus genoemd, ter onderscheiding draagt
dan de opvoeder van Dionysus den naam van Papposilenus.
Silicernium, lijkmaal ter eere van een afgestorvene, hetzij op den dag
der begrafenis, hetzij eenige dagen later gegeven. Ook als scheldwoord
gebezigd = een afgeleefde oude vent, een oude sul.
Silicius Coronas (P.), rom. senator, die in de rechtbank, door
Octavianus ingesteld om de moordenaars van Caesar te vonnissen,
openlijk ten gunste van die moordenaars, met name van Brutus, het
woord voerde en hiervoor later door Octavianus op de proscriptielijsten
werd geplaatst.
Silii, plebejisch geslacht. 1) T. Silius diende onder Caesar in Gallia
en werd in 56 door de Veneti (op de kust van Bretagne) gevangen
gehouden.--2) P. Silius Nerva, in 51 propraetor van Bithynia,
een vriend van Cicero.--3) A. Silius, bevriend met Cicero en met
Atticus.--4) P. Silius Nerva, consul in 20, was eerst legatus pro
praetore van Hispania citerior, en streed daarna voorspoedig tegen
de Alpenbewoners, de Norici (16), de Pannoniërs en de Dalmaten.--5)
C. Silius, consul in 13 na C., voerde eenige jaren het bevel in
Germania en nam deel aan de tochten van Germanicus. Ook onderdrukte
hij in 21 den opstand van Sacrovir. Hij laadde echter den argwaan
van Tiberius op zich; door dezen van knevelarij beschuldigd, bracht
hij zichzelf om het leven (24).--6) C. Silius, zoon van no. 5, werd
onder Claudius met den dood gestraft wegens ongeoorloofden omgang
met Messalina, 48 na C.--7) Tib. Catius Silius Italicus, rom. dichter
en redenaar, 25-100 na C., was in 68 consul en later stadhouder van
Asia, en wijdde zich daarna op zijn landgoed aan de letterkunde. Hij
schreef een epos, Punica, in 17 boeken, dat in 1415 te St. Gallen
ontdekt is en over den tweeden punischen oorlog handelt; het verraadt
wel studie, doch weinig genie. Waarschijnlijk is ook aan hem toe te
schrijven een uittreksel uit de Ilias in hexameters gedicht, in de
M. E. bekend als Homerus latinus of Pindarus Thebanus. Daar Silius
aan eene ongeneeslijke kwaal leed, liet hij zich doodhongeren, ten
einde van zijn lijden bevrijd te worden.
Silis, beekje in het land der Veneti, dat zich bij Altinum in de
Adriatische zee stort.
Silloi, z. Timon no. 2.
Silures, Silyres, machtig en dapper volk in het W. van Britannia,
in het Z.O. van het tegenw. Wales, met de steden Isca en Venta. Zij
verdedigden zich hardnekkig tegen de Romeinen. Ze zijn donker van
gelaatskleur, en hebben krulhaar; ze behooren niet tot de Kelten,
maar waarschijnlijk tot de Iberiërs.
Silvanectes, volksstam in Belgica ten Z. der Suessiones. Hoofdstad:
Augustomagus, tgw. Senlis.
Silvanus, familienaam in de gens Plautia (Plautii no. 5 en 8).
Silvanus, rom. bosch- en veldgod, beschermer van planten, kudden en
van de grenzen der akkers. Hij heeft veel overeenkomst met Pan en
Faunus, houdt van muziek, is voor landlieden over het algemeen een
weldoend god, jaagt daarentegen gaarne den menschen schrik aan en is
daarom vooral voor kraamvrouwen te vreezen (z. Deverra). Te zijner
eere vierde men in den herfst een oogstfeest, waarbij men hem de
eerstelingen der vruchten, korenaren en melk offerde.
Silvium, stad in Apulia op de lucanische grenzen, aan den weg van
Venusia naar Tarentum.
Silvius, zoon of stiefbroeder van Ascanius, volgde hem in de regeering
over Alba Longa op; hij was de stamvader der albaansche koningen.
Simbruini colles, heuvelstreek in het Z. van het land der Aequi, later
tot Latium behoorende, nabij het land der Marsen, tusschen Sublaqueum
en Treba. In de nabijheid lagen de Simbruina stagna, waterbekkens,
waarin zich verschillende bronnen en beken ontlastten, die door keizer
Claudius gebruikt werden tot voeding der aqua Marcia en door Nero voor
zijne schoone villa Sublaquensis. Thans zijn die kommen uitgedroogd,
doordat de beken zich een anderen weg gebaand hebben.
Simeni, Simenoi = Iceni.
Simmias, Simmias, 1) van Thebe, leerling van Philolaus, later vriend
van Socrates en Plato.--2) zoon van Andromenes, broeder van Polemo
no. 1.--3) epigrammendichter in den alexandrijnschen tijd.
Simois, Simoeis, 1) een der beide riviertjes bij Troje; zie
Scamander.--2) op Sicilia; zie Egesta.--3) rivier in Epirus,
onzeker waar.
Simonides, Simonides, 1) van Amorgus, beroemd jambendichter, jonger
tijdgenoot van Archilochus. Van zijne werken bestaan nog eenige
fragmenten, waaronder twee vrij lange.--2) van Iulis op Ceos, geb. 556,
een van de grootste grieksche lierdichters. Hij leefde eenigen tijd
aan het hof van Hipparchus te Athene, daarna in Thessalië bij de
Aleuaden en Scopaden (514), vervolgens kwam hij naar Athene terug,
waar hij met zijne elegie op de gesneuvelden bij Marathon den prijs
behaalde. Zijne laatste levensjaren bracht hij in gezelschap van
vele andere voortreffelijke dichters, o. a. Pindarus, bij Hiero te
Syracuse door, waar hij in 468 stierf. Hij was een zeer vruchtbaar
dichter, vooral een meester in treurzangen en epigrammen; 56 maal
behaalde hij in wedstrijden den eersten prijs. Van zijne werken zijn
slechts enkele fragmenten bewaard, die door fijn gevoel en schoone
taal uitmunten. Hij geldt ook als de uitvinder der herinneringskunst
(mnemonike), volgens zijn eigen getuigenis was zijn geheugen op zijn
80ste jaar nog onverzwakt.
Simpulum, een lepel met langen, rechtopstaanden steel, om den wijn
over het offer te gieten. Spreekwoord: fluctus excitare in simpulo =
veel geschreeuw om weinig wol.
Simpuvium, een offergereedschap, misschien = simpulum.
Sinae, Sinai, zie Serica.
Sinai, Sina, een van de hoogste toppen der Zwarte bergen in het Z. van
Arabia Petraea.
Sinda, Sinda, 1) hoofdstad der Sindi, een volk in Sarmatia aan de
invaart der Palus Maeotis (zee van Azow).--2) hoofdstad der Sindi
of Sindae, een volk op de kust van India extra Gangem, in het
tegenw. Achter-Indië.--3) stad in Pisidia.
Sindi, Sindoi, zie Sinda no. 1 en 2.
Sindus, Sindos, stad in Macedonia aan de golf van Terma, ten W. van
Therma (Thessalonica).
Singara, ta Singara, vesting in Mesopotamia tusschen den Chaboras en
den Euphraat, rom. kolonie. In de oorlogen tusschen keizer Constantius
II en Sapores II, koning van Perzië, werd de stad tweemaal (in 348 en
360 n. C.) door Sapores ingenomen, en na den dood van Keizer Iulianus,
door Iovianus met vele andere steden voor goed aan Perzië afgestaan
(363).
Singidunum, Singidounon, sterke vesting aan de samenvloeiing van den
Ister (Donau) en den Savus, thans Belgrado.
Singiticus sinus, golf van Singus (z. a.) tusschen de chalcidische
landtongen Acte en Sithonia.
Singulis, linker zijrivier van den Baetis in Baetica.
Singus, Singos, stad op de chalcidische landtong Sithonia.
Sinis, Sinis, zoon van Polypemon of Poseidon, een roover, die op
de landengte van Corinthe woonde; hij was gewoon de reizigers die
hij beroofd had, aan twee naar elkander toe gebogen pijnboomen vast
te binden (Pityokamptes); als hij dan de boomen losliet en zij hun
oorspronkelijken stand hernamen, werden de slachtoffers uit elkander
gescheurd. Theseus doodde hem op dezelfde wijze.
Sinnius Capito, rom. grammaticus uit den tijd van Augustus.
Sinon, Sinon, zoon van Aesimus of Sisyphus, bloedverwant van
Odysseus. Hij liet zich bij den geveinsden aftocht der Grieken door
de Trojanen gevangen nemen en overreedde hen, het houten paard in
de stad te halen, voorwendende dat het behoud van de stad daarvan
afhing. Hij was het ook die 's nachts het paard voor de Grieken opende.
Sinope, Sinope, oudste en voornaamste der grieksche volkplantingen
aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee), door Miletus op de kust van
Paphlagonia gesticht (± 750), in het midden der 7de eeuw verwoest door
de Cimmerii (z. a.), en in 632 herbouwd. De stad werd door handel
en zeevaart spoedig zeer machtig, en zond op hare beurt tal van
koloniën uit langs de kust van den Pontus Euxinus, terwijl zij haar
eigen gebied (Sinopis) tot aan den Halys uitbreidde. Mithradates
VI van Pontus maakte Sinope tot residentiestad. Door Lucullus werd
het veroverd en geplunderd, doch het kwam den slag weder te boven,
nadat het in 45 eene rom. kolonie was geworden onder den naam Iulia
Caesarea Felix Sinope. Het had twee havens en was de geboorteplaats
van den cynischen wijsgeer Diogenes en den blijspeldichter Diphilus.
Sintice, Sintike, gewest van Macedonia op den rechteroever van den
Beneden-Strymon, bewoond door een thracischen stam, de Sinti, Sintoi,
met de stad Heraclea Sintica.
Sinties, Sinties, oudste bewoners van Lemnus, ook op Samothrace. Strabo
brengt hen in verband met de Sinti, zie Sintice.
Sinuessa, bloeiende handelsstad in Latium aan de kust nabij de grenzen
van Campania en den mons Massicus, rom. kolonie sedert 296. In den
omtrek lagen warme bronnen, aquae Sinuessanae. De stad dreef een
levendigen wijnhandel.
Sion, Sion, berg, die een deel uitmaakte van Jerusalem.
Siparium, in tegenstelling van aulaeum, een klein scherm: bij
mimi werden achter het aulaeum een of twee siparia gebruikt, die
niet neergelaten, maar opgerold werden. Ze zijn waarschijnlijk een
herinnering aan den tijd, dat de mimus nog een poppekastvertooning
was. De mimi traden op vóór het siparium (de siparia).
Siphae, Siphai, dorisch Tipha, haven aan de Zuidkust van Boeotia,
tot het gebied van Thespiae behoorende.
Siphnus, Siphnos, eiland der Cycladen met eene stad van denzelfden
naam. Het was rijk aan edele metalen; van het tiende deel der opbrengst
legden de Siphniërs een schatkamer te Delphi aan. Toen echter in het
zenden der tienden een verzuim had plaats gegrepen, drong de zee in die
mijnen door, die aan de kust lagen, en vernielde ze. Toch bleef er nog
genoeg over, om de welvaart te doen voortduren. Evenals de bewoners van
Seriphus en Melos, weigerden ook die van Siphnus den Perzen schatting
op te brengen. Voor de bondskas van het attische zeeverbond bracht
Siphnus 3600 drachmen 's jaars op. Op zedelijk gebied stond het in
slechten naam; vandaar siphniazein, leven als een Siphniër.
Sipontum, Sipuntum, Sipous, stad en sedert 194 rom. kolonie in Apulia
aan den mons Garganus, eene aanzienlijke havenplaats, later vervallen.
Sipylus, Sipylos, vulkanisch gebergte in Lydia, dat zich van den
Tmolus afscheidt en langs den linkeroever van den Hermus naar de
kust loopt. Het was rijk aan metalen. In het gebergte zou de oude
hoofdstad van Lydia gelegen hebben, Tantalis of Sipylus, reeds vroeg
bij gelegenheid eener aardbeving verzonken en in het meer Saloë of
Sale herschapen.
Siraces of -ci, Sirakes, -koi, 1) machtig sarmatisch volk ten N. van
den Caucasus. Zij werden door koningen geregeerd. In 50 na C. geraakten
de Rom. met hen in oorlog.--2) volksstam in N.W. Armenia.
Sirbonis lacus, Sirbonis he limne, lagune aan de aegyptische kust,
tusschen den oostelijken of pelusischen Nijlmond en de judaeïsche
grensstad Rhinocolura. Het meer was diep en rijk aan asphalt. Thans
is het grootendeels uitgedroogd.
Siredones, Seiredones = Sirenes.
Sirenes, Seirenes, twee of drie nimfen, die op een bloemrijk
eiland wonen en door haar betooverend gezang de voorbijvarenden
onweerstaanbaar naar het strand lokken, waar zij op de klippen
schipbreuk lijden. Op de Argonauten echter bleef haar gezang
zonder uitwerking, daar Orpheus een lied zong, waarvoor zij moesten
verstommen. Eveneens ontsnapte Odysseus aan het gevaar, door de ooren
zijner tochtgenooten met was dicht te stoppen en zich zelf aan den mast
te laten binden. Daarop wierpen de S. zich in zee en veranderden zij
in rotsen.--Zij worden dochters van Phorcys of van Achelous genoemd,
hare namen zijn Aglaopheme, Thelxiepea en Molpe, of Parthenope,
Ligea en Leucosia; als hare woonplaats beschouwde men kaap Pelorum,
de Sirenusae of Capreae. Zij werden oudtijds afgebeeld als groote,
logge vogels met vrouwenhoofden, later als vrouwen met vleugels en
pooten van een vogel; hare beelden worden dikwijls als grafornamenten
gebruikt. Men verhaalde dat zij gezellinnen van Persephone geweest
waren en hare gedaante gekregen hadden om deze beter te kunnen zoeken,
of als straf, omdat zij den roof van Persephone niet verhinderd hadden.
Sirenusae, Seirenoussai, ook Sirenum scopuli, drie onbewoonde eilandjes
op de campaansche kust, ten Z. van het schiereiland van Surrentum,
volgens de mythe eenmaal het verblijf der Sirenen.
Siris, Siris, rivier van Lucania, die zich in de golf van Tarentum
stortte. Aan den mond lag een gelijknamige, bloeiende stad, die ±
550 door de inwoners van Croton, Sybaris en Metapontum (Metapontion)
verwoest werd. Ruim een eeuw later werd de stad door de Tarentijnen
herbouwd, niet echter op de oude plaats, die ongezond was, maar op
de nabijgelegen hoogten, en Heraclea genoemd. Siris bleef slechts
haven. Aan den Siris (bij Heraclea) behaalde Pyrrhus in 280 zijne
eerste overwinning op de Rom.
Sirius, Seirios, z. Canis maior. In verscheiden deelen van Griekenland
werden bij het opkomen van Sirius offers gebracht en godsdienstige
plechtigheden verricht, om de verderfelijke gevolgen van de verzengende
hitte der hondsdagen af te weren.
Sirmio, stadje aan den lacus Benacus (Gardameer) in Gallia
Transpadana. Catullus had in den omtrek eene villa.
Sirmium, Sirmion, stad in Pannonia aan den Savus (Save), sterke
vesting met groote wapenfabrieken, hoofddepôt der Rom. in den
dacischen oorlog. De stad was gesticht door de Tauriscers en werd
onder de Rom. de hoofdstad der provincie en onder Diocletianus die
van de praefectura Illyrici.
Sisapon, Sisapon, belangrijke stad in Baetica, met zilver- en
tinmijnen, ten N. van Corduba (Cordova), thans Almaden.
Siscia, Siskia, ook Segesta, thans Sissek, sterke vesting en
aanzienlijke handelsplaats op een eiland, door den Savus en de Colapis
gevormd. Het was de ligplaats der Savusvloot.
Sisenna, zie Cornelii no. 56.
Sistrum, seistron, een rammelaar, bij den dienst van Isis in
gebruik. Het instrument bestond uit een metalen beugel met gaten,
waardoor aan de uiteinden gekromde metalen staafjes gestoken waren;
bij het schudden sloegen de omgebogen einden van die staafjes tegen
den beugel en zoo werd het geluid voortgebracht.
Sisyra, een grove, maar warme mantel, vooral bij landlieden in gebruik.
Sisygambis, Sisygambis, moeder van Darius Codomannus, werd na den
slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en met buitengewone
oplettendheid door hem behandeld. Na den dood van Alexander stierf
zij vrijwillig den hongerdood.
Sisyphides, Sisyphides, Odysseus, zoo genoemd als zoon van Sisyphus.
Sisyphus, Sisyphos, zoon van Aeolus en Enarete, gehuwd met Merope
(no. 3), stichter en koning van Corinthe. Ter gedachtenis aan
Melicertes, wiens lijk hij aan het strand vond, stelde hij de
isthmische spelen in. Hij was de hebzuchtigste aller menschen en ontzag
niets in zijn streven om winst te behalen. Over het algemeen wordt hij
als een zeer slecht mensch voorgesteld: hij verried de geheimen der
goden, deed strooptochten in Attica, beroofde en vermoordde reizigers,
maakte aan Asopus bekend, dat Zeus diens dochter Aegina geschaakt had,
enz. Zelfs toen de Dood hem kwam halen, wist S. dezen op listige wijze
in boeien te slaan, zoodat niemand meer stierf, totdat Hades zelf
kwam en den gevangene bevrijdde. Nu moest S. sterven, maar vooraf
gaf hij aan zijne vrouw bevel hem niet te begraven; na eenigen tijd
beklaagde hij zich hierover bij Hades en kreeg hij verlof naar de
aarde terug te keeren om zijne vrouw te straffen, hij maakte echter
van dat verlof misbruik en keerde niet naar de onderwereld terug,
totdat Hermes kwam en hem met geweld medenam. Wegens al deze misdaden
moet hij in de onderwereld een zwaar rotsblok tegen een hoogen berg
opwentelen, dat telkens, wanneer het doel bijna bereikt is, weder
naar beneden stort.--V. s. had hij, om zich te wreken op Autolycus,
die runderen van hem gestolen had, diens dochter Anticlea verleid,
en was zij bij hem moeder geworden van Odysseus.
Sitace, Sitake, volkrijke stad van Babylonia, aan den Tigris,
stroomopwaarts van Seleucia en Ctesiphon, maar nog binnen den medischen
muur, hoofdstad van het distrikt Sitacene, Sitakene.
Sitalces, Sitalkes, zoon en opvolger van Teres, vergrootte het door
zijn vader gestichte rijk der odrysische Thraciërs en was eenigen
tijd een bondgenoot der Atheners. Hij sneuvelde in een slag tegen de
Triballi, 424.
Sitella, vaas met betrekkelijk wijden buik en langen, nauwen hals,
zooals in de comitiën te Rome gebruikt werd om de voorstemmende
tribus aan te wijzen. Hiertoe werden plankjes (tesserae) met de namen
der tribus in de vaas geworpen en dooreengeschud. Vervolgens werd de
sitella met water gevuld en de tessera, die het eerst aan den mond te
voorschijn kwam, wees de tribus aan, waarvan de stem het eerst werd
publiek gemaakt of waaruit de voorstemmende centurie zou genomen
worden. Ook de urn, waarin de indices bij de quaestiones perpetuae
hunne stemtafeltjes (tabellae) werpen, heet sitella.
Siteresion, kosten van onderhoud en verpleging, die aan de atheensche
soldaten boven hun soldij betaald werden. Als minimum wordt door
Demosthenes gerekend 2 obolen per dag voor een voetknecht, 1 drachme
voor een ruiter.
Sitesis, voeding op staatskosten, genoten te Athene allen of bijna
allen, die in dienst van den staat waren. Bovendien onthaalde de staat
in het Prytaneum vreemde gezanten, herauten, enz.; ook aan enkele
burgers, die zich jegens den staat verdienstelijk gemaakt hadden,
werd een plaats aan de tafel in het Prytaneum gegeven, wat in den
bloeitijd van Athene als een groote eer beschouwd werd.
Sithonia, Sithonia, de middelste der drie landtongen van Chalcidice,
tusschen de Toronaeïsche en Singitische golven.
Sitonai, ambtenaars te Athene, wier taak het was te zorgen, dat steeds
in de staatsmagazijnen genoeg koren in voorraad was om te beletten,
dat de prijzen door de korenkoopers te zeer opgejaagd werden.
Sitones, bij Tacitus een germaansch volk in Scandinavia, met eene
vrouwenregeering. Het is echter een Finsche stam, die ten N. van de
Suiones (de Zweden) het Midden en Noorden van Scandinavië bewoonde.
Sitophylakes, ambtenaars te Athene, belast met het toezicht op de
uitvoering der korenwetten. Er waren 5, later 25, voor de stad, en 5,
later 15, voor den Piraeus.
Sittace = Sitace.
Sittii. P. Sittius Nucerinus, vriend van P. Cornelius Sulla, werd vóór
het uitbarsten der catilinarische samenzwering naar Hispania gezonden,
doch na zijne terugkomst van medeplichtigheid beticht. Hij ontvluchtte
naar Afrika (62) en diende daar in de legers der afrikaansche vorsten,
tot hij in den burgeroorlog de partij van Caesar koos, Juba's
troepen hielp verslaan en na den slag bij Thapsus de overblijfselen
van het pompejaansche leger verstrooide. Caesar stelde hem aan als
stadhouder over een gedeelte van Numidia; na Caesars dood werd ook
Sittius vermoord.
Skythai, z. toxotai.
Skytale, z. Scutala.
Skytalismos, doodstraf door middel van een knods of knuppel. Deze
wijze van terechtstelling is in een tijd van hevige beroering (±
370) door het volk te Argos op 1000 (v. a. 1200) aanzienlijke burgers
toegepast, terwijl ten laatste ook de demagogen, die het volk daartoe
aangezet hadden, aldus werden terechtgesteld.
Smerdis, Smerdis, broeder van Cambyses, die hem uit jaloerschheid
door Prexaspes liet dooden. Terwijl Cambyses nog in Aegypte was,
gaf een magiër Gaumata, Gometes, zich voor Smerdis uit, op wien
hij inderdaad sprekend geleek, en maakte zich van de regeering
meester. Hij werd door het volk erkend, en Cambyses stierf voordat hij
hem had kunnen straffen, maar na 7 maanden werd de gewaande Smerdis
(Pseudo-Sm.) ontmaskerd (z. Prexaspes) en door zeven edele Perzen,
waaronder ook Darius Hystaspis was, gedood.
Smilis, Smilis, van Aegina, een van de oudste grieksche beeldhouwers,
waarschijnlijk uit de eerste helft van de 6de eeuw; hij wordt een
leerling van Daedalus genoemd.
Smintheus, Smintheus, bijnaam van Apollo, waarschijnlijk naar de
stad Sminthe in Troas. Men leidde echter den naam gewoonlijk af van
sminthos (muis), omdat de muis het zinnebeeld der voorspellingskunst
is, of omdat Apollo een van zijne priesters van muizen bevrijd zou
hebben. Of hij had aan Teucriërs, die onder leiding van Scamander uit
Creta verhuisden, een orakel gegeven, dat zij zich moesten vestigen,
waar zij last zouden hebben van uit de aarde geborenen. Toen zij
nu in Troas geland waren en vonden, dat muizen aan hunne bogen en
schilden geknaagd hadden, bleven zij daar en stelden zij den dienst
van Apollo Sm. in.