Servius Tullius, zesde koning van Rome. Volgens de overlevering was hij

de zoon eener slavin Ocrisia, eene krijgsgevangene uit de latijnsche

stad Corniculum, en was hij in het paleis van Tarquinius Priscus te

Rome geboren. Eens zagen Tarq. en diens gemalin Tanaquil het hoofd

van den slapenden knaap door een stralenden lichtkrans omgeven en

daarop namen zij hem als kind aan. Hij wies op als een edel jongeling,

de lieveling van goden en menschen, hij huwde 's konings dochter en

werd na diens dood door het overleg van Tanaquil zijn opvolger. In

een nog bewaard fragment eener redevoering van keizer Claudius wordt

een ander verhaal medegedeeld, uit etrurische bron geput. Onder de

regeering van Tarquinius Priscus zou een Etruscer, met name Mastarna,

een aanhanger van Caeles Vibenna, met eene schaar uitgewekenen naar

Rome zijn gekomen en zich op den Caelischen berg hebben neergezet

en vervolgens zijn naam tegen dien van Servius Tullius verwisseld

hebben.--Na zijne troonsbeklimming trad S. T. spoedig als hervormer

op. Vooreerst trok hij drie heuvels binnen den kring der stad,

n.l. den Quirinalis, den Esquilinus en den Viminalis, en omringde nu

het geheel door een kolossalen muur. Wat in verschillende deelen van

Rome nog over is van den zoogenaamden agger Servii Tullii behoort

tot twee bouwperioden; de oudste muurbrokken zijn waarschijnlijk

uit de 6de eeuw, de jongere gedeelten uit den tijd der samnietische

oorlogen. Hij verdeelde vervolgens het terrein binnen de stad in 4

wijken of tribus (z. a.) en het omliggende gebied in een zeker aantal

regiones, ook meestal tribus (rusticae) genoemd. Ten tweede bracht hij

een verbond tot stand tusschen Rome en Latium, met een bondsheiligdom,

den Diana-tempel op den Aventinus. Ten derde maakte hij eene nieuwe

indeeling van het volk, op timocratisch beginsel berustende, in

klassen en centuriën (zie centuria), zonder dat daarbij op afkomst

werd gelet. Zoo ontstonden de comitia centuriata. De patriciërs waren

den hervormingsgezinden koning moede, die al te zeer naar de zijde

der plebejers overhelde. Er vormde zich eene samenzwering, aan welker

hoofd 's konings schoonzoon L. Tarquinius stond, en S. T. werd na eene

43-jarige regeering (578-535) vermoord. Zoo luidt de overlevering;

in hoeverre in deze verhalen waarheid schuilt, is niet meer na te gaan.

Sesamus, stad in Paphlagonia, zie Amastris no. 2.

Sesos(tr)is, Sesos(tr)is, naam, door de Grieken aan Ramses II

(z. a.) gegeven.

Sessa Aurunca = Suessa Aurunca.

Sestertius, voor Semistertius, derdehalf = 2 1/2 as, de meest

algemeene zilvermunt en de algemeene rekenmunt bij de Rom. In het

schrijven werd hij aangeduid door LLS (libra libra semis), later IIS

of HS. Het dwarsstreepje is slechts een verbindingsstreepje. Bij de

munthervorming in 217 (zie as) werd de waarde van den sestertius op 4

as bepaald. Eigenlijk is sestertius een adjectief en is de volledige

naam nummus sestertius; vandaar wordt ook meermalen alleen het woord

nummus gebezigd. Eene som van 1000 sestertiën, mille sestertium

(= sestertiorum) werd kortweg sestertium geheeten, waaruit zich

een nieuw onzijdig substantief vormde, d.v. decem sestertia = 10000

sestertiën. Bij de veelvouden van 100000 echter bleef sestertium als

onverbuigbaar woord staan met een multiplicatief telwoord. Zoo is

dan b.v. eene som van quingenti sestertii = 500 sestertiën, quingenta

sestertia = 500 × 1000 sestertiën, quinquies sestertium = 5 × 100000

sestertiën. Wanneer echter geldsommen geschreven worden met cijfers en

het teeken HS (dat voor al de drie beteekenissen geldt), moet men uit

den zin de bedoeling afleiden. Een liggend streepje boven de cijfers

b.v. CC duidt aan, dat men het getal met 1000 moet vermenigvuldigen;

staan de cijfers tusschen drie streepjes (twee staande rechts en links,

en één liggend van boven, b.v. |CC|), dan worden honderdduizenden

bedoeld. Die streepjes worden echter niet altijd geschreven.

Sestii = Sextii.

Sestinum, stad in het umbrische bergland, aan den N.O. kant der

Apennijnen.

Sestus, Sestos, stad op de thracische Chersonesus aan den Hellespont,

tegenover Abydus. Nabij deze plaatsen sloeg Xerxes eene schipbrug

over de zeeëngte. Te Sestus woonde Hero (zie Leander).

Sesubii = Esubii.

Setabis = Saetabis.

Setia, Setia, stad in Latium, ten Z.O. van Rome met belangrijken

wijnbouw. Het hoorde oorspronkelijk tot den latijnschen bond, kwam

later onder de Volscen, maar werd in 382 of 379 latijnsche kolonie.

Seuthes, Seuthes, 1) koning der odrysische Thraciërs, opvolger van

Sitalces.--2) zoon van Maesades, trachtte het gebied waaruit zijn

vader verdreven was, door de hulp der 10.000 Grieken onder Xenophon

te heroveren.

Severi. Vier rom. keizers hebben dezen naam gedragen. 1) L. Septimius

Severus, rom. keizer 193-211 na C., geb. te Leptis in Africa,

was onder Marcus Aurelius en Commodus achtereenvolgens stadhouder

in Gallia en Pannonia. Na den dood van Pertinax werd hij door zijne

legioenen te Carnuntum (aan den Donau) tot keizer uitgeroepen. Terstond

trok hij naar Rome op, waar zijn mededinger Didius Iulianus, die de

regeering van de praetorianen gekocht had, bij zijne nadering werd

vermoord. Hierop trok hij naar het O. op tegen zijn tweeden mededinger

Pescennius Niger, die bij Cyzicus, Nicaea en Issus verslagen werd

(194), en veroverde na een langdurig beleg Byzantium (196). De derde

mededinger was Clodius Albinus, veldheer in Britannia, die reeds op

marsch naar Italië was, maar bij Lugdunum (Lyon) verslagen en op

de vlucht gedood werd (197). Aldus meester van het rijk geworden,

zuiverde hij den rom. senaat, richtte eene nieuwe lijfwacht op (de

oude had hij reeds na den dood van Iulianus ontbonden), en voerde

een streng militair despotisme, eene soldatenregeering, in. Daarna

trok hij tegen de Parthen te velde, veroverde en vernietigde hunne

hoofdstad Ctesiphon (198) en keerde in 202 naar Rome terug, dat hij

met prachtige bouwwerken verfraaide, terwijl hij zich beijverde,

door een wijs en gematigd bestuur de herinnering aan zijne vroegere

gestrengheid uit te wissen. In 208 trok hij met zijn beide zoons

Caracalla en Geta naar Britannia, waar hij den bestaanden wal tegen de

Caledoniërs door een sterken muur verving (zie Britannia). Hij stierf

in 211 te Eboracum.--2) M. Aurelius Severus Alexander, geboren te

Arca Caesarea in Phoenicia, werd door zijn neef, keizer Heliogabalus

(z. a.), als zoon aangenomen, bij welke gelegenheid zijn eigenlijke

naam Alexianus in Alexander veranderd werd (221 n. C.). Spoedig echter

haalde de genegenheid van het leger hem den haat van den tyran op

den hals, die hem herhaaldelijk zocht te vermoorden, tot hij zelf

door de woedende soldaten werd omgebracht (222), waarop Alex. Sev.,

13 jaar oud, doch zorgvuldig onderwezen en opgevoed onder de leiding

zijner voortreffelijke moeder Julia Mammaea en zijner brave grootmoeder

Julia Maesa, door senaat, volk en leger als keizer werd erkend. Hij

verhoogde het aanzien en de macht van den senaat. Hij trachtte het

binnenlandsch beheer te verbeteren en de uitspattingen van den door

Heliogabalus ingevoerden syrischen eeredienst tegen te gaan, doch hij

wilde ook de verslapte krijgstucht herstellen, hetgeen oorzaak was, dat

zijn staatsdienaar Ulpianus in 228 voor zijne oogen werd vermoord. In

232 voerde hij oorlog tegen den nieuw-perzischen koning Artaxerxes I;

in 234 trok hij op tegen de Germanen, die over den Rijn stroopten,

doch hij werd in een soldatenoproer met zijne moeder vermoord, waarop

Maximinus tot keizer werd uitgeroepen.--3) Flavius Valerius Severus,

een Illyriër, werd in 305 na C. door Galerius tot Caesar benoemd en in

306 tot Augustus, doch in den strijd tegen Maxentius werd hij in 307

door zijne troepen verlaten en te Ravenna vermoord.--4) Libius Severus,

rom. keizer 461-465 na C., door Ricimer (z. a.) op den troon gezet.

Severi. 1) Cornelius Severus, episch dichter, vriend van Ovidius.--2)

Iulius Severus, generaal van keizer Hadrianus in den oorlog

tegen de Joden, die onder leiding van Bar-Kochba waren opgestaan

(132-134 n. C.), zie Hadrianus; later was hij stadhouder van Syria

Palaestina.--3) Sulpicius Severus, omstreeks 400 na C., een Christen,

schreef eene historia sacra van de schepping tot op zijn tijd.

Severiana (via), van Ostia over Antium naar Tarracina.

Severus mons, rots in het Sabijnsche land op de grenzen van Picenum.

Sevir of Sexvir, meest VIvir of IiiiiIvir geschreven, lid van een

college van 6 leden. 1) aanvoerder van de equites Romani equo publico,

in den keizertijd; ze worden voor een jaar benoemd; het eerst komen

ze voor tijdens keizer Augustus (2 v. C.).--2) lid van het bestuur

der Augustales in de municipiën; zie municipium.

Sevo mons = Saevo mons.

Sextans = 2 unciae = 1/6 as.

Sextarius, rom. maat, iets meer dan een halve liter, het 1/48 deel

eener amphora, het 1/16 van een congius.

Sextia (rogatio) van P. Sextius in 57, tot terugroeping van Cicero

uit de ballingschap, kwam niet in behandeling.

Sextii of Sestii, dezelfde naam, hoewel men soms de eene schrijfwijze

hoven de andere ziet voorgetrokken. 1) P. Sestius Capitolinus

(v. a. Capito) Vaticanus, consul in 452 (z. Menenia Sestia (lex)) en

in 451 een der decemviri legibus scribundis.--2) L. Sextius Sextinus

Lateranus, in 366 de eerste consul uit de plebs ten gevolge der

Lex Licinia Sextia, waartoe hij zelf had medegewerkt. Zie Licinii

no. 4.--3) C. Sextius Calvinus, consul in 124, voerde voorspoedig

oorlog in Gallia Transalpina en stichtte de badplaats Aquae Sextiae

(Aix).--4) T. Sextius diende van af 54 als legaat onder Caesar in

Gallia. Later ontnam hij in dienst van Octavianus, de provincie

Africa aan Q. Cornificius, die in den strijd sneuvelde (42). Na

den slag bij Philippi moest hij Numidia afstaan aan den legaat

van Octavianus, C. Fuficius Fango, maar veroverde het weer na den

Perusijnschen oorlog. In 40 gaf hij de provincie en zijn troepen

over aan Lepidus.--5) P. Sextius of Sestius, quaestor in 63, zuiverde

Campania van de Catilinarii, dwong den consul C. Antonius aan Catilina

slag te leveren, hetgeen Ant. evenwel door zijn legaat Petreius liet

doen, en schaarde zich als volkstribuun in 57 geheel aan de zijde van

Cicero. Door zijn vijand P. Clodius werd hij in 56 van geweldenarij en

omkooping aangeklaagd doch door Cicero verdedigd en vrijgepleit. Bij

het begin van den burgeroorlog volgde hij Pompeius en ging eerst later

tot Caesar over.--6) L. Sestius, zoon van no. 5, volgde na Caesar's

dood eerst de vanen van Brutus, doch werd niettemin in 23 door

Augustus tot consul suffectus benoemd. Aan hem is gericht Horatius'

ode I. 4.--7) Q. Sextius, een aanzienlijk Romein, een senatorszoon,

onder Augustus, om zijne eenvoudige levenswijze zeer geacht, stichtte

te Rome eene wijsgeerige school vermoedelijk op stoicijnsche en

pythagoreïsche beginselen. Hij schreef in het Grieksch. Ten onrechte

neemt men wel eens aan, dat een verzameling spreuken van een zekeren

Sextus, die later in het Latijn vertaald is, maar waarvan het origineel

in 1880 teruggevonden is, van hem afkomstig is. Dit is het werk van

een Christen uit de 2de of 3de eeuw. Na Sextius trad zijn zoon als

hoofd der school op, daarna geraakte zij spoedig in verval.

Sextilii, een rom. geslacht, dat geen mannen van beteekenis heeft

opgeleverd. 1) P. Sextilius (v. a. Sextius), propraetor van Africa,

verjoeg den als balling ronddolenden Marius uit zijne provincie.--2)

C. Sextilius Rufus, admiraal van Cassius in 43.--3) Sextilia, moeder

van keizer A. Vitellius, eene vrouw van strenge, oud-romeinsche zeden.

Sextilis, vroegere naam der maand Augustus.

Sextula = 1/6 uncia = 1/72 as.

Sextus Empiricus, arts en sceptisch wijsgeer omstreeks 200 n. C. Van

zijne werken zijn bewaard gebleven Pyrroneiai hypotyposeis, eene

uiteenzetting van de leer van Pyrrho en Pros tous mathematikous,

waarin hij bezwaren ontwikkelt tegen de grondstellingen van iedere

wetenschap en ieder wijsgeerig stelsel.

Sibuzates, volksstam in Aquitania, bij het tegenw. Sobousse aan

den Adour.

Sibylla, Sibylla, een geheimzinnig vrouwelijk wezen, dat in

verschillende landen en in verschillende tijden voorkomt, in eenzame

holen woont en van Apollo de gave der voorspelling heeft. Gewoonlijk

nam men aan dat er meer dan ééne S. was, in latere tijden sprak

men van tien. De meest bekende is de S. van Cumae, die onder

verschillende namen voorkomt (Herophile, Demophile, Demo, Deïphobe,

Amalthea), uit Azië naar Italië kwam, zeer oud was en reeds aan

Aeneas de toekomst voorspelde. Eene verzameling van hare profetieën,

in het Grieksch opgesteld, werd door Tarquinius Priscus voor eene

groote som gelds gekocht. De verzameling, libri Sibyllini genoemd,

werd bewaard door IIviri (sedert 367 Xviri, sedert Sulla XVviri)

sacrorum of sacris faciundis, die in buitengewone omstandigheden,

vooral bij prodigia, van den senaat bevel kregen de boeken te

raadplegen (adire libros). Vooral door den invloed van deze boeken

werd de rom. godsdienst met vele grieksche elementen vermengd. Toen

zij bij den brand van het Capitolium (83) verloren gingen, werden

overal sibyllijnsche orakels opgezocht, en eene nieuwe verzameling

aangelegd, waaruit echter onder Augustus en Tiberius een aantal als

onecht verwijderd werden. De sibyllijnsche boeken behielden lang hun

invloed en zelfs de oudste Christenen ontzeiden hun niet alle gezag,

eerst onder Stilicho werden zij verbrand.--De nu nog bestaande Chresmoi

Sibylliakoi zijn van verschillende tijden en uiteenloopenden inhoud,

grootendeels bevatten zij als profetieën ingekleede historische

verhalen.

Sibyrtius, Sibyrtios, onder en na Alexander d. Gr. satraap van

Arachosië en Gedrosië, later verbond hij zich met Eumenes, dien hij

echter verliet om tot Antigonus over te gaan.

Sycambri = Sygambri.

Sicania, Sicani, Sicanus, zie Sicilia.

Sicanus, Sikanos, een van de strategen van Syracuse in den atheenschen

oorlog.

Sicca, de vriend van Cicero, op wiens landgoed hij in zijn ballingschap

een schuilplaats vond.

Sicca Veneria, Sikka, aanzienlijke stad in Numidia ten O. van den

Muthul; het behoort later tot Africa Vetus (Zeugitana).

Siccii, zie Sicinii.

Sichaeus, z. Dido.

Sicilia, Sikelia, het bekende eiland Sicilië bij Italië. In

den mythischen tijd was het de woonplaats der Cyclopen en der

menschenetende Laestrygonen. In den historischen tijd vindt men

als oudste bewoners de Sicani, Sikanoi, vermeld, volgens Thucydides

afkomstig uit Iberia, waar zij aan de boorden eener rivier Sicanus,

Sikanos, later Sucro geheeten, zouden gewoond hebben, hetgeen

tegenwoordig op taalkundige gronden wordt tegengesproken. Later

vindt men hen slechts in de westelijke helft, terwijl het oostelijk

gedeelte bevolkt is door Siculi, Sikeloi, een door de Oscers uit Italia

verdreven volk. Niet onwaarschijnlijk is het, dat Sicani en Siculi tot

één stam behooren, die met de Latijnen verwant is. De grens tusschen

beide stammen is de rivier de Himera. In den Westhoek vindt men nog een

klein gebied bezet door Elemi, Elymoi, die over zee waren gekomen. De

mythe laat deze Elymers afstammen van Trojanen (zie Elymus), doch

de namen hunner steden Segesta, Entella, worden op de oostligurische

kust ook aangetroffen, terwijl met Eryx en den Venusdienst de haven

portus Veneris in Liguria overeenkomt. Op de kusten van het zoo

vruchtbare en uitstekend gelegen eiland vestigden zich een aantal

volkplantingen: phoenicische, carthaagsche, ionische en dorische. De

afstammelingen der grieksche kolonisten noemden zich Sikeliotai. Naar

de drie meest vooruitspringende kapen, Lilybaeum ten W., Pelorum ten

N.O., Pachynum ten Z., wordt het eiland bij dichters ook Trinacria,

Trinakria, geheeten, ook Sicania is een dichterlijke naam. Terwijl het

W. gedeelte in de macht der Carthagers kwam, breidde de machtige stad

Syracuse haar gezag over het O. deel uit. Beide mogendheden streefden

naar het bezit van het geheele eiland en bloedige worstelingen waren

hiervan het gevolg. In den eersten punischen oorlog verloor Carthago

zijn deel aan de Rom.; West-Sicilia werd toen de eerste rom. provincie

(241), het overige bleef syracusaansch tot aan den val van Syracuse

in 212. Beide deelen bleven, ofschoon één stadhouder hebbende, onder

rom. bestuur toch in zooverre administratief gescheiden, dat zij

elk een afzonderlijken quaestor hadden (één te Lilybaeum en één te

Syracuse), en dat in het syracusaansche gedeelte de tiendregeling in

stand bleef, zooals deze door koning Hiero II (260-215) was vastgesteld

(lex Hieronica frumentaria). De gemeenten in dit gedeelte werden

civitates decumanae genoemd en hare korentienden werden op het eiland

zelf verpacht; de gemeenten in het vroegere carthaagsche gedeelte,

waarvan de tienden te Rome met andere vectigalia door de censoren

verpacht werden, heetten civitates censoriae. In Cicero's tijd waren

Messana, Tauromenium en Netum civitates foederatae, Centuripae, Halesa,

Segesta, Panormus en Halicyae civitates liberae et immunes. Van de

verschillende civitates, 63 in getal, hadden alleen de burgers van

Centuripae recht van grondbezit over het geheele eiland. Sicilia

was door zijn graanbouw van groote waarde voor de Rom., die er

jaarlijks ontzaggelijke hoeveelheden koren uit trokken; terecht was

het aan Demeter geheiligd; thans is door de onverschilligheid der

latere bevolking de toestand geheel anders geworden. Berucht zijn de

afpersingen, door C. Verres gepleegd (73-71) en reeds van dit tijdstip

af openbaart zich bij de bevolking een zekere onwil, om verder hunne

akkers te bebouwen en zich te laten uitmergelen. Sicilia heeft een

aantal beroemde mannen voortgebracht, o.a., Theocritus, tijdgenoot

van Hiero II en den vader der bucolische poëzie. Bij Vergilius is

Siculus pastor = Theocritus, Sicelides Musae = de Muzen van het

herdersdicht.--De zee ten O. van het eiland heette mare Siculum;

door sommigen werd zij als een gedeelte der ionische zee beschouwd,

v. a. strekte zij zich tot Creta uit.

Sicinii. 1) T. Sic. Sabinus, consul in 487, zegepraalde over de

Volscen.--2) C. Sic. Bellutus voerde het volk in 494 naar den Mons

Sacer en werd een der eerste volkstribunen (493).--3) C. Sicinius

of Siccius was onder de eerste volkstribunen, die krachtens de lex

Publilia Voleronis (471) door de plebs tributim werden gekozen. In het

volgende jaar klaagde hij met M. Duilius den trotschen App. Claudius

Sabinus, consul in 471, aan; deze stierf echter vóór den afloop

van het proces. Het verhaal van dit proces en van Claudius' dood is

geheel verzonnen. Zie Claudii no. 2.--4) L. Sic. of Siccius Dentatus,

bijgenaamd de rom. Achilles, een man die door zijne schitterende

wapenfeiten meer dan 300 militaire onderscheidingen had verworven,

120 gevechten had bijgewoond en 45 wonden in de borst had gekregen,

volkstribuun in 454, was een warm strijder voor de rechten der

plebejers. In 450 lieten de tienmannen hem in den oorlog tegen de

Aequers in eene hinderlaag vallen, waar hij sneuvelde. Dit verhaal is

verzonnen, met het doel de tienmannen van het jaar 450 als tyrannen

voor te stellen.--5) Cn. Sicinius, praetor in 183, werd in 172 met

een leger naar Macedonia gezonden.--6) C. Sicinius, door Cicero onder

de goede redenaars gerangschikt, overigens niet nader bekend.--7)

Cn. Sicinius, volkstribuun in 76, wendde vergeefsche pogingen aan om

de macht van het tribunaat te herstellen. Zijne vijanden wisten hem

uit den weg te ruimen.

Sicinnis, sikin(n)is, de dans van het satyrdrama.

Sicinus, Sikinos, eiland der Sporaden, ten Z. van de Cycladengroep

gelegen en om zijn wijnbouw vroeger Oenoë genoemd.

Sicoris, Sikoris, thans Segre, zijtak van den Iberus (Ebro), stroomt

langs Ilerda (Lerida).

Siculi, Sikeloi, zie Sicilia.

Siculum fretum, thans straat van Messina. Zie ook Scylla.

Siculus. 1) Calpurnius Siculus, bucolisch dichter uit Nero's tijd,

schrijver van 7 Eclogae.--2) Siculus Flaccus, rom. landmeter uit de

2de eeuw na C., schrijver van een werkje de condicionibus agrorum,

z. Groma.--3) Diodorus Siculus, zie Diodorus no. 3.

Sicyon, Sikyon = augurkenstad, hoofdstad van het kleine peloponnesische

gewest Sicyonia, Sikyonia, aan den Z.O. hoek der Corinthische golf

gelegen. Volgens de overlevering was na Argos Sicyon de oudste

staat van Griekenland. Bij de dorische volksverhuizing kwam het

onder de Doriërs, in wier bezit het bleef. Het staatje, dat te

onbeduidend was om eenig gewicht in de schaal te leggen, stond van ±

670 tot 576 onder de zeer dragelijke heerschappij der Orthagoriden,

wier laatste telg Clisthenes was, de schoonvader van den Athener

Megacles. Hierna werd de regeeringsvorm een tijd lang democratisch,

totdat er onder den invloed van Sparta weder tyrannen kwamen. Eerst

sedert 249 vervulde Sicyon weder eene rol (zie Aratus) als lid van

het achaeisch verbond. Onder rom. heerschappij verviel het meer en

meer.--De sicyonische schilderschool (Eupompus, Pamphilus, Pausias)

kenmerkte zich door wetenschappelijke behandeling. De beeldhouwschool

legde zich minder toe op het scheppen van godenbeelden, dan van

schoone menschenfiguren. Onder de sicyonische beeldhouwers zijn vooral

beroemd Polycletus (z. a.) en Lysippus (z. a.), die ook een kundig

metaalgieter was.

Sida, Side, Side, 1) aeolische kolonie op de kust van Pamphylia,

hoofdzetel van den dienst van Athena, die er werd afgebeeld met een

granaatappel (side) in de hand. De bevolking is grootendeels van

phoenicischen oorsprong.--2) havenstad in Pontus, later Polemonium

(z. a.).--3) vroeg vervallen stadje aan de Z.O. spits van Laconica.

Sidero, Sidero, tweede gemalin van Salmoneus, wreede stiefmoeder van

Tyro, door wier zonen Neleus en Pelias zij gedood werd.

Sidicini, een oscische volksstam in Campania (z.a.); hun stad heet

Teanum Sidicinum.

Sidon, Sidon, de oudste en lang de machtigste der phoenicische steden,

eene sterke vesting met een dubbele haven. Door handel, zeevaart, kunst

en nijverheid en door het uitzenden van talrijke volkplantingen verhief

Sidon zich tot een hoogen trap van bloei, totdat het door het jongere

Tyrus overschaduwd werd. De sidonische schepen waren uitstekende

zeilers, de sidonische zeelieden in hun tijd de beste der wereld. De

nijverheid bloeide vooral door glasfabrieken en door de weverijen,

waar de kostbare sidonische gewaden werden vervaardigd. Van oudsher

stond Sidon onder erfelijke koningen, die ook onder de perzische en

de macedonische opperheerschappij aan het bewind bleven. In 675 was

Sidon door Assarhaddon van Niniveh vernietigd, maar als assyrische

kolonie weer opgebouwd. Sedert de 5de eeuw begint de grieksche

invloed er door te dringen. De 17 sarkophagen van de koningen van

Sidon, die in 1887 terug gevonden zijn, en zich nu in het Museum

te Constantinopel bevinden, zijn door grieksche kunstenaars van den

eersten rang vervaardigd. De verwoesting door den perzischen koning

Artaxerxes III Ochus (± 350), tot straf voor haren afval, bracht aan

de stad een onherstelbaren slag toe.

Sidonius Apollinaris, voluit C. Sollius Apollinaris Modestus Sidonius,

in 428 na C. te Lugdunum (Lyon) geboren, bisschop van Clermont,

schrijver eener verzameling brieven en van enkele gedichten in vrij

gezwollen stijl, doch belangrijk voor de kennis van zijn tijd.

Sidus, Sidous = granaatappelstad, sterke vesting in Corinthia, ten

O. van Corinthus.

Sidussa, Sidoussa, vlek in Lydia in het gebied der ionische stad

Erythrae.

Siga, Siga, handelsstad en rom. municipium op de kust van Mauretania

Caesariensis.

Sigambri = Sygambri.

Sigeum, Sigeion, kaap en stad in Troas, iets ten zuiden der invaart

van den Hellespont. In de nabijheid was het graf van Achilles.

Sigillaria (van sigillum, deminutief van signum), het beeldjesfeest,

te Rome op 21 en 22 Dec. gevierd. Men gaf godenbeeldjes ten geschenke,

uit klei gebakken of uit metaal vervaardigd. Ook werden bontgekleurde

kaarsen en gebak in verschillende vormen weggegeven. Het schijnt vooral

een kinderfeest te zijn geweest. Er was te Rome eene beeldjesstraat,

via sigillaria, waar men winkels van zulke beeldjes had. Het feest

hing met de Saturnalia (z. a.) samen.

Sigma, eene sofa in den vorm van een hoefijzer, aldus genoemd naar

den ouden vorm der grieksche letter, C. Dit sigma of stibadium

kwam in gebruik, toen de vierkante tafels door de ronde werden

verdrongen. Vgl. triclinium.

Signia, thans Segni, stad in Latium aan den Oostkant der volscische

bergen, door Tarquinius Superbus gesticht en bekend door een tempel

van Jupiter Urius, door hard cement (opus Signinum), lekkere peren

en wrangen wijn. Van de cyclopische muren bestaan nog overblijfselen.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 126 / 150 段