senaat overging, wanneer de staat door binnenlandsche onlusten of een
buitenlandschen vijand naar zijn meening in gevaar verkeerde. Het
was een uitnoodiging aan de in het besluit genoemde ambtenaren,
in den vorm videant consules, (enz.) ne quid respublica detrimenti
capiat. Zij verzocht hen, op eigen gezag alle naar omstandigheden
noodige maatregelen te nemen, die in hun bevoegdheid lagen, zooals
vormen van een leger met buitengewone lichtingen, bevelen uitvaardigen
aan burgers en bondgenooten, met geweld de rust herstellen, enz. Zie
ook hostis iudicatio.
Senatus municipalis. In de rom. municipia had men een gemeenteraad,
senatus genoemd, wiens leden decuriones heeten en die ook wel ordo
decurionum wordt genoemd. In den regel bestond hij uit 100 leden.
Seneca, familienaam, zie Annaei.
Senecio, familienaam, zie Herennii.
Senogallia = Sena Gallica.
Senones, Senones, machtige gallische volksstam aan de Sequana
(Seine) in het latere Isle de France en Champagne. Hunne hoofdstad
was Agedincum (Sens in Champagne). Een gedeelte van dit volk trok ±
400 de Alpen over naar Italië en stichtte daar aan de Adriatische zee
de stad Sena, gewoonlijk Gallica bijgenaamd. Het waren deze Galliërs,
die in 390 de Romeinen aan den Allia versloegen en het Capitool
belegerden. In 283 werden zij door den consul P. Cornelius Dolabella
Maximus verslagen en zoo goed als vernietigd. Z. Ager Gallicus.
Sentia Aelia (lex), zie Aelia Sentia (lex).
Sentii. 1) C. Sentius overwon in 89 als praetor de Thraciërs, na
eerst zelf door hen te zijn verslagen.--2) C. Sentius Saturninus,
vriend van den jongen Sex. Pompeius, consul in 29, toonde zich uiterst
gestreng tegen afpersingen en ambitus. In 7 werd hij stadhouder van
Syria en hield toen den census in Iudaea, later (4 en 5 n. C.) was
hij legaat van Augustus in Germania.--3) C. Sentius Saturninus, een
zoon van no. 2, consul in de eerste helft van het jaar 4 na C., zie
Aelia Sentia (lex). In de tweede helft van ditzelfde jaar vindt men
als consul suffectus Cn. Sentius Saturninus, die in 19 na C. legaat
in Syria was.--4) Sentius Augurinus, een vriend van Plinius minor.
Sentinum, Sentinon, versterkte stad in Umbria aan den Aesis. Hier
versloegen in 295 de Romeinen de vereenigde Samnieten, Galliërs
en Etruscers. Consuls waren toen Q. Fabius Maximus Rullianus (zie
Fabii no. 14) en P. Decius Mus, die volgens het verhaal zich ten
doode wijdde.
Sepias, Sepias, Z.O. punt van het thessalische landschap Magnesia.
Sepinum = Saepinum.
Seplasia, eene straat te Capua, met parfumeriewinkels.
Sepphoris, Sepphoris = Diocaesarea.
Septem aquae, "de 7 meren", landstreek bij Reate in het sabijnsche
land.
Septempeda, Septempeda, rom. municipium in het N. van Picenum, op de
grens van Umbria.
Septemviri epulones, zie epulones.
Septentrio, Aparktias, de Noordenwind, zie Windstreken.
Septimii, rom. geslacht, waarvan in Cicero's tijd en later eenige
leden voorkomen, echter niet belangrijk genoeg voor afzonderlijke
vermelding. Aan het einde van de 2de eeuw na C. komt een dichter
Septimius Serenus voor. Zie ook Dictys no. 2.
Septimius Geta, rom. keizer, zie Geta.
Septimius Severus, rom. keizer, zie Severi.
Septimontium, het zeven-heuvelenfeest, jaarlijks in Dec. te Rome
gevierd, oorspronkelijk alleen door dat gedeelte van de bevolking,
dat het Septimontium (zie Roma) vormde.
Septizonium, paleis (z. echter ook Nympheum) door keizer Septimius
Severus aan de Z.O. zijde van den Palatinus opgericht. Het had drie
verdiepingen kolonnades, elke voorzien van eene kroonlijst, die op
de via Appia uitzagen. Paus Sixtus V liet het gebouw afbreken om aan
de zuilen een andere bestemming te geven. Ook keizer Titus had een
dergelijk gebouw laten oprichten.
Septa = saepta, zie ovile.
Septuaginta, hoi hebdomekonta, worden bij verkorting de 72 Joden
genoemd, die volgens het verhaal op last van Ptolemaeus Philadelphus
te Alexandrië het O.T. in het Grieksch hebben vertaald. Deze vertaling
was in de Hellenistisch-Joodsche en in den Oud-Christelijke wereld
algemeen in gebruik. De schrijvers van het Nieuwe Testament citeeren
deze uitgave, nooit den Hebreeuwschen bijbel. De taal is de Koine,
maar met belangrijke afwijkingen; men zou dit het Joden-Grieksch
kunnen noemen.
Septunx = 7/12 as. Een muntstuk van deze waarde bestond niet.
Sequana, rivier in Gallia, thans Seine.
Sequani, keltisch volk, een der hoofdstammen van Gallia
Transalpina, aan de Westzijde van het Juragebergte, vijanden van de
Aeduërs. Hoofdstad: Vesontio (Besançon).
Serapeum, Serapeion, Serapis-tempel. Beroemd was vooral het Serapeum
te Alexandrië in Aegypte, met een aanzienlijke bibliotheek, dat in
379 n. C. door Theophilus van Alexandria vernietigd werd.
Serapion, Serapion, 1) van Alexandrië, stichter eener empirische
geneeskundige school, omstreeks 220.--2) van Antiochië, beroemd
wiskundige en aardrijkskundige, waarschijnlijk tijdgenoot van
Eratosthenes no. 2.
Serapis, Sarapis, een god, wiens beeld door Ptolemaeus I naar
aanleiding van een droomgezicht uit Sinope gehaald werd en wiens
eeredienst hij in Aegypte invoerde. Hij werd beschouwd als eene
vereeniging van Osiris en Apis, als een god der afgestorven zielen,
heer van gezondheid en ziekte. Zijn dienst vond ook ingang bij de
Grieken en Rom., die hem met Zeus, Hades of Asclepius vereenzelvigden.
Serbouis lacus, Serbonis limne, een langgestrekt, ondiep zoutmeer ten
O. van Aegypte langs de kust, in Casiotis. Daarvóór lag de Casius mons
(z. Casius no. 1), en ten W. Pelusium, de grensvesting van Aegypte.
Serdica, Serdike, aanzienlijke stad in het N.O. van Thracia, nabij
de grenzen van Moesia en Dardania, in de bergstreek, waar de Scomius
zich van den Haemus afscheidt. Tgw. Sophia. Sedert Diocletianus
behoorde dit gedeelte van Thracia, als Dacia mediterranea, tot de
Praefectura Illyricum. Attila verwoestte de plaats, die echter weder
werd opgebouwd.
Serenus Sammonicus (Q.), geleerde onder de regeering van Septimius
Severus en Caracalla, die een groote bibliotheek had; op last van
den laatstgenoemde werd hij ter dood gebracht. Zijn zoon, die den
zelfden naam droeg, schreef als leek een receptenboek in hexameters,
dat tot de lievelingslektuur van Alexander Severus behoorde, en nog
in de middeleeuwen veel werd gelezen.
Seres, bewoners van Serica (z. a.).
Sergestus, een van de tochtgenooten van Aeneas, door de rom. Sergii
als hun stamvader beschouwd.
Sergii, aanzienlijk patricisch geslacht. 1) L. Sergius Fidenas,
consul in 437, verwierf zich zijn cognomen door zijne zegepraal
op de Fidenaten en Vejenten.--2) M. Sergius, krijgstribuun in 205,
ging met zijn ambtgenoot P. Matienus de schandelijke roofzucht der
rom. bezetting te Locri Epizephyrii te keer en werd hiervoor door
den rom. propraetor Q. Pleminius onder allerlei martelingen ter dood
gebracht.--3) M. Sergius Silus, overgrootvader van no. 5, onderscheidde
zich door moed in den tweeden punischen oorlog.--4) M. Sergius Silus,
zoon van no. 3, was onder Aemilius Paullus bevelhebber der ruiterij in
den oorlog tegen Perseus.--5) L. Sergius Catilina, achterkleinzoon van
no. 3, toonde van jongs af een diep bedorven karakter. Hij bezat groote
geestesgaven en was merkwaardig gehard tegen ontbering en inspanning,
doch paarde daaraan een zeldzame gave van verleiding tot het kwade. Hij
was een van Sulla's handlangers geweest bij de proscripties (zie
Gratidii no. 3), werd in 77 quaestor, in 68 praetor en wilde in 65
naar het consulaat dingen, doch zag zich hierin verhinderd door eene
aanklacht wegens afpersingen. Toen smeedde hij eene samenzwering,
die echter door zijn eigen ongeduld mislukte. Toen hij in 64 niet tot
consul verkozen was, beraamde hij een tweede complot met een groot
aantal Rom. van aanzienlijken huize, voor een deel even berooid en
in schulden gedompeld als hij zelf. Het doel was niets minder, dan
de tegenstanders, den consul M. Tullius Cicero in de eerste plaats,
om te brengen, Rome op verschillende punten in brand te steken en
Italië en de provinciën onder elkander te verdeelen. Er waren te Rome
en elders duizenden onder het volk, die niets te verliezen hadden en
bij oproer en omwenteling althans de kans hadden iets te winnen. De
onbedachtzaamheid van een der samenzweerders was oorzaak, dat het plan
nog tijdig Cicero ter oore kwam, die hierop door zijne waakzaamheid
de uitvoering er van voorkwam (63) en Catilina noodzaakte, Rome te
verlaten en zich naar het leger te begeven, dat hij in het N. van
Etruria in de bergen bij Faesulae verzameld had. Eenige hoofden der
samenzwering bleven echter te Rome, en knoopten onderhandelingen aan
met een gezantschap der Allobrogen, die juist te Rome waren om den
senaat de grieven van hun volk kenbaar te maken. De brieven, die zij
den gezanten medegaven, werden echter door Cicero onderschept, waarop
de saamgezworenen in hechtenis werden genomen en, overeenkomstig het
gevoelen van de meerderheid van den senaat, doch tegen Caesars raad, in
den kerker door worging ter dood gebracht. Catilina zelf sneuvelde kort
daarop na dapperen strijd in een slag bij Pistoria tegen de troepen
van den legaat M. Petreius. De geheele loop der samenzwering is op
meesterlijke wijze door Sallustius te boek gesteld.--6) C. Sergius
Orata, een bekende lekkerbek en fijnproever, omstreeks het jaar 100.
Serica, Serike, het land der Seres, Seres, en der Sinae, Sinai,
China. Het land der Sinae ligt ten Zuiden van Serica, en grenst aan
den Sinus Magnus (de Zuid-Chineesche zee) en aan India trans Gangem;
het is dus Zuid-China, terwijl Serica het binnenland en het Noorden
van China (Mongolië en Mandschoerije) inneemt. Bij de ouden was het
volk der Chineezen slechts bij naam uit de verhalen van oostersche
kooplieden bekend. Zij hadden den naam, een zacht en goedaardig volk
te zijn, dat echter den omgang met andere volken vermeed en niet
gemakkelijk vreemden toeliet. Ammianus Marcellinus (390 na C.) had
ook van den chineeschen muur gehoord. Ook wist men, dat Serica het
vaderland was der zijdewormen; vandaar sericum = zijde. Zijden stoffen,
vestes sericae, waren onder het keizerrijk ook te Rome niet onbekend.
Seriphus, Seriphos, een klein eiland, tot de groep der Cycladen
behoorende, rotsig en onvruchtbaar, maar rijk aan metalen, o. a. ijzer
en magneet. Hier laat de mythe de kist aanspoelen, waarin Danaë was
opgesloten (zie Acrisius en Perseus en Dictys no. 1). Later vestigde
zich op S. eene ionische kolonie. In den perzischen oorlog weigerde
S. den Perzen schatting te betalen. Onder de rom. keizers werd het
een verbanningsoord. Aristoteles vermeldt het bestaan van kikvorschen
die niet kwaakten; vandaar Seriphios batrachos = een stomme, iemand
die niet spreekt.
Sermyle, Sermyle, stad op de chalcidische landtong Sithonia.
Serranus, familienaam in de gens Atilia (Atilii no. 7-9).
Serrati, z. Bigati.
Serrium, Serreion, kaap en kasteel op de thracische kust, tegenover
het eil. Samothrace.
Sertorius (Q.), geb. te Nursia in het sabijnsche land, had zich
eerst op de studie van recht en redekunst toegelegd, diende als
soldaat onder Marius in den strijd tegen de Cimbren en Teutonen
(105-102) en vervolgens in Hispania onder T. Didius (97) als
krijgstribuun. Als quaestor in Gallia Cisalpina onderscheidde hij zich
in 91 door onvermoeiden ijver en in den marsischen oorlog door moed en
krijgstalent, en verloor op het slagveld een oog. In den burgeroorlog
was hij de partij van Marius toegedaan, en als praetor zelfs aanvoerder
van een der vier legers, die in 87 Rome bestormden. Hij verafschuwde
echter uit den grond van zijn hart de wreedheden, door Marius en
Cinna bedreven. Na den dood van deze beiden wanhoopte Sertorius aan
de verdere verdediging van Italië en Rome tegen Sulla en begaf hij
zich naar Hispania Citerior (83), welk gewest hem als praetor door
het lot was toegewezen. Sulla zond hem den proconsul C. Annius Luscus
achterna. Wel verdedigde een legaat van Sertorius, Iulius Salinator,
met moed den toegang tot de Pyrenaeën, doch na diens vermoording
zag Sertorius zich genoodzaakt voor Luscus te wijken en zocht in
Mauretania een toevluchtsoord. Van daar verdreven doolde hij op zee
rond, doch Luscus versloeg zijne vloot. Andermaal in Mauretania geland,
was hij gelukkiger (hij veroverde o. a. Tingis (Tanger)), totdat
een gezantschap der Lusitaniërs, die in opstand waren tegen Rome,
hem het bevel over hunne strijdkrachten kwam aanbieden. Toen begon
Sertorius een guerilla; van alle zijden stroomden hem hispanische
troepen toe, leger op leger der Rom. werd verslagen, de opstand
breidde zich voortdurend uit, en Q. Caecilius Metellus Pius (Caecilii
no. 17) kon dien niet meester worden. Doch ook Pompeius die in 76
met een leger ter ondersteuning van Metellus naar Hispania trok,
kon evenmin Sertorius verslaan, en stelde toen een prijs op diens
hoofd. Niet om dit bloedgeld te verdienen, maar alleen uit naijver
en trotschheid smeedde een der onderbevelhebbers van Sertorius, de
optimaat M. Perperna, die het niet kon dulden aan een man van nederige
afkomst te moeten gehoorzamen, een complot, en S. werd in 72 op een
gastmaal vermoord. Hiermede was ook de kracht van den oorlog gebroken.
Servare de caelo = signa observare de caelo. Deze uitdrukking
wordt in het bijzonder gebezigd voor het nemen van auspiciën met
de bedoeling de comitiën te storen. Bij de signa impetrativa kon
men twee wegen inslaan; men kon in het algemeen een teeken van de
goden vragen; men kon echter ook een bepaald teeken vragen en de
overige veronachtzamen. Wie dus bepaald een goedkeurend teeken afbad,
had slechts te wachten totdat hij zulk een teeken zag en had met de
overige, die hij niet gevraagd had, niets te maken. Maar evenzoo kon
men ook om een storend teeken vragen. Al wat naar onweder zweemde,
een verwijderd gerommel, dat voor donder kon doorgaan, een schijn
van weerlicht, kon te baat genomen worden om de comitiën te storen,
en reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se servaturum de
caelo esse werd als storing beschouwd. De voorzitter had echter het
recht, een ambtenaar van minderen rang te verbieden, obnuntiatio aan
te wenden. Hij deed dit geregeld door aan de oproeping ter vergadering
toe te voegen: ne quis magistratus minor de caelo servare velit. De
leges Aelia et Fufia (± 156) regelden de obnuntiatio. Waarschijnlijk
bepaalde de lex Aelia, dat zoodanige storing niet slechts door hoogere
overheden tegenover lagere, maar ook door overheden van gelijken rang
tegenover elkander zou mogen geschieden (zelfs hadden de praetoren
als collegae minores de obnuntiatio tegenover de consuls) en door de
volkstribunen tegenover alle. Het belangrijke dezer wet lag vooral
hierin, dat nu ook volkstribunen elkander in het doordrijven van
wetten konden belemmeren; want de wet verklaarde uitdrukkelijk de
bovengenoemde verklaring voor eene afdoende obnuntiatio, waaraan
onmiddellijk gehoor moest worden gegeven. Ook waren nu de concilia
plebis aan de obnuntiatio onderworpen. De lex Fufia bevestigde de
lex Aelia en stelde strafbepalingen vast voor het aanwenden der
obnuntiatio op dagen voor kiescomitiën bepaald. De lex Clodia (58)
hief de bovengenoemde wetten voor de wetgevende comitiën op, doch werd,
daar Clodius de obnuntiatio in den wind had geslagen, door velen niet
als geldig erkend, hetgeen schromelijke verwarringen veroorzaakte.
Servi, z. servitus.
Servilia (lex) agraria, van den volkstribuun P. Servilius Rullus
(63). Zie onder Agrariae leges.
Servilia (lex) de repetundis, van den volkstribuun C. Servilius
Glaucia (zie Servilii no. 23). De wet is gemaakt kort voor 111. Ze
beoogde een verscherping van de procedure bij crimen repetundarum
en een nadere uitwerking van de lex iudiciaria van C. Sempronius
Gracchus. O. a. verwierf volgens deze wet een Latinus, die
een rom. burger met goeden uitslag van afpersingen aanklaagde,
zelf het rom. burgerrecht. Ook werd door deze wet de ampliatio
(z. a.) afgeschaft en vervangen door de comperendinatio.
Servilia (lex) iudiciaria van den consul Q. Servilius Caepio van 106
(Servilii no. 15), waarbij de iudicia tusschen senatoren en ridders
in gelijke verhouding werden verdeeld.
Servilii, oud geslacht, uit Alba Longa afkomstig. 1) P. Servilius
Priscus Structus, consul in 495.--2) Sp. Serv. Priscus Structus,
consul in 476.--3) C. Serv. Structus Ahala, magister equitum van
den dictator L. Quinctius Cincinnatus (439), doodde Sp. Maelius,
die weigerde voor den dictator te verschijnen. Later moest
hij hiervoor in ballingschap gaan. Zie Maelii no. 1 en 2.--4)
Q. Serv. Priscus Structus veroverde in 435 als dictator Fidenae,
waarnaar hij den bijnaam Fidenas kreeg. In 418 was hij opnieuw
dictator en overwon toen de Aequers.--5) C. Serv. Structus Axilla
was drie jaren achtereen consulairtribuun, 419-417. In 418 was
hij magister equitum van no. 4.--6) C. Serv. Structus Ahala, in
408 mag. eq. van den dictator P. Cornelius Rutilus Cossus, was een
hevig tegenstander der volkstribunen.--7) Q. Serv. Ahala, dictator
in 360, versloeg de Galliërs, die voor Rome waren verschenen.--8)
P. Serv. Geminus, consul in 252 en 248, streed, volgens een niet geheel
betrouwbaar bericht, voorspoedig op Sicilia tegen de Carthagers. Hij
en zijn tweelingbroeder Q. geleken zoo sprekend op elkander, dat zij
bijna niet te onderscheiden waren. Hieruit ontstond de familienaam
Geminus.--9) Cn. Serv. Geminus, consul in 217, sneuvelde in 216 bij
Cannae.--10) C. Serv. (Geminus), volkstribuun in 209, consul in 203,
bevrijdde zijn vader, die in 218 bij het stichten eener kolonie door
de Bojers krijgsgevangen was gemaakt (zie Lutatii no. 3). In 202 was
hij dictator comitiorum habendorum causa.--11) M. Serv. Pulex Geminus,
consul in 202, een dapper krijgsman, voerde in 202 en 201 het bevel in
Etruria en streed in 181 tegen de Liguriërs.--12) Cn. Serv. Caepio
was consul in 203, tegelijk met no. 10.--13) Cn. Serv. Caepio,
consul in 169, had drie zoons, die het consulaat hebben bekleed. De
oudste ging door adoptie in de gens Fabia over, zie Fabii no. 19.--14)
Cn. Serv. Caepio, ook een zoon van no. 13, consul in 141, was in 125
een gestreng censor.--15) Q. Serv. Caepio, zoon van no. 14, consul
in 106 (zie lex Servilia iudiciaria), werd in 105 als proconsul door
de Cimbren bij Arausio verslagen. In 95 werd hij wegens wangedrag in
dien oorlog en onwettige plundering (men beschuldigde hem namelijk, de
tempelschatten van Tolosa (z. a.) verduisterd te hebben), aangeklaagd
en tot verbanning veroordeeld, terwijl zijne bezittingen verbeurd
verklaard en gerechtelijk verkocht werden. Z. Norbani no. 1.--16)
Q. Serv. Caepio, derde zoon van no. 13, consul in 140, verbrak
het verdrag, dat zijn broeder Q. Fabius Maximus Servilianus (Fabii
no. 19) met de Lusitaniërs gesloten had, en bewerkte dat Viriathus
door sluipmoord werd omgebracht.--17) Q. Serv. Caepio, kleinzoon van
no. 16, was een heftig tegenstander van L. Appuleius Saturninus (100),
en ook van M. Livius Drusus (91), toen deze den ridderstand de iudicia
poogde te ontrukken. In den marsischen oorlog lokte Pompaedius Silo
hem in eene hinderlaag, waar hij sneuvelde.--18) Q. Serv. Caepio,
zoon van no. 17, stierf nog jong in Asia. Hij nam zijn zusterszoon
M. Iunius Brutus (Iunii no. 9) als zoon aan, die hiernaar soms
Q. Caepio Brutus wordt genoemd.--19) Servilia, dochter van no. 17,
was gehuwd met M. Iunius Brutus, den vader van Caesars moordenaar. Zij
was eene stiefzuster van Cato van Utica, en stond bekend als eene
zeer schrandere, ontwikkelde vrouw, wier invloed in staatszaken
niet gering was. Eene zuster van haar was gehuwd met L. Licinius
Lucullus.--20) P. Serv. Vatia, consul in 79, tuchtigde in 78 en 77
de cilicische en lycische zeeroovers op eene nadrukkelijke wijze,
drong vervolgens in den Taurus door, beoorloogde de Isauriërs (76)
en verwierf zoo den bijnaam Isauricus.--21) P. Serv. Vatia Isauricus,
zoon van no. 20, in 48 Caesars medeconsul, een zachtzinnig man,
sloot zich na Caesars dood bij Cicero aan tegen Antonius.--22)
P. Serv. Casca, volkstribuun in 43, bracht aan Caesar den eersten
dolkstoot toe en werd daarbij zelf door Caesar met een schrijfstift
aan de hand gewond. Zijn broeder C. Serv. Casca, behoorde wel tot
de saamgezworenen, doch niet rechtstreeks tot de moordenaars.--23)
C. Serv. Glaucia, tribunus plebis kort voor 111 (z. Servilia (lex)
de repetundis), praetor in 100, een slecht, beginselloos mensch,
zeer geslepen, bevorderde de plannen van Marius en Saturninus en
werd met Saturninus om het leven gebracht.--24) P. Serv. Globulus,
vriend van Cicero, volkstribuun (66) en later praetor in Asia.--25)
P. Serv. Rullus, volkstribuun in 63; zie onder Agrariae (leges):
lex Servilia agraria.
Servitus, 1) servituut, in den regel zakelijke rechten, die men op
eens anders grond of erf heeft en waarvoor zoodanig erf dienstbaar
is. Men onderscheidde ze in servitutes praediorum rusticorum, die op
landerijen rustten, en servitutes praediorum urbanorum, op gebouwde
eigendommen. Tot de eerste, die res mancipi (z. a.) zijn, behoorden:
actus, het recht om vee over eens anders land te drijven, iter, het
recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan, via,
er met een voertuig over te rijden, aquaeductus, het recht om over
vreemden grond water te leiden. Het servituut van via sloot dat van
actus en iter in, bij via was een bepaalde rijweg aangewezen. Onder
de tweede soort worden o. a. vermeld: ius tigni immittendi, het recht
om balken in 's buurmans muren te leggen, ius proiiciendi, het recht
om een bovenbouw over eens anders grond te laten uitspringen, ius
stillicidii en fluminis, het recht van afvoer van regen- en ander
water, ius luminum, het recht om licht te ontvangen zonder dat de
buurman dit mag betimmeren. Servitutes personarum zijn diensten
waartoe een bepaald persoon krachtens overeenkomst is verplicht.--2)
toestand van slavernij. Volgens het rom. recht is diegene slaaf, qui
iustam servitutem servit. Hij was wel een mensch, doch geen persoon,
slechts eene res, die zijn meester toebehoort. Men werd slaaf door
geboorte of door verlies zijner vrijheid, in het laatste geval door
krijgsgevangenschap of door de capitis deminutio maxima (vgl. verna,
ius postliminii en capitis deminutio). De eigenaar was onbeperkt
heer en meester over zijne slaven; slechts kon eene al te wreede
behandeling door de censoren bestraft worden; onder de keizers kwam
hierin verandering. Vrijverklaring heette manumissio (z. a). Servi
publici waren slaven in dienst van den staat. Zie ook Douleia.--3)
servitus poenae, eerst onder de keizers in zwang gekomen voor personae
humiles, die veroordeeld werden ad opus publicum, tot dwangarbeid
bij openbare werken, ad metalla, tot dwangarbeid, in de mijnen,
steengroeven en dgl., ad bestias, om in het amphitheater tegen de
wilde dieren te vechten.
Servius, 1) rom. vóórnaam, vooral in de gens Sulpicia voorkomende,
zoodat men wel eens Servii = Sulpicii gebruikt vindt.--2)
Servius Clodius (Claudius), romeinsch ridder, een man van groote
geleerdheid; hij was een ijverig taalkundige en maakte vooral studie
van Plautus. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek, die na zijn
dood door zijn bloedverwant L. Papirius Paetus (Papirii no. 14)
aan Cicero ten geschenke werd gegeven. Hij was een schoonzoon
van L. Aelius Stilo Praeconinus (Aelii no. 7).--3) Servius Maurus
Honoratus, taalgeleerde op het einde der 4de eeuw na C., gaf te Rome
onderwijs in grammatica en rhetorica en heeft ons o. a. een uitvoerigen
commentaar op Vergilius nagelaten, met een schat van oudheidkundige en
mythologische ophelderingen en tal van fragmenten uit thans verloren
geschriften van verschillende schrijvers.