Laodice, verwierf onder Alexander d. Gr. vooral in Indië grooten roem
als een van de aanvoerders der phalanx. Bij de tweede verdeeling van
het rijk kreeg hij Babylonië tot satrapie en spoedig breidde hij zijn
gebied uit, maar met Antigonus in twist geraakt, moest hij vluchten en
begaf hij zich naar Ptolemaeus (316). Na den slag bij Gaza waagde hij
het echter met een klein leger terug te keeren, hij nam Babylon in
(1 Oct. 312, begin van de aera der Seleuciden) en veroverde weldra
ook zonder veel moeite Susiana en Medië. In de nu volgende oorlogen
wist hij zich tegen Antigonus met roem staande te houden, terwijl hij
in Indië, nu als vriend, dan als vijand, zelfs verder dan Alexander
doordrong en met den machtigen Sandrocottus voortdurend in betrekking
stond. Hij was de eerste onder de diadochen, die den koningstitel
aannam en hij besliste den slag bij Ipsus (301) door zijne olifanten,
waarna hij Syrië, Mesopotamië, Armenië en een groot deel van Klein-Azië
aan zijn rijk toevoegde. Toen hij eindelijk ook Demetrius Poliorcetes
in handen gekregen had, konde hij rustig over zijn groot rijk regeeren,
dat het grootste gedeelte van Alexanders veroveringen omvatte en zich
van den Indus tot de Middellandsche zee uitstrekte. Nog op 77-jarigen
leeftijd ondernam hij, aangespoord door Ptolemaeus Ceraunus, een
veldtocht tegen Lysimachus; hij behaalde de overwinning, maar werd
bijna aan de grens van Macedonië, dat hij nu wilde in bezit nemen,
door Ptolemaeus verraderlijk gedood (281). S. wordt na Alexander de
grootste krijgs- en staatsman van zijn tijd genoemd. Hij bevorderde
in zijn rijk grieksche beschaving, kunst en wetenschap, talrijke
(v.s. 75) nieuw gestichte steden in alle deelen van het land werden
met Grieken en Macedoniërs bevolkt, ook zijn leger bestond uit Grieken
en Macedoniërs. Daarentegen waren de Aziaten van alle aanzienlijke
en invloedrijke betrekkingen uitgesloten. In het belang van handel en
wetenschap liet hij de landen van den Ganges en de Caspische zee door
Megasthenes en Patrocles bereizen en onderzoeken.--2) S. II Callinicus
(Kallinikos), zoon en opvolger van Antiochus II, 247-226. Bij het
begin zijner regeering deed Ptolemaeus Euergetes, om den moord zijner
zuster Berenice (z. Antiochus no. 3) te wreken, een inval in Syrië,
waardoor een groot deel van het rijk verloren ging; vele jaren had
hij tegen den opstand van zijn broeder Antiochus Hierax te kampen;
verscheiden provincies, later een deel der bactrische en parthische
rijken, scheidden zich af en maakten zich onafhankelijk, eindelijk
maakte Attalus van Pergamus van deze verwarde toestanden gebruik om
zijn rijk ten koste van Syrië te vergrooten. Na een ongelukkig gevecht
tegen Attalus vluchtend, viel S. van zijn paard en stierf.--3) S. III
Ceraunus (Keraunos), zoon en opvolger van den vorigen, maakte krachtige
toebereidselen tot herovering van het onder zijn vader verlorene,
maar werd spoedig vermoord (223).--4) S. IV Philopator (Philopator),
zoon en opvolger van Antiochus d. G., werd na een zwakke regeering
(187-175) door zijn rentmeester Heliodorus vermoord.--5) S. V, oudste
zoon van Demetrius Nicator, kort na het aanvaarden der regeering door
zijne moeder vermoord (125).--6) S. VI Epiphanes (Epiphanes), zoon
en opvolger van Antiochus VIII, voerde oorlog tegen zijn oom en neef
(z. Antiochus no. 11 en 12) en kwam te Mopsuestia om het leven (95).
Selge, Selge, belangrijke pisidische bergvesting, een weinig ten
N. der pamphylische grenzen aan den Eurymedon gelegen. De inwoners,
die den naam hadden af te stammen van Lacedaemoniërs, waren zeer
krijgshaftig en onderhielden steeds eene aanzienlijke krijgsmacht,
waarmede zij hunne onafhankelijkheid handhaafden.
Selinus, Selinous, naam van onderscheidene steden en rivieren =
klimopstad, klimoprivier. 1) stad op de Z.W. kust van Sicilia op een
heuvel ten Westen van een gelijknamig riviertje. In een strijd met
Egesta, riep Sel. de hulp van Syracuse in, Egesta die van Athene,
hetgeen aanleiding gaf tot den grooten tocht der Atheners tegen
Syracuse. In 409 werd Selinus door de Carthagers geplunderd en
verwoest, doch herbouwd; in 249 werden de inwoners door de Carthagers
naar Lilybaeum overgevoerd en Sel. andermaal aan verwoesting prijs
gegeven. Het was ± 625 gesticht door Doriërs uit Megara Hyblaea. Zeer
belangrijke ruïnen vooral van dorische tempels zijn nog over.--2)
rivier in het elische distrikt Triphylia, zijtak van den Alpheus,
langs de stad Scillus stroomende.--3) rivier in Achaia, die tusschen
Aegium en Helice in zee valt.--4) riviertje in Mysia, nabij Pergamus,
zijtak van den Caicus.--5) zeestad in het W. van Cilicia, later
Traianopolis, de sterfplaats van Traianus.
Sella (curulis), zie Curulis.
Sellasia, Sellasia, stad in Laconica ten N. van Sparta, aan de rivier
Oenus. Hier werd Cleomenes III in 221 verslagen door Antigonus Doson.
Selleis, Selleeis, 1) rivier bij Ephyra in Thesprotia, v. s. in
Elis.--2) rivier nabij Sicyon.--3) riv. in Troas, bij Arisbe, die in
den Hellespont uitstroomt.
Selli, Selloi, Helloi, priesters van het orakel van Zeus te Dodona,
die uit het ruischen der bladeren van den heiligen eik de toekomst
voorspelden. Zij waren gewoon op den blooten grond te slapen en
hunne voeten niet te wasschen. Helli of Selli is ook de naam van de
oorspronkelijke bevolking van Hellopia; zie Epirus.
Sellisternium. Daar het voor vrouwen niet welvoegelijk werd geacht, op
rustbedden aan tafel te gaan liggen, zaten zij aan tafel aan. Bij een
maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht (zie lectisternium),
werden er, om de beelden op te plaatsen, stoelen (sellae) om de
tafel geplaatst.
Sely(m)bria, Sely(m)bria, stad op de thracische kust aan de Propontis
(zee v. Marmara), oude volkplanting van Megara, thans Selivri.
Sembella, zilveren munt ter waarde van 1/2 libella of as. De semissis,
ook = 1/2 as, was van koper. Door sommigen wordt het bestaan der
zilveren sembella als muntstuk betwijfeld.
Semele, Semele, dochter van Cadmus en Harmonia, bij Zeus moeder
van Dionysus. Hera, die jaloersch op haar was, kwam tot haar onder
de gedaante van haar oude voedster en overreedde haar om Zeus te
verzoeken, zich in zijne volle majesteit aan haar te vertoonen,
zooals hij Hera bezocht. Daar Zeus haar vooraf beloofd had iederen
wensch van haar te zullen vervullen, konde hij niet anders dan aan
haar verzoek voldoen, maar toen hij haar te midden van donder en
bliksem verscheen, verbrandde S. door den gloed. Haar ongeboren kind
werd echter door Zeus gered (z. Dionysus), en later werd zij onder
den naam Thyone onder de onsterfelijken opgenomen.
Sementinae, -tivae, rom. feest, na afloop van den zaaitijd op twee
door een week gescheiden dagen van Januari ter eere van Ceres en
Tellus gevierd, zie Feriae.
Semiramis, Semiramis, dochter van Derceto (z. a.), gehuwd met den
assyrischen landvoogd Menon of Onnes, trok bij het beleg van Bactra
door haar schoonheid en heldhaftigheid de aandacht van koning Ninus,
die haar tot vrouw nam en bij wien zij moeder werd van Ninyas. Na den
dood van haar gemaal nam zij voor haar zoon de regeering in handen,
en gedurende haar geheel verder leven bleef zij die behouden; eerst
toen zij na eene regeering van 42 jaar gestorven of van de aarde
verdwenen was, volgde Ninyas haar op. Zij stichtte Babylon, liet
talrijke verbazingwekkende versterkingen, kanalen en bouwwerken
aanleggen en drong met hare legers zegevierend tot ver in Libye
door, ook ondernam zij een krijgstocht naar Indië, die echter
ongelukkig afliep.--V. s. hebben deze berichten, hoe overdreven ook,
betrekking op de babylonische, v. a. assyrische koningin Sammuramat,
die omstreeks 800 eenigen tijd voor haar minderjarigen zoon regeerde,
krijgstochten ondernam naar Syrië, Phoenicië, Palaestina en Medië en
den dienst van babylonische goden in Assyrië invoerde.
Semis(sis), koperen munt = 6 unciae of 1/2 as, aan de eene zijde
gestempeld met een Jupiters-, Juno-, of Minerva-kop en de letter S, aan
den anderen kant met den voorsteven van een schip. Zie ook Sembella.
Semnones, de machtigste der suebische volksstammen, ten N. der
Hermunduren, in het tegenw. Thuringen tusschen den Albis (Elbe) en den
Viadus (Oder). In hun gebied was in een heilig woud de vergaderplaats
van de afgevaardigden van den suebischen volkenbond.
Semo Sancus, zie Dius Fidius.
Semones, goddelijke wezens van sabijnschen oorsprong, wier dienst
door de Rom. werd overgenomen, in beteekenis gelijk aan de Genii.
Semonia, z. Segesta.
Semonides, waarschijnlijk juistere schrijfwijze dan Simonides.
Sempronia (lex) de pecunia credita, van den volkstribuun M. Sempronius
Tuditanus (Sempronii no. 20) in 193. Door deze wet werden de rente-
en woekerwetten van Rome ook van toepassing gemaakt op de latijnsche
socii.
Sempronia (lex) agraria van den volkstribuun Tib. Sempronius
Gracchus. Zie agrariae leges.
Semproniae (leges) van den volkstribuun C. Sempronius Gracchus in
123 en 122. 1) lex agraria, zie agrariae leges.--2) lex frumentaria,
tot verkrijgbaarstelling van goedkoop koren, tegen 5/6 as den modius,
zie annona.--3) lex de civitate Italicis sociis danda; de bedoeling
was aan de Latini het burgerrecht, aan de andere socii de Latinitas
te verleenen; het plan hiertoe wordt reeds aan Tib. Gracchus
toegeschreven; ook ditmaal is de wet niet aangenomen.--4) lex,
ne de capite civium iniussu populi iudicaretur, eene vernieuwing,
vermoedelijk eene verscherping der leges Porciae. Deze wet was
oorspronkelijk gericht tegen P. Popilius Laenas (Popilii no. 5,
z. a.), die dan ook in ballingschap gegaan is.--5) lex iudiciaria,
die de iudicia aan de equites gaf, zie iudex en equites.--6) lex de
provinciis consularibus, dat de senaat jaarlijks nog vóór de comitiën
de consulaire provinciën moest aanwijzen.--7) lex de provincia Asia a
censoribus locanda, een wet, die de censoren verplichtte de belastingen
van de provincie Asia (het rijk van Pergamum) te verpachten; deze
wet was voor Asia een groote ramp, zie publicani.--Nog andere wetten
worden vermeld, die vermoedelijk slechts bij een ontwerp gebleven zijn,
of waarvan de inhoud duister is.
Sempronii, rom. geslacht, waarvan alleen de Atratini
patricisch zijn. 1) A. Sempronius Atratinus, consul in 497 en
491.--2) L. Sempr. Atratinus, consul in 444, censor in 443.--3)
S. Sempr. Atratinus, consul in 423, voerde een ongelukkigen oorlog
tegen de Volscen. In 422 hierom aangeklaagd, werd hij vrijgesproken,
maar in 420 wederom aangeklaagd en tot eene boete veroordeeld.--4)
A. Sempr. Atratinus, was bij herhaling consulairtribuun, in 425,
420 en 416. Hij was een zoon van no. 2.--5) L. Sempr. Atratinus,
consul in 34, was in den burgeroorlog vlootvoogd van Antonius, doch
verliet diens zijde nog voor den slag bij Actium. Later sloeg hij
levensmoede de hand aan zich zelf.--6) C. Sempr. Blaesus, consul in
253, ondernam met zijn ambtgenoot Cn. Servilius Caepio een tocht naar
Africa. Zij voerden niet veel uit, leden op de tehuisreis schipbreuk
en verloren 150 schepen. In 244 was Blaesus andermaal consul.--7)
Tiberius Sempr. Gracchus, consul in 238, versloeg de Liguriërs en
bezette Sardinia en Corsica.--8) Tib. Sempr. Gracchus, zoon van no. 7,
consul in 215, behaalde met een leger, grootendeels bestaande uit
slaven, wien de vrijheid beloofd was (volones), eene overwinning op
Hannibals onderveldheer Hanno bij Beneventum (214). In 213 was hij
ten tweeden male consul, maar in het begin van 212 werd hij door Mago
in een hinderlaag gelokt en sneuvelde.--9) Tib. Sempr. Gracchus was
in 190 in den syrischen oorlog legaat van L. Cornelius Scipio; in
187 was hij volkstribuun en trad toen als verdediger der gebroeders
Scipio op (zie Cornelii no. 13). In 180 ging hij als praetor naar
Hispania, streed zegevierend tegen de Celtiberiërs en hield in 178
een luisterrijken triumftocht. In 177 was hij consul en bevocht hij
de Sarden. In 169 was hij censor en in 163 nogmaals consul. Hij was
gehuwd met de edele Cornelia, dochter van P. Corn. Scipio Africanus
maior. Van 12 kinderen behield hij slechts 3 in leven; de gebroeders
Tib. en C. Gracchus en eene dochter Sempronia, later de echtgenoote
van Scipio Africanus minor.--10) Tib. Semp. Gracchus, zoon van no. 9,
diende in 146 onder zijn zwager Scipio in Africa en in 136 in den
numantijnschen oorlog onder den proconsul C. Hostilius Mancinus. Over
land naar Rome terugkeerende, werd hij getroffen door de ellende der
armere klasse, terwijl de rijken grooter grondbezittingen hadden, dan
zij konden bebouwen. In 133 trad hij als volkstribuun met eene akkerwet
op, eene vernieuwing, eenigszins verzacht, van een nimmer uitgevoerde
vroegere wet (zie agrariae leges). Toen zijn ambtgenoot M. Octavius,
ondanks de smeekingen van Gracchus, zich tegen de behandeling bleef
verzetten, stelde Gr. aan het volk voor, Octavius af te zetten. Dit
geschiedde, doch aan de onschendbaarheid van het volkstribunaat was
hierdoor een zware slag toegebracht. Toen hij nu ook voorstelde, de
rijke erfenis van Attalus III van Pergamus niet in de schatkist te
storten, maar onder de onvermogende burgers te verdeelen, opdat zij
bij den te verkrijgen grond ook eenig bedrijfskapitaal zouden hebben,
besloot de senaatspartij geweld te bezigen. Ten einde zich voor het
volgende jaar tot volkstribuun te doen herkiezen, had Gr. met zijne
aanhangers tijdig post gevat op het Capitool, doch werd door een
aantal senatoren en gewapenden onder aanvoering van Scipio Nasica,
bijgenaamd Serapio (zie Cornelii no. 21) overrompeld en met 300
der zijnen omgebracht. Zijn lijk werd in den Tiber geworpen.--11)
C. Sempr. Gracchus, broeder van no. 10, doch bijna 10 jaren jonger,
hernieuwde als volkstribuun in 123 de pogingen zijns broeders (zie
agrariae leges) en zocht door verschillende wetten (zie Semproniae
leges) de optimatenpartij te fnuiken (123 en 122). Deze echter
slaagde er in, een anderen volkstribuun, M. Livius Drusus, over te
halen, om door fraaie beloften en schoonklinkende woorden Gracchus'
invloed bij het volk te ondermijnen. Dit ging te gemakkelijker, omdat
Gr. als triumvir coloniae deducendae naar Carthago was vertrokken,
zie Rubria (lex). Voor 121 werd Gr. niet herkozen. Een der nieuwe
tribunen, Minucius Rufus (z. Minucia (lex) van 121), stelde nu voor,
al de sempronische wetten in éénen adem op te heffen. Toen hierover
zou gestemd worden, bezette Gr., die het plegen van geweld voorzag,
met eene gewapende menigte den Aventijnschen berg, doch werd door
den consul L. Opimius, aan het hoofd van senaat en ridderstand,
verdreven. Omstreeks 3000 zijner aanhangers vielen in en na den
strijd. Gr. zelf liet zich, om niet in handen zijner vijanden te
vallen, door een slaaf dooden.--12) Sempronia, zuster van no. 10 en
no. 11, gehuwd met Scipio Africanus minor (Cornelii no. 18).--13)
Tib. Sempronius Gracchus werd door Augustus verbannen wegens
ongeoorloofden omgang met diens dochter Julia. Tiberius liet hem ter
dood brengen (14 n. C.). Hij is misschien de door Ovidius (Ex Ponto IV,
16, 31) genoemde tragische dichter Gracchus.--14) Tib. Sempr. Longus,
consul in 218 bij het uitbreken van den tweeden punischen oorlog,
veroverde Melite (Malta) en wilde naar Africa oversteken, toen hij op
het bericht van Hannibals nadering werd teruggeroepen. Hij werd door
H. bij de Trebia verslagen. In 215 versloeg hij den Carthager Hanno in
Zuid-Italië bij Grumentum.--15) Tib. Sempr. Longus, zoon van no. 14,
consul in 194, overwon de Bojers.--16) P. Sempr. Sophus, consul in 304,
onderwierp de Aequi. In 301 was hij magister equitum van den dictator
M. Valerius Corvus, in 299 (v. a. in 300) censor. In deze hoedanigheid
vermeerderde hij het aantal tribus met twee. Hij was een der oudste
iurisconsulti.--17) P. Sempr. Sophus, consul in 268, voltooide de
onderwerping van Picenum. In 252 was hij censor met M.' Valerius
Maximus Messa(l)la (Valerii no. 16); zij stieten 15 senatoren uit den
senaat.--18) P. Sempr. Tuditanus ontkwam als krijgstribuun in 216 na
dapperen strijd aan het bloedbad bij Cannae, was in 213 praetor, in
209 censor, in welke hoedanigheid hij Q. Fabius Maximus (Cunctator)
tot princeps senatus benoemde. In 204 streed hij als consul bij
Croton voorspoedig tegen Hannibal.--19) C. Sempr. Tuditanus leed
als praetor in 197 eene nederlaag door de Hispaniërs en stierf aan
de bekomen wonden.--20) M. Sempr. Tuditanus, volkstribuun in 193
(zie Sempronia (lex) de pecunia credita), consul in 185, overwon
de Apuanische Liguriërs.--21) C. Sempr. Tuditanus diende in 146
onder L. Mummius in Griekenland en was consul in 129. Hij schreef een
geschiedkundig werk.--22) Sempr. Asellio, geschiedschrijver, schreef de
geschiedenis van zijn tijd, vanaf den Numantijnschen oorlog, toen hij
onder P. Scipio Africanus krijgstribuun was (134), tot op Livius Drusus
(91).--22) C. Sempr. Rufus, een vriend van Cicero.--23) Sempr. Densus,
centurio bij de lijfwacht, trachtte, bij het oproer tegen Galba,
diens aangenomen opvolger C. Calpurnius Piso Licinianus met eigen
lijfsgevaar te beschermen.--24) Sempronia, echtgenoote van D. Iunius
Brutus (Iunii no. 5), deelgenoote van de samenzwering van Catilina.
Sena, 1) Sena Gallica, Sene, thans Senigaglia, stad der senonische
Galliërs, op de umbrische kust aan den mond der riv. Sena gesticht,
sedert 283 rom. kolonie. In de nabijheid, aan den Metaurus, sneuvelde
Hannibals broeder Hasdrubal in 207.--2) Sena Iulia, Saina, thans Siena,
rom. kolonie in Etruria, ten Z. van Florentia.--3) Sena, eil. aan
de W.punt van Gallia, thans Sein, met een orakel onder toezicht van
negen maagden, die door het volk voor toovenaressen werden gehouden.
Senaculum, plaats waar de senatoren te Rome zich verzamelden totdat het
uur der zitting aanbrak. Het lag aan de N.W. zijde van het Comitium,
naast het Vulcanal.
Senatus, boule. In den koningstijd werd de koning in het bestuur
bijgestaan door een raad der ouden (senatus, consilium regium),
door hem zelven uit de patricische geslachten gekozen; de leden,
patres (z. a.), waren oorspronkelijk ten getale van 100, later van
300. Bij het begin van de republiek ging de keuze der leden (lectio
senatus) over op de consuls, die in de eerste plaats patriciërs kozen;
eerst sedert de instelling der tribuni militum consulari potestate
komen waarschijnlijk ook plebejers onder de senatoren voor, die dan
conscripti geheeten hebben (zie patres). De lex Ovinia (z. a.) draagt
de keuze op aan de censoren, terwijl de leden oud-ambtenaren en voor
het meerendeel plebejers zijn. De curulische overheden behielden
voortaan na het einde van hun ambtsjaar zitting in den senaat
tot aan den eerstvolgenden census en kwamen dan natuurlijk in de
eerste plaats voor senatoren in aanmerking. Tot zóó lang waren zij
geene senatoren, maar personen, quibus in senatu sententiam dicere
licebat. In ± 300 hebben ook de aediles plebis dit recht gekregen,
terwijl het plebiscitum Atinium (zie Atinia (lex)) dit zittingsrecht
ook tot de volkstribunen uitbreidde. Sedert Sulla (zie Corneliae
leges van 81, aan het slot) werden ook de quaestoren in den senaat
toegelaten. Recht van zitting had ook de flamen Dialis. Sulla hief de
lectio senatus geheel op door de bepaling, dat jaarlijks 20 quaestoren
moesten gekozen worden, die in den senaat zitting zouden nemen en
houden. Met het herstel der censuur (70) kwam ook de lectio senatus
terug, en terstond werd een aantal onwaardigen van de lijst geschrapt
(senatu movere, eiicere). P. Clodius Pulcher zocht in 58 dit recht
van uitstooting te beperken (zie Clodiae leges no. 4). Wat het getal
betreft, schijnt de normale sterkte steeds op 300 te zijn gebleven,
totdat Sulla het aantal op 600 bracht (zie Corneliae leges van 81
aan het slot). Zeker echter is het, dat de vergadering nooit door
zooveel leden werd bijgewoond. De drukst bezochte senaatsvergadering
(senatus frequentissimus) tijdens de republiek, waarvan wij kennis
dragen en waarin Cicero's terugroeping uit de ballingschap ter tafel
werd gebracht, telde 417 leden. Natuurlijk waren er altijd een aantal
senatoren in dienst van den staat afwezig als stadhouders, legaten,
enz. Caesar bracht het getal op 900, Antonius op 1000, welk getal later
door Augustus op 600 werd teruggebracht. De werkkring van den senaat
omvatte wel in het algemeen alles wat in het belang van den staat
was, doch er waren vooral drie zaken, waarin de senaat zelfstandig
handelde: de eeredienst, het finantiewezen en de buitenlandsche
aangelegenheden. Onder het keizerrijk veranderde de toestand. De
volksvergadering hield op te bestaan en hare rechten gingen over op den
senaat; bovendien werd de senaat gerechtshof bij belangrijke politieke
processen tegen hooggeplaatste personen; doch naarmate de absolute
macht der keizers toenam, moest de beteekenis van den senaat lager
zinken. Vóór Augustus was er geen maatstaf van vermogen vastgesteld
voor de waardigheid van senator. Augustus stelde een census senatorius
van 1 millioen sestertiën vast.--De zittingen moesten gehouden worden
in een templum (z. a.); de voornaamste plaats was de curia Hostilia
aan het forum. Wanneer overwinnende veldheeren hunne aanvraag om
een triumftocht aan den senaat voordroegen, geschiedde dit in den
Bellona-tempel, buiten de stad. Ook tal van andere vergaderplaatsen
worden genoemd, als: de tempel der Eer, der Trouw, der Eendracht,
die van Jupiter Capitolinus, van Jupiter Stator (waar Cicero zijne
rede tegen Catilina uitsprak), de curia Pompei, het theatrum Pompei
(waar Caesar werd omgebracht) enz. In enkele gevallen ook kwam de
senaat onder den blooten hemel, sub divo, bijeen, b. v. wanneer het
prodigium gemeld werd, bovem locutam esse. De zittingen waren wel niet
voor het publiek toegankelijk, doch de deuren van het gebouw bleven
geopend en in de zaal waren ook scribae, herauten en dgl. aanwezig,
tenzij bij eene geheime zitting. Het recht om den senaat bijeen te
roepen (cogere, vocare senatum) viel niet samen met het recht om hem
te leiden (habere, consulere senatum, agere cum patribus, referre
ad senatum) en senaatsbesluiten te maken. Beide rechten waren deel
van het imperium; maar in de 3de eeuw is het ius agendi cum patribus
ook aan de volkstribunen gegeven, niet echter het recht den senaat
bijeen te roepen. De overheidspersoon, die den senaat bijeengeroepen
had, gewoonlijk de consul, die de maandbeurt had, bij afwezigheid
van beide consuls de praetor urbanus, bracht de aan de orde zijnde
punten ter tafel (dit heet relatio) met de formule: quod bonum faustum
felix fortunatumque sit populo Romano Quiritium. Referimus ad vos,
patres conscripti, enz. Na de zaak te hebben ingeleid, vroeg hij:
de ea re quid fieri placet? en noodigde dan de senatoren, quibus ius
sententiae dicendae erat, in bepaalde volgorde (die echter niet in
alle tijden dezelfde is geweest) uit, hunne meening te zeggen, op deze
wijze: quid censes, M. Tulli? Allen waren verplicht te antwoorden,
en de eerst gevraagde senator moest omtrent het aan de orde zijnde
onderwerp een voorstel doen. Daartoe stond hij op en hield een rede
(stans sententiam dicebat). Zijn conclusie leidde hij in met censeo
of decerno of mihi placet. Hij, die daarop gevraagd werd, kon met
het gedane voorstel (sententia) instemmen, of een ander voorstel
doen. Hij kon echter ook zoolang sproken als hij verkoos en kon
ook, als hij over de voorgestelde zaak had uitgesproken, over elke
andere zaak het woord voeren: men denke aan Cato's praeterea censeo
Carthaginem esse delendam. Daar een senaatsbesluit vóór zonsondergang
behoorde genomen te zijn, werd dit middel wel eens gebezigd om het
nemen van een besluit te verhinderen (diem dicendo consumere). De
ambtenaren werden niet naar de rij af gevraagd, maar allen hadden
het recht het woord te nemen, wanneer het hun behaagde. Na afloop
van de discussies rangschikt de voorzitter de verschillende adviezen
(pronuntiabat sententias) en liet dan daarover één voor één stemmen
(discessio z. a.). Zie verder pedarii. Was nu de agenda afgehandeld,
dan konden de andere ambtenaren, die het ius relationis hadden, de
leiding overnemen, maar bepaalden zich dan gewoonlijk bij zaken, die
tot hun werkkring behoorden (referre de singulis rebus). Het recht om
den algemeenen politieken toestand ter sprake te brengen (referre de
republica) kwam alleen toe aan dengene, die den senaat bijeengeroepen
had. Deze had ook het recht van intercessio tegen iederen ambtenaar,
die de leiding van hem overgenomen had, ook tegen de volkstribunen,
die van het ius referendi het meest gebruik maakten. De grond van
dit recht van intercessio was deze, dat de magistraat, die de leiding
overnam, alienis auspiciis handelde.
Senatus auctoritas, senatus consultum. Een rechtsgeldig senaatsbesluit
heet senatus consultum. Het werd op schrift gebracht door den
voorzitter, die hierbij bijgestaan werd door eenige senatoren, qui
scribendo adfuerunt. Werd een besluit door intercessio getroffen,
dan heette het senatus auctoritas; het werd, hoewel het niet
voor uitvoering vatbaar was, toch opgeteekend. De intercessio kon
uitgeoefend worden door magistraatspersonen, qui eadem potestate qua
ii qui senatus consultum facere vellent, maioreve essent, en door de
tribuni plebis. Z. ook senatus aan het einde. Een senatus consultum
tacitum is een besluit, in eene geheime zitting genomen. Omtrent
de senatus auctoritas, vereischt voor wetsvoorstellen in de
com. centuriata zie men patres.