door de Grieken aan tafel gezongen. De naam wordt afgeleid van de
willekeurige volgorde, waarin zulke liederen door de gasten gezongen
werden, terwijl bij andere tafelliederen, vooral bij godsdienstige
gezangen, ieder op zijn beurt of allen met elkander zongen. Anderen
denken aan eigenaardigheden in metrum of melodie. Beroemd is onder de
scolia, die bewaard gebleven zijn, dat van Callistratus op Harmodius
en Aristogiton.
Scollis, Skollis, gebergte in Acrorea.
Scolus, Skolos, 1) vlek in Boeotia ten O. van Erythrae, op de helling
van den woesten Cithaeron aan den Asopus gelegen, zóó naargeestig, dat
men zeide: eis Skolon met' autos imen, met' allo hepesthai. Hier zou
Pentheus door de Bacchanten verscheurd zijn.--2) vlek nabij Olynthus.
Scomius, Skomion oros, hoog gebergte in Thracia, dat zich, O.waarts
van den Scardus, van den Haemus afscheidt.
Scopadae, Skopadai, een adellijk geslacht dat te Crannon in Thessalië
regeerde, totdat de tyrannen van Pherae zich verhieven.
Scopas, Skopas, 1) een van de Scopadae, beroemd door zijn rijkdom,
bij wien Simonides langen tijd doorbracht. Bij een feestmaal kwam
hij met al zijne gasten om door het instorten van de zoldering der
eetzaal; alleen Simonides werd op wonderdadige wijze gered.--2) een
van de Scopadae, van wien verhaald wordt dat hij met den jongen Cyrus
bevriend was, en dat hij Socrates een toevluchtsoord aanbood.--3)
van Parus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester. Hij maakte bij
voorkeur groepen in marmer, die door afwisselende, maar altijd
bevallige standen uitmuntten. Vooral beroemd was van hem de groep
van Nereïden en Tritonen, die, door Thetis en Poseidon geleid, aan
Achilles zijne nieuwe wapenrusting komen brengen. Zijn bloeitijd valt
omstreeks 380, op hoogen leeftijd (350) werkte hij nog mede aan het
mausoleum van Halicarnassus. Hij is het meest bekend door zijne koppen,
waarvan de oogen diep liggen en naar boven gericht zijn. Hiermede
komt het hartstochtelijk element in de grieksche beeldhouwkunst op,
het dwepende, zooals steeds in tijden, waarin men ontevreden is met
de bestaande toestanden.
Scordisci, Skordiskoi, keltische volksstam in Pannonia op beide oevers
van den benedenloop van den Savus.
Scordiscus, Skordiskos, of Scoedises, gebergte op de grenzen van
Armenia en Armenia minor.
Scordus = Scardus.
Scorpius, het sterrenbeeld de Schorpioen, de onder de sterren
verplaatste schorpioen, die Orion gedood had.
Scoti, Schotten, zie Picti.
Scotussa, Skotoussa, 1) oude stad in het thessalische gewest
Pelasgiotis, niet ver van Cynoscephalae. Pelopidas behaalde hier
in 364 eene overwinning op Alexander, tyran van Pherae.--2) stad in
Macedonia ten O. van den Strymon.
Scribae, zie apparitores.
Scriboniae (rogationes), van den volkstribuun C. Scribonius Curio,
in 50. Het waren slechts voorstellen, die echter niet in behandeling
kwamen of verworpen werden. 1) de intercalando, over het inlasschen
eener maand. Dit was meer een verzoek aan de pontifices, dan
een wetsvoorstel. Het verzoek werd gedaan om tijd te winnen voor
het doen aannemen zijner rogationes, wat vóór 1 Maart 50 moest
gebeurd zijn. Toen het afgewezen werd, ging hij tot de partij van
Caesar over, zie Scribonii no. 6.--2) viaria, over het onderhoud
der openbare wegen, misschien ook een voorstel tot tolheffing.--3)
alimentaria, over korenuitdeeling.--4) om het gebied van koning Juba
tot rom. staatseigendom te verklaren.
Scribonianus (Furius Camillus of L. Arruntius Camillus), zie Furii
no. 14.
Scribonii, plebejisch geslacht, waarvan de Libones en Curiones
de voornaamste familiën zijn. 1) L. Scrib. Libo, volkstribuun in
216 en praetor in 204.--2) C. Scrib. Curio bouwde als aediel met
zijn ambtgenoot Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 2) in 196
den Faunus-tempel te Rome.--3) L. Scrib. Libo, drong in 149 als
volkstribuun, gesteund door den 85-jarigen M. Porcius Cato (maior),
op bestraffing van Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) aan, die
zich tegenover de Lusitaniërs aan woordbreuk had schuldig gemaakt en
verraderlijk hen, die zich ongewapend hadden overgegeven, had laten
neerhouwen.--4) C. Scrib. Curio, een der voortreffelijkste redenaars
van zijn tijd, praetor in 121.--5) C. Scrib. Curio, zoon van no. 4,
minder goed redenaar dan zijn vader, was volkstribuun in 90 en diende
in 84 onder Sulla tegen Mithradates; in 76 was hij consul; later
versloeg hij als proconsul van Macedonia de Moesiërs en Dardaniërs
en was de eerste rom. veldheer, die tot aan den Donau doordrong. Hij
was een man van den ouden stempel en van strenge zeden, evenwel in het
staatkundige niet onpartijdig. Hij was het, die Verres geluk wenschte
met de verkiezing van Hortensius tot consul. In de zaak van Catilina
stond hij aan Cicero's zijde. Later was hij een vurig tegenstander van
Caesar. Hij stierf in 53.--6) C. Scribonius Curio, zoon van no. 5,
weder een uitstekend redenaar, doch verkwistend en trouweloos van
aard. Eerst was hij republikeinsch gezind doch in zijn volkstribunaat
(50), (zie Scriboniae rogationes no. 1), ging hij tot de partij van
Caesar over, v. s. door dezen omgekocht. Toen de onderhandelingen
schipbreuk leden en het bekende senaatsbesluit tegen Caesar was
aangenomen, nam Curio met C. Caelius en de tribunen M. Antonius en
Q. Cassius in Jan. 49 de wijk naar Caesar. Hij diende hem vervolgens
in Africa, en sneuvelde daar tegen Juba.--7) L. Scrib. Libo was
een aanhanger van Pompeius, met wiens zoon Sextus zijne dochter was
gehuwd. Hij streed in 49 als vlootvoogd tegen Caesar en bracht in 39 de
overeenkomst tusschen Sextus Pompeius en het driemanschap tot stand. In
34 was hij consul. Hij was bevriend met Cicero.--8) Scribonia,
zuster van no. 7, was de tweede vrouw van Octavianus en de moeder
van Iulia, zie Iulii no. 14. Toen deze verbannen werd, trok zij met
haar dochter mede.--9) L. Scrib. Libo Drusus wekte de ijverzucht van
Tiberius op en werd door Fulcinius Trio van tooverij aangeklaagd. Om
eene veroordeeling te ontgaan, pleegde hij zelfmoord (16 n. C.).--10)
een drietal Scribonii werden door Caligula en Nero omgebracht.--11)
Scrib. Largus was in 43 na C. geneesheer van keizer Claudius op diens
reis naar Britannia. Hij schreef een werk compositiones medicamentorum,
een receptenboek, dat gedeeltelijk bewaard is.
Scrinium, eene ronde doos, tot bewaring van handschriften, die daarin
opgerold naast elkander werden gezet. Onder de keizers heetten
de bureaux der keizerlijke kanselarij scrinia. Zij waren tijdens
Constantijn den Gr. vier in getal: scrinium memoriae, scr. epistularum,
scr. libellorum supplicum, scr. dispositionum. Aan het hoofd van elke
afdeeling stond een magister en onder hem een proximus, beiden tot
de spectabiles behoorende.
Scriptores historiae Augustae, een zestal schrijvers uit den tijd van
Diocletianus en Constantijn, met name Aelius Spartianus, Vulcatius
Gallicanus, Trebellius Pollio, Flavius Vopiscus, Aelius Lampridius
en Iulius Capitolinus. Hunne, later tot een bundel saamgevoegde
levensbeschrijvingen van rom. keizers loopen van 117-285 na C. Zij
beginnen met het leven van Hadrianus en eindigen met dat van Carinus.
Scriptura, weidegeld, dat betaald werd bij het inschrijven van vee
op de pascua publica, d. z. de weidegronden, die tot het romeinsche
staatsdomein behoorden.
Scripulum of Scrupulum, zeer klein gewicht, het 1/24 eener uncia.
Scultenna, zijtak van den Padus (Po), die op geringen afstand O.waarts
van Mutina stroomt.
Scutala, Scyt-, skytale, een stok, zooals de spartaansche overheden
voor geheime correspondentie gebruikten. Een smalle witte strook werd
stijf om den stok gewonden en overdwars beschreven; daarop werd de
strook alleen verzonden, zoodat het geschrevene alleen kon gelezen
worden, wanneer de strook om een stok van gelijke dikte gewonden
werd. Ieder ambtenaar, die buitenslands ging, kreeg daarom zulk een
stok mede.
Scutum, thyreos, langwerpig vierkant gebogen schild van het
rom. voetvolk, omstreeks M. 1,20 lang en M. 0,80 breed, van hout
gemaakt, met leder overtrokken, van een metalen rand voorzien en in
het midden van een metalen knop of plaat om de slagen op te vangen. De
verschillende legioenen hadden de schilden met verschillende kleuren
en distinctieve figuren versierd.
Scylace, Skylake, oude nederzetting der Pelasgen aan de Propontis,
ten O. van Cyzicus.
Scylaceum of -cium, Scylletium, Skylakion, grieksche stad op twee
heuvels aan de Oostkust van het land der Bruttii, aan den sinus
Scylacius, Skylletikos kolpos, gelegen, thans Squillace.
Scylax, Skylax, 1) van Caryanda, een logograaf, die op last van
Darius Hystaspis eene onderzoekingsreis langs de aziatische kust
van den Indus tot de Roode zee deed. De nog bestaande periplous tes
thalasses tes oikoumenes, die op zijn naam staat, is van veel lateren
tijd.--2) van Halicarnassus, vriend van Panaetius, als staatsman,
wis- en sterrenkundige en toonkunstenaar beroemd.
Scylla, Skylla, 1) dochter van Poseidon en de nimf Crataeïs, een
vreeselijk blaffend monster met 12 voeten en 6 lange halzen, ieder met
een kop met 3 rijen puntige tanden. Zij woont in het diepe hol van eene
aan zee staande, hemelhooge, door wolken omhulde rots, en tegenover
haar op een andere rots woont een ander monster, Charybdis, die drie
maal daags het zeewater met schepen en al wat er in is inzwelgt en het
ook driemaal daags weder uitbraakt. Toen Odysseus tusschen de beide
rotsen doorvoer, hield hij zijn schip zoo ver mogelijk van Charybdis
af, maar daardoor kwam hij te dicht bij Sc., die met hare muilen 6
van zijne tochtgenooten wegroofde en verslond.--Sc. was vroeger een
schoone zeenimf geweest, die door Glaucus of Poseidon bemind werd, uit
jaloerschheid gaf Circe of Amphitrite haar hare latere afgrijselijke
gedaante. Charybdis was eene dochter van Poseidon en Gaea, die aan
Heracles eenige runderen ontroofd had, en daarvoor door Zeus met
den bliksem in zee geslingerd was.--In lateren tijd verklaarde men
de twee monsters als twee gevaarlijke rotsen aan de beide zijden van
de sicilische zeeëngte.--2) dochter van Nisus (z. a.), die haar vader
aan Minos verried. Uit afschuw voor hare daad liet Minos haar aan zijn
schip vastbinden en door het water meesleuren, zoodat zij verdronk;
of zij sprong in zee om het schip van Minos te volgen en werd in een
zeevogel veranderd, die altijd door haren in een zeearend veranderden
vader vervolgd wordt.
Scyllaeum, Skyllaion, 1) stad en kaap in het land der Bruttii, waarbij
het monster Scylla zich ophield, ten N. van Rhegium. Anaxilas, tyran
van Rhegium, legde hier eene versterkte haven aan.--2) kaap in Argolis
bij Troezen.
Scyllaeum fretum = fretum Siculum.
Scylletium, Skylletion = Scylaceum.
Scymnus, Skymnos, van Chius, een geograaf van onbekenden tijd,
misschien uit de 2de eeuw, schrijver eener Periegesis. Het nog
bestaande gedicht, dat dien titel en den naam van Sc. draagt,
is misschien eene metrische bewerking van zijn werk, dat in proza
geschreven was.
Scyrus, Skyros, eiland en stad ten O. van Euboea, waar volgens de
sage Thetis haar zoon Achilles aan het hof van koning Lycomedes
in meisjeskleederen verborg. De bewoners waren Dolopes, die wegens
zeeroof door de Amphictyonen bestraft werden. In 474 (of 473), na de
vermeestering van Scyrus, ontdekte Cimon er het gebeente van Theseus,
dat naar Athene werd overgebracht en in het Theseum bijgezet. Scyrus
bleef onder Athene tot in den macedonischen oorlog, in 196 echter
gaven de Rom. het aan Athene terug.
Scytala = Scutala.
Scythia, Skythia. Bij Herodotus is Scythia het land ten N. van
den Pontus Euxinus (Zwarte Zee) tusschen den Ister en het land
der Agathyrsi (thans Zevenbergen) ten W. en den Tanais (Don) ten
O. Latere schrijvers breiden de grenzen oostwaarts uit. De bewoners,
Scythae, Skythai, waren dapper en vrijheidslievend en alle pogingen
der perzische koningen om hen te onderwerpen, mislukten. Zij hadden
geene steden of dorpen, maar leefden in wagens. Zij bestonden uit
een onbekend aantal stammen; het talrijkst waren de Sk. basileioi
of krijgslieden, voorts had men herders en ook landbouwende
stammen. Omstreeks 600 deden de Sc. een inval in Klein-Azië en
Europa, doch werden na ruim een kwart eeuw door Cyaxares weder
verdreven. Omtrent den tocht door Darius tegen hen ondernomen,
z. Darius no. 1 en Histiaeus. Na 500 laten de Sc. niets van zich
hooren, tot op den tijd van Mithradates. Na Traianus verdwijnt de
naam Scythen uit Europa en verhuist naar Azië. Ptolemaeus (± 150
na C.) spreekt van een Scythia intra en extra Imaum. De Grieksche
schrijvers van de 3de en 4de eeuw n. Chr. duiden met den naam Skythai
vaak de Gothen aan, die zich in de 3de eeuw n. Chr. aan de Zwarte
Zee hadden gevestigd (zie Gothi).--Zie ook toxotai.
Scythini, Skythinoi, volk op de W. grens van Armenia, door wier gebied
Xenophon en de 10000 Grieken een tocht van vier dagmarschen maakten.
Scythopolis, Skythopolis, aanzienlijke stad van Palaestina, op de
grenzen van Galilaea en Samaria, een weinig ten W. van den Jordaan
gelegen, met eene zeer gemengde bevolking.
Sebaste, Sebaste, 1) stad op een eilandje aan de cilicische kust, door
koning Archelaus (zie Archelaus no. 7) gesticht ter eere van Augustus,
omdat de Rom. Cilicia aspera bij zijn rijk hadden gevoegd.--2) stad
in het binnenland van Phrygia.--3) = Cabira.--4) zie Samaria.
Sebastea, Sebasteia, stad in Pontus in het brongebied van den Halys,
door Pompeius tot stad verheven onder den naam Megalopolis, in den
keizertijd onder den naam Sebastea zeer belangrijk als hoofdstad van
Armenia minor.
Sebastopolis, Sebastopolis, latere naam van Dioscurias.
Sebennyticum ostium, Sebennytikon stoma, een der Nijlmonden, gelegen
tusschen den Bolbitinischen en den Phatnitischen Nijlmond.
Sebennytus, Sebennytos, distrikt en stad in de Nijldelta aan den
sebennytischen Nijlarm.
Sebethus, beekje bij Neapolis.
Sebinus lacus, in Gallia Transpadana, door den Ollius (Oglio) gevormd,
thans lago d' Iseo.
Secessio plebis, uitwijking der plebs uit Rome onder bedreiging een
eigene stad te zullen stichten. De eerste uitwijking, naar den Mons
Sacer, die echter niet historisch is, had plaats in 494 ten gevolge
van verdrukking en van strenge toepassing van het schuldrecht (ius
nexus) en eindigde door de instelling van het volkstribunaat (zie
tribuni plebis). Bij de tweede secessio, in 449, rukte het leger,
dat op den Algidus stond, op naar den Aventinus, en toen werd, na
onderhandelingen tusschen de strijdende partijen, een overeenkomst
gesloten, waarbij de tienmannen (zie decemviri legibus scribundis)
aftraden, en het consulaat hersteld werd (zie verder Horatiae Valeriae
(leges). Bij de derde secessio plebis in 287 week het volk gewapend
uit naar den Ianiculus; als gevolg hiervan kwam de lex Hortensia
(z.a.) tot stand. Ook de tweede secessio wordt door sommige geleerden
voor onhistorisch gehouden.
Sectio bonorum, openbare gerechtelijke verkooping in naam van
den staat, b.v. bij verbeurdverklaringen. De verkoop had sub
hasta plaats en geschiedde aan den meestbiedende. De kooper was nu
aansprakelijk voor de schulden van den boedel en daar hij meestal op
speculatie kocht, trachtte hij de gekochte massa weder in perceelen
te verkoopen. Aan deze verbrokkeling is de naam sectio zijn ontstaan
verschuldigd, de kooper heette alsdan sector. Bij bonorum emptio
(z.a.) in den faillieten boedel had auctio plaats, geen sectio.
Secundi, 1) rom. familienaam, o.a. bij de Plinii.--2) Iulius Secundus,
zeer geprezen redenaar ten tijde van keizer Vespasianus, een der
sprekers in Tacitus' dialogus de oratoribus.--3) Secundus Carrinas,
rhetor, door Caligula uit Rome verbannen, benam zich te Athene uit
armoede het leven.
Secutor, zwaardvechter met zwaard en schild, die veeltijds tegen den
retiarius vocht.
Sedetani = Edetani.
Seduni, volksstam aan den Boven-Rhodanus (Rhône) in het
tegenw. Zwitserland in den omtrek van het tegenwoordige Sion of Sitten.
Sedusii, germaansch volk in het leger van Ariovistus.
Segesama, Segesama, stad der Murbogi in Hispania Tarraconensis,
ten N.O. van Pallantia (Palencia).
Segesta, Segetia, Seia, Semonia, rom. godinnen, die het zaad onder de
aarde en het reeds opgeschoten koren beschermden. Hare namen mochten
alleen in de open lucht uitgesproken worden.
Segesta, Segeste = Egesta.
Segestes, cheruscisch opperhoofd, schoonvader van Arminius, die zijne
dochter had geschaakt. Segestes was tegen Arminius vijandig gezind
en had vruchteloos Varus gewaarschuwd, dat er verraad broeide (9 na
C.). Later (15) riep hij tegen zijn schoonzoon de hulp van Germanicus
in, die hem een woonplaats aanwees op den linker Rijnoever.
Segestus, -tes = Acestes.
Segetia, z. Segesta.
Segimerus, Segimeros, Segimeros, Segimer, 1) vader van Arminius,
nam deel aan den strijd tegen Varus.--2) broeder van Segestes,
onderwierp zich aan Germanicus in 15 na C.
Segimundus, Siegmond, zoon van Segestes, was Romeinsch priester te Ara
Ubiorum, toen de opstand der Cheruscen uitbrak (9 na C.), en vluchtte
toen naar zijn vaderland. In 15 werd hij door zijn vader uitgeleverd,
en door Germanicus in genade aangenomen.
Segni, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Eburones, die
aan de Mosa (Maas), en de Treviri, die aan de Mosella (Moezel) woonden.
Segobriga, Segobriga, in Hispania Tarraconensis, 1) hoofdstad der
Celtiberi, aan den bovenloop van den Sucro gelegen.--2) stad der
Edetani, ten N.W. van Valentia (Valencia).
Segodunum, Segodounon, 1) hoofdstad der Ruteni in Aquitania, thans
Rhodez.--2) stad der Hermunduri in Germania, misschien Würzburg aan
den Main.
Segontia, Segontia = Saguntia.
Segontiaci, volksst. in het Z. van Britannia.
Segovia, Segoubia, stad der Arevaci in Hispania Tarraconensis, ten
W. van de Iuga Carpetana, thans nog Segovia geheeten.
Seguntia, zie Saguntia.
Segusiani, Segousianoi, gallische volksstam in Lugdunensis, ten W. van
den Rhodanus (Rhône), die hen van de Allobroges scheidde.
Segusiavi = Segusiani.
Segusini, alpenvolkje aan de Cottische Alpen, onderdanen van koning
Cottius (z. a.). Hoofdstad: Segusio (Susa), waar nog een triumfboog
bestaat, door Cottius ter eere van Augustus opgericht.
Segusio, zie Segusini en Cottiae Alpes.
Seia, z. Segesta.
Seianus (L. Aelius), zie Aelii no. 8.
Seii. 1) M. Seius wist als aediel in 74 bij eene groote duurte
maatregelen te nemen om toch aan het volk te Rome goedkoop graan
te leveren.--2) M. Seius, misschien zoon van no. 1, een vriend
van D. Iunius Brutus.--3) Q. Seius Postumus werd door P. Clodius
vergiftigd, omdat hij weigerde, hem zijn huis te verkoopen.--4)
L. Seius Strabo, praefectus praetorio in 14 n. Chr. vader van L. Aelius
Seianus, die nog in 14 zijn ambtgenoot werd (z.a.).--5) L. Seius
Tubero, was in 16 na C. legaat onder Germanicus, in 18 met hem consul.
Seisachtheia, afschudding van lasten, een maatregel, door Solon
genomen tot verlichting der arme burgers, die tengevolge eener
verkeerde wettelijke regeling steeds dieper bij de rijken in schuld
geraakten, hoe langer hoe minder in staat waren hunne schuldeischers
te voldoen, en ten slotte dikwijls hunne bezittingen en zelfs hunne
vrijheid verloren. Solon verklaarde alle hypotheken en misschien ook
alle andere schuldvorderingen vervallen.--V. a. bestond de seis. in
verlaging van den muntstandaard (zoodat 100 nieuwe drachmen de waarde
hadden van 73 oude) en van den rentevoet, doch het is niet aan te
nemen, dat deze maatregelen de beoogde, en ook werkelijk bereikte,
gevolgen konden hebben.
Selene, Selene, Mene, Luna, godin der maan, dochter van Hyperion en
Theia, zuster van Helius en Eos. Haar wagen is met witte paarden of
koeien bespannen. Zij werd als maangodin dikwijls verward met Artemis,
Hecate of Persephone, evenals Artemis draagt zij den naam Phoebe,
en ook onderscheiden hare beelden zich van die van Artemis alleen
door meer bekleeding en door een sluier van eigenaardigen vorm.
Seleucia, Seleukeia, naam van verschillende steden, meest door Seleucus
I gesticht. 1) Sel. ad Tigridem, he epi tou Tigretos, eigenlijk niet
onmiddellijk aan de Tigris, maar aan een zijkanaal gelegen. De muren
waren gebouwd in den vorm van een adelaar met uitgespreide vlerken. Het
was eene uiterst bloeiende handels- en fabrieksstad met eene bevolking
van ongeveer 600000 zielen, Babyloniërs, Grieken, Macedoniërs,
Joden. Kunsten en wetenschappen werden er vlijtig beoefend. In 116 na
C. werd de stad wegens oproer door Traianus getuchtigd en gedeeltelijk
door brand vernield. Door L. Verus werd zij in den Parthischen oorlog
in 165 andermaal voor een groot gedeelte verwoest. Overvleugeld
door het nabijgelegen Ctesiphon, ging S. voortdurend achteruit
en was tijdens Iulianus geheel verlaten (363).--2) Sel. Pieria,
he en Pieria, in Syria, aan zee gelegen ten N. der monding van den
Orontes, met eene ruime en veilige haven. Als vesting was het schier
onneembaar. Er bestaan nog belangrijke ruïnen en catacomben van,
nabij Kapse.--3) Sel. ad Belum, he pros Belo, kleine vesting in Syria
aan den berg Belus, in het Orontesdal, tusschen Emesa en Apamea.--4)
stad in het N. van Palaestina, ten N. van het meer Samachonitis.--5)
Sel. Tracheotis, he Tracheia, in Cilicia aspera, aan den Calycadnus
(Saleph), met een orakel van Apollo en jaarlijksche spelen ter eere
van Zeus Olympius. De wijsgeeren Athenaeus en Xenarchus waren hier
geboren.--6) stad in het N. van Pisidia.--7) stad in het Z. van het
perzische gewest Margiane, aan den bovenloop van den Margus, door
Alexander den Gr. onder den naam van Alexandria gesticht, later door
barbaren verwoest, doch door Antiochus I, Seleucus' zoon, herbouwd.
Seleucis, Seleukis, de schoonste provincie van Syria, ook Tetrapolis
geheeten naar hare vier steden: Antiochia (Epidaphnes), Seleucia
(Pieria), Apamea (ad Orontem) en Laodicea (ad Libanum).