vorstenhuis der Sassaniden. 1) S. I (241(2)-273 na C.) voerde zware
oorlogen tegen de Rom. en nam in 259 keizer Valerianus bij een
onderhoud verraderlijk gevangen. Valerianus, die tot zijn dood toe
(268) gevangene bleef, moest den perzischen koning tot voetbank dienen,
wanneer deze te paard steeg. S. veroverde verder Syria, verwoestte
Antiochia, Tarsus in Cilicia en drong in Cappadocia door. Door
Odenathus en Zenobia werd hij echter in zijne veroveringen gestuit en
naar zijn eigen gebied teruggedreven.--2) S. II (310-379 na C.) was
mede een hevig vijand van Rome en vervolgde de Christenen. Het was
in den oorlog tegen hem dat keizer Iulianus omkwam (363 na C.).
Sappho, Sappho, van Mytilene of Eresus op Lesbus, beroemde lyrische
dichteres omstreeks 600. Daar zij tot de adelspartij behoorde, moest
zij, evenals Alcaeus, omstreeks 596, haar vaderstad verlaten, en heeft
toen een tijd lang op Sicilië geleefd. Later keerde zij terug. Zij
onderwees te Mytilene jonge meisjes in muziek en poëzie. Overigens
is van haar leven weinig of niets bekend, en de geruchten omtrent
haar onzedelijken levenswandel blijken even weinig grond te hebben
als het verhaal van hare onbeantwoorde liefde voor Phaon, die haar
eindelijk zou hebben doen besluiten, zich van de Leucadische rots
in zee te werpen.--Hare gedichten, meest in de naar haar genoemde
sapphische versmaat geschreven, waarvan, behalve een vrij groot aantal
fragmenten, slechts twee volledig bewaard zijn gebleven, munten uit
door dichterlijken gloed en schoone taal, en worden door de ouden
terecht hoog geprezen.
Saraceni, Sarakenoi, rondzwervende stam in Arabia Felix.
Sarangae, Sarangai, zie Drangiane.
Sarapis = Serapis.
Sardanapalus, Sardanapalos, wordt gewoonlijk de laatste koning van
Assyrië genoemd. Van hem wordt verhaald, dat hij na een wellustig en
verwijfd leven, door den Mediër Arbaces en den Babyloniër Belesys
aangevallen, zich na een tweejarige heldhaftige verdediging in
Niniveh met al zijne vrouwen en schatten liet verbranden, omstreeks
888. Inderdaad was de naam van den laatsten assyrischen koning
Saracus, en werd Niniveh omstreeks 606 door Nabopolassar en Cyaxares
ingenomen. De naam S. is, naar men vermoedt, dezelfde als Assurbanipal,
die kort te voren (667-626) niet zonder roem over Assyrië regeerde.
Sardes (plur.), Sardeis, oude beroemde hoofdstad van Lydia, aan den
voet van den Tmolus in het liefelijke dal van den Pactolus gelegen. In
± 500 werd de lichtgebouwde en grootendeels met stroo gedekte stad door
de Ioniërs in brand gestoken. Dit lot onderging zij ook later door
den syrischen koning Antiochus den Gr. (192). Ook werd zij tijdens
keizer Tiberius door eene aardbeving verwoest. De burcht, die het
paleis en de schatkamers bevatte, werd voor onneembaar gehouden. Er
zijn nog enkele verstrooide overblijfselen van Sardes aanwezig. Sedert
de verwoesting door den mongoolschen veroveraar Timoerlenk of Tamerlan
is de stad niet meer opgebouwd.
Sardi, Sardooi, inwoners van Sardinia, een gemengd ras, traag en ruw,
en bij de ouden als trouweloos en boosaardig aangeschreven, zoodat
zij op de slavenmarkten weinig geld opbrachten en goedkoop waren
(Sardi venales). Zij gingen in dierenhuiden gekleed (Sardi pelliti).
Sardica = Serdica.
Sardinia, Sardo, het tegenw. eiland Sardinië in de Tyrrheensche zee,
hetwelk de Carthagers na den eersten punischen oorlog met Corsica
moesten afstaan (238). Op de kust lagen phoenicische, carthaagsche
en tyrrheensche volkplantingen. Het bezit van het eiland, zoowel door
Rome als door Carthago, bepaalde zich eigenlijk tot het kustland. Het
hart des lands, het bergland der Montes insani, werd nooit geheel
onderworpen, en gedurig worden krijgstochten der Rom. tegen de
Sardi (z. a.) vermeld. In 450 na C. kwam het eiland in handen der
Vandalen. Het land was niet onvruchtbaar, doch aan landbouw werd weinig
gedaan. Er waren schapen, die op geiten geleken; op de kusten werden
veel konijnen gevangen, verder leverde het land graan, boomvruchten,
zilver en ijzer op. De sardinische honig was eenigszins bitter,
evenals de corsicaansche; vandaar: amarior melle Sardo. Er groeide
een klimplant, Sardonia herba, met giftige eigenschappen, die een
stuipachtig vertrekken van den mond te weeg bracht, risus Sardonius.
Sardonius of -nicus (risus), sardonisch lachen, zie Sardinia.
Sardus, Sardos, zoon van Maceris, voerde eene kol. uit Libye naar
het eiland Ichnusa, dat naar hem Sardo (Sardinië) genoemd werd.
Sarepta, Sarapta, stad van Phoenice, met beroemden wijn, tusschen
Tyrus en Sidon.
Sarissa, saris(s)a, een lans, bij de macedonische infanterie in
gebruik. Onder Alexander den Gr. was de sar. hoogstens 5 1/2 M. lang,
later beproefde men langere, er worden zelfs sar. van bijna 7 1/2
M. vermeld. Ook bij de ruiterij had men een corps sarisophoroi.
Sarmatia, Sarmatia. Sarmaten, Sarmatae, Sarmatai, was de naam
van een uitgebreiden volksstam ten O. van den Beneden-Tanais
(Don). Daarnaar is door den aardrijkskundige Pomponius Mela (±
50 na C.) de benaming Sarmatia in gebruik gekomen voor het land
tusschen de Vistula (Weichsel) en den Tyras (Dniëster) ten W., den Rha
(Wolga) ten O., den Caucasus met de aangrenzende zeeën ten Z. en het
mare Suevicum of Sarmaticum (Oostzee) ten N. Als scheiding tusschen
europeesch en aziatisch Sarmatia werd gewoonlijk de Tanais aangenomen
(zie Europa). Sarmatia werd bovendien bewoond door een aantal groote
volksstammen: Venedae (Wenden), Peucini, Bastarnae, Iazyges, Roxolani,
Alauni of Alani, waartusschen een aantal kleinere woonden.
Sarmaticae portae, Sarmatikai pylai, bergpas in den Caucasus, die
van Iberia noordwaarts naar Sarmatia voerde.
Sarmatici montes, het W. gedeelte der Alpes Bastarnicae, de
tegenw. kleine Karpathen.
Sarmaticum mare, Sarmatikos okeanos, de Oostzee, bij dichters ook
wel de Zwarte zee.
Sarmizegethusa, Sarmizegethouse, koninklijke residentie van koning
Decebalus van Dacia, later na de verovering door Traianus rom. kolonie,
colonia Ulpia Traiana Augusta.
Sarnus, Sarnos, rivier in Campania, die langs Nuceria stroomde en
bij Pompeii in zee viel. Door de uitbarstingen van den Vesuvius is
de loop gewijzigd.
Saronicus sinus, Saronikos kolpos, thans golf van Egina, tusschen
Attica, den Isthmus en Argolis.
Sarpedon, Sarpedon, 1) zoon van Zeus en Europa, geraakte in twist
met zijn broeder Minos en vluchtte met Miletus (z. a.) naar koning
Cilix, dien hij tegen de Lyciërs bijstond. Later werd hij koning der
Lyciërs. Hij beleefde drie menschengeslachten.--2) zoon van Zeus
en Laodamea, koning der Lyciërs, kwam als bondgenoot van Priamus
naar Troje, waar hij vele dappere daden verrichtte en eindelijk door
Patroclus gedood werd. Zeus liet zijn lijk naar Lycië brengen om daar
begraven te worden.
Sarpedon(ium) promunturium, Sarpedonia akra, 1) kaap van Thracia
tegenover het eil. Imbrus.--2) kaap van Cilicia nabij Seleucia.
Sarrastes, oude stam in Campania aan den Sarnus.
Sarsina, Sarsina, stad in Umbria, later rom. municipium, nabij de
grenzen van Cispadana, aan den Sapis.
Sarte, Sarte, stad op het chalcidische schiereiland Sithonia.
Sarus, Saros, belangrijke rivier, die in Cataonia op den Antitaurus
ontspringt, door de stad Comana stroomt, door den Taurus breekt,
langs de cilicische stad Adana vloeit en ten Z. van Tarsus in zee valt.
Saso, Sason, rotsig eilandje op de illyrische kust tegenover kaap
Acroceraunium, een zeer gezochte schuilhoek en landingsplaats voor
zeeroovers.
Saspires, -ri, Saspeires, -roi, scythisch volk in de gebergten van
N.W. Armenia.
Sassanidae, Sassanidai. In 227, v. a. in 224 na C. wierp Artaxerxes
(zie Artaxerxes no. 4), parthisch veldheer, den troon der Arsaciden
omver, en stichtte het nieuw-perzische rijk. Naar Sassan, Artaxerxes'
grootvader, die van de oud-perzische koningen beweerde af te stammen,
werd het nieuwe vorstenhuis dat der Sassaniden genoemd. Zooveel
mogelijk had een terugkeer plaats tot oudperzische zeden en
instellingen; zoo herleefde o. a. de leer van Zoroaster en de titel
"koning der koningen". Reeds Artaxerxes geraakte met de Rom. in oorlog
en de Nieuw-Perzen betoonden zich even verbitterde vijanden van Rome
als vroeger de Parthen. Het sassanidische rijk bestond tot in 631,
toen de Arabieren Perzië veroverden.
Sassula, stad in Latium, aan Tibur onderhoorig; ligging onbekend.
Satala, ta Satala, aanzienlijke stad en strategisch punt in het
N.O. van Armenia minor, van waar vier wegen naar de kust van den Pontus
Euxinus (Zwarte zee) liepen. Het was een der sleutels van Pontus.
Saticula, Satikola, stad en sedert 313 lat. kolonie in Samnium op
een berg aan de campaansche grens.
Satira, oud satura, eigenlijk: een allegaartje. Eene lanx satura was
een schotel met allerlei spijzen gevuld, oorspronkelijk quae referta
variis multisque primitiis sacris Cereris inferebatur. Vervolgens
werden gedichten van verschillenden, weinig samenhangenden inhoud
met dezen naam bestempeld en wordt de naam satura toegepast op de
fescennische kluchten en de atellaansche boertspelen. Ennius bracht
eene wijziging hierin. Zijne saturae hadden wel de oude afwisseling
van vorm en maat, doch waren van meer ernstigen inhoud. Den grooten
overgang echter tot het hekeldicht vormen de satiren van Lucilius
(180-103), die in zijne schilderingen een critiseerenden toon aansloeg
en aan Horatius tot voorbeeld heeft gestrekt. Zoo werd de satire
een soort van causerie met hekelenden toon, bij Horatius vroolijk en
luimig, bij Persius en Iuvenalis scherp of bitter. Niet alle satiren
waren in versmaat, M. Terentius Varro (116-27) schreef proza en poëzie
dooreen, door hem zelven saturae Menippeae genoemd, omdat hij de voor
ons verloren geschriften van den cynischen wijsgeer Menippus tot
voorbeeld nam. De varroniaansche satirenvorm vond o. a. navolging
bij Seneca en in het Satyricon van Petronius, doch de hekelende
strekking, die aan Varro's geschriften vreemd was gebleven, kreeg
de overhand. In de grieksche literatuur komt de satire niet voor;
vandaar zegt Quintilianus: satira quidem tota nostra est.
Satniois, Satnioeis, riviertje in het Z. van Troas, dat bij Hamaxitus
in de Aegaeische zee valt.
Satrae, Satrai, vrijheidslievend volk in Thracia tusschen den Strymon
en den Nestus.
Satricum, 1) stad in Latium nabij Antium, oorspronkelijk latijnsch,
488 volscisch, vaak door de Rom. hernomen en weer verloren, in 346
verwoest.--2) municipium aan den Liris, valt in 321 van de Romeinen af,
en sluit zich aan bij de Samnieten; in 319 wordt de stad heroverd en
ontwapend. Deze stad wordt vaak met de vorige verward.
Satrii. 1) Satrius Secundus verried Seianus.--2) Satrius Rufus,
redenaar ten tijde van Domitianus en Nerva, een vriend van Plinius
minor.
Saturae palus, moeras in Latium bij het promunturium Circeium, ontstaan
door de gebrekkige uitwatering van den Nymphaeus, een riviertje,
dat bij Norba ontspringt.
Satureium, -rium of -rum, stadje ten Z.O. van Tarentum, bekend door
een fijn paardenras.
Saturius (P.), de advokaat van L. Fannius Chaerea, de tegenpartij
van Q. Roscius Comoedus (Roscii no. 2).
Saturnalia, feest ter eere van Saturnus, jaarlijks te Rome van 17 tot
23 December gevierd. De grieksche wijze van viering van dit feest is
ingevoerd in 217. Sedert offerde men aan den god Graeco ritu. Het
feest werd beschouwd als eene herinnering aan de gouden eeuw, toen
Saturnus op aarde leefde. Allerwege heerschte vroolijkheid, men liet
allen arbeid rusten, gaf elkander maaltijden en geschenken, en zelfs
de slaven genoten op die dagen vrijheid en werden soms zelfs door
hunne heeren bediend, ter gedachtenis aan de gelijkheid van standen
onder Saturnus' regeering. De geschenken, die men elkander gaf, waren
vroeger meestal waskaarsen en poppen van aardewerk (z. Sigillaria),
later voorwerpen van grootere waarde.
Saturnia, 1) oude dichterlijke naam voor Italia, meer in het bijzonder
voor Latium (zie Saturnus).--2) oude stad van Etruria, rom. kolonie
sedert 183, vroeger Aurinia geheeten.--Zie ook Saturnius.
Saturninus, 1) familienaam in de gentes Appuleia, Sentia, Volusia.--2)
Aelius Saturninus werd van den capitolijnschen berg geworpen, omdat
hij een spotdicht op keizer Tiberius had gemaakt (23 n. C.).--3)
Aponius Saturninus versloeg in 69 onder Otho, als bestuurder van
Moesia, de Rhoxolani, die een inval gedaan hadden, diende later onder
Vespasianus, en verloor bijna het leven in een soldatenoproer.--4)
een der zoogenaamde 30 tyrannen, die in 260 na C., na de gevangenneming
van keizer Valerianus door de Perzen, allerwege tot rom. keizer werden
uitgeroepen.--5) generaal onder Aurelianus en Probus, in 280 na C. in
Syria tot keizer uitgeroepen en eerst na hevigen strijd overwonnen
en door de troepen vermoord.
Saturnius, -a, Jupiter, Neptunus, Pluto, Juno en Vesta, kinderen
van Saturnus.
Saturnus, oud-italisch god van zaadvelden en landbouw. Wegens sommige
punten van overeenkomst tusschen hem en Cronus, met wien hij later
geheel vereenzelvigd werd, verhaalde men dat hij, door Jupiter van den
troon gestooten, na lange omzwervingen in Italië aangekomen en door
Janus gastvrij ontvangen was; daarvoor had hij landbouw en beschaving
ingevoerd en was zijne regeering een tijd van vrede, overvloed en
geluk, dien men de gouden eeuw noemde. Zie ook Saturnalia.--In den
tempel, dien hij gemeenschappelijk met zijne gemalin Ops aan den voet
van het Capitolium had, werd de schatkist bewaard.
Satyri, Satyroi, wezens, die tot de omgeving van Dionysus behooren
en evenals hij het rijke, weelderige leven der natuur voorstellen,
maar op ruwe en grof zinnelijke wijs. Zij verheugen zich in drinken,
dansen, spelen en muziek, gaarne zijn zij in gezelschap der nimfen,
die zij dikwijls tevergeefs met hunne liefde lastig vallen, en
jagen zij den eenzamen wandelaar in de stille bosschen vrees en
schrik aan. Hun voorkomen wordt als half dierlijk beschreven; zij
hadden stompe neuzen, borstelig haar, spitse ooren en een staart; in
oudere kunstwerken worden zij dikwijls zoo voorgesteld, maar latere
kunstenaars gaven hun eene jeugdige en bevallige gestalte en schoone,
maar schalksche gelaatstrekken.--Bij de romeinsche dichters zijn zij
gelijk aan Panen, Faunen en dgl.
Satyrica fabula, drama satyrikon, een tooneelstuk, dat op het grieksch
tooneel na het treurspel opgevoerd werd, opdat de toeschouwers in
vroolijke stemming den schouwburg zouden verlaten, z. Tetralogia. Deze
stukken waren in den trant van treurspelen bewerkt, de hoofdpersonen
waren ook de bekende epische en tragische helden, maar het koor bestond
uit satyrs, die lichamelijk en zedelijk zulk een tegenstelling met
die helden vormden, dat uit hunne ontmoeting lachwekkende toestanden
geboren moesten worden. Deze dichtsoort werd door Pratinas te Athene
ingevoerd.--De Cyclops van Euripides is het eenige satyrdrama, dat
wij nog in zijn geheel bezitten.
Satyrus, Satyros, 1) S. I, koning van Bosporus, bondgenoot der
Atheners (407-393).--2) S. II, koning van Bosporus, sneuvelde na eene
korte regeering in een oorlog tegen zijn broeder Eumelus (310).--3)
tooneelspeler te Athene, tijdgenoot van Demosthenes.--4) peripatetisch
wijsgeer uit de 2de eeuw, schrijver van levensbeschrijvingen van
beroemde mannen.--5) grammaticus, leerling van Aristarchus, tijdgenoot
van den vorigen.--6) geleerd geneesheer, leermeester van Galenus,
schrijver van commentaren op Hippocrates.--7) naam van een of twee
epigrammendichters.
Sauconna, latere naam voor den Arar (Saône).
Saufeius (L.), vriend van T. Pomponius Atticus te Rome, die hem hielp
om zijne bezittingen terug te krijgen, die hij in de troebelen na
Caesar's dood verloren had.
Sauromatae = Sarmatae, zie Sarmatia.
Savaria = Sabaria.
Savo, 1) langzaam voortstroomende rivier in Campania tusschen den
Liris en den Volturnus.--2) = Sabata no. 2.--3) stad bij de Zee-Alpen,
aan zee, ten W. van Genua.
Sa(v)us, Saos, zijtak van den Ister (Donau), thans Sau of Save,
in het Z. van Pannonia.
Saxa, zie Decidius Saxa.
Saxa rubra, zie Rubra saxa.
Saxum Tarpeium, zie Tarpeii en Capitolinus (mons).
Saxones, Saxones, germaansch volk tusschen den Albis (Elbe) en de
Oostzee in het tegenw. Holstein gevestigd en eerst omstreeks 285 na
C. als zeeschuimers opgetreden. Later vormden zij de kern van een
verbond der volken van N.W. Germania (z. Chauci), dat zich ook in ons
land uitstrekte tot aan de Isala, die de grensrivier tegen de Franken
was. Een gedeelte van het volk vestigde zich samen met de Angili en
de Jutten in de 5de eeuw n. Chr. in Engeland.
Scaea porta, Skaiai pylai, poort aan de Westzijde van Troje, die naar
het grieksche leger leidde.
Scaeva, 1) een rom. centurio, die onder Caesar met roem in Britannia
streed en in de burgeroorlogen een kasteel bij Dyrrachium met grooten
moed verdedigde.--2) bij Horatius een verkwister, die zijne oude
moeder vergiftigde.
Scaevola, familienaam in de gens Mucia.
Scalae Gemoniae, zie Gemoniae scalae.
Scaldis, rivier in Belgica, thans Schelde.
Scamander, Skamandros, 1) rivier in de trojaansche vlakte, om zijn
gele kleur ook Xanthos genoemd. Hij ontsprong op het Idagebergte bij
Scepsis, vereenigde zich dicht bij den mond met den Simoïs, waarna
zij bij kaap Sigeum in zee vielen. De monding was reeds vroeg bijna
dichtgeslibt, zoodat er een kanaal naar zee moest gegraven worden.--2)
zie Egesta.
Scamandrius, Skamandrios, de eigenlijke naam van Astyanax.
Scandea, -ia, Skandeia, haven aan de O.-zijde van het eiland Cythera
(Cerigo).
Scandia, Scandinavië, waarvan de ouden een zeer onjuiste of onvolledige
kennis hadden. Zij kenden eenige eilanden, Scandiae insulae, waarvan
het grootste op de Zuidspits van Zweden schijnt te doelen (het
tegenw. Scania, Skone, Schonen). De bewoners heetten Hilleviones,
en zijn van germaanschen stam.
Scandila, Scandira, eilandje in het W. der Aegaeische zee, bij
Peparethus.
Scantia Silva, bosch in Campania, met bronnen (aquae Scantiae),
in welker nabijheid ontvlambare gassen uit den bodem opstegen.
Scapte Hyle, Skapte hyle, thracisch kuststadje nabij den mons Pangaeus,
aan Thasus behoorende. Uit de nabijgelegen goudmijnen trokken de
Thasiërs 80 talenten 's jaars. Thucydides (de geschiedschrijver) die
hier ook bezittingen had, bracht er van 423 tot 403 de jaren zijner
ballingschap door.
Scaptensyla = Scapte Hyle.
Scaptia, oude, vroeg verdwenen stad van Latium.
Scaptii, rom. geslacht. M. Scaptius haalde Cicero, die toen proconsul
van Cilicia was, over, het geschil over geleende gelden, dat tusschen
M. Brutus en de stad Salamis op Cyprus gerezen was en dat Cicero ten
gunste van Salamis wilde beslissen, niet af te doen, maar aan zijn
opvolger, die op Brutus' hand was, over te laten.
Scapula, zie Quinctii no. 12.
Scardona, Skardona, hoofdst. van Liburnia, in het Z. gelegen, aan
den Titius.
Scardus mons, Skardon oros, grensgebergte tusschen Illyria ten W. en
Dardania en Paeonia ten O.
Scarphe, Scarphea, Skarphe, -pheia, stad der epicnemidische Locriërs,
het knooppunt der wegen naar de Thermopylae.
Scatinavia = Scandia.
Scaurus, familienaam in de gentes Aurelia (Aurelii no. 10) en Aemilia
(Aemilii no. 11-14).
Sceleratus campus, een plein of veld buiten de porta Collina te Rome,
waar vestaalsche maagden, die hare gelofte van kuischheid geschonden
hadden, levend begraven werden. Voordat de kluis werd dichtgemetseld,
werd er, behalve spijze, ook eene brandende lamp in geplaatst,
waardoor de dood nog werd verhaast.
Scena, skene, eigenlijk de achter- en zijwanden van het tooneel, in
ruimeren zin het geheele tooneel met inbegrip van het proscenium en
de ruimte er achter en er naast; hoi epi skenes, de tooneelspelers;
ta apo skenes, liederen, die door de tooneelspelers, niet door het
koor, gezongen werden.
Scenitae, Skenitai (= tentbewoners), algemeene naam der nomadische,
onder tenten levende stammen in Arabia en Meroë.
Scepsis, Skepsis, oude stad in het binnenland van Troas, door Trojanen
gesticht, later milesische kolonie. Toen later een groot gedeelte der
bewoners naar Alexandria Troas was overgebracht, heette de oude stad
Palaescepsis, Palaiskepsis.
Sceptici, Skeptikoi, z. Pyrrho.
Schedius, Schedios, naam van twee aanvoerders der Phocensers voor
Troje, beiden door Hector gedood.
Scheria, Scheria, het eil. der Phaeaces (z. a.). In later tijd vond
men dit eiland terug in Corcyra (z. a.).
Schiste hodos, de driesprong, waar Oedipus zijn vader Laius doodde;
volgens Aeschylus bij Potniae aan den Cithaeron, volgens Sophocles
in Phocis, in de buurt van Daulis (z. Parnassus).
Schoeneus, Schoineus, zoon van Athamas en Themisto, koning in Boeotië,
vader van Atalante.
Schoenus, Schoinos, vlek in Boeotia, aan het meer van Hyle.
Schoenus, Schoinous (= biezenstad), 1) eene der havens van Corinthus,
aan de Oostkust van den Isthmus, ten N. van Cenchreae.--2) vlek in
het hart van Arcadia, bij Methydrium.
Scholium, scholion, aanteekening op den rand van een handschrift;
zulke aanteekeningen bevatten critische opmerkingen, verklaringen van
moeilijke plaatsen, enz. Veelal waren het uittreksels uit de werken van
alexandrijnsche geleerden, en bij het copieeren van het handschrift
werden zij dikwijls mede overgeschreven. De scholia, die in de nog
bestaande handschriften gevonden worden, zijn van zeer ongelijke waarde
en in de meeste gevallen is het onbekend van wien zij afkomstig zijn.
Sciapodes, Skiapodes, fabelachtig volk in Libye; zij hadden zulke
groote voeten, dat zij die, wanneer zij zaten, als zonneschermen
konden gebruiken.
Sciathus, Skiathos, eiland en stad in de Aegaeïsche zee nabij de
kusten van Euboea en van het thessalische kustland Magnesia, door
de Chalcidiërs gekoloniseerd, in 200 door de Macedoniërs verwoest,
later een schuilhoek voor de zeeroovers.
Scidrus, Skidros, kleine grieksche stad aan de Westkust van Italia,
in Lucania, ten O. van Pyxus (Buxentum).
Scillus, Skillous, stad in het elische gewest Triphylia, aan den
Selinus, een zijtakje van den Alpheus. Xenophon bracht er een gedeelte
zijner ballingschap door en stichtte er een tempel voor Artemis,
in het klein gelijkende op dien te Ephesus.
Scione, Skione, stad van Chalcidice op het schiereiland Pallene.
Scipiades, iemand uit de familie der Scipio's, dichterlijk woord.
Scipio, familienaam in de gens Cornelia z. Cornelii 6-26.
Sciras, Skiras, bijnaam van Athena van onzekere beteekenis,
vgl. Scirophoria.
Sciritis, Skiritis, eene woeste bergstreek in het N. van Laconica,
genoemd naar het stadje Scirus, ten N. van Sparta, aan den weg naar
Tegea. De inwoners, Sciritae, Skiritai, vormden in het spartaansche
leger een afzonderlijk korps, meest van 600 man (Skirites lochos),
dat de eereplaats aan den rechtervleugel innam, op marsch de voorhoede
vormde en op de gevaarlijkste plaats gelegerd was.
Sciron, Sk(e)iron, 1) een berucht roover, die op de Scironische
rots tusschen Attica en Megaris woonde, de voorbijgangers dwong hem
de voeten te wasschen en hen daarna in zee schopte, waar zij door
een schildpad werden verslonden. Theseus deed hem op dezelfde wijze
omkomen.--2) zoon van Pylas, schoonzoon van Pandion. Hij betwistte
Nisus de heerschappij over Megara, maar Aeacus, als scheidsrechter
ingeroepen, kende Nisus de regeering en Sc. het opperbevel in den
oorlog toe.
Scironides, Skironides, een van de atheensche strategen, die in 412 bij
Miletus eene overwinning op de Lacedaemoniërs en Milesiërs behaalde;
onder de 400 werd hij afgezet.
Scirophoria, Skirophoria, feest ter eere van Athena Sciras den 12den
Scirophorion te Athene gevierd. Bij den feestelijken optocht van den
burcht naar Eleusis liepen de priesteressen dier godin en de priesters
van Erechtheus en Helius onder een groot wit zonnescherm (skiron), het
zinnebeeld van bescherming tegen de hitte der aanstaande hondsdagen.
Scirophorion, Skirophorion, 12de maand van het Attische jaar
(Juni-Juli), z. annus.
Scirtus, Skirtos, (= de huppelende), waterrijke rivier met sterk
verval, die langs Edessa stroomt, en na zich met den Bilechas (Belias)
vereenigd te hebben, bij Nicephorium in den Euphraat valt.
Scirus, Skiros, zie Sciritis.
Scodra, Skodra, hoofdstad der Labeates, een aanzienlijke stad en
sterke vesting met vele rom. inwoners aan de Z. grens van Dalmatia,
aan den lacus Labeatis, tgw. Scutari.
Scodrus = Scardus.
Scoedises, Skoidises = Scordiscus.
Scolatium, stad in het land der Bruttii, dicht bij den Sinus
Scylleticus, sedert 122 rom. kolonie.